Historisch dagverhaal der reize van den heer De Lesseps Zedert het verlaten van den Heer Graaf de la Perouse en zyne togtgenooten in de haven van St. Pieter & Paulus op Kamchatka, enz.

Part 22

Chapter 223,889 wordsPublic domain

Op zijn raad drong ik sterk bij de inwoonders aan, om mij alle de honden te bezorgen, die zij krijgen konden; dog de naauwkeurigste navorschingen verschaften mij 'er maar een gering aantal; en om die, welken ik noodig had, aantevullen, kon men geen ander hulpmiddel uitdenken dan de jongen en zelfs de wijfjes, die binnen kort werpen moesten voortespannen; de edelmoedigheid deezer lieden ging zo verre, dat ze een gedeelte van derzelver voorraad van gedroogden visch, die niet groot was, ten mijnen behoeven afstonden.

1788. _April_ Den 17.

Vertrek van Toumane.

Des daags van den 17. ging de wind leggen, dog de lucht bleef met zwarte wolken belaaden, die niet veel goeds voorspelden; na dat ik echter van mijn getrouwen Siméon Oumiavin en van mijne vrienden te Toumané afscheid genomen had, vertrok ik des namiddags ten een uuren, verzeld van mijn geleide en al mijn reisgoed, op vijf open sleeden. Ieder voorspan was van agt a tien honden; ik nam een man te meer om mij voor koetzier te dienen, dewijl ik geen sterkte nog moeds genoeg bezat om 'er mij langer van te kunnen ontdoen; deeze vermoeijende oeffening had mij de krachten benomen.

Storm.

Het leed niet lang, of wij bereikten de zee, waar op wij ons begaven, ten einde zeven bergen te ontwijken, die den gewoonen weg ten uitersten moeijelijk maaken; naauwlijks hadden wij vijftien wersten gedeeltelijk over het ijs, gedeeltelijk langs den oever, afgelegt, alwaar wij tot ons geluk genoodzaakt wierden te rug te komen, dewijl de sneeuw op nieuw met een zo onstuimigen wind nederviel, dat dezelve onze sleeden deed waggelen en de honden te rug stiet. Mijne leidslieden waarschuwden mij spoedig van het gevaar, en uit vrees van te verdwaalen, waaren zij van oordeel, om daar digte bij een schuilplaats te zoeken in een verlaaten yourte, die hun bekend was.

Verlaaten yourte, die ons ter schuilplaats verstrekt.

Zij is gelegen aan eene kleine rivier genaamt _Yovanna_, twintig wersten van Toumané: wij kwamen daar verkleumd van de koude, en met sneeuw bedekt; ieder wilde om het eerst daar in nederklimmen, ten einde zich in veiligheid voor den wind te stellen, dog vier voet sneeuw bedekte deszelfs opening; wij plaatsten onze sleeden in reijen, vervolgens baanden wij ons een doortogt met onze raketten, bij gebrek van schoppen; deeze arbeid duurde een uur; wij hadden geen ladder om er inteklimmen; de stoutmoedigste waagde het om 'er in te springen, en de anderen volgden hem; wij vielen op een hoop geheel bevroozen zeewolven, en waar van sommigen half verscheurt waaren, ongetwijffelt door verslindende dieren, aan wien in het hevigste van den winter deeze onderaardsche wooning veelmaals ter schuilplaats zal gediend hebben. Eene ledere zegen, in een hoek gesmeeten, was het eenigste kenteeken, dat menschelijke weezens dit hol bezogt hadden. Het is waarschijnlijk, dat eenige Koriaken uit de omleggende streeken daar van hun voorraadschuur gemaakt hebben; de wanden waaren behangen met ijsschotzen, die in krisstallijnen droppen afhingen; en waarlijk ik kon deeze wooning niet beter dan bij een ruime ijskelder vergelijken; ze is vierkant, en heeft vijf voet diepte op tien voet breedte.

Terwijl wij bezig waaren om de zeewolven ter zijde te plaatzen, ten einde meer ruimte te hebben om ons te kunnen nederleggen, maakten mijne geleiders onze honden vast[151] en gaven hun derzelver rantsoen van gedroogden visch; terzelver tijd ontstak men het vuur, om ons te warmen en om onzen avondmaaltijd gereed te kunnen maaken; daar na lag ik mij op het lederen net, het welk wij in de yourte gevonden hadden: een zeewolf diende mij tot een hoofdkussen; mijne medgezellen volgden mijn voorbeeld na, en behalven de onaangenaamheid van een weinig digt bij den anderen te leggen, bragten wij eenen zeer goeden nagt door, wij hadden aan de Koriaken van mijn gevolg een geheelen hoek ingeruimd, dog zij lagen de een op den ander, en konden zich zelfs niet uitstrekken; echter beklaagde zich geen van hun deswegens, nog scheen 'er zelfs eenige aandagt op te vestigen. Ik zag hen even als de aapen neerhuiken, het hoofd in hun parque winden, vervolgens met de elleboogen op de knie-ën leunende, zo rustig inslaapen, als of zij wel op hun gemak geplaatst waaren geweest.

[151] De sneeuw viel in zulk een overvloed, dat die arme dieren onder deszelfs dikte als begraaven waaren, dog gewoon aan het slegte wêer, verzamelen zij zich in gelederen en steeken altoos den neus in den wind, zo dat de warmte van derzelver adem, terwijl die hun koud bekleedzel doordringt, voor de ophaaling een vrijen doortogt laat: zij weeten ook zeer wel, wanneer dit dekzel te zwaar word, het zelve afteschudden.

1788. _April_ Den 18.

Den volgenden dag veranderde de wind, dog even geweldig als die van daags te vooren, was hij ons nog hinderlijker; hij joeg den rook weer in de schoorsteen, zo dat wij 'er bijna van verstikten en blind wierden. Toen beslooten wij, dat men geen vuur zou aansteeken dan tegens eetenstijd.

Ik wilde beproeven, of ik dit ongemak niet door eenige schikkingen van buiten kon verhelpen; wanneer ik buiten kwam, dagt ik door den wind omver gesmeeten te zullen worden. De Heer Kisséliof, die mij volgde, raakte zijn muts kwijt, hij wilde die met eenigen van onze leidslieden naloopen, dog te vergeefs! wanneer hij zich maar vijftien passen van onze schuilplaats verwijderd had, verloor hij die reeds uit het gezicht, zonder te weeten, naar welken kant zich te wenden, om die wederom te vinden, het was alleen door het beantwoorden van zijn geroep, dat wij hem den weg konden aanwijzen.

Door veel arbeids verkreegen wij eindelijk een genoegzaam verheven wal tegens den wind, ten einde een vrijen doortogt aan den rook te geeven: van toen af hadden wij dag en nagt vuur, dog niettegenstaande onze oplettenheid van het aan den gang te houden, waaren wij dikwils geheel van de koude bevangen; de vogtigheid was niet minder onverdraagelijk als de koude; het gestadige vuur deed de stukken ijs, welken ons omringden, ongevoelig smelten; boven ons vormden zich duizenden van gooten, het water stroomde onder onze voeten, en tot overmaat van ongeneugte begonden de zeewolven te ontdooijen en van zich een bedorven lucht te verspreiden. Die, welke uit onze ligchamen uitwaassemde[152], was meer dan genoeg om van onze schuilplaats een wezentlijken afgrond te maaken; daar het onmogelijk was de lucht te zuiveren, zogten wij ten minsten ons van onze buuren, de zeewolven te ontdoen; mijne leidslieden waaren de eerste in voortestellen, van daar mede zo lang onze honden te voeden, als wij genoodzaakt waaren in deeze schrikkelijke spelonk te blijven. Ik gaf daar aan des te gereeder mijne toestemming, uit hoofde dat ik door mijnen weinigen voorraad van gedroogden visch met dezelve spaarzaam te werk moest gaan; door mij dien, welke het goed geluk ons aanbood, toeteeigenen, benadeelde ik ongetwijffeld eenige ongelukkige bewoonders van deeze kusten; dog wanneer men tot het uiterste gebragt is, is de eigenliefde somtijds geoorlooft.

[152] Wij waaren tien persoonen sterk, waar onder zeven Koriaken, wier morsigheid bekend is.

Den 19.

Onverduldig om onze reis te vervolgen, zond ik mijne Koriaken naar buiten om te zien, hoe het wêer was; na verloop van twee minuuten zag ik ze half bevroozen nederwaarts komen; derzelver kleederen en mutsen waaren als ééne sneeuw, de koude had hen zodanig bevangen, dat zij de tanden niet van elkander konden krijgen. De slegte staat, waarin zij zich bevonden, scheen invloed op hun bericht te hebben; dog onder al derzelver verhaalen trof mij dit het meeste, dat sommige rotsen, eenige treden van onze yourte afgelegen, van waar men ze daags te vooren nog ontdekken kon, geheel onzichtbaar geworden waaren.

1788. _April_ Den 20.

Het wêer schijnende te bedaaren, en het sneeuwen optehouden, gaf ik de noodige bevelen tot ons vertrek; reeds waaren onze honden voorgespannen, en wij buiten de yourte gehijst, wanneer een schrikkelijke storm alle onze genomen maatregels in wanorder bragt; de sneeuwvlaagen begonnen op nieuw, wij moesten spoedig naar binnen gaan, ons gelukkig achtende, dat wij wederom een schuilplaats konden vinden. Een oogenblik daar na bevond ik mij gantsch niet wel. Het is mij onbewust, of dit een uitwerkzel was van den schielijken overgang der koude in de warmte, of van de walgende uitwaassemingen, die ik inademde, wanneer ik mij op nieuw in dien afgrond wierp, dan wel, van den spijt, welke mij door zo veel tegenspoeds veroorzaakt wierd; dit is zeker, dat ik meer dan een quartier uurs buiten kennis was. Ik ondervond bij deeze gelegenheid den iever van mijne soldaaten, terwijl de een op mij een vloed water neerstorte, wreef de ander mij intusschen zo hevig met sneeuwvlokken, dat ik geloof, dat hij mij het vel zou hebben weggevreeven, om mij maar weer te doen bijkomen.

Bijzonderheden nopens het plan mijner reis.

Mijne overdenkingen waaren na deeze flaauwte even zo treurig, als de omstandigheden, waar in ik mij bevond; ik beschouwde het plan van mijne reis door zo veele hinderpaalen en genoodzaakte rustdagen geheel omvergeworpen. Ik vreesde, dat ik mij niet voor het losraaken der rivieren naar Okotsk zoude kunnen begeeven; echter was dit onvermijdelijk, indien ik van den nog overigen tijd, die tot de sleedevaart geschikt was, wilde gebruik maaken, om tot de plaats te komen, genaamd _het kruis van Yndoma of Yndomskoikrest_. Van daar tot aan Yakoutsk was het zeker, dat ik door den omweg, dien ik mij voorgestelt had, over de rivieren Yndoma, de Maija en Aldann[153] te neemen, de verhinderingen, door den dooij veroorzaakt, zou ontsnappen, welke de wegen zelfs voor de paarden onbruikbaar maakt; dog in mijne bereekening moest ik geen oogenblik verliezen; een onvoorziene hindernis van éénen dag kon 'er mij een van meer dan twee maanden berokkenen; men moet zich in mijne plaats stellen, om te kunnen beoordeelen, hoe weinig bemoedigend dit vooruitzicht was; ik kan betuigen, dat de dreigende gevaaren mij veel minder verbaasden.

[153] Hoe zeer dit een omweg van meer dan zeven honderd wersten is, was ik door den snellen stroom van deeze rivieren echter zeker van eene gemaklijke vaart, die mij ter gelijker tijd een aanmerkelijken winst van tijd, en tevens het vermaak van het begin der lente zou bezorgt hebben.

1788. _April_ Den 21.

Eindelijk wierd het den 21. mogelijk om ons op reis te begeeven: de lucht was geduurig bezet, de nevel zeer dik, dog de wind gaan leggen, het geen ons deed besluiten om te vertrekken, niettegenstaande het vooruitzicht op een nieuwen orcaan, die ons in eene vreesselijke verlegendheid zou gebragt hebben, want wij konden voor onze aankomst te Yamsk op geen schuilplaats hoopen; wij keerden naar de zee, op welke wij ten naasten bij twee wersten van de kust aanhoudend voortreisden; wij meenden het echter best te weezen, om tegens den avond weder naar den oever te keeren, ten einde aldaar stil te houden; het ijs was zeer effen, en de plaatzing van ons kleine leger aan geene zwaarigheden onderhevig.

Den 22.

Het wierd vroeg opgebrooken, en om de bogten van den oever te vermijden, begaven wij ons weer op de ruimte; daags te vooren hadden wij eenige baaijen gezien, dog in verre na zo groot niet, als die, welke wij deezen dag in den agtermiddag overreeden; wanneer wij 'er vlak voor waaren, ontstond 'er ongelukkig een storm, die mij geene waarneemingen hoegenaamd toeliet.

Baaij Iret.

Ik vernam van mijne leidslieden, dat deeze baaij den naam van de rivier Iret draagt, welke daar invalt; dat dezelve bijna geheel geslooten is en des zomers bij een laage zee droog loopt, de watervogels worden 'er in dat jaarsaisoen bij meenigte gevonden; men komt van Yamsk en deszelfs nabuurschap die, wanneer ze in het ruijen zijn, met netten vangen of met stokken doodslaan; de ondiepte van deeze baaij, die overal waadbaar is, moet de onderneemingen der jagers begunstigen.

Bij het vallen van den avond trokken wij wederom naar den oever, en wij sloegen ons in een schoon mastbosch nabij de rivier Iret ter neder.

1788. _April_ Den 23.

Aankomst te Yamsk.

Deeze dag leverde niets bijzonders op; de wind overviel ons vrij geweldig in het midden van eene vlakte, die omtrent vijf en twintig wersten uitgestrektheids heeft. Ik nam nogmaals toevlucht tot mijn kompas, en wij hadden nog geen vijftien wersten afgelegt, of de lucht klaarde geheel op; wij ontmoeteden op deeze hoogte een sergeant van Okotsk afgezonden; een weinig verder vertoonde de rivier Yamsk omtrent drie wersten van deszelfs uitwatering zich aan ons oog; zijn loop volgende, ontdekten wij ter regterhand een visschers wooning, die zich daar alleen des zomers verzamelen. Ik trok nog zes wersten over het ijs, en vervolgens kwam ik in dit Ostrog, het geen meer dan honderd vijftig wersten van Toumané afgelegen is; dewijl het mij aan beschuit begon te ontbreeken, was ik niet alleen genoodzaakt daar te slaapen, maar 'er zelfs een gedeelte van den volgenden dag te blijven, om mijnen voorraad te vernieuwen.

De Sergeant, die aldaar het bevel voert over de bezetting, uit twintig man bestaande, ontfing mij zeer beleefd; op de aanbeveeling van den Heer Commandant te Ingiga beieverde hij zich, om alles wat ik noodig had, voor mij gereed te doen maaken, en hij gaf mij alle onderrichting, die ik maar verlangde.

1788. _April_ Den 24.

Beschrijving van dit Ostrog.

Het Ostrog of het fort Yamsk is op den oever van de rivier van denzelfden naam, omtrent tien wersten van deszelfs mond gelegen, alwaar ze een baaij vormt, die van uitmuntende ankerplaatsen schijnt voorzien te weezen, dog verscheiden zeer uitsteekende kaapen en eene groote meenigte van klippen, waar mede deszelfs inkomen, om zo te spreeken, als omzoomt is, maaken deeze des te gevaarlijker, naar maate van den engen doortogt, en noodzaakt de scheepen een geruimen tijd te laveeren, of een gunstigen wind aftewachten om dezelve doortevaaren, want men verzekert, dat die vaartuigen moeijelijk bij den wind zeilen. Uit dit alles is optemaaken, dat, indien die oord van meer belang was en meer bezogt wierd, er ook gewis het schipbreuk lijden meer gemeen zou weezen[154].

[154] Het is eenige jaaren geleden, dat een vaartuig van Okotsk komende aldaar ongelukkig verging; de geheele lading in levensmiddelen bestaande was verlooren, men kon alleen zeer weinige manschappen redden.

Men telt te Yamsk vijf en twintig houten huizen, waar van een gedeelte ter plaatze, waar ook de kerk gevonden word[155], met eene vierkante palissadeering omgeeven is, op dezelfde wijs als die te Ingiga, dog van eene mindere hoogte en dikte; de bevolking bestaat in twintig geslachten, die ten naasten bij even als de Russen leeven.

[155] De Koriaken, een vaste woonplaats hebbende, welken men tusschen Ingiga en Yamsk aantreft, zijn allen gedoopt; deeze twee steeden worden maar door eenen priester bediend: zijn gewoon verblijf is te Ingiga, en zeldzaam bezoekt hij zijn district, het geen zich tot aan het Ostrog van Taousk uitstrekt, het welk van den pastoor van Okotsk afhangt.

Wijze waar op de Inwoonders het zout maaken.

Zij hebben een manier om zout te maaken, welke mij niet bekend is; al het hout, dat de zee somtijds op den oever werpt, word met de grootste zorgvuldigheid opgezameld; zo dra het droog is, verbrand men het zelve, vervolgens kookt men de assche, en het overblijvende bezinkzel is een zeer wit zout.

Kleeding der zwervende Tongousen.

Twee dagen voor mijn aankomst te Yamsk was van daar eene horde van zwervende Tongousen vertrokken; om mij den spijt te vergoeden, dat ik ze niet had kunnen zien, toonde men mij derzelver plechtgewaaden, zo wel van de mannen als vrouwen; zij draagen geen hemden, dog een soort van borstlap, die van agteren vastgemaakt word, en tot op de knieën als een voorschoot afhangt; deeze is met rendieren hair geborduurd, en met glaskoraalen van verschillende couleuren vercierd: men behangt dezelve van onderen met yzeren en koperen plaaten en een groot aantal schelletjes. Onder dit voorschoot hebben zij een vellen broek of hansop, en lange geborduurde laarzen van rendieren vel, waarvan het hair naar buiten gekeerd is, dienen hen tot een schoeizel; een lang kamizool bedekt de schouders, aan het einde der mouwen worden handschoenen vastgehegt, welken onder het gewrigt der hand open zijn, ten einde er dezelve door te kunnen steeken; dit kamisool, dat zeer naauw op de borst en aan het lijf is, eindigt bijna op de helft der deijen, en is op dezelfde wijs met borduursel en glaskoraalen vercierd; onder de ribben begind een staart van twee voet lang, dog die niet zeer dik is en agterwaards afhangt, ze is van geverwd zee-wolven hair; derzelver hulsel is een kleine ronde muts, waar van de wangen de ooren bedekken; de geheele kleeding bestaat uit jonge rendieren vellen, met randen van een sabel marter, bever, of diergelijke kostbaare pelterijen voorzien.

De kleeding der vrouwen is ten naasten bij dezelfde, alleen is 'er geen staart nog handschoenen aan vast, en haare muts is op de kruin van het hoofd open; deeze opening is van omtrent twee duimen middellijns, waar door ongetwijffelt het hair heen gaat.

