Part 17
[119] Ik had te meer grond om hem te verdenken, dewijl de aanvang zijner reden mij de middelen herinnerde, die hij het voorige jaar gebruikt had, om een matroos optehouden, die door de regeering met brieven van aanbelang belast was; deeze haast hebbende om zich naar zijne bestemming te begeeven, stelde zich voor, Pareiné te verlaaten, wanneer Youltitka hem drong om tot den volgenden morgen met het vervorderen zijner reis te wachten, de matroos wilde daar aan niet voldoen, maar op het oogenblik vertrekken, het verschil wierd heftiger, de woedende Koriak viel op hem aan en zou hem dadelijk vermoord hebben, indien men hem niet uit zijne handen gerukt had, hij deed hem boeijen en geduurende drie dagen opsluiten, eindelijk na hem allerlei kwaade bejegeningen te hebben doen ondergaan, stemde hij in zijn vertrek, mogelijk in de hoop van zich dus te gemaklijker van hem op de reis te zullen ontdoen, dog zijn prooij ontsnapte.
Mijne aanspraak was kort maar kragtig. Ik deed mijne hoedanigheid van vreemdeling, mijn recht op hunne ondersteuning, en voor al de begeerte gelden, die ik had, om door mijn gedrag ten hunnen opzichte die belangneeming te verdienen, welke alle hunne landgenooten mij op mijn reis betoond hadden, van deeze, voegde ik er bij, had ik nooit de hulp, die ik nodig had behoeven te vorderen; deeze hadden nimmer, om mij dezelve te verschaffen, de vertooning der bevelen, waar van ik voorzien was, afgewacht, maar altoos zich bevlijtigd om mijne vraagen voortekomen.
Op het woord van bevelen zag de een den ander verwonderd aan, naar maate mijne rede indruk op hun scheen te maaken, verdubbelde ik mijnen iever en stoutmoedigheid, vervolgens haalde ik eensklaps mijnen vrijgelei brief voor den dag, en terwijl ik Youltitka met een oog van verontwaardiging aanzag, liet ik ze hem zien, tevens hun verklaarende, dat ik op het langst binnen twee uuren meende te vertrekken. Deeze barsche sluitrede bragt hem van zijn stuk, hij zag, dat hij mij niet langer te leur kon stellen zonder zich schuldig te maaken; het mandaat van den Heer Commandant was al te nadruklijk en te gebiedende, dan dat hij het zelve zou hebben durven wederstreeven; hij nam dan de partij van te beveelen, dat men aanstonds uit alle de bewaarplaatzen den voorraad van visch, dien ik verlangde zou verzamelen, mij verzoekende van in aanmerking te willen neemen de middelmaatigheid van hunnen voorraad, welke daar door veel zou verminderen; het was alleen daardoor, zeide hij mij, dat hij getragt had mij eenige zwaarigheden voortehouden, even als of hij gevreest had dat ik hunne kelders zou uitgeplunderd hebben! Dog dit was ook maar een uitvlucht, ik was welhaast overtuigd, dat dezelve overvloedig voorzien waaren.
Echter, het zij dat hij eene vertooning wilde maaken, als of hij zijn onbeleefd onthaal wilde verbeteren, of mogelijk in het vooruitzicht van mij des te beter te doen berouwen, dat ik hem uit zijne laatste verschanssingen verdreven had, verzogt hij mij om in zijne yourte te wachten, tot dat mijne luiden de nodige toebereidzelen tot mijn vertrek zouden gereed gemaakt hebben; dit te weigeren zou een overblijfzel van ongerustheid vertoond hebben, ik wilde hem in tegendeel van mijne onvertzaagdheid wel overtuigen, daarenboven was het eetenstijd, en in de hoop van ongevoelig den verrader te zullen winnen, nam ik zijn verzoek aan, hem tevens aanbiedende van eenen beteren maaltijd te zullen laaten aanrichten dan hij mij geeven kon, ik volgde hem, met zulk een gerust gelaat, als of ik mij volmaakt veilig oordeelde. Om echter de waarheid te zeggen, ik gevoelde mij aangedaan, wanneer ik, om in deeze yourte te komen, veertig voeten onder de aarde moest afdaalen; de ongemeene diepte van deeze schuilplaats gaf mij aan de genade van mijn gastheer over, mijn gevolg kon mij daar nog hooren nog te hulp komen, ik beefde over mijne onvoorzigtigheid, dog het was geen tijd meer om agter uit te gaan, ik was wel gewapend, en ik was op mijne hoede om mij in geval van belediging zo goed mogelijk te verdedigen.
Het eerste, dat Youltitka verrichte, was mij op de plaats van eer neertezetten, namelijk in dat soort van alcove, het welk geschikt is voor het hoofd van het geslacht, het zijne was zeer talrijk; bijna tagtig persoonen bewoonden met hem deeze yourte; al dit volk was op het gerucht van mijn aankomst naar buiten gekomen, en was daar rondom mijn gevolg verbleