Historisch dagverhaal der reize van den heer De Lesseps Zedert het verlaten van den Heer Graaf de la Perouse en zyne togtgenooten in de haven van St. Pieter & Paulus op Kamchatka, enz.

Part 18

Chapter 183,364 wordsPublic domain

Ik was wel overtuigd, dat, daar zij zich op zo een kleinen afstand van Ingiga bevonden, zij niet meer denken zouden om stil te houden, ieder was verlangende zijn vrouw weder te zien, en zijne kinderen te omhelzen; wel verre van mijn voorstel aanteneemen om in dit bosch te vernachten, drongen zij mij om ons naar de rivier te begeeven, vorderende maar drie uuren om tot hunnent te komen; wij reeden dan van den oever af, en dezelve langs tot op de hoogte van de stad; daar moesten wij de rivier, die haare muuren bespoelt, overrijden, het ijs was sterk genoeg, dog de hevigheid van den wind had deszelfs oppervlakte met water bedekt, zo dat wij zeer natte beenen kreegen.

Aankomst te Ingiga.

Voor de poorten van Ingiga moest ik de gewoone ondervraaging in versterkte plaatzen gebruikelijk, ondergaan, en was verplicht te wachten, tot dat men den bevelhebber gewaarschuwt had; zedert lang van mijn aanstaande komst verwittigt, had de Heer Major Gaguen de beleeftheid van mij aanstonds te komen verwelkomen en mij zijn huis aantebieden; juist ten half twaalf uuren kwam ik in deeze stad, de aanzienlijkste en meest bevolkte, welke ik nog op mijne reis gezien had.

1788. _April_ Den 1. Te Ingiga.

Beschrijving van de stad.

Gelegen op de rivier van denzelfden naam, dertig wersten van deszelfs mond, vertoond dezelve van buiten een vierkanten omtrek, verdedigd door eene palissade, over welkers hoogte en dikte ik mij verwonderde, en door houten bolwerken, die zich op geheid paalwerk aan de vier hoeken van de plaats verheffen; ieder deezer bolwerken is van Canon voorzien, en daar in worden verscheidene oorlogsbehoeftens bewaard; dag en nagt worden dezelve door schildwagten bewaakt[124] even als de drie stadspoorten, waar van maar eene open is; voor het huis van den Commandant is een kleine plaats, een wagthuis aan een der zijden verbied den toegang derwaarts. Ik was niet minder getroffen over de zamenstelling der huizen, ze zijn allen van hout en zeer laag, dog ook allen hebben ze een bijna regelmaatigen voorgevel, en men ziet, dat men voor ieder het zelfde plan aangenomen heeft. De Heer Gaguen was voorneemens langzamerhand zijne stad aldus optecieren; de Isbas, zedert zijn verblijf alhier gebouwd, voegen bij eene uiterlijke bevalligheid alle de inwendige gemakken, waar voor deeze wooningen vatbaar zijn; hij heeft daar en boven het voorneemen van de kerk te doen herbouwen, welkers bouworde onbehaaglijk is, en die daarenboven dreigt intestorten.

[124] Zij roepen onophoudelijk _werda_, uit vreeze van door de omleggende Koriaken verrast te zullen worden, welkers oproerige en stoute aart hun menigmaal tot den opstand brengt, en om de stad te komen aanvallen, wanneer men daarop het minst verdagt is, ook is het hun niet geoorloft van aldaar lang te blijven, wanneer zij om handel te drijven derwaarts komen.

De bevolking bestaat in vier of vijfhonderd inwoonders, alle kooplieden of aan den dienst verbonden; de laatste maaken het grootste gedeelte en de bezetting uit; zij zijn aan eene gestrenge krijgstucht onderworpen, welke de menigvuldige noodzaaklijkheid van zich te moeten verdeedigen onvermijdelijk maakt; de wakkerheid en de iever van den Commandant doet ten deezen opzichte niets meer verlangen; de rechtbanken zijn dezelfde als te Nijenei-Kamschatka.

Koophandel.

De Koophandel van Ingiga bestaat in bontwerk, en voornamelijk in rendierenvellen. In het algemeen leveren de pelterijen hier meer verscheidenheids op als in Kamschatka, zij scheenen mij ook van betere hoedanigheid te zijn; men trekt wel uit dat schier-eiland de Otter en Zee-beerenvellen, dog de sabelmarters zijn daar zo fraaij niet als hier, alwaar ze echter zeldzaamer zijn, daar en boven bezitten de Kamschatters de gemeene marter niet[125], nog de grijsachtige, nog de americaansche rotten genaamt _rissei_, welke de Koriaken bij ruiling van de Tchouktchis, hunne nabuuren, verkrijgen, en die zij naar Ingiga met hunne rendierenvellen brengen; deeze worden daar ruw en zeer goedkoop verkogt, zij worden vervolgens bereid en bewerkt op eene wijze, die des te behaagelijker is, dewijl de arbeidzaame naarstigheid der werklieden geen gebruik maakt van de gereedschappen, welke door de Europeesche schranderheid zijn uitgedagt; de fijnheid en de fraaijheid van hun werk behoeft alleen voor de sterkte te wijken, men ziet uit derzelver handen, handschoenen, en volmaakt vervaardigde koussen te voorschijn komen, het stiksel en het borduurzel is van rendierenhair, van zijde of goud en zou aan onze bekwaamste handschoenmaakers tot eer verstrekken.

[125] De Russen noemen deeze soort van marter _kounits_.

Dog het word tijd om van de gewoontens der Koriaken melding te maaken, ik heb de beschrijving daar van alleen tot op heden uitgesteld, ten einde des te breedvoeriger daar omtrent te kunnen weezen. Bij de verkreegen aantekeningen op mijn togt in hunne verschillende Ostrogs, heb ik nog meer naauwkeuriger waarneemingen willen voegen, steunende op geloofwaardige verhaalen; hier in en in mijne gesprekken met den Heer Gaguen en eenige anderen der voornaamste Inwoonders heb ik gezogt de nodige inlichtingen omtrent dit onderwerp te bekomen, dog de man, die mij daarin van het meeste nut is geweest, was een Koriak, dien ik eerst en voor al moet leeren kennen.

Bijzonderheden omtrent een Koriaksch Prins genaamt Bumiavin.

Ik had hem al aanstonds te Kaminoi ontmoet; verwonderd over de beleeftheden, die de Heer Schmaleff hem bewees, was ik begeerig om den rang en den staat van deezen persoon te verneemen; men zeide mij, dat hij een _zassédatel_ of rechter van Ingiga was, die ons te gemoet was gekomen, om ons zijn dienst aantebieden; de gemaklijkheid, waar mede hij het Russisch sprak en de juistheid van zijn oordeel bekoorde mij; ik zou hem voor een Rus gehouden hebben, indien hij niet op het zelfde oogenblik zijn moedertaal gesproken had; als toen vernam ik, dat hij een Koriaksch prins, genaamt _Bumiavin_, en een broeder van een der hoofden van zwervende Koriaken was.

Mijne nieuwsgierigheid deed mij hem verscheide vraagen doen, hij beantwoorde dezelve met zo veel fijnheid en verstand, als ik nog onder geen zijner landsgenooten was gewaar geworden; het gemak van met hem zonder behulp van een tolk te kunnen spreeken, deed mij zijn omgang des te meer op prijs stellen, en zo lang ik te Kaminoi bleef, was dezelve voor mij een bron van vermaak en onderwijs; onder de verscheidene onderwerpen, die wij behandelden, was het voornaamste dat van den Godsdienst; even goed in dien van de Russen onderweezen, als in dien van de Koriaken, beleed hij inderdaad geen van beiden; hij scheen echter geneigd om zich te doen doopen, zo dra hij meer omtrent zekere punten, welke hij niet begreep, zou ingeligt zijn; vervuld van bewondering over de verhevenheid der voorschriften van het Evangelie, en over de eerbied verwekkende pracht van den uiterlijken dienst, erkende hij, dat niets meer geschikt was om hem het verlangen inteboezemen van het Christendom te omhelzen; dog de strenge vorderingen van eenige onzer Godsdienstige oeffeningen[126], de onzekerheid van eene hemelsche gelukzaligheid, en boven al het denkbeeld van een God, die de eeuwige straffen bedreigt, vervulden hem met schrik en twijffelmoedigheid; de Godsdienst van zijn land, zeide hij, verschafte onder alle haare droomerijen, en alle haare ongerijmdheden, ten minste meer hoop dan vrees; deeze kondigde hem geen straffen aan dan in deeze waereld, en beloofde hem belooningen in de andere, de booze geest kon hem niet langer dan geduurende zijn leeven pijnigen, het geluk wachtte hem bij zijn dood; door alle deeze bedenkingen geslingerd, was zijn geest in eene geduurige twijffeling en radeloosheid, hij durfde het geloof zijner vaderen niet verlaaten nog zig daar aan houden, hij wierd 'er schaamrood over, en ter gelijker tijd liefkoosde hij de dwaalingen daar van.

[126] Hij was voornamelijk afgeschrikt door de vasten, die men weet, dat bij de Grieksche kerk zeer gestreng en meenigvuldig zijn.

De bevalligheid, waar mede hij zijn besluiteloosheid erkende, was voor mij te belangrijker, dewijl ik in zijne redeneeringen en in zijn hart een trap van ongemeene deugd en bijzonder de liefde tot de waarheid ontdekte. Om deeze besluitloozen geest te bepaalen, zou men hebben moeten beginnen om hem de vooroordeelen, die zijn verstand benevelden, te ontneemen, welke derzelver oorsprong genomen hadden in de verkeerde begrippen, die hem gegeeven waaren. Een ander zou mogelijk ondernomen hebben van die te willen wegneemen; ik wierd daar in wederhouden door de vrees van mijne pogingen vrugteloos te besteeden, dewijl ik maar weinig tijds met hem kon doorbrengen, zo te Kaminoi als te Ingiga, alwaar hij een dag na mij aankwam, gelijk hij mij beloofd had. Hij bewees mij daar de grootste diensten door zijne oplettenheid om mij alle de ophelderingen over zijn land te bezorgen, die ik maar verlangde, en om mijne verlangens en behoeftens tot het vervolgen van mijne reis voortekomen.

Uitgestrektheid van het land der Koriaken.

Tusschen de Koriaken, welke eene vaste woonplaats hebben en die welke zwervende zijn, bestaat in veele opzichten eene groote gelijkheid. De geringe vereeniging, ik zal meer zeggen, de tweespalt, die onder hun heerscht, schijnt daar om te vreemder; men zou zeggen, dat het twee verschillende volken waaren, door onmeetelijke scheidpaalen van den anderen verwijderd; zij hebben echter het zelve vaderland, dit beslaat eene groote uitgestrektheid, ten zuiden bepaald door het schier-eiland van Kamschatka en door de golf van Pengina, ten oosten door het land der Oluteriers, ten noorden door dat der Tchouktchis, en ten westen door de Toungousen, de Lamouten, en de Yakonten.

Bevolking.

Men verzekert, dat voortijds deeze streek uitermaate sterk bevolkt was, dog dat de kinderziekte aldaar een groote slagting heeft aangericht; ik twijffel echter, of dezelve meer inwoonders weggerukt heeft dan derzelver menigvuldige geschillen met de Russen en hunne andere nabuuren; het getal der Koriaken, die een vaste woonplaats hebben, is thans niet boven de negen honderd; en hoewel het bijna onmogelijk is, om juist de bevolking der zwervende te bepaalen, meent men echter, dat zij het getal der andere Koriaken niet te boven gaan.

Zeden der Koriaken, die eene vaste woonplaats hebben.