Zodanig zijn de plechtgewaaden van dit volk. In den winter hangen zij gevoerde en veel dikker kleederen om, dog zij gebruiken de voorzorg, om die bij het intreeden in de yourte afteleggen; de vrees van ze te bederven doet hen aanstonds de slegtste aantrekken, en bij de geringste behoefte ontkleeden zij zich geheel.

Op deezen dag begon de zon te schijnen, en den naderenden dooij aantekondigen; derhalven voorzag ik mij van walvischbeenen plaaten, om die onder de schaatzen van mijne sleeden in geval van noodzaaklijkheid vast te maaken; en volgens raad van de bewoonders, gegrond op de ondervinding der reizigers in dit saisoen, nam ik de partij van des nagts te reizen, ten einde over dag, wanneer de zon op zijn sterkst was, te kunnen uitrusten. Ik vertrok van Yamsk des avonds ten elf uuren; onze caravane bestond uit negen groote sleeden of _nartas_[156].

[156] De postkosten worden hier op denzelfden voet als in Kamschatka voor de gewoone sleeden betaald, hoezeer het voorspan der nartas meer als tweemaal zo sterk is, ziet Deel I, pag. 100.

1788. _April_ Den 25.

Berg, genaamt de Babouschka.

Bij het aanlichten van den dag bevonden wij ons aan den voet van eenen der hoogste bergen des lands, omtrent vijftig wersten van Yamsk. De Koriaken hebben aan denzelven den naam van _Babouschka_, of _Grootmoeder_ gegeeven; zij verhaalen, dat op deszelfs kruin een oude tovenaarster begraven legt, die even zo vermaard als gevreest is; mijne leidslieden hielden staande, dat 'er in dit gedeelte van de waereld geen hooger berg gevonden word; dog derzelver bijgeloovige vrees had na mijne gedagten eenigen invloed op hun denkbeeld, want de Villégui scheen mij veel stilder te weezen, ten minsten had ik meer moeite om ze overtetrekken. Boven op de Babouschka gekomen, voorzagen mijne geleiders derzelver voeten van krammen in de gedaante van kleine drievoetjes, vervolgens maakten zij dwars onder de sleeden vrij groote stokken vast, om ze in het afdaalen tegentehouden; men had eigentlijk geen andere voorzorg behoeven te neemen dan de sleeden met den _Oschtol_ of met yzer beslagenen stok te bestieren, ook kwamen wij zonder eenig toeval om laag; de bewoonders van dit land beschouwen echter deeze afdaaling als gevaarlijk, voor al wanneer de sneeuw zich in de oneffenheden opeenhoopt, welke daar worden gevonden, en die als dan zo veele onzichtbaare en bij gevolg onvermijdelijke klippen worden; ook ben ik niet vreemd van te gelooven, dat daar meenigmaal reizigers omkoomen.

Ziet daar volgens alle waarschijnlijkheid den oorsprong der vrees, welke deeze Babouschka aan de Koriaken inboezemd; door een natuurlijk gevolg van hun vooroordeel zijn zij zeer tot dankbaarheid geneigt, wanneer zij zich buiten gevaar zien; die, welke mijn gevolg uitmaakten, beieverden zich om derzelver offerhanden, te weeten tabaksbladeren, stukken visch, yzer &c. op de kruin van den berg agter te laaten, ter plaatze, alwaar zij voorgeeven, dat de tovenaarster rust; anderen hadden daar reeds voor hun oude yzeren krammen, messen, stukken van wapenen en pijlen agtergelaaten. Ik bespeurde daar onder anderen een werpspiets der Tchouktchis, met yvoor bezet, en ik ging derwaarts om ze weg te haalen, met voorneemen om dezelve te bewaaren, mijne geleiders dit ziende gaven een schreeuw, waardoor ik terug gehouden wierd; "Wat gaat gij beginnen, zeide een hunner tot mij? wilt gij ons doen omkomen? zulk een heiligschennis zou ons het grootste ongeluk berokkenen, en gij zoud uwe reis niet kunnen volbrengen". Deeze redevoering zou mij over den beangstigden propheet hebben doen uitschateren van lagchen, indien ik de hulp van alle deeze luiden niet nodig had gehad; om mij dezelve verder waardig te maaken moest ik hunne dwaaling eerbiedigen, en ik hield eene houding, even of ik daar in deel nam; dog naauwlijks hadden zij zich omgekeerd, of ik nam deeze schrikverwekkende pijl weg om die tot een gedenkteeken van de dwaaze bijgeloovigheid deezer volkeren te bewaaren.

