Historisch dagverhaal der reize van den heer De Lesseps Zedert het verlaten van den Heer Graaf de la Perouse en zyne togtgenooten in de haven van St. Pieter & Paulus op Kamchatka, enz.

Part 2

Chapter 23,859 wordsPublic domain

[10] Op eenigen afstand van deeze plaats aan den voet van een boom werd Capitein Clerke begraven. Het opschrift dat de Engelschen op zijn graf agtergelaaten hebben was op hout en kon dus ligt uitgewischt worden. De Heer Graaf de la Perouse, begeerende, dat de naam van deezen Zeeman tot de onsterflykheid geraakte, zonder dat men voor de guurheid des weders behoefde te vreezen, deed een ander opschrift op koper in de plaats stellen.

Het zal niet onvoeglijk zijn hier te verhaalen, dat onze bevelhebber ter zelver tyd onderzoek deed naar de plaats alwaar de vermaarde Fransche Sterrekundige de L'Isle de la Croijere begraven was. Hij verzogt den Heer Kasloff om de nodige beveelen te geeven ten einde men op die plaats een Grafzerk stelde, en daar op een Grafschrift plaatste, het welk hij op Koper had doen graveeren, inhoudende de lofspraak en de bijzonderheden van den dood onzes landgenoots. Zyne begeerte wierd na het vertrek der Fransche Fregatten onder mijn oog uitgevoerd.

Dog door de voorgestelde verbeteringen is het onbetwistbaar, dat ze een plaats van gewicht zou worden; de ingang van de haven zou geslooten of ten minste bestreeken worden door de vestingwerken. Daarenboven zouden die dienen om van dien kant de ontworpen stad te dekken, welke ten grooten deele op het erf van het oude hospitaal, dat is te zeggen, tusschen de haven en het meir, het welk men van de hoogte ontdekt, zoude gebouwt worden; men zou insgelijks een batterij plaatzen op de land-engte, die dat meir van de baaij Avatscha scheid, ten einde daar door het andere gedeelte van de stad te beschermen. Eindelijk zou volgens dit zelfde ontwerp het inkomen van de baaij verdedigd worden, door eene redelijk sterke batterij, op de minst verheven plaats van derzelver linker oever; en de scheepen in de baaij komende zouden niet buiten het bereik van het geschut kunnen blijven, uit hoofde der naast elkander gelegen blinde klippen langs den regter-oever; men ziet er tegenwoordig op de punt van een rots een batterij van zes of agt stukken, die gelost is ter begroeting van onze scheepen.

Het is onnodig te zeggen, dat ook dit plan de vermeerdering der bezetting bevat, die tegenswoordig alleen uit veertig Soldaten of Cosakken bestaat; zij leeven en zijn gekleed even als de Kamschatters, alleenlijk dragen zij een sabel, een snaphaan en de patroontasch, wanneer ze dienst doen; zonder dat zou men ze niet van de Inboorlingen dan aan hunne gelaatstrekken en taal kunnen onderscheiden.

Wat het Kamschattisch dorp betreft, 't welk een groot deel van de plaats uitmaakt, zo als ze thans is, en het geen, gelijk ik reeds gezegt heb, gevonden word op de landengte, die den ingang der haven sluit, het zelve bevat niet meer dan dertig of veertig woonplaatzen, zo voor den winter als zomer geschikt, genaamt _isbas_ en _balagans_; en men rekent in de geheele plaats, zelfs de bezetting er onder begreepen, niet meer dan ten hoogsten honderd Inwoonders, zo mannen, als Vrouwen en Kinderen; door het voornoemde ontwerp wilde men het getal op meer dan vierhonderd brengen.

Bij deeze bijzonderheden, nopens de haven van St. Pieter & Paulus, en de werken, die men moet aanleggen tot derzelver verfraaijing, zal ik hier eenige aanmerkingen laaten volgen over den aart van den grond, de luchtsgesteldheid & de rivieren.

Aart van den grond.

De oevers der baaij van Avatscha scheenen mij met hooge bergen omgeeven, waar van eenigen met houtgewas bedekt, en anderen van een vuurspuuwenden aart zijn[11]. De valeijen leveren een teelt van gewassen op die mij verbaast heeft; het gras heeft bijna een mans lengte, en de veldbloemen, gelijk wilde roozen en anderen, die daar onder elkander vermengd zijn, verspreiden reeds van verre de lieflijkste geuren.

[11] Vijftien of twintig wersten van de haven word een Vuurspuuwende berg gevonden, die door de natuuronderzoekers, tot den togt van den Heer Graaf de la Perouze behoorende, bezogt is geworden, en waar van in de reis van dien bevelhebber zal gesproken worden. De bewoonders van het land hebben my verhaalt, dat er van tijd tot tijd rook uitkomt; dog dat de uitwerping, die voormaals dikwijls plaats had, zedert verscheide jaaren niet waargenomen is.

Luchtgesteldheid.

Gewoonlijk vallen er geduurende de lente en den herfst zwaare regenbuijen, en de stormwinden zijn in het laatstgenoemde jaargetij en in den winter zeer menigvuldig. Deeze is zomtijds ook regenachtig, dog, niettegenstaande deszelfs langduurigheid, verzekert men echter, dat hij niet zo buitengewoon streng is, ten minsten in dit zuidelijke gedeelte van Kamschatka[12]; de sneeuw begint in October te vallen, en de dooij heeft geen plaats voor April of Maij, dog zelfs in Julij ziet men op de toppen der hooge bergen, en voornamelijk op de vuurspuuwende, sneeuw vallen; de zomer is redelijk fraaij, de zwaarste hette duurt zelden langer dan de zonnestand; de donder word er zeldzaam gehoord en richt nooit verwoestingen aan; zodanig is de luchtsgesteldheid die ten naasten bij in alle de streeken van dit gedeelte van het schier-eiland heerscht.

[12] De geweldige koude, waar over de Engelschen zich beklaagen, zal mogelijk niet zonder voorbeeld zyn, en ik vermeet mij niet dezelve tegen te spreeken; dog 't geen een bewijs zou opleveren, dat de gestrengheid van de lucht nogtans zo geweldig niet is, bestaat daar in, dat de Inwoonders, die ons voorgesteld worden, als of zij geduurende den geheelen winter niet uit hunne onderaardsche wooningen of _ijourtes_ durfden koomen, uit vreeze van te bevriezen, tegenwoordig in dit zuidelijke gedeelte van het schier-eiland geene diergelijke wooningen meer vervaardigen, zo als ik in 't vervolg gelegenheid zal hebben van te verhaalen. Ik stem echter toe, dat de koude, die ik geduurende mijn verblijf aldaar ondervonden heb, en die met den winter van 1779 kan vergeleeken worden, mij dezelfde toegescheenen heeft, als die welke men te St. Petersburg gewaar word: dog het geen de Engelschen met zeer veel reeden vreemd gevonden hebben, zijn de schrikkelijke orcaanen die zulke dikke en overvloedige sneeuwvlaagen aanbrengen, dat het als dan onmogelyk is om uit te gaan, of voort te reizen wanneer men op weg is; dit is mij meer dan eens overgekomen, gelijk men in 't vervolg zien zal.

Rivieren welke in de Baaij van Avatscha uitwateren.

Twee Rivieren hebben derzelver uitloop in de baaij van Avatscha, namelijk, die welke aan de baaij den naam geeft, en die van Paratounka; ze zijn beide zeer vischrijk; men vind er daar en boven allerlei zoort van watergevogelte, het welk zo schuuw is, dat men het zelve op geen vijftig treeden kan naderen; de vaart in deeze rivieren is op den 26 November gestremt, dewijl ze altoos op dit tijdstip vast raaken, en in het hevigste van den winter, is de baaij zelfs met ijsschotsen bedekt, die door de zeewinden opgehouden worden, dog zo dra de landwinden beginnen te waaijen, ontdoet ze zich daar van geheel; de haven van St. Pieter & Paulus word gewoonlijk door het ijs in de maand Januarij geslooten.

Ik behoorde hier van de zeden en de gewoontens der Kamschatters te spreeken, en derzelver huizen of liever hutten, die ze _isbas_ of _balagans_ noemen, te leeren kennen; dan ik verschuif het behandelen deezer onderwerpen tot mijn aankomst te Bolcheretsk, alwaar ik hoope meer tijd en gelegenheid te zullen hebben om dezelve uitvoerig te beschrijven.

1787. _October_

Vertrek van St. Pieter & Paulus.

Wij vertrokken van de haven van St. Pieter & Paulus op den 7 October, namelijk de Heer Kasloff[13], de Heeren Schmaleff[14], Vorokhoff[15], Ivaschkin[16], ik en het gevolg van den Commandant, bestaande uit vier Sergeanten of Onderofficieren en een gelijk getal Soldaaten; de Bevelvoerende Officier van de haven voegde zich, waarschijnlijk uit eerbied voor den Heer Kasloff zijn Opperhoofd, bij ons kleine gezelschap, en wij begaven ons op baidars[17] t'scheep, om de baaij over te steeken, en ons naar Paratounka te begeeven, alwaar wij paarden zouden vinden om onzen weg te vervolgen.

[13] De Heer Kasloff-Ougrenin is, gelijk ik reeds gezegt heb, bevelhebber van Okotsk en van Kamschatka, hij staat onder den algemeenen landvoogd, die zijn verblijf te Irkoutsk houd.

[14] De Heer Schmaleff is Captein-Inspecteur over de Kamschatters, of volgens 't Russisch CAPITAIN ISPRAVNIK in het gebied van Kamschatka, het is dezelfde aan wien de Engelschen zo veel verplichting hadden, en de goede diensten, die hij ons beweezen heeft, zijn insgelijks ontelbaar.

[15] De Heer Vorokhoff, Geheimschrijver van den bevelhebber, word in de regeerings zaaken gebruikt, en heeft den rang van Officier.

[16] De Heer Ivaschkin is die ongelukkige edelman, van wien de Engelschen spreeken, en die in allen opzichte den door hun toegezwaaiden lof verdient; het eenvoudig verhaal van zijne rampen is genoegzaam om aan ieder leezer medelijden inteboezemen, dog men moet hem gezien en bijgewoond hebben, om van de maat des belangs te oordeelen, dat men in zijn lot moet stellen.

Hij was nog geen twintig Jaar, wanneer de Keizerin Elisabeth hem Sergeant maakte onder de Préobrajenskoische lijfwacht; hij genoot reeds een zeker aanzien aan het Hof, en de vrije toegang welke zijn post hem bij zijne Souveraine gaf, opende voor zijne eerzucht de glansrijkste loopbaan, wanneer hij eensklaps niet alleen in ongenade raakte, en zich van al de vleijende hoop, waar mede hij zich had kunnen streelen, beroofd zag, maar daar en boven had hij de smert van als de grootste misdaadiger behandeld te worden; hij ontfing de knout, de hardste en schandelijkste straf in Rusland; men scheurde hem de neusgaten op, en hij wierd daar en boven voor zijn leeven naar Kamschatka gebannen. Men weet uit het verhaal der Engelschen alles, wat hij geduurende twintig jaaren van de uiterste gestrengheid, waar mede men hem behandelde, heeft moeten uitstaan; men dreef dezelve zo verre van hem de eerste noodwendigheden te weigeren; hij zou zonder twijffel van honger en gebrek omgekomen of tot wanhoop vervallen zijn, indien de sterkte van geest en lichaam hem niet ondersteunt had. De noodzaaklijkheid van zelfs in zijn nooddruft te voorzien dwong hem, echter niet zonder afkeer, van zich onder de Kamschatters in te lijven, en geheel derzelver leevenswijze aanteneemen; hij is even als die gekleed, en vind in zijn jagt en visscherye zo veel overvloed voor zijne behoeftens, dat hij door het verkoopen van het overschot nog eenige verzagting in zijn droevig aanzijn kan bekomen; hij woont in het Ostrog van Verckneï-Kamschatka, of Opperkamschatka; onder de Russen is de oorzaak van eene zo gestrenge straf onbekend; men is genegen dezelve aan een misverstand of aan eenige onbescheiden woorden toeteschrijven want men kan niet besluiten hem een misdaad toetekennen. Het schijnt dat men te rug gekomen is van de voorgewende ijslijkheid zijner misdaad; men heeft zedert kort de plaats zijner ballingschap willen veranderen, en hem voorgeslaagen van te Yakoutsk zijn woonplaats te neemen, leverende deeze Stad meer middelen op ter voldoening van de nooddruft en ter veraangenaaming des leevens; dog die ongelukkige banneling, die tans omtrent zestig à vyf en zestig Jaar oud is, heeft die vergunning geweigerd, willende, volgens zyn zeggen, de afschuuwelijke tekenen van zijne onteering niet gaan ten toon stellen, nog ten tweedenmaale schaamrood worden over de schrikkelijke straf die hij ondergaan heeft; hij heeft liever verkoozen onder zijne Kamschatters te blijven leeven, niets meer begeerende dan vreedzaam zijne weinige overige dagen, in 't midden der geenen die zijne eerlijkheid kennen, doortebrengen, en stervende de algemeene achting en vriendschap, die hij zo rechtmatig geniet, wegtedraagen.

Door het verhaal der Engelschen opgewekt, toonde de Heer Graaf de la Pérouse een sterk verlangen om dien ongelukkigen te zien, die hem van 't eerste oogenblik af aan de levendigste belangneeming inboezemde. Hij ontfing hem aan zijn boord en aan zijn tafel, de menschlievendheid van onzen bevelhebber bepaalde zich niet alleen tot deernis met zijne rampen, maar ze bevlijtigde zich om dezelve te verzagten, met hem dat geene agter te laaten het welk hem ons verblijf kon doen herdenken, en daar door bewijzen te geeven, dat de Engelschen de eenigste vreemdelingen niet zijn, welke deel in zijn droevig lot genomen hebben.

[17] De BAIDARS zijn bijna van een gelijk maakzel als onze booten, als alleen dat de boorden gemaakt zijn van planken van vier, vijf à zes duimen, welke de een aan den anderen gevoegt zijn met banden van willige takken of touwen, men kalfatert ze met boom-mosch; de baidars zijn de eenigste vaartuigen welke dienen om de Kourilische eilanden te bevaaren: ze worden gewoonlijk geroeid, men kan er echter ook een zeil aan vast maaken.

Aankomst en verblijf te Paratounka.

Wij kwamen in vijf of zes uuren aan dat dorp, alwaar de Priester[18] of de Pastoor van dat district woont, en waar men ook de Kerk vind[19], zijn huis diende ons voor een herberg; en wij wierden er zeer wel ontfangen, dog naauwlijks waaren wij 'er binnen getreden, of 'er viel zo eene geweldige regen, dat wij genoodzaakt waaren langer dan wij meenden daar ons verblijf te houden.

[18] Zijn naam is FEODOR VERESCHAGUIN; hij is zijn oudsten Broeder Romanoff Vereschaguin opgevolgd, die zo veel goeds aan den Capitein Clerke bewees, en dien ik zedert te Bolcheretsk gevonden heb.

