Part 19
Onder de allervreemdste gebruiken zal ik hier opgeeven de proef, waar aan een jongman, die trouwen wil, zich moet onderwerpen. Wanneer hij zijn keus gedaan heeft, gaat hij zich bij de ouders van zijne minnaares vertoonen, en zich aanbieden om te werken; dit is het oogmerk; aanstonds belaad men het meisje met een onnoemlijk aantal kleederen, die haar zodanig verbergen, dat men naauwlijks het aangezicht zien kan; als dan is ze geen oogenblik meer alleen, haar moeder en verscheidene oude vrouwen volgen haar overal, slaapen aan haare zijde, en verliezen haar nimmer, onder wat voorwendzel ook, uit het oog; de behendigheid van den minnaar, alle zijne pogingen moeten daar heen strekken om het geluk te hebben van zijne beminde ontbloot aan te raaken; dit is het eenigste middel om haar te verkrijgen; ondertusschen verricht hij met iever en onderwerping allen arbeid, welken de ouders hem opleggen; hij, om dus te spreeken, de slaaf van het gezin geworden, word belast met al het huisselijke werk, als om het hout te hakken, het water of den voorraad van ijs te haalen; de liefde, de tegenwoordigheid van zijne aanstaande geeven hem moed; een enkel opslag van het oog, al was het ook onverschillig, doet hem zijne vermoeijenissen en de verdrietelijkheden van den dienst vergeeten; de hoop om de duurzaamheid daar van te verkorten, bestiert alle zijne daaden; het oog altoos gevestigt op den afgod van zijn harte, bespied hij alle haare beweegingen, volgt haare gangen, en vertoont zich zonder ophouden, waar zij ook gaan mag; dog door welk middel zal hij het geleide van Argusoogen, welke haar omringen, bedriegen? Het is eene geduurige strijd van de waakzaamheid tegens de list; een ieder neemt zich in acht en gaat met gelijken iever en gelijke standvastigheid te werk; men zou uit zoo veel ernst, uit deeze verliefde onrustigheid van den minnaar, uit de genomen maatregelen om zijne pogingen te doen mislukken, moeten besluiten, dat het te doen was om eene zeldzaame schoonheid te schaaken: wie zou gelooven, dat het voorwerp der begeerte en der gedagten van den zugtenden Koriak de leelijkheid zelf is, en dat hij tot prijs van zo veel arbeids alleen haakt om een vereelt, geel en smeerig vel aanteraaken? In zijne oogenblikken van werkeloosheid vrijheid hebbende om zijne meesteresse te zien en te naderen, tragt hij somtijds haar door eene steelswijze aanraaking te verdienen, dog het aantal en de dikte der kleederen veroorzaaken hem een onoverkomelijken hinderpaal; verwoed over zo veel tegenstands, rukt en scheurt hij deeze lastige kleederen; wee den roekeloozen, indien hij in zijne poging betrapt word; de ouders, de onverbiddelijke bewaaksters vallen op hem aan, en noodzaaken hem om zijn prooij te verlaaten; het is gewoonlijk door schoppen of stokslagen, dat men hem verzoekt van heen te gaan en een beter gelegenheid uittekiezen: indien hij tegenstand bied, word hij bij de hairen gesleept, of de nagels van die oude Megera's worden op zijn aangezicht gedrukt; indien hij zich verzet, zo hij te onvreeden is over deeze wreede behandeling, word hij aanstonds afgedankt en verliest voor altoos zijne aanspraak op deeze verbintenis, hetwelk de grootste belediging is, die een verliefd Koriak kan wedervaaren. Dog de zwaarigheden doen zijne begeertens des te heviger ontsteeken; wel verre van zich te beklaagen, verre van door zo veele gestrengheden den moed te laaten ontzinken, vermeend hij de gelukzaligheid, welke hij zich belooft heeft, des te waardiger te zijn; hij verheugt zich, hij acht zich alle de kwellingen, die hij in zijne verliefde en moeijelijke slavernij ondergaat, tot een eer; het gebeurt dikwils niet, dan ten einde van twee of drie jaaren, meer of min, dat hij tot den eindpaal van zijnen arbeid, tot het oogmerk, het geen zo ongemaklijk te bereiken was, geraakt; trots op zijne zege, haast hij zich, om die aan de ouders van de overwonnene te gaan aankondigen; de getuigen worden geroepen, de dogter ondervraagt[132], men vordert haare bekentenis, men eischt bewijs, dat zij verrast is geworden, dat zij vergeefsche pogingen aangewend heeft om zich te verdedigen, als dan is haare hand aan den overwinnaar toegestaan, van wien men nog een uitstel vordert, om verzekert te zijn, of de Juffrouw zich zal kunnen gewennen om met hem te leeven; van dit oogenblik af, bevrijd van allen arbeid, maakt hij zonder hinder zijn hof aan zijne aanstaande bruid, die zelfs niet treurig is van verlost te weezen van den last haarer talrijke kleederen. Het is zeldzaam, dat zij deeze tweede proef lang uitrekt, welhaast geeft zij, in tegenwoordigheid van de bloedverwanten, haare toestemming aan haar man, en dit is voldoende om hem in alle zijne rechten te doen treden. De plegtigheden en het huwelijksfeest worden in een vergadering der naastbestaanden voltrokken, die zich op het voorbeeld der getrouwden om het zeerst dronken drinken, de veelwijverij schijnt aan de Koriaken verboden te zijn, echter heb ik 'er gezien, die zich deeze zonder den minsten schroom veroorloofden.
[132] Het is waarschijnlijk, dat de schoone niet altoos ongevoelig is, en dat zij even ongeduldig als haar minnaar om deezen werkzaamen proeftijd te doen ophouden, wel eens erkent aangeraakt te zijn, hoe zeer zulks niet met de waarheid overeenkomt.
Lijkplegtigheden.
Derzelver lijkplegtigheden gelijken veel na de oude instellingen van het heidendom, tans nog bij verscheide woeste volkeren van het nieuwe halfrond in gebruik. Wanneer een Koriak gestorven is, vergaderen zijne naastbestaanden en zijne vrienden om hem de laatste eer te bewijzen; zij rechten een houtmijt op, waarop men een gedeelte der rijkdommen van den overleedenen en een voorraad van leevensmiddelen plaatst, als rendieren, visch, brandewijn, in een woord, alles wat men meent, dat hij noodig kan hebben, om de groote reis te doen, en om niet van honger in de andere waereld te sterven. Indien het een zwervende Koriak is, word hij door zijne rendieren naar de houtmijt gebragt, zo het een Koriak is, die een vaste woonplaats heeft, word hij door zijne honden getrokken of door zijne naastbestaanden gedraagen; het lijk word met deszelfs fraaijste kleederen en leggende in een soort van doodkist ten toon gestelt; daar ontfangt hij het laatst vaarwel van de omstanders, die, van toortzen voorzien, het zich een eer rekenen, om spoedig hun bloedverwant of vriend in asch te doen verteeren. Zijn verlies veroorzaakt geen andere droefheid, dan alleen het gemis van zijn bijzijn, en niet die wegens eene eeuwige scheiding; men kent daar geen rouw, en de lijkplegtigheid word door een Bacchusfeest onder de naastbestaanden geeindigt, alwaar de dampen van den drank en tabak langzamerhand het aandenken aan den dooden verdrijven; na verloop van eenige maanden weduwe geweest te zijn, is het aan de vrouwen geoorloft om weêr te hertrouwen.
Deeze bijgeloovige gebruiken bij de lijkplegtigheden in acht genomen, en de kortstondige droefheid van hun, welke een wezen overleeven, dat hun waard kon zijn, dit alles is na mijn inzien een ontegenzeggelijk bewijs van hunne onverschilligheid voor het leeven, waar van de korte duurzaamheid hun nog verbaast nog bedroefd. Hun godsdienstig zamenstel streelt hun waarschijnlijk met de vertroostende hoop van een voortduurend bestaan; de dood is in hunne oogen niets anders dan een overgang tot een ander leeven, wanneer zij de waereld verlaaten, gelooven ze niet, dat zij ophouden te genieten, het zijn andere genoegens, die ze zullen wedervinden; dit vleijend vooroordeel, het welk ik reeds door het verhaal van mijn eerste gesprek met _Bumiavin_ heb doen kennen, geeft de beste reden van zijne twijffelingen in godsdienstige zaaken, en van de woeste kloekmoedigheid zijner landsgenooten. Dog hunne ongerijmde leerstellingen vereisschen eene meerdere ontwikkeling, hoe zeer de dienst, waar van ze den grondslag uitmaaken, zeer eenvoudig is, en dat het wonderbaare daar van weinig verleidends in zich bevat; zie hier, waar in het geslachtregister der Koriaksche Goden bestaat[133].
[133] Dit is even het zelfde bij de Tchouktchis, en ook eertijds bij de Kamschatters, voor de invoering van het Christendom.
Godsdienst.
Zij erkennen een Opperst Wezen, Schepper van alle dingen; volgens het denkbeeld deezer volkeren, bewoont hij de zon; welkers vuurige bol hun toeschijnt het paleis, de throon van den beheerscher der natuur te weezen; misschien verwarren zij hem met dat hemelsch vuur, het welk zij vooronderstellen zijn verblijfplaats te zijn. Het geen mij dit deed denken, was, dat ze hem nog vreezen nog aanbidden; geene gebeden worden tot hem opgezonden; de goedwilligheid, zeggen ze, is zijn hoofdbestaan, hij zou geen leed kunnen doen; al het goede, het geen op deeze aarde gebeurt, daalt van hem af; schijnt het na dit alles niet, dat de vertooning der onafgebrooken en algemeene weldaaden van den Koning der schitterende lichten, die aan alles op het aardrijk leeven, werking en kracht geeft, dit blind vertrouwen hun heeft ingeboezemd, met dit licht des waerelds als haar beschermgod voortestellen?
De oorsprong van het kwaad is volgens hun niets anders dan een booze geest, die met het volmaakte goede weezen de beheering van de natuur deelt[134], hun magt is gelijk; zo veel als de een zich bezig houd met het geluk der menschen, zo sterk zoekt de ander dezelve ongelukkig te maaken; de ziektens, de stormen, de honger, allerlei rampen zijn deszelfs werk en de werktuigen zijner wraak; om hem te ontwapenen is het, dat het eigenbelang zich verbind en waar op de godsvrugt zich toelegt; het afgrijzen, het welk deeze dreigende godheid in alle de harten verspreid, is de gewaarwording, welke den eerbied voorschrijft, de dienst, dien men hem toezwaait, bestaat in zoenofferhanden; men offert hem jonggebooren beesten, rendieren, honden[135], de eerstelingen van de jagt en vischvangst, en al het kostbaare, wat men maar bezit; de gebeden, die men tot hem opzend, bestaan in verzoeken of in dankzeggingen; men heeft geene tempels, geene heiligdommen, alwaar zijne aanbidders zich moeten verzamelen; overal kan men deeze ingebeelde godheid eerbiedigen; hij hoort den Koriak, die hem alleen in de woestijn aanbid, even als het vereenigt gezin, dat zijn gunst meent te verwerven met zich in hunne yourte godvrugtig dronken te drinken; want de gewoonte der dronkenschap is bij dit volk een godsdienstige oeffening en de grondslag van alle plegtigheden geworden.
[134] Zij neemen echter ook eenige mindere Goden aan; sommigen zijn een soort van huisgoden, beschermers van hunne boersche daken. In de meest in het oog loopende plaats van de yourte is het, dat zij deeze afgoden, ruw uitgehouwen en zwart van den rook, plaatzen; zij kleeden ze op de Koriaksche manier, en behangen ze met schelletjes, ringen, en allerlei soort van yzeren en koperen gereedschappen. De andere mindere goden, welke zij zich verbeelden, bewoonen de bergen, de bosschen en de rivieren; dit alles doet ons denken aan de verdeeling der Nijmphen in de Fabelgeschiedenis der oude Grieken.
[135] Ik heb dikwils op mijn weg overblijfzels van honden, en gedoode rendieren gevonden, die aan paalen opgehangen waaren, het welk dan blijken gaf van de Godsvrugt van den offeraar.
Die Duivel, die gedugte geest, is zonder twijffel dezelfde als de Koutka, van wien de Kamschatsche Chamans zich de dienaars en de werktuigen zeggen te zijn; hier, even als in het schier-eiland, jaagt de geheimzinnige taal van deeze toveraars het bijgeloof vrees aan, en verwerft hun den eerbied van de menigte; zij oeffenen de genees- en heelkunde met denzelfden uitslag; deeze uitsluitende bedieningen, die men meent, dat veeleer door de hulp der ingeeving ondersteunt worden, dan wel door de verkreegene kundigheden der ondervinding, vergewissen hen van eene onbepaald gezag; overal worden ze geroepen, en bij voorraad worden hun de betuigingen van erkentenis toegezwaaid; zij vorderen uit der hoogte al het geene hun behaagd, en ontvangen als een schatting al het geen men hun aanbied; altoos is het onder voorwendzel van eene aangenaame offerhande aan den God, welken zij doen spreeken, dat zij zich het beste en fraaijste toeeigenen, het welk de inwoonders van deeze streeken bezitten; men moet niet gelooven, dat door het ten toon spreiden van eenige deugden, door een streng voorkomen, of door eene stipter zedekunde, deeze bedriegers hunne misleide onderhoorige betoveren; zonder teugel nog geweeten, doen zij hunne ondeugden te meer gelden, en betoonen des te minder maatigheid; daags voor derzelver toverplegtigheden neemen ze eene houding aan, als of ze den geheelen dag vasten zouden, dog des avonds stellen zij zich schadeloos, met zich moukhamorr, zijnde dat dronkenmaakend vergift, het welk ik beschreeven heb, op te laaten disschen, zij drinken en eeten daar van tot verzadigens toe, deeze voorbereidende dronkenschap strekt tot een goed begin, het is waarschijnlijk, dat zij den volgenden dag daar van nog gewaarwording hebben, het geen hun die verhitting van hooft bezorgt, welke derzelver redenloosheid vermeerdert, en hen de nodige krachten bijzet om zich aan hunne buitenspoorige vervoeringen te kunnen overgeeven.
Taal.
De taal der Koriaken heeft de minste overeenkomst met die der Kamschatters; de uitspraak van dezelve is veel scherper en langzaamer, dog ze is gemaklijker, ze bezit niet die vreemde klanken, die uitblaazingen, welke even moeijelijk in het spreeken als in het schrijven zijn[136].
[136] De leezer kan deeze twee taalen vergelijken uit het woordenboek, het welk hij aan het einde van dit dagverhaal zal vinden.
Nu blijft mij nog overig om eenige bijzonderheden omtrent de zwervende Koriaken optegeeven; dog maar maatig te vreden over de aantekeningen, welke ik omtrent dit onderwerp heb getragt op te zamelen, zal ik mij voorbehouden om de waarheid daar van vast te stellen op mijn aankomst bij den broeder van Oumiavin, alwaar ik de voorwerpen onder mijn bereik kan hebben.
Toebereidzelen tot mijn vertrek.
Zedert mijne aankomst te Ingiga had de Heer Gaguen, toegeevende aan mijne verzoeken, zich bezig gehouden met de middelen te beraamen, om mij ten spoedigsten te doen vertrekken; indien dit van mij afgehangen had, zou ik 'er niet langer dan vierentwintig uuren verbleeven zijn; ongelukkig waaren mijne honden afgemat[137], en men zou in de geheele stad niet dan een klein aantal, en welke altans niet beter waaren, hebben kunnen verzamelen; men sloeg mij dan voor om rendieren te neemen, ik stemde daar in des te gereeder toe, dewijl ik daar door meende meer spoed te zullen maaken, en ook reeds zedert lang begeerte gehad had om daar van de proef te neemen; men verborg voor mij niet de meerdere ongemakken, waar mede deeze manier van reizen verzeld is, meerdere vermoeijenissen en minder rust, op dit alles zou ik moeten staat maaken; dog mijn ongeduld beschoude niets anders dan de mogelijkheid om voorwaards te komen, en om het vermaak te genieten van de gezwindheid dezer dieren zelfs door de ondervinding te kunnen beoordeelen.
[137] Ik dankte uit dien hoofde mijne wegwijzers af. Ik heb tot hier toe van mijne reiskosten niet gesprooken, om reden, dat zo lang ik met den Heer Kasloff gereist had, hij zich belast had met daar in te voorzien, en ik had, wanneer ik hem verliet, niet anders te doen, dan hem zijne verschotten te rug te geeven; nu ben ik aan den leezer eene opgaaf van deeze kosten verschuldigt; ziet hier dezelve.
In Rusland noemt men dezelve _progonn_; voor de Couriers of postbodens bedragen ze twee Kopecks per werst en voor ieder paard, en vier Kopecks voor de andere reizigers (een Kopeck is zo veel als een Fransche stuiver). In Kamschatka en in Siberien zijn de kosten half zo veel, dog dewijl men zich in het schier-eiland zelden anders dan van honden bediend, betaald men daar voor bij podvods of bij voorspan van vijf honden; drie podvods of vijftien honden staan gelijk met den prijs van een paard in Siberien, namelijk een kopeck per werst voor de Couriers, en twee Kopecks voor de reizigers.
Om mijne begeerte te voldoen en mij in staat te stellen van mijne reis zonder hinderpaalen voorttezetten, besloot de Heer Gaguen van deswegens met de opperhoofden der zwervende Koriaken uit de nabuurschap een overleg te maaken; bij gevolg deed hij dezelve verzoeken om bij hun te komen; twee dagen daar na zag ik twaalf van deeze Prinsen aankomen, benevens verscheide andere Koriaken, welke de Commandant insgelijks had doen waarschuwen.
Na de gebruikelijke pligtpleegingen[138] bragt hij mij in de vergadering; ter zelver tijd wierd hun door een tolk kortelijk uitgelegd, wie ik was, het gewicht mijner zending en dat ik noodwendig hunne hulp noodig had. Op dit kort voorstel ontstond 'er een algemeen gemor, te vergeefs wilde men de volstrekte beveelen van de regeering ten mijnen opzichte doen gelden, het geschreeuw verdubbelde zodanig, dat het in het eerst onmogelijk was elkander te verstaan en de oorzaak van hun misnoegen te weeten; onder dit verward geroep ontdekte men eindelijk, dat zij zich beklaagden, om dat zij alleen de heerendiensten moesten draagen, terwijl de Koriaken, die steeds op eene bepaalde plaats woonachtig zijn, daar van scheenen uitgeslooten te weezen. Om welke reden genooten zij deeze beledigende vrijheid? door welk voorrecht smaakten deeze vreedzaame kluizenaars in derzelver yourtes een gerust verblijf? waarom deeze niet even als zij aan den voorspandienst onderworpen? Deeze zeer gegronde vertoogen, welke echter met tekens van ongenoegen uitgesproken wierden, begonnen mij zeer verlegen over den uitslag mijner vraag te maaken, wanneer een oude Prins eensklaps opstond, "Is dit het oogenblik, riep hij uit, waarin wij ons moeten beklaagen? Indien men van onzen iever misbruik gemaakt heeft, is deeze vreemdeling daar voor verantwoordelijk? heeft hij daar door minder recht op onze goede diensten? Ik beloof hem de mijne, ik neem op mij van hem zo ver te geleiden, als hij noodig zal oordeelen, stemt alleen toe om hem bij mij te brengen, bevind 'er zich niemand onder ulieden, die hem deezen geringen dienst wil bewijzen"?
[138] In deeze bijeenkomsten bestaan de plichtpleegingen niet als bij ons, in eenige zoutelooze plegtigheden, of in koele beleeftheden, verzeld van eenige woorden zonder betekenis.
Naauwlijks is de vergadering gezeten, of de brandewijn word aangebragt, een bediende schenkt voor ieder vreemdeling in het rond drie vreesselijke groote glaazen, waar van een elders genoeg zou zijn om deswegens verschooning te vraagen; hier zou men zeggen, dat zulks alleen een aanzoek was om de dosis te doen verdubbelen of drie maal te vermeerderen; de Koriaksche drinker vergenoegd zich in der daad niet met het eerste glas; onder het aanneemen van het zelve ziet men hem tegens het geheele gezelschap vriendelijk glimlagchen, voor al tegens den heer van het huis, aan wien hij eene kleine buiging met het hoofd maakt, vervolgens verzwelgt hij de drie glazen het een na het ander, die ook weêr aanstonds volgeschonken en geleegd zijn, zonder dat iemand ooit het minste teken van afkeer geeft, zelfs niet de kinderen. Ik zag er een van zes a zeven jaaren, aan wien zijn vader een deezer glazen overgaf, en die het in eens uitdronk zonder zuur zien.