Ostrog van Srednoi.

Het eerste dorp, dat ik aantrof, was Srednoi; deszelfs ligging heeft iets schilderachtigs, aan den oever van de zee, en aan den ingang van eene diepe baaij, die zich tusschen het land verliest, terwijl ze het bed voor eene kleine rivier vormt, welkers water nooit brak is; de Koriaken, die daar woonen, onthaalden mij zeer vriendlijk; ik rustte eenige uuren uit in een der twee yourtes, die met verscheide magazijnen de eenigste wooningen van dit Ostrog uitmaaken; deeze yourtes zijn op dezelfde wijs gebouwd, als die der Koriaken, welken een vast verblijf hebben; het eenigste onderscheid bestaat daar in, dat dezelve niet onderaardsch zijn, en dat men 'er door een deur gelijks gronds ingaat; de mosselen zijn aan deeze kust eigen en de inwoonders maaken daar van derzelver voornaamste voedzel.

Des avonds vervolgde ik, van andere honden voorzien, mijne reis: ik reed omtrent agt wersten over de rivier Srednoi. Op verscheiden plaatsen brak het ijs onder onze sleeden; de stoutmoedigheid en de behendigheid mijner leidslieden onttrok ons aan het gevaar; wanneer ze genoodzaakt zijn aan wal te komen om het rijtuig te ontlaaden, gebruiken zij de voorzorg, om de raketten aan derzelver voeten gelijk en schoon te maaken, ten einde daar door meer oppervlakte op het ijs te beslaan; dog het geen ons meer hinder aanbragt, terwijl wij op deeze rivier reisden, was de yzel: onze honden konden niet op de pooten blijven staan, ieder oogenblik viel de een op den ander.

1788. _April_ Den 26.

Ostrog van Siglann.

Voor den middag kwamen wij aan het Ostrog van Siglann, aan de rivier van denzelfden naam gelegen; dit is het laatste dorp van het land der Koriaken, het welk geen meerdere uitgestrektheid, nog meerdere bevolking bevat dan het voorige, en daar van zevenenzeventig wersten verwijderd is: men ziet daar eene yourte op de wijze der Yakouters gebouwd, dog ik stel de beschrijving daar van uit tot op mijn komst onder dit volk. Ik bleef zo lang te Siglann, als noodig was om de schaatsen van onze sleeden in order te doen brengen, namelijk om daar aan de walvischbeenen plaaten te hegten, welken door het smelten van de sneeuw noodzaaklijk wierden, en ik vertrok des avonds ten vijf uuren van daar.

Eerst reed ik over eene baaij, welke haaren naam van dit dorp ontleent; ze scheen mij toe vrij groot en wel geslooten te weezen, uitgenomen in het zuid en zuidwestelijke gedeelte: derzelver kust is bijna overal zeer hoog, en ze is zo lang, dat ik agt uuren tijds noodig had om tot den westelijken uithoek te geraaken; verder kwam ik aan eenen niet minder aanmerkelijken inham, genaamt de _baaij van Olas_. Niettegenstaande onzen snellen voortgang waaren wij echter tien uuren bezig om dien op deszelfs grootste breedte overtetrekken.

1788. _April_ Den 27.