Historisch dagverhaal der reize van den heer De Lesseps Zedert het verlaten van den Heer Graaf de la Perouse en zyne togtgenooten in de haven van St. Pieter & Paulus op Kamchatka, enz.

Part 20

Chapter 203,941 wordsPublic domain

Den volgenden dag wederom een andere tegenspoed; dit was een zondag, en het bekommerd gemoed van mijne soldaaten weigerde van zich op weg te begeeven; moest ik derzelver schroom of liever angstvalligheid eerbiedigen? Want dit was minder godsvrugt dan wel bijgeloof; zij wierden niet terug gehouden door de heiligheid van den dag, maar alleen door het denkbeeld, dat zulks hun eenig ongeluk op den hals zou haalen; niettegenstaande de voorzorg, die ik gebruikt had om met hun een Russische mis te hooren, was 'er echter geen middel uittedenken, om hun tot vertrekken te doen besluiten. Na veele vergeefsche smeekingen en redeneeringen was ik genoodzaakt, om weder bij den Heer Commandant het middagmaal te gaan neemen, die op eene verplichtende wijze schertste met deeze nieuwe zwaarigheid, waar omtrent hij de beleeftheid had van zich geluk te wenschen; dog ziende, dat dezelve te veel invloed had op mijn vergenoegen, sloeg hij mij voor om mijn volk van hunne ingebeelde bevreestheid te geneezen; mijn antwoord was eene noodiging om zulks te doen, welke hij aannam. Op zijn bevel wierd oogenbliklijk aan al mijn volk zo Russen als Kosakken rijkelijk brandewijn geschonken; ongevoelig raakten de zinnen opgewekt, de vrolijkheid deed het vermeende gevaar vergeeten; die er het meest tegen hadden, zijn de eerste, welke verzoeken, dat men de rendieren voorspant; zo gezegt, zo gedaan en ziet daar mijne sleeden in gereedheid.

Afscheid van Oumiavin

In dien tusschentijd had ik eene ontmoeting, welke mij eenigen tijd ophield, dog waar over ik onophoudelijk lagchen moest. Oumiavin had uit genegenheid voor mij een geheelen roes gedronken; de levendigheid zijner aandoeningen over het verlaaten van mij deed hem allerlei dwaasheden bedrijven, dewelke hij zijne afscheidsgroeten noemde; hij ging, kwam te rug, en wilde aan alles helpen, naauwlijks was mijn slêe gereed, of hij meende die te moeten opligten om van derzelver zwaarte te oordeelen, dog de staat, waarin zich deeze goede Koriak gebragt had, deed hem het evenwicht verliezen, en door zijn val brak hij de punt van mijn sabel; zijne droefheid op het gezicht van dit kleine ongeluk was uitermaaten; ik zag hem zich aan mijne voeten werpen, die hij omhelsde en met zijne traanen besproeide, mij bezweerende van niet te vertrekken, voor dat ik hem zulks vergeeven had. Ik spande alle mijne krachten in om hem opteheffen, ik verzekerde hem van mijne vriendschap; hij bleef even halsterrig aan mijne knieën, en zijne traanen hielden niet op; het was eerst na verloop van een half uur, dat ik door onophoudelijke vriendelijkheden hem eindelijk gerust stelde.

Vertrek van Ingiga.

Ik ging te voet de stad uit, geleid door bijna alle de inwoonders, die, volgens hun zeggen, begeerte hadden om den eenigsten Franschman, welke tot hier toe onder hun verkeerd had, eere aan te doen; de Heer Gaguen en de Officieren van de bezetting wilden mij volstrekt tot buiten de poort brengen, alwaar, na herhaalde dankzeggingen van mijn kant over derzelver beleeftheden, en na de afscheidsgroet van mijne wegwijzers en verder gevolg ontfangen te hebben, onze scheiding plaats greep.

Ik neem een Reisgenoot met mij.

Van de vier soldaaten, die mijn gevolg bij mijn vertrek van Kaminoi uitmaakten, bleeven mij nu maar over Golikoff en Nédarézoff, ik had de twee anderen te Ingiga gelaaten, zijnde derzelver gewoone verblijfplaats; dog ik nam daar met mij op de aanbeveeling van den Heer Gaguen een jong Russisch koopman, genaamt Kissélioff, die mij verzogt had om met mij naar Okotsk te reizen. In onze meenigvuldige gesprekken had ik geduurende mijn verblijf te Ingiga in de gelegenheid geweest het aangenaame van zijn gezelschap te leeren kennen, en mijn geluk te waardeeren van hem tot reisgenoot te hebben.

Te vergeefs had ik mij voorgesteld om mijn slee zelfs te mennen, ieder een had zich daar tegens verzet, uit vreeze, dat onkunde en ongewoonte omtrent mijn nieuw voorspan mij in gevaar zou brengen; men had mij zeer aanbevolen van ten minsten mij den eersten dag te laaten rijden. Bij mijn rijtuig gekomen, vond ik in der daad mijn geleider reeds voor op gezeten; ik nam mijn plaats zonder veel acht op hem te geeven, dog hij draaide het hoofd om, en ik herkende in hem een Koriakschen prins genaamt _Eviava_; hij betuigde mij zijne vreugde, dat hij het genoegen had van mij te geleiden, en vervolgens stelde hij zich in staat om weder in den trein te komen.

Beschrijving van een Koriaksche slêe.

Zedert lang ben ik den leezer eene beschrijving van een Koriaksche slêe verschuldigt; nu bevind ik mij in staat deszelfs nieuwsgierigheid te voldoen; mogt ik mijne beschrijving belangrijk genoeg inrichten, om over het lang uitstel verschooning te erlangen!

Op twee evenwijdige schaatzen, dat is te zeggen, op twee takken van boomen van zes en een half voet lengte en drie duimen breedte, vrij slegt geschaafd, en welkers voorste einden zich ter halver weg boogsgewijs verheffen, is het lighaam van de slêe geplaatst; het is eigentlijk maar een raam van latwerk, van twee voet en eenige duimen hoogte boven den grond; deszelfs breedte is van agttien duimen en de lengte vijf voet. Twee kleine stokken van omtrent vijf duimen in den omtrek verbinden het latwerk te zamen, het welk van grove latten, die de een in de ander gevoegd zijn, is gemaakt. Een sterker dwarshout als de twee voorigen vereenigt van vooren de uiterstens der latten, welke zich daar op dadelijk met de geboogene einden der schaatzen voegen en met riemen daar aan vast gemaakt zijn. Het onderste gedeelte van den raam draagt op boogswijze gekromde stokken, waar van de zijdelingsche punten te gelijk in deeze schaatzen komen; en het bovenste gedeelte eindigt van agteren op de wijze van een kleine overdekte koetskar, van zestien duimen hoogte en twee voet diepte, en als een halve cirkel gemaakt met korte stokjes in halve hoepen ingevoegt, ten naasten bij als de agterleuningen van onze tuinstoelen. Het is in deezen naauwen omtrek, dat men gewoonlijk of den voorraad van levensmiddelen, of een gedeelte der zaaken, die van een dagelijks gebruik zijn, plaatst. Wat mij aangaat, ik borg daar het kistje met mijne brieven, en ik ging daar op zitten, tot dat ik de plaats van mijn geleider innam. Zijn zitplaats is omtrent in het midden van den raam, niet ver van het dwarshout; hij zet zich daar schrijelings op, en zijne voeten rusten op de schaatzen.

Wijze waar op men de rendieren voorspant en ment.

Het voorspan is van twee rendieren, derzelver tuigen bestaan in een lederen halsband, die gedeeltelijk over de borst en tusschen de voorbeenen van het beest doorgaat, en op zijde eindigt in een riem, op de wijze als een trekzeel, welke van het rendier, dat van de hand loopt, aan het dwarshout van de slêe word vastgemaakt, en van het geen bij de hand loopt aan de schoor van een der boogsgewijze steunzels, die op denzelfden kant van het rijtuig gevonden word. Voor teugels gebruikt men twee lederen riemen, waar van het eene eind als een band onder aan de schagt van de hoornen van ieder rendier gehegt word[139]; wil men ter regterhand wenden, trekt men zagtjes de teugel naar die kant, terwijl men het dier dat buiten de hand is van agteren slaat; om links te rijden, is het voldoende eenige sterke schokken aan de regter teugel te geeven, en daar mêe het rendier het welk door deeze bestierd word aanteraaken; de linker teugel dient nergens anders toe, dan om het dier welke ze bereikt tegentehouden. Den rijder heeft daarenboven een stokje, welks eene eind van een soort van hamer voorzien is; dit is een horisontaal geplaatst been, het welk aan de eene zijde zeer dun is, het vertoont een punt van bijna twee duimen lang, die voornamelijk dient, om zonder te behoeven optehouden, de trekzeel der rendieren wanneer die om derzelver pooten verward raakt, na zich te trekken, het welk voor één der voornaamste handgreepen van den koetzier gehouden word; het andere einde van dit been is een weinig ronder en verstrekt tot een zweep, dog de slagen daar mêe toegebragt zijn veel smertelijker, men bedeeld 'er deeze arme dieren ook zo rijkelijk mede, dat men somtijds hun bloed ziet vloeijen, dewijl dit stokje zeer ligt aan breeken onderhevig is, gebruikt men de voorzorg van zich van een zeker aantal te voorzien, welke ter zijde van de slêe vastgemaakt worden.

[139] Somtijds is het onderste van deeze band voorzien van kleine puntige beentjes, welke, bij de minste terugtrekking van de teugels, tot spooren van de onbuigzaame rendieren verstrekken; men gebruikt dezelve gewoonlijk om ze te leeren; wanneer men ze voorspant gebruikt men alle oplettendheid om het rendier dat voor de linker hand geleerd is niet aan de regter te plaatsen; dit zou veroorzaaken dat de slêe in plaats van voorwaards te gaan rondom zou draaijen, dit is een trek welke de Koriaken aan de Russen waar over ze meenen reden te hebben van onvergenoegt te zijn, wel eens speelen.

Wij reisden zeer gemaklijk tot aan den avond; mijn eenigste ongenoegen bestond hier in dat ik bij gebrek van een tolk geen gesprek met mijn prinselijke leidsman kon voeren. Ik verloor daar door ongetwijffelt veel van het geen hij mij anders zou hebben kunnen verhaalen, en onze onderlinge stilzwijgendheid verfraaijde de weg niet in mijne oogen.

Rustplaats.

Wij hielden ten zeven uuren stil, wij moesten eenen berg, die aan onze Koriaken bekend was, bereiken, welke deeze voor de eerste rustplaats in onze reismaat hadden aangetekent. Te vergeefs zou ik verlangt hebben om een schuilplaats in de bosschen te zoeken[140], dewijl het gemak van den reiziger in het minste niet in de keus der rustplaatzen in aanmerking komt; dat der rendieren word alleen geraadpleegt, en de plaats, die het meeste mos opleevert, heeft altoos de voorkeur; ter halver weg van den berg wierden onze rendieren uitgespannen, men vergenoegde zich om dezelve aan leissels vasttemaaken, oogenbliklijk zag ik ze bezig met de sneeuw om te krabben, onder welke zij zeer wel hun voedzel weeten te vinden. Eenige treden verder wierd onze kookketel geplaatst, de duurzaamheid van onzen avondmaaltijd was evenredig aan deszelfs soberheid, ik verzogt mijn Koriaksche prins daar op, die bijzonder vergenoegt scheen over zulk een eerbewijs. Ik lag mij vervolgens op de sneeuw, alwaar men mij eenige uuren slaapens vergunde; de tijd verstreeken zijnde, kwam men mij onmeedogend wekken ten einde ons wederom op weg te begeeven.

[140] _Gelijk ik doen kon, zo lang ik door honden getrokken wierd._

Het is noodig te weeten, dat de Koriaken in togten van vier, vijf of zes dagen bijna geen rust neemen; de rendieren zijn gewoon om dag en nagt, twee of drie agtereenvolgende uuren te loopen, vervolgens spant men ze uit, om dezelve omtrent één uur te laaten weiden; waar na ze met denzelfden iever wederom vertrekken, en herhaalen dit alle dagen tot aan het einde van de reis. Hier uit kan men ligt opmaaken dat ik mij gelukkig rekende, wanneer men mij des nagts twee uuren lang de slaap vergunde; dog dit duurde niet lang, langzamerhand wierd ik genoodzaakt van mij aan de gewoonte mijner onbuigzaame geleiders te gewennen, en ik moet bekennen dat zulks mij moeijelijk viel.

Voor dat ik mijn slêe beklom, zeide mij Eviava dat hij de noodzaaklijkheid gewaar wierd om het rijtuig te verligten, dewijl het gewicht van twee persoonen op den duur te zwaar voor onze dravers zou vallen, en dat zo ik zelfs wilde beproeven om te mennen, hij zich op een der sleeden zou plaatzen, die ons leeg volgden, om ingeval van eenig ongeluk of verlies van rendieren te kunnen gebruikt worden; het voorstel was te zeer na mijn smaak, dan dat ik geaarzeld zou hebben om het zelve aanteneemen, ik vatte spoedig de teugels aan en begon mijne oeffenschool.

Ik begon zelfs te mennen.

Ik vond het zelve niet minder ongemaklijk, dan dat waaraan ik mij te Bolcheretsk onderworpen had, met dit onderscheid echter, dat ik als toen de eerste was, die lagchen moest om mijne menigvuldige tuimelingen, terwijl ik hier de verschrikkelijke proef van derzelver grootste gevaarlijkheid ten mijnen koste meende te ondergaan; het rendier, ter slinkerzijde aan het steunpunt van de slêe aangespannen zijnde, raakt deszelfs trekzeel bijna aan den linker voet van den rijder, die met eene geduurige oplettenheid moet zorgen, dat hij 'er niet in verwart. Eens miste mij dit, het zij uit agteloosheid of onervaarendheid, en een schok wierp mij over de linkerhand, terwijl mijn been in deeze noodlottige trekzeel bleef vastzitten; de geweldige stoot die ik in het vallen onderging, of, zo ik geloof, de hevige en oogenblikkelijke smert welke mij dit been veroorzaakte, deed mij onvoorzigtiglijk de leissels ontglippen om de hand daar aan te brengen; door welk middel mij nu te ontwarren? de rendieren denzelfden teugel niet meer gevoelende, sleepten mij met des te meerdere snelheid voort, iedere pooging die ik tot mijne verlossing aanwende, deed dezelve moediger en meer verhit worden; dus door mijne rendieren voortgetrokken sleepte mijn hoofd over de sneeuw en sloeg zonder ophouden tegen de schaats van de slêe; dat men zich mijne smerten voorstelle; ieder oogenblik scheen mijn been te zullen breeken; reeds begaven mij de krachten om te roepen, ik verloor mijne kennis, wanneer ik door eene werktuigelijke beweeging de linker arm juist op mijne leissels sloeg die ginds en herwaards slingerde; een nieuwe schok van het rijtuig deed mij den arm terugtrekken, en dit was genoeg om mijne rendieren optehouden welke ter zelfder tijd door eenige van mijn gevolg wierden ingehaald; de anderen liepen naar mij toe, niet anders verwachtende dan dat ik gevaarlijk gekwetst zou zijn. Ik vernam vervolgens van mijne soldaaten dat zij gevreest hadden van mij niet meer levendig te zullen vinden. Echter na eene flaauwte van eenige minuuten, zijnde een natuurlijk gevolg van de ontroering en schrik die ik gehad had, bekwam ik mijne zinnen en krachten allengskens wederom; ik geraakte met een sterke kneuzing aan het been en pijnen in het hoofd die geen de minste gevolgen hadden vrij, het genoegen dat ik aan dit gevaar ontsnapt was, deed mij de moed hervatten; ik beklom op nieuw mijn slêe en vervolgde mijn weg even als of mij niets wedervaaren was.