Bij deeze menigvuldige uitdeeling van brandewijn voegde de Heer Gaguen altoos eenige geschenken van ijzer, stoffen of tabak; hij is zelfs zo zorgvuldig, dat hij den smaak en de behoeftens van ieder persoon raadpleegt, de Tchouktchis en de Koriaken, die een vaste woonplaats hebben, ontfangen van hem, wanneer zij te Ingiga komen, het zelfde onthaal, daar door heeft hij ongevoelig deeze woeste geesten weeten te temmen, en op hun een zeker soort van vermogen en gebied te verkrijgen; eene geringe schadeloosstelling der opofferingen, die hij dagelijks moet doen om aan deeze mildadigheden te gemoet te komen, want hij alleen draagt daar de kosten van, en de duurte van alle deeze zaaken in dit land moet hem deeze uitgaaven zeer lastig maken.
Op deeze woorden was de verlegenheid op alle de aangezichten geschilderd; de oproerigste wierden verstomd; na een oogenblik stilzwijgens wilde zich ieder over het verwijt, het welk hij vreesde verdient te hebben, zuiveren. Ik ontving verschooningen en aanbiedingen zonder ophouden; ieder trachte de voorkeur te verkrijgen, om mijn persoon, mijn gevolg en mijne goederen tot aan de Stoudénaïa-reka of koude rivier overtebrengen, aan welkers oever de gedienstige Koriak, welke zich verbonden had om mij tot leidsman te dienen, woonachtig was; alle de zwaarigheden vereffend zijnde, vernam men na den dag van mijn vertrek, het welk ik op den tweeden dag daar na of den 5 April bepaalde, en de geheele vergadering verplichte zich om op den bepaalden dag tot mijn dienst te zijn; de oude Prins, die zo edelmoedig mijne zaak bepleit had, onttrok zich het eerst aan mijne dankzeggingen, dewijl hij op het oogenblik vertrok, onder voorwendzel van verscheide toebereidzelen ten zijnent te moeten maaken voor mijne aankomst; hoe groot was mijn genoegen, wanneer ik vernam, dat hij, aan wien ik deeze verandering in de geneigtheden was verschuldigt, de broeder van Oumiavin was, dien ik zo zeer verlangde te leeren kennen!
Van dit oogenblik liet de Heer Gaguen niet af om alle mogelijke zorg te besteeden tot de toebereidzelen van mijn vertrek; hij liet onder zijn oog verscheide kleine tarwebroodjes en een voorraad van roggebeschuit vervaardigen; een gedeelte der leevensmiddelen, welke hij tot zijn eigen gebruik in gereedheid had, wierd tegens mijn wil en dank bij mijn reisgoed ingepakt; hij voegde daar eenige geschenken bij, die hij mij noodzaakte om aanteneemen door de bevalligheid en de aanhoudende verzoeken, waar mede hij dezelve vergezelde. Eindelijk, ik kan alle zijne beleeftheden, die hij mij bewees, niet optellen: ieder uur leverde geduurende den tijd, welken ik bij hem doorbragt, bewijzen op van zijne heuschheid en zorgvuldigheid; deeze dienden niet minder als de rust ter herstelling van mijne gezondheid, waar over ik niet te roemen had zedert de verkoudheid, welke ik na mijn vertrek van Poustaretsk had opgedaan.
Den 5.
Wanneer ik den 5, gelijk bepaald was, mij gereed bevond om te vertrekken, zag ik tot mijne uiterste verwondering mijne leidslieden niet aankomen. Verscheide persoonen wierden aanstonds uitgezonden om hen optespooren, dog de dag verliep, zonder dat men 'er iets van vernam; het was reeds nagt, toen zij kwamen opdaagen, wanneer de een zo wel als de ander onverwachte beletzelen voorwende.
1788. _April_ Den 6.
Bijgeloovigheid van mijne soldaaten.