[19] Zijn voorganger had aan de Engelschen verhaalt, dat deeze parochie onverwijld naar het dorp van St. Pieter & Paulus zou overgebragt worden, dog deeze verplaatzing zal niet geschieden dan met de uitvoering van het ontwerp omtrent de haven; het is hier de plaats om optemerken, dat de Engelschen verzuimt hebben aantetekenen, dat 'er eertijds een Kerk te St. Pieter en Paulus gevonden wierd, en dat men den grond daarvan aangewezen vind door een soort van grafplaats, die 'er een deel van uitmaakte.

1787. _October_ Te Paratounka.

Ik maakte van deeze korte tusschenpoos met allen ijver gebruik, om eenige dier voorwerpen te beschrijven, welke ik uitgesteld had te behandelen tot mijn aankomst te Bolcheretsk, alwaar ik mogelijk nog andere zal aantreffen die niet minder belangrijk zijn.

Beschrijving van dat Dorp.

Het dorp Paratounka is gelegen aan den oever der rivier van deezen naam, omtrent twee uuren van deszelfs mond[20]. Dit dorp is weinig meerder bevolkt dan dat van St. Pieter & Paulus; de kinderziekte heeft voornamelijk in deeze plaats ijsselijke verwoestingen aangericht; het getal der Balagans en Isbas, die ik 'er gezien heb, is mij ten naasten bij het zelfde voorgekomen als te Petropavlofska[21].

[20] Deeze rivier ontlast zich, gelijk ik reeds gezegt heb, in de baaij van Avatscha; de banken, die 'er bij een laage zee droog loopen, maaken het inkomen als dan ondoenlijk; zelfs is het met een volle zee zeer moeijelijk.

[21] Wanneer ik voor deeze Kamschatsche huizen stil stond, heb ik mij dikwils op derzelver gezicht de versmaadende verbaazing van onze Fransche Sybariten voorgesteld, den eenen zo trotsch op deszelfs uitgestrekte paleizen, den ander zo jaloersch van zijne fraaije en opgeschikte kleine vertrekjes, waar in de kunst van verciering alléén voor de vergezogte pracht in huisraad moet wijken: mij dagt ik hoorde hen uitroepen: hoe is het mogelijk, dat menschen deeze elendige hutten kunnen bewoonen? en nogtans is een Kamschatter onder zulk een stulp, waar van de bouworde tot de eerste jaaren der waereld schijnt te behooren, niet ongelukkig; hij leeft daar gerust met zijn gezin, hij geniet ten minsten het geluk van weinig behoeftens te kennen, daar door zelfs is hij minder nooddruftig, en mist alle voorwerpen waar mede hij zijn staat zou kunnen vergelijken.

Wooningen der Kamschatters.

De Kamschatters bewoonen des zomers de eersten en des winters begeeven zij zich in de laatsten. Daar men ze ongevoelig wil opleiden om meer en meer gelijk aan de Russische boeren te worden, en op eene gezonder manier te woonen, zo heeft men in dit zuidelijk gedeelte van Kamschatka verbooden, om in 't vervolg ijourtes of onderaardsche wooningen zamen te stellen; ze zijn 'er tans allen uitgeroeid[22], en men vind 'er niets meer van dan eenige spooren, zijnde het binnenste toegevuld, terwijl ze van buiten het voorkomen hadden als de breede daken van onze ijskelders.

[22] Ik heb 'er eenigen tijd daar na in het Noordelijke gedeelte ook gevonden, en er een naauwkeuriger denkbeeld van kunnen vormen, 't welk ik aangetekend heb.

Beschrijving der Balagans.

De Balagans staan boven den grond op verscheiden stijlen, op gelijke afstanden geplaatst, en van twaalf à dertien voeten hoog; deeze boersche Colonnade dient ter ondersteuning van een plat gemaakt van in elkander gevoegde balkjes bedekt met kleiaarde; dit strekt tot een vloer aan het geheele gebouw, het welk in een dak van een kegelachtige form bestaat, bedekt met een soort van stroo of verdroogt gras, uitgespreid op lange sparren, die zich aan de kruin vereenigen, en die op verscheiden dwarsbalken leggen; deeze top of dit dak maakt te gelijk de eerste en tweede verdieping; ze vormt het geheele verblijf, namelijk één vertrek: een gat in het dak geeft doortogt aan den rook, wanneer het vuur aangestoken word om de spijzen te bereiden; deeze keuken word als dan vervaardigt in het midden van de kamer, waar in ze eeten, zich nederleggen en onder elkander slaapen, zonder de minste tegenzin of bekommernis. In die vertrekken ziet men geen vensters; men vind 'er niets anders dan eene zo laage en naauwe deur, dat ze naauwlijks het licht doorlaat; de trap is als het huis; het is een balk, of liever een zeer plomp ingekipte boom, waar van het eene einde op den grond rust en het andere de hoogte van den vloer der hut bereikt; ze komt tot aan den hoek van de deur, gelijk met een soort van open gallerij die voorwaards uitkomt, deeze boom heeft zijne rondte behouden, en vertoont op den eenen kant van deszelfs oppervlakte iets, het welk ik geen trappen kan noemen, uit hoofde dat ze zo ongemaklijk zijn, dat ik meer dan eens gedagt heb 'er den hals op te breeken. In der daad, wanneer deeze vervloekte trap onder de voeten van hun, welke 'er niet aan gewoon zijn, begint te draaijen, is het onmogelijk het evenwicht te bewaaren, men moet noodwendig op de aarde vallen, en men loopt min of meer gevaar, naar maate van deszelfs hoogte. Wil men van buiten te kennen geeven, dat 'er niemand t'huis is, keert men de trap met de treeden naar onder.

Het gemak kan aan deeze Volkeren het denkbeeld ingeboezemd hebben, om deeze vreemde wooningen zamentestellen, derzelver leevenswijs maakt hun die noodzaaklijk en gerieflijk; de drooge vis, hun voornaamste voedzel, als mede dat van hunne honden zijnde, hebben zij om die te droogen, gelijk ook voor hun winters-voorraad, een plaats nodig die voor de zon beschut is, en waar nogtans de lucht van alle kanten kan doorspeelen; deeze plaats vinden zij onder deeze colonnade of boersche gallerij 't welk het binnenste gedeelte der balagans uitmaakt. Hier hangen zij hunne visch aan de zoldering of vloer van het gebouw, of aan zulke verhevene plaatzen als nodig is, om ze voor de verslindende honden te bewaaren, die altoos hongerig gehouden worden tot nut van den dienst; deeze honden dienen bij de Kamschatters tot de sleedevaart, de besten[23] dat is te zeggen, de beesten hebben geen andere stal dan dat soort van overdekte gallerij waar van ik zo even gesprooken heb; ze zijn aan de pijlaaren of stijlen, die ter ondersteuning van 't gebouw dienen, vastgemaakt. Ziet daar, zo 't mij toeschijnt, al het nut opgegeeven, 't welk 'er in de zamenstelling van hunne balagans of zomerwooningen gelegen is.

[23] Daar ik spoedig in het geval zal weezen van er gebruik van te moeten maaken, zal ik tot dien tijd wachten om ze te beschrijven.

Beschrijving der Isbas.

De winterwooningen zijn minder zonderling, zij zouden volmaakt na de huizen der Russische boeren gelijken, indien ze zo groot waaren. Deeze zijn reeds zo dikwils beschreeven, dat een ieder ten naasten bij kan weeten, hoedanig ze gebouwt en verdeelt zijn; het is bekend, dat deeze isbas alle van hout zijn, dat is te zeggen, dat ze bestaan uit vlak op den anderen gelegde boomen, die 'er de muuren van uitmaaken, waar van de openingen met mosch gevult zijn. Derzelver dak heeft de rigting van de boere hutten in Frankrijk: het is met een grof gras of biezen gedekt, en somtijds ook met planken; het binnenste word door twee vertrekken afgedeeld, en ééne kagchel verwarmt door deszelfs plaatzing die beide, ze dient ook tot een schoorsteen voor de keuken. Ter wederzijde van de grootste deezer kamers zijn breede banken, die daar blijven staan, geplaatst, en somtijds ook eene slegte slaapstede van planken gemaakt en met beerehuiden bedekt. Dit is het bed van de hoofden des huisgezins, en de vrouwen, die in deeze woeste streeken slaavinnen van haare mannen zijn en het zwaarste werk verrichten, moeten zich gelukkig achten wanneer ze daar op rusten kunnen.

Behalven deeze banken en dit bed, vind men 'er nog een tafel en een groot getal beelden van verschillende heiligen, waar meede de Kamschatters hunne vertrekken vercieren, en waar op zij zoo eergierig zijn als de meesten van onze beroemdste kenners op het ten toon stellen hunner prachtige schilderstukken.

Men kan wel begrijpen dat de vensters nog breed nog hoog zijn: de ruiten zijn van zalmvellen of blaazen van verschillende dieren, of van toebereide zeewolven gorgels, zomtijds zelfs van talkbladen, het geen zeer zeldzaam is en een soort van pracht aankondigt. Deeze visch-vellen zijn zodanig afgeschrapt en toebereid, dat ze doorschijnend zijn en een weinig daglicht in het vertrek geeven[24], dog 'er ontbreekt veel aan om 'er de voorwerpen door te kunnen onderscheiden. De bladen van talk zijn helderder en komen nader aan het glas, echter zijn ze niet doorschijnende genoeg om van buiten te zien het geen van binnen omgaat; men kan begrijpen dat dit geen ongemak is voor zulke laage huizen.

[24] Dit geeft het zelfde uitwerkzel als het geolied papier in de vensters van de fabrieken in Frankrijk.

Opperhoofd of Rechter van ieder Ostrog.

Ieder Kamschattisch dorp word bestiert door een hoofd, genaamt _toijon_; dit soort van regeerings-persoon word door de landzaaten verkooren, bij meerderheid van stemmen: de Russen hebben hun dit voorrecht laaten behouden, dog ze verplichten hen om de keus door het rechtsgebied van het Landschap te doen goedkeuren; die toijon is dus maar een boer, even als die geenen welke hij richt en bestiert, hij heeft niets onderscheidends en doet het zelfde werk als zijne onderhoorigen; hij is bijzonder gelast met de bewaaring der goede order, en met de uitvoering der beveelen van de regeering; hij heeft daar en boven, onder de zijnen, een ander Kamschatter volgens zijn keus, om hem te helpen of zijn plaats te bekleeden in de uitvoering van zijne bediening; deeze onder-toijon word genaamt _ijesaoul_, een Cosaksche eertitul, welken de Kamschatters zedert de komst der Cosakken in dit schier-eiland aangenomen hebben, en die, bij de laatsten, het tweede hoofd van derzelver bende of horde betekent; men moet hier bijvoegen, dat wanneer het gedrag deezer hoofden slegt is, of de klachten van hunne onderhoorigen verwekt, de Russische Officieren, gesteld om die klachten te ontfangen, of de andere door de Regeering aangestelde Rechtbanken, aanstonds deeze toijons van hunne bediening afzetten, en anderen benoemen, die aan de Kamschatters, welken het recht hebben om ze voortestellen, aangenaamer zijn.

Den 8.

De regen voortduurende konden wij ons nog niet weder op reis begeeven, dog mijne nieuwsgierigheid vervoerde mij om een oogenblik van den dag te neemen ten einde eene wandeling door het dorp Paratounka te doen, en deszelfs omgeleegen streeken van nader bij te bezichtigen.