Hier door omzichtiger geworden, gebruikte ik de voorzorg, om wanneer ik omviel, aanstonds mijne rendieren op te houden; want ik had alle reden mij gelukkig te achten, dat deeze in derzelver onstuimige woede mij niet tusschen de bergen vervoerd hadden[141]; en hoe zou men dezelve dan hebben kunnen agterhaalen? Somtijds brengt men drie of vier dagen door om ze te volgen, en het gelukt niet altoos om ze wederom te krijgen; dit bericht, het geen mij door onze Koriaken gegeeven wierd, deed mij voor mijne brieven beeven, terwijl de kist waar in die geplaatst waaren, op mijn slêe was vastgemaakt, en mij dus alle oogenblikken kon ontvoerd worden.

[141] Zij waaren wel van de weg afgeweeken, dog zij sleepten mij maar omtrent vijftig treeden voort.

1788. _April_ Den 7.

Dorp van Karbanda.

Ik liet ter slinkerzijde het dorp van Karbanda, gelegen aan den oever van de zee, omtrent negentig wersten van Ingiga; dat Ostrog is van geen het minste belang, na het geen men, ten minsten op de afstand van een werst daar van kan oordeelen: drie wersten verder, wierd ik aan dezelfde kant, twee yourtes en zes balagans gewaar, alwaar inwoonders van dat dorp de zomer komen doorbrengen.

Rustplaats in een gehugt aan den oever van de Noijakhona.

Wij reisden nog zeven wersten om onze bepaalde rustplaats te bereiken, namelijk, een slegt gehugt, in het midden van een klein bosch, het geen door de rivier Noyakhona bespoeld word; het bestaat uit eene enkelde yourte, en drie of vier balagans, daar woonen 's zomers en 's winters tien a twaalf Koriaken, die mij vrij wel ontfingen; ten minsten bevond ik mij daar onder dak, en dit was zeer veel voor iemand die dikwils genoodzaakt was in de open lucht, en op een bed van sneeuw te slaapen.

1788. _April_ Den 8.

Des morgens tegens twee uuren, lieten wij onze rendieren opzoeken, die van de wooningen verwijderd waaren, om reden van daar door beter in derzelver voedzel te kunnen voorzien, en ze voor de verslinding der honden van het gehugt te bewaaren. Wij begaven ons weder op weg, dog den dag leverde niets bijzonders op.

Eviava niet recht weetende waar de yourte van Oumiavin's broeder gelegen was, stelde mij des avonds voor, om een berg die aan onze linkerhand nog overterijden, dewijl hij hoopte op denzelven een zijner landgenooten te zullen aantreffen, die misschien daar beter bekend zou weezen dan wij; na anderhalf uur wegs afgelegt te hebben, bereikten wij den top, van waar wij, de oogen ginds en herwaards slaande, te vergeefs zogten te ontdekken de wooning van dien andere zwervende prins; niets duide zijn verblijf aan, en de nagt belette ons gezicht zich verder uittestrekken. Eviava was mistroostig, dewijl ik zeer vermoeijd en weinig geschikt was om voorwaards te komen. Om hem genoegen te geeven, zeide ik hem dat hij alléén zijn vriend zou gaan opzoeken, en zich ter dezer plaats weer bij mij voegen, alwaar ik, terwijl ik hem wagtende was, zou uitrusten; na verloop van drie uuren, kwam hij zeer verheugd mij wakker maaken, hij had de prins Amoulamoula en zijne geheele horde gevonden; de een en den ander verzogten mij aanhoudend van de plaats waar ik mij bevond niet te verlaaten, voor den volgenden morgen, dewijl zij mij gezamentlijk wilden te gemoet komen. Ik was deswegens zeer wel te vreden, nadien ik daar door een goede nagt maakte.

1788. _April_ Den 9.

Bezoek en geschenk, het welk ik van den Prins Amoulamoula ontfang.

Bij het aanbreeken van den dag zag ik deeze nieuwsgierigen verschijnen; het opperhoofd naderde mij het eerst, om zijne plichtpleeging op de Koriaksche wijs afteleggen, het geen hij, met een fraaije rood en zwartachtige vos, of _séva-douschka_ tot een geschenk verzelde, welke hij onder zijn parque van daan haalde, en mij drong het zelve aanteneemen[142].

[142] Deeze behandeling was mij des te aangenaamer dewijl ik dezelve niet verwagte; tot dus verre had ik van geen Koriak eenig geschenk ontfangen. Ik zou zulks niet bemerkt hebben, indien ik niet, bij de verlaating de goedaartige Kamschatters die mij met geschenken overlaaden hadden, getragt had de hoedanigheden deezer twee volkeren te vergelijken.

Uit erkentenis voor deeze beleeftheid, onthaalde ik de geevers op brandewijn en tabak, waar van ik mij rijkelijk te Ingiga voorzien had, en na dat ik hen had betuigd, hoe gevoelig ik voor hun verplichtend onthaal was, nam ik van hen afscheid, voorzien van alle de noodige onderrichtingen, welken wij verlangen konden om onzen weg wel te bestieren.

Hoe zeer de sneeuw zeer dik lag, en geene vastheid had, zo liepen echter onze rendieren met een verwonderenswaardig gemak en snelheid voort, zij hebben dit boven de honden vooruit, dat derzelver voeten meer oppervlakte beslaande, minder inzakken; men behoeft deeze met geene raketten voor uit te loopen om hen den weg te baanen; dog de honden worden niet zo spoedig moei, en bij gevolg bevrijden die de reizigers van de onaangenaamheid, van om de twee of drie uuren te moeten ophouden.

Onder weg, schoot ik verscheide patrijzen, uit de menigte die wij 'er van zagen is het optemaaken, dat ze zich in deeze streeken komen verlustigen; eenige wilde rendieren namen op onze aankomst de vlugt en lieten mij naauwelijks den tijd om ze te kunnen beschouwen, gelukkig dat ik door den overvloed van mijnen voorraad niet in verzoeking geraakte om dezelve te schieten.

Aankomst bij den Broeder van Oumiavin.

Op den middag konden wij reeds de Stoudé Naïa-reka onderscheidentlijk zien, en ten één uur waaren wij die overgetrokken, of liever wij bevonden ons bij den broeder van Oumiavin, bij wien Eviava aangenomen had, mij te zullen overbrengen.

Mijn nieuwe Gastheer kwam mij aan het hoofd van zijn gezin te gemoet; hun genoegen over mijne aankomst blonk hen ten oogen uit, ieder beieverde zich het zeerst om mij te naderen; de aanspraak van den ouden vorst was kort, dog hartelijk en vervuld van die genegenheid welke hij mij reeds betoond had; hij verzogt mij, om van hem en alle de zijnen te willen gebruik maaken alle hunne bezittingen waaren tot mijn dienst, ieder bevlijtigde zich als toen om mijne sleeden en andere zaaken onder dak te brengen, ik had alleen maar aan mijne brieven te denken, en om deeze zelfs te kunnen draagen, moest ik hen uitleggen dat ik dit kistje nooit verliet.

In de yourte getreden, betaalde ik de postkosten aan den prins Eviava. Ik had twaalf sleeden ieder met twee rendieren bespannen; de weg dien wij afgelegd hadden beliep honderd vijf en tagtig wersten, dus was ik voor mijne vier en twintig rendieren, zeven roubels en veertig Kopecks verschuldigt[143]; wanneer mijn goeden leidsman deeze som ontfing verbaasde hij zich over mijne edelmoedigheid; wat ik ook deed om hem te betoogen, dat het als geen gift kon aangemerkt worden, het geen ik hem wettig schuldig was, het was onmogelijk om hem mijne berekening te doen bevatten; zijn oude deun bleef altoos dat hij nimmer een zo braaf man aangetroffen had: hem te betaalen om dat hij mij had verplicht, scheen in zijne oogen een daad van verhevene deugd; uit zo veele lofspraaken, zou men de Russen kunnen verdenken, van meerdere bezuiniging in het werk te stellen; men meent in der daad, dat hunne reizen door deeze streeken niet zeer kostbaar zijn.

[143] Dat is te zeggen de waarde van vier paarden in Siberien en in Kamschatka voor de postbodens.

Wij hielden ons vervolgens met ons middagmaal bezig, het geen aller vrolijkst was, Eviava en mijn gastheer aten met mij, de brandewijn wierd niet gespaard, en mijne verrukte gasten herinnerden zich niet, ooit zulk een goeden cier gemaakt te hebben.

Bijzonderheden wegens mijne gastheer.

Het overige van den dag hield ik mij bezig om alles wat mij omringde natespooren en te ondervraagen, dog de leezer zal mogelijk begeerig zijn, meer bijzonder de braave Koriak te leeren kennen, die mij met zo veel beleefdheids ontfing.

Hij is ook Oumiavin genaamd, en in zijne kindsheid onder de naam van Siméon gedoopt, waar door hij van zijn broeder onderscheiden word, hij erkende in de beste trouw dat hij geen het minste denkbeeld had van de Christelijke Godsdienst; men had zo weinig zorg gedraagen om de jong bekeerde te onderwijzen, dat hij in het minste geen bewustheid had van zijne verplichtingen, nog van de eenvoudigste leerstukken der Evangelische wet; overgegeeven aan het onzinnig mengsel der dwaalingen van zijn land, en van eenige uitwendige gebruiken van het Christendom, waar van hij zich een gewoonte gemaakt had[144], vond hij gelukkig in zijn hart de grondbeginzels van eene natuurlijke zedeleer, die alleen zijne daaden bestiert.

[144] In de tegenwoordigheid der Russen, liet hij nooit na om de gewoonlijke Kruistekenen te maaken, namelijk bij het binnentreden in de yourtes, en voor en na den eeten.

Even als alle de Koriaken, is hij klein van persoon en bruin van couleur; op zijn aangezicht vertoont zich zijne ziel, een klaarblijkelijke openhartigheid en goedaartigheid, die het geheel van zijne gestalte oplevert, doet een gunstig vermoeden van hem opvatten, en, zijn sneeuw wit hoofdhair, als mede de gelijkmaatigheid van zijne wezenstrekken verschaffen hem een waarlijk verheven aanzien; hij is aan de regter arm verminkt, door de gevolgen van een zeer gevaarlijk gevegt het geen hij tegens een beer gevoerd had; de schrik had zijne medemakkers van den anderen verspreid, alleen bood hij aan het dier tegenstand, en hoezeer hij maar van een mes voorzien was, gelukte het hem eindelijk van het zelve ter neer te werpen en te dooden; de jagt is zijn grootste vermaak, niet minder behendig dan stoutmoedig, word hij ook voor een zeer gelukkig jager gehouden.

Ontwerp van Siméon Oumiavin.