De zeden van deeze zijn niet minder dan achtenswaardig, het is niet anders dan een mengzel van dubbelhartigheid, wantrouwen en gierigheid; zij bezitten alle de ondeugden der volken uit het noorden van Asia, zonder iets van derzelver deugden; dieven van aart, zijn zij achterdogtig, wreed, en kennen nog de goedwilligheid nog het medelijden. Om van hun den minsten dienst te verkrijgen, moet men 'er hun eerst de belooning daar van laaten zien[127]; men kan dezelven niet dan door geschenken bewegen en doen handelen.

[127] Ik moet erkennen, dat ik geen reden heb van mij zo veel over de zwervende Koriaken te beklaagen. In het algemeen heb ik hen veel openhartiger en gedienstiger gevonden; en ik zal 'er welhaast de bewijzen van kunnen opgeeven.

Met deezen trouwloozen en beestachtigen inborst moet het hun niet gemaklijk vallen, om in vrede te leeven, nog om duurzaame verbintenissen met derzelver nabuuren aantegaan. Uit deezen geest van ongezelligheid moest de afkeer voor eene vreemde heerschappij gebooren worden, van daar hunne geduurige opstanden tegen de Russen, hunne afschuwelijke roverijen, hunne dagelijksche stroperijen bij de volken, die hun omringen; van daar de wederzijdsche wraakoeffeningen, die telkens wederom opwellen.

Onverzettelijke kloekmoedigheid van alle de Koriaken.

Deeze geduurige oorlog voed en onderhoud den woesten aart in alle de harten; de gewoonte van zich te verdedigen en aantevallen bezorgde hun die onverzettelijke kloekmoedigheid, welke de gevegten vereeuwigt en een roem stelt in de verachting van het leven. Het bijgeloof werkte mede, om in hunne oogen dien bloeddorst te veredelen, met hun de wet opteleggen van te sterven of te dooden. Hoe ernstiger de zaak is, die hun de wapenen doet opneemen, hoe gretiger zij na den dood haaken; de dapperheid, het aantal hunner tegenstanders heeft niets schrikbaarends voor hun, dan is het, dat zij zweeren _de zon niet meer te zullen aanschouwen_; zij vervullen deezen schrikkelijken eed met hunne vrouwen en kinderen te vermoorden, met alles te verbranden, wat zij bezitten, en met zich vervolgens woedende in het midden der vijanden te werpen; het gevegt eindigt niet dan met de geheele verwoesting van een der twee partijen, men ziet de overwonnenen hun heil in de vlucht niet zoeken, de eer verbied zulks aan de Koriaken, geen een wil de slagting zijner landsgenooten overleeven.

Levenswijze der Koriaken, die een vaste woonplaats hebben.

Tot heden toe heeft de nabuurschap der Russen geen de minste verandering gemaakt in de levenswijze der Koriaken, welke eene vaste verblijfplaats hebben; de band des Koophandels, die hun meer en meer met deeze vreemdelingen bekend maakt, heeft op hun geen andere uitwerking gehad, dan de bekooring tot rijkdom en tot roof in hun te ontsteeken; onverschillig omtrent de voordeelen van een meer geregeld leeven, schijnen zij de beschaafdheid van zich afteweeren, en hunne zeden en gebruiken als de bestmogelijke te beschouwen[128].

[128] De zwervende Koriaken toonden zich langen tijd nog onhandelbaarder, de onafhangelijkheid, aan welke zij gewoon waaren, die natuurlijke onrustigheid, welke hun kenschetst, gaven hun geene geneigtheid om het juk te draagen, daarenboven maakte de zucht tot heerschen misschien in den beginne de Russen niet zo gematigd, als wel behoord had; misschien gebruikten ze niet zo veel kunst om zich te doen beminnen, als wel om zich te doen vreezen; dit is zekerder, dat zij het verdriet gehad hebben, van geheele horden of benden op de minste vertooning van onderdrukking te zien verloopen, en gezamentlijk ver van de steden te zien vluchten, alwaar het lokaas van Koophandel hoop had gegeeven, dat zij hun verblijf zouden neemen; deeze menigvuldige ontvluchtingen hadden plaats tot op de aankomst van den Heer Major Gaguen; door de zagtheid van zijn bestier, zijne herhaalde aanzoeken en voordeelige inrichtingen, heeft hij van tijd tot tijd deeze voortvluchtende geslachten weeten tot zich te trekken, aanstonds is er een, vervolgens twee en drie te rug gekomen, de kracht van het voorbeeld, een soort van naiever trok nog anderen derwaarts; men telde reeds bij mijn doortogt elf Koriaksche yourtes rondom Ingiga.

Dog hierin heb ik gevonden, dat de schrandere staatkunde van den Heer Gaguen nog beter den goeden uitslag van de inzichten zijner Souvereine had weten voor te bereiden, namelijk, dat hij van de noodwendige betrekkingen door den Koophandel heeft gebruik gemaakt, om langzaamerhand tusschen de Russen en de zwervende en de andere Koriaken van de omleggende streeken een wederkeerigheid van hulp interichten, als mede een soort van overeenkomst tusschen ieder persoon, welke de oude herbergzaamheid doet herboren worden, en die zeker het zaad zal strooijen van eene omwending in de zeden der laatsten.

Wanneer een Koriak genoodzaakt is uit hoofde van zijne zaaken den nagt in de stad doortebrengen, gaat hij een schuilplaats bij zijn Russischen vriend zoeken; zonder verdere omwegen dringt hij zich bij zijn Gastheer in, die het zich een pligt rekent van hem wel te onthaalen, en om zijne begeertens en behoeftens nategaan en te voorkomen, niets word bespaart om hem wel te behandelen, dat is te zeggen, om hem geheel dronken te maaken. Bij zijne haardstee te rug gekomen, vermaakt hij zich in het vleijende onthaal te verhaalen, het welk hij ontfangen heeft, dit is eene verplichting, eene geheiligde schuld, die hij zich bevlijtigt, om zo dra als de gelegenheid zich opdoet, te vereffenen; dit heeft zijn aangenaamheid, voor al voor den Russischen soldaat, die in het geval is om menigvuldige reizen in de nabuurige vlekken te doen; de erkentenis van den Koriak omtrent zijn vriend bepaald zich niet alleen om hem een legerplaats te geeven, om hem te onthaalen, om hem levensmiddelen te verschaffen tot voortzetting van zijn reis; maar hij beschermt hem, hij word zelfs zijn verdediger tegen zijne landsgenooten.

1788. _April_ van den 1. tot den 6. Te Ingiga.

Hunne bezigheden.

De jagt en de vischvangst maaken hunne gewoonlijke bezigheid uit, dog alle de jaargetijden laaten niet toe om daar mede bezig te weezen; geduurende deeze tusschenpoozingen in hunne diepe wooningen begraaven, doen ze niets dan slaapen, rooken en zich dronken drinken; zonder zorg voor het toekomende, zonder leedweezen over het gebeurde, komen zij niet uit hunne yourtes, dan wanneer eene dringende noodzaaklijkheid hun daar toe verplicht.

Wooningen.

Veel grooter dan die der Kamschatters van het noorden, vertoonen deeze ten naasten bij dezelfde verdeeling, ik twijffel of de morsigheid daar niet nog afzigtelijker is; men vind daar geen deur nog joupan of rookgat, ook is de rook 'er onverdraaglijk.

Voedzel.

Dit volk, vijandig van den arbeid, leeft even als dat van Kamschatka, van drooge visch, van walvisschen en zeewolvenvleesch en vet[129]; het eene word gewoonlijk raauw gegeeten, het andere word gedroogd en gekookt op dezelfde wijs als de visch, dog de zenuwen, het merg, de harsens en dikwils geheele stukken van het vleesch, worden geheel raauw met eene woeste gretigheid verslonden; het rendierenvleesch is het meest geacht; de Koriaken trekken daar dezelfde partij van als van de zee-wolven, walvisschen en andere dieren, waar op zij jagt maaken; zij voeden zich ook met aardgewassen, zij plukken in den herfst verscheide soorten van vrugten, een gedeelte van den oogst dient om daarvan verkwikkende dranken te vervaardigen[130], het overige word verbrijzeld en gekneed met olie van walvisschen of zee-wolven; Dit beslag of ingemaakte vrugten word _toltchoukha_ genaamd. Men maakt 'er hier te land veel werk van, dog volgens mijn smaak is 'er niets onaangenaamers.

[129] Alle de Koriaken, die ik op mijn weg van Poustaretsk af ontmoet heb, leeden niet minder gebrek als de inwoonders van dit gehugt; berken-schors, gemengt met zee-wolven vet, maakte als toen hun geheel voedzel uit.

[130] De rivieren in de nabuurschap van deeze Ostrogs, zijn bijna alle zo klein, dat met de minste koude dezelve geheel digt raaken, en geduurende meer dan de helft van het jaar zijn de inwoonders genoodzaakt om sneeuw of bezonken ijs te drinken.

Dranken.

Hunne zucht tot sterke dranken aangezet door de duurte van de brandewijn en de moeijelijkheid, om 'er zich zo veel van te verschaffen, als men begeert, uit hoofde van hunne verafgelegenheid, heeft hun een even koppigen drank doen uitdenken, welke zij uit een roode paddestoel trekken, in Rusland voor een hevig vergift onder den naam van _moukhamorr_ bekend;[131] zij doen denzelven in een pot met eenige vrugten, en naauwlijks geeven ze dien den tijd om klaar te worden; de vrienden worden verzogt, eene edele mededinging ontvlamt de gasten, ieder zoekt om het zeerst den huisheer van deszelfs nectar te ontlasten, het feest duurt een twee of drie dagen, tot dat de voorraad op gebruikt is; dikwils eeten zij ter zelfder tijd deeze paddestoel geheel raauw, om des te zekerder te zijn van de reden te zullen verliezen; het is onbegrijpelijk, dat 'er geen meer voorbeelden van schadelijke uitwerkzelen deezer dronkenschap gevonden worden. Ik heb echter liefhebbers daar van zeer onpaslijk gezien, die veel werk hadden om te herstellen; dog de ondervinding verbeterd hun niet, bij de eerste gelegenheid geeven ze geen gehoor, dan alleen aan hunne verdwaasde en beestachtige onmaatigheid; want het is bij hun eigentlijk geen involging van lusten, het is ook niet het vermaak om aandagtig den drank te proeven, welke hun een onwederstaanbaare behoefte word, zo dra zij denzelven gesmaakt hebben; zij zoeken eigentlijk in deeze Bacchusfeesten niets anders, dan de bewustheid van zich zelfs te verliezen, een staat van bezwijming, en geheele redenloosheid, eene ophouding van bestaan te ondergaan, indien ik mij dus mag uitdrukken; ziet daar hun eenigste vermaak, ziet daar voor hun het waar genoegen.

[131] Men bediend zich daar van in de Russische huizen, om de insecten te verdrijven.

Gelaatstrekken.

De gelaatstrekken van het grootste aantal hebben niets van het Asiatische; buiten derzelver kleine gestalte, de gebreken hunner aangezichten, en de couleur van hun vel, zouden zij vrij veel overeenkomst hebben met de Europeaanen; de overige Koriaken hebben dezelfde trekken in het gelaat als de Kamschatters, onder de vrouwen vooral zijn 'er weinigen, die geen getrokken oogen, platte neuzen en hangende wangen hebben; de mannen zijn bijna zonder baard en draagen het hair zeer kort; de vrouwen geeven daar weinig acht op, en laaten ze langs de schouders hangen, eenigen binden ze in vlechten of steeken ze in een neusdoek.

Wat de kleeding der mannen en vrouwen betreft, deeze is zodanig, als ik bij mijn doortogt te Koriagin en te Poustaretsk beschreeven heb.

Wieg voor de kinderen.

De vrouwen draagen haare kinderen in een wieg, welkers gedaante mij zonderling voorkwam, het is een soort van nis of korf, dien men op den rug draagt, welke van boven boogsgewijs gemaakt, en waar in het kind gezeten en overdekt is.

Huwelijken.