Part 21
Dog het was boven al door zijne krachtige geestvermoogen dat hij mij veel achtingswaardiger en belangrijker voorkwam; het ontwerp dat hij gevormd had, en waar van het te bejammeren is dat men de uitvoering belet heeft, kon niet anders dan uit wel geordende harssens voortkomen, ten minsten duid het veel gezond verstand aan, en meer opmerkzaamheid als men wel bij zijne landsgenooten zou verwachten, ziet hier wat daar toe aanleiding gaf.
Zedert lang viel het, dit onbuigzaame en jaloursche volk omtrent hunne vrijheid, moeijelijk om zich aan het denkbeeld te gewennen van schatting-schuldigen van Rusland te weezen; het gestrenge bestier der bevelhebbers wierd door deeze wilden voor een dwingelandsch misbruik van magt gehouden; en inderdaad, onder het getal der mindere officieren, waaren 'er zonder twijffel veelen die zich geweldenarijen veroorloofden omtrent de nieuwe onderdaanen van het Russische rijk.
Siméon Oumiavin was de eerste, welke door deeze knevelarijen tot den opstand verwekt wierd; nog meer verbitterd door de hardvogtigheid der afperssers, dan wel over hunne plunderingen, was hij bij zich zelfs overreed dat een zodanig gedrag niet door eene Souveraine kon goedgekeurd worden, welkers goedheid en rechtvaardigheid men niet ophield te roemen, deeze schrandere aanmerking maakte op zijn geest de grootste indruk, en deed zijne natuurlijke kloekmoedigheid ontwaaken; dadelijk eenige diergelijke slachtoffers, die even als hij van de onrechtvaardigheid deezer kleine dwingelanden veel te lijden hadden verzamelt hebbende, deelde hij hen zijne overleggingen, en zijn voorneemen mede.
"Mijne broeders! zeide hij tot hen, gevoelt gij het gewicht uwer ketenen? Zijn wij gebooren om die te draagen, om den prooij van deeze gierige bewindvoerders te zijn, wier begeerlijkheid, onder het dagelijks misbruik van hun gezag, ons beschouwd als een goed het geen zij na hun welgevallen kunnen verteeren en gebruiken? wat hindert ons om ons van dien geessel te verlossen? het is niet door de wapenen dat wij zulks moeten beproeven; de onzen zouden onvoldoende zijn, en onze vijanden zouden des te gedugter uit hunne assche te voorschijn komen, dog laaten wij onderneemen de onmeetelijke ruimte der landen doortetrekken, welke zij hebben weeten te doorloopen om tot ons te komen; laaten wij onze klagten doen hooren tot in het verblijf van onze Keizerin; het is onder haar naam en niet op haar bevel dat men ons knevelt, dat men ons berooft; zo veele kwaade behandelingen, zo veele schelmerijen worden door de wijsheid van haare regeering geloogenstraft; haare onwaardige bewindslieden zijn de eerste om de zagtheid daar van te verkondigen; spoeden wij ons aan haare voeten te werpen en onze klagten voortestellen; zij is onzer aller moeder, zij zal aan het geschrei van een gedeelte haarer onderdaanen gehoor geeven, die zij niet anders kan kennen en beoordeelen dan uit de leugenachtige verhaalen van haare afgezanten".
Deeze redevoering, die ik hier zodanig mededeel als mij dezelve ten naasten bij door Oumiavin opgegeeven is, bezielde alle de gemoederen met gelijke verontwaardiging en iever. Ieder wilde om het zeerst naar Petersburg, de vermogendste en de stoutmoedigste verkreegen de voorkeur; het vrij wel spreeken van de Russische taal verwierf den ontwerper van dit denkbeeld, de eer om aan het hoofd van de bezending geplaatst te worden, welke van een meenigte kostbaare zaaken tot geschenken voorzien wierd; te Okotsk gekomen, hadden onze reizigers onderstand noodig, zij vervoegden zich aan den bevelhebber, hem verzoekende van hun de noodwendigheden te verschaffen, om ten minsten tot Irkoutsk te kunnen geraaken: dan deeze had kennis van hun besluit gekreegen, hij voorzag het gevaar daar van, en nam maatregelen om derzelver togt tegen te gaan. Onder het spitsvondig voorwendzel van dadelijk de goedkeuring van het generaal gouvernement te zullen vraagen, hield hij hen geduurende eenige maanden bij zich. In dien tusschentijd deed hij alle de raderen der verleiding speelen; redeneeringen, vleijerij, alles wierd in het werk gesteld om hen van derzelver reis te doen afzien; dog ook alles was vrugteloos, zij bleeven onverzettelijk; als toen nam men toevlucht tot geweld, duizend strikken wierden hen gespannen; door de vervolging, de opkooping (_monopole_) wist men hun onaangenaamheden te berokkenen; en om hun voor dit alles te straffen, noodzaakte men hen eindelijk om wanhoopend en schaamrood te rug te keeren over de opoffering en het verlies van het grootste gedeelte hunner goederen en rendieren.
De treurige ondervinding hier van deed het opperhoofd van het Koriaksche bondgenootschap den moed niet verliezen. In zijne oogen was dit een nieuw bewijs voor de noodzaaklijkheid van zijn voorneemen, en van deszelfs uitvoering; zedert hield hij zich daar altoos mêe bezig, in de hoop, dat eenmaal de omstandigheden hem gunstiger zouden weezen; wanneer ik bij hem kwam, brande zijn hart nog van verlangen om die reis te onderneemen; "Ja, zeide hij tot mij, ik zou niettegenstaande mijne hooge jaaren op het oogenblik vertrekken; mijn oogmerk zou niet meer het zelfde zijn, en zeker zou ik diergelijke hindernissen niet meer te vreezen hebben, want alle onze bevelhebbers verdienen tegenswoordig ons vertrouwen en onze lofspraaken, mijne begeerte zou, daar heenen strekken om onze souveraine te zien, somtijds, voegde hij 'er bij, zoek ik mij een denkbeeld te vormen van haar prachtig verblijf, van den rijkdom en de verscheidenheid, die daar heerscht; dit vernieuwt mijne aandoeningen van haar niet te hebben kunnen beschouwen in het midden van haare grootheid en roemrijke regeering. Zij zou ons eene godheid toegescheenen hebben, en het getrouw verslag, dat ieder van ons des wegens aan zijne landgenooten had kunnen mededeelen, zou in alle de harten den eerbied en de onderwerping hebben ingeprent; veel meer geketend door de liefde, als weleer door de vrees, is 'er niemand onder ons, die niet met blijdschap de schattingen, met gematigdheid opgelegd, zou willen voldoen; wij hadden onze nabuuren geleerd om haare regeering te beminnen, wanneer wij hen getuigen gemaakt hadden van ons geluk en van onze dankbaarheid."
Bijna alle mijne gesprekken met deezen welmeenenden Koriak, waaren van dien aart: ik heb gemeent dezelve hier te moeten afschrijven; om de afbeelding van zijne hoedanigheden geheel te schetzen; dat het mij nu geoorloofd zij van 'er nog eenen trek bij te voegen.
Edelmoedige trek van deezen Koriakschen Prins.
De verbaazende kosten, welke hij gemaakt had, scheenen zijn geheelen ondergang na zich te zullen sleepen; hij had lang werk om zijne kudde weder aantevullen, welke, in zijne afweezendheid, uit gebrek aan oppassing en door de ongetrouwheid der wachters, versmolten was; het was in dit oogenblik, dat hij zich noch edelmoediger betoonde. Eenige maanden te vooren had een zijner naastbestaanden alle zijne rendieren verlooren, en zag zich tot de dienstbaarheid gebragt. Siméon Oumiavin kwam ter zijner hulp, en leende hem zonder intrest eene kleine kudde. Bij zijne terugkomst van deszelfs mislukte zending, weigerde hij, niettegenstaande zijnen uitersten nood, dezelve te rug te neemen, dewijl hij die niet genoegzaam vermeerderd vond, om daar van een zeker getal aan zijnen schuldenaar, ingeval die zijn schuld afdeed, te laaten behouden.
Kudde van rendieren.
Dit is in der daad de eenigste rijkdom van dit zwervende volk; het opperhoofd van een horde bezit zelden minder dan twee of drie honderd rendieren; verscheiden hebben 'er drie à vier duizend; de kudde van Siméon Oumiavin kon als toen op agt a negen honderd beloopen, welkers gezicht mij het grootste vermaak verschafte.
Op de kruin van een berg, in de nabuurschap van de Stoudenaïa-reka, zag men die menigte van rendieren, dan eens bij den anderen, dan wederom verstrooid, zoekende de mos onder den sneeuw; zelden dwaalen ze af en altijd vind men ze zonder moeite wederom; des avonds van mijne aankomst zag ik deeze vertooning; men verzamelde ze, om er het getal, dat ik benoodigt had, uittekiezen; in minder dan een quartier uurs was zulks gedaan: op het geschreeuw der herders naderden de tamgemaakte rendieren; de jongen, en die geenen, welken vrij van of buiten den dienst waaren, liepen ter zijde weg; die, welken de sleeden voorttrekken, en de onhandelbaaren wierden in een kring gejaagd, en door middel van een strik, dien men dezelve met eene bijzondere behendigheid omwierp, bemagtigde men ze spoedig; de keus gedaan zijnde, wierden die voor mij geschikt waaren afgezondert, en indien men die niet vastgemaakt had, zouden zij zich spoedig bij de anderen gevoegd hebben.
Men spant de wijfjes gemeenlijk niet voor, deeze worden bewaard tot voortplanting van het geslacht. In den herfst worden ze gepaard, en in de lente werpen ze haare jongen; de jonge mannetjes, voor de sleeden geschikt, ondergaan de ontmanning ten naasten bij op dezelve wijze als de honden in Kamschatka.
Onder eene kudde, vind men altoos drie of vier rendieren tot de jagt aangelegt; de natuurlijke neiging (_instinct_) van dit dier is onbegrijpelijk; hij jaagt al weidende: ontmoet hij een wild rendier, dan bootst hij dikwils, zonder eenig teken van vreugde of verwondering te geeven, al graazende den gang en alle de gewoontens van het zelve na, dat somtijds zonder den strik te bemerken zich bij den ander vervoegt; welhaast ziet men ze te zaamen speelen, hunne hoornen vlegten zich door een, zij verlaaten elkander, keeren wederom, vlugten en vervolgen zich beurtelings; geduurende dit speelen weet het tamme rendier langzamerhand zijn prooij onder het bereik van het schot van den jager te brengen. Met een wel afgericht rendier heeft men het vermaak het beest levendig te vangen, het is genoeg om aan de hoornen van den eersten een strik vast te maaken, dien hij al speelende om de hoornen van zijn tegenpartij vastmaakt, hoe meer de een pogingen aanwend om 'er zich van te ontdoen, hoe vaster de strik toegaat, en de ander meer en meer na zich toetrekt, ten einde zijn meester tijd te geeven om 'er bij te komen: dikwils gebeurt het ook, dat het wilde rendier de list mistrouwt, en zich aan het gevaar door de vlugt onttrekt.
Wanneer een Koriak des morgens uit zijne yourte te voorschijn komt, ziet men zijne rendieren zich rondom hem verzamelen, ten einde hunnen drank te bekomen, die derzelver grootste lekkernij uitmaakt, dit is menschenpis, dien men zorgvuldig in potten of in korven verzamelt[145]. De geheele kudde werpt zich om het zeerst op deezen drank, die in een oogenblik verzwolgen is, hoe groot de portie ook zijn mag.
[145] Deeze korven van stroo gemaakt zijn zo kunstig gevlogten, dat het vogt 'er niet kan doorzijgen.
Geschenk van Oumiavin.
Siméon Oumiavin liet in mijn bijweezen een jong rendier dooden, zijnde het beste, dat hij bezat, men sneed het in stukken, om tot voorraad voor mij te kunnen dienen, en hij voegde 'er de helft van een wild rendier bij, waar van het vleesch mij nog sappiger voorkwam; hij gaf mij ook vier zeer fraaije rendieren vellen[146]. Wij keerden vervolgens naar zijne yourte, alwaar ik den nagt op mijn matras doorbragt, die ik in een hoek had doen uitspreiden.
[146] Men moet opmerken, dat men onder honderd jonge rendieren vellen, pouijiki genaamd, er naauwlijks twee aantreft, die voor kleeding kunnen gebruikt worden. Men vind er ook, die geheel wit zijn.
Yourte van de zwervende Koriaken.
Hoe zeer de benaaming het zelfde is, heerscht er echter geene de minste gelijkheid tusschen de wooningen der zwervende Koriaken, en de onderaardsche verblijfplaatzen der Koriaken, die een vaste woonplaats hebben; het schijnt, dat de Russen, niet weetende, hoe de verschillende legerplaatzen van deeze volkeren te benoemen, voor die allen maar den naam van _yourte_ aangenomen hebben, zonder zich te bekommeren over deszelfs oorsprongelijke betekenis, namelijk, die van onderaardsch verblijf; de yourtes, waar van hier gesprooken word, zijn, om eigentlijk te spreeken, tenten, die in de gedaante van hutten op den grond geplaatst zijn. Om 'er de fondamenten van te stellen, doed men niets anders dan den omtrek op de sneeuw aftetekenen, die sneeuw, welke binnen de lijn gevonden word, werpt men naar buiten; vervolgens plaatst men op gelijke tusschenwijdte een groot aantal stokken, die zich van boven zamenvoegen, en de een aan den ander tot ondersteuning dienen; deeze boersche timmeragie word door een slegt dak van bereide rendieren vellen bedekt, het zelve bevat den geheelen buitensten omvang van de yourte, van deszelfs grondvesten af[147] tot op eenige voeten afstand van den top, die open blijft om van binnen lucht te geeven, en een doortogt aan den rook te laaten; hier spruit uit voort, dat men in het midden van de woonplaats aan den regen en sneeuw is blootgestelt, alwaar die zonder eenige tegenstand doordringt; echter plaatst men daar de haardstee, en de keuken; het gezin, en de knegts, die de kudden bewaaken, slaapen onder _pologs_, zijnde een soort van huisjes of zeer laage tenten, bij verdeelingen rondom en tegens het behangzel van de yourte gerangschikt; deeze pologs zijn even als de vierkante tentjes der Tchouktchis.
[147] De yourte van mijn gastheer bestond uit omtrent vier toises (halve roeden) middellijns, en was ten naasten bij van dezelfde hoogte; deszelfs omtrek was van twaalf toises, en het dak eindigde in een kegelvormige gedaante.
Men kan aan de ongestadigheid van dit zwervende volk de uitvinding hunner wooningen toeschrijven; de overbrenging van het huis zeer gemaklijk zijnde, kost het hun weinig moeite om te besluiten van eene andere streek te gaan bewoonen. Bij de eerste behoefte of de minste verdrietelijkheid word de tent opgenomen; men maakt de stokken langs de sleeden vast, op dewelke de bekleedzels met het reisgoed ingepakt word. Wanneer de nieuwe grond uitgekoozen is[148], zet men zich daar zodanig neder, dat men ieder oogenblik wederom opbreeken kan: men laat dienvolgens bij de wooningen de gelaaden sleeden staan; en de goederen worden niet ontpakt, dan naar maate men dezelve benoodigt heeft.
[148] De nabuurschap der rivieren, en boven al der plaatzen, waar men overvloed van mos vind, word, gelijk ik reeds gezegt hebbe, altoos het meest gezogt.
1788. _April_ Den 10.
Vertrek.
Wanneer ik bij Siméon Oumiavin aankwam, vond ik daar twaalf sleeden tot mijne vervoering geschikt; het eerste, dat die prins deed, was mij te verzekeren, dat hij mijn leidsman zou zijn, en dat hij mij, indien het noodig waare, tot aan Yamsk zou vergezellen. Ik was over dit verplichtend aanbod zeer te vreden, en den 10. namen wij des morgens ten agt uuren de reis aan; des middags trokken wij de Tavatoma over, na dat wij reeds vijfentwintig wersten afgelegd hadden.
Warme bronnen van Tavatoma.
Begeerig om eene warme bron te zien, die Oumiavin mij in de nabuurschap aanwees, bond ik raketten aan, om te voet een klein bosch doortegaan, aan welkers zoom dezelve een beek vormt van zes voet breed, die in de Tavatoma valt. Ik scheide van mijn gevolg aan de bogt, welke die rivier ter deezer plaats beschrijft. Ik was met hen overeengekomen, dat zij geduurende dien tijd den hoogen berg, die ter onzer rechterhand lag, zouden overrijden, en daar, terwijl ze mij wachtende waaren, onze rendieren laaten weiden, en al het nodige tot het middagmaal gereed maaken; Ik, alleen van den Heer Kissélioff verzeld, moest twee wersten gaan om aan de bron te komen.
Deeze heeft het voorkomen, als of ze uit verscheide anderen bestaat, welken uit een berg ter slinkerzijde van de rivier hervoortkomen, en zich in derzelver val vereenigen. Een dikke rook verheft zich wolksgewijze boven dit water, dog het verspreid geen de minste kwaade lucht, de hette is zeer sterk, en de kooking onophoudelijk; het zelve heeft eenen onaangenaamen en bijtenden smaak, welke zwavel en zoutdeelen aanduid, mogelijk zou men door de ontbinding daar ook ijzer en koper in ontdekken, dit is zeker, dat de steenen, die ik langs de beek opraapte, allen van dien aart scheenen, als of ze door een vuurspuwenden berg uitgeworpen waaren; dog ik moet meede opgeeven het uitwerkzel, dat dit water op ons voortbragt. Ik had 'er maar even den mond mêe gespoelt, en ter zelver tijd waschte de Heer Kisséliof zich daar meede het aangezicht; een half uur daar na, wierd zijn vel opgezet, en mijn tong en gehemelte van het vel ontbloot: lang bleef mij het ongemak bij, dat ik niets heets, of dat van een sterken smaak was, kon gebruiken.
Mijne nieuwsgierigheid voldaan zijnde, begonden wij weer te denken om tot ons gevolg te rug te keeren; tot dat einde meenden wij een zeer steilen berg tegens over dien, waar deeze heete wateren ontspringen, te moeten overklimmen; dog verplicht zijnde van onze raketten aftedoen, die ons veel meer agter dan voorwaards deeden gaan, moesten wij denzelven op handen en voeten overklauteren; het drie vierde gedeelte van den berg beklommen hebbende, verzogt ik, overstelpt van vermoeijdheid, en daar en boven vreezende, dat ik mij in den weg bedroogen had, mijn reismakker, die meerder dan ik geoeffend was om dus over de sneeuw voort te kruipen, dat hij zou tragten den top te bereiken, van waar ik hoopte, dat hij onze sleeden zou ontdekken; hij slaagde daar in, en na een uur wagtens en ongerustheids, zag ik den goeden Oumiavin verschijnen, die mij een slêe bragt; wij waaren volgens zijn zeggen waarlijk verdwaald, en Kisséliof had meer dan tien maalen gedagt te zullen bezwijken, voor dat hij onze kleine legerplaats vond; men begaf zich bij mijne aankomst wederom op weg en wij hielden niet dan zeer laat stil, wanneer wij meer dan vijfentwintig wersten van de heete bronnen van Tavatoma afwaren.
1788. _April_ Den 11.
Wij meenden den 11. tot aan de keten van bergen te komen, die _Villéguinskoikhrébent_ genaamd word, dog dit was onmogelijk; bij het eindigen van den dag begonden wij ze eerst te ontdekken; wij wilden ze ten minsten zo digt naderen, om zeker te zijn van ze den volgenden morgen te kunnen overtrekken.
1788. _April_ Den 12.
Bergen van Villegui.
Een ieder onzer dagt er nabij te zijn, echter waaren wij 'er nog agt wersten van af, na deezen togt gedaan te hebben, moesten wij de kleine rivier[149] die langs den voet van die bergen slingert, overrijden, vervolgens kwamen wij aan den Villégui, den hoogsten van allen, en die aan den zelven keten den naam geeft. Op het eerste gezicht schijnt hij ongenaakbaar. Eene naauwe engte vertoonde zich aan ons, en wij ondernaamen het om hem te beklimmen op het goed vertrouwen, dat wij in onzen princelijken geleider stelden; vier uuren waaren naauwlijks voldoende om op den top te geraaken; daar verloor ik den moed, wanneer ik zijne verbaazende hoogte in aanschouw nam; dat men zich inderdaad eenen ontzagchelijken klomp voorstelle, die ten minsten honderd toises of vijftig roeden bijna lijnregte hoogte heeft, omzoomt met rotsen en steenen, waar op de sneeuw niet is kunnen blijven leggen, maar door de orcaanen weggevoerd is; het weinige, dat 'er op is gebleeven, maakt den weg zo glibberig, dat ieder oogenblik onze rendieren neervielen; niettegenstaande onze pogingen om de sleeden te ondersteunen veroorzaakte de steilte, dat deeze telkens agter uit raakten, het geen ons ook geduurig deed terug deinzen, uit vrees, dat ze op ons mogten vallen, het was met ons gedaan geweest indien de voet gemist had; menigmaal wierd ik gewaar, dat, wanneer ik mij aan een rots hield, die ik meende vast te zijn, dezelve mij onder de hand begaf en als dan verloor ik het evenwicht. Zonder de hulp van Oumiavin en van mijne soldaaten, die naast mij opklommen, en welken mij ter juister tijd tegenhielden, zou ik ongetwijffelt ter neergestort hebben; wanneer ik om hoog was, kon ik niet zonder afgrijzen den weg beschouwen, dien ik gekomen was, het gezicht van het gevaar, het geen ik geloopen had, veroorzaakte mij eene zodanige beklemdheid, dat ik genoodzaakt was mij neer te zetten.
[149] Deeze rivier word Villéga genaamd.
Het was 'er verre af, dat ik mij behouden rekende, ik moest wederom afklimmen; mijn ieverige Koriak beduide mij zeer naauwkeurig tot mijne geruststelling, hoe ik zulks onderneemen moest, zijn onderricht benam mij wel de vrees voor ongelukken, dog echter niet alle ongerustheid: ik had een gedeelte van mijn reisgoed onder aan den voet van den berg laaten staan; wie zal het zelve durven gaan haalen, zeide ik tot mij zelfs? de moedige Oumiavin belaste zich daar mede, en vertrok aanstonds met eenige manschap.
Een hevige dorst verslond mij: de kruin van den berg was wel met sneeuw bedekt, dog hoe zou men dezelve doen smelten! geen heester zagen wij om ons heen; de hoop van 'er in de laagte te zullen vinden deed mij besluiten om mijn geleider niet aftewachten, maar van zijne raadgeevingen in het klimmen gebruik te maaken; wij begonnen met onze rendieren uittespannen; zij wierden agter de sleeden vastgemaakt, op ieder van welken zich twee menschen plaatsten; wij lieten ons vervolgens afglijden, even als de inwoonders van Petersburg, die zich op die wijs in de Carneval met ysbergen vermaaken, welken zij op de Néva vervaardigen; met behulp van onze stokken hielden wij het rijtuig tegen, en bestierden het zelve; in minder dan agt of tien minuuten waaren wij om laag; gelukkig wierd ik eenige kleine cederboomen gewaar, welhaast hadden wij vuur, en ik kon mij verfrisschen; het was als toen twee uuren in den namiddag, ten zeven uuren waaren wij allen weer bij den anderen. Oumiavin kwam onbeschadigd bij ons, dog zo vermoeid, dat wij niet langer dan tot negen uuren konden voortreizen.
1788. _April_ Den 13.
De volgende dag was minder moeijelijk voor ons, dan wel voor onze rendieren; de sneeuw lag meer dan drie voet dik, en zo los, dat de dieren tot den hals daar inzonken; verscheiden weigerden volstrekt dienst te doen, wij moesten ze op de weg agter laaten; dit is ook een ongemak in het reizen met rendieren, wanneer men een grooten togt agter den anderen wil afleggen; men mag ze spaaren zo veel men wil, zo dra ze moede worden, is men genoodzaakt op te houden of ze agter te laaten, als dan is het niet meer mogelijk om ze van de plaats te doen gaan.
Den 14.
Ik hoopte den 14. des morgens te Toumané te weezen; wij hadden niet meer dan tien wersten afteleggen, wanneer een hevige wind ons overviel, en ons sneeuwvlaagen aanbragt, die ons geheel verblinden; genoodzaakt om onzen togt langzaamer interichten, konden wij dit dorp niet bereiken dan des namiddags ten vier uuren.
Ostrog van Toumané.
Deszelfs ligging is ten zuidwesten van Ingiga, op den afstand van vierhonderd veertig wersten, in een klein boschje, dat door de rivier Toumane drie wersten van deszelfs mond gescheiden word. Drie yourtes, even zo veel houten magazijnen en een twaalftal balagans maaken dit Ostrog, en twaalf geslachten deszelfs bevolking uit; hoe zeer de rivier zeer vischrijk was[150], heb ik echter sommige inwoonders, het zij uit luijheid, het zij uit een bedorven smaak, zich met berken schors, in walvischtraan gedoopt, zien voeden.
[150] Wij vischten daar uitmuntende lekkere forellen.
1788. _April_ Den 14. en 16.
Oumiavin is genoodzaakt mij te verlaaten.
Het slegte wêer hield den 15 en 16 aan, dog te vergeefs zou ik mij op weg hebben willen begeeven, onze rendieren waaren buiten staat, om mij verder te brengen. Oumiavin durfde mij zulks niet zeggen; uit zijne treurigheid ontdekte ik reeds, het geen hij voor mij verbergen wilde; op het eerste woord, het geen ik deswegens tot hem voerde, verzogt hij reeds verschooning, even als of ik recht had gehad mij over hem te beklaagen, om dat hij zich in de onmogelijkheid bevond, van mij volgens zijne belofte naar Yamsk te brengen. Ik had veel moeite om hem te doen begrijpen, dat ik van zijnen goeden wil volmaakt overtuigd, en hem dankbaarheid voor alle zijne beweezene diensten verschuldigt was, ik moest bijna boos worden, om hem eenige geschenken te doen aanneemen, welken ik bij de kosten van de post meende te moeten voegen.
1788. _April_ Den 15. en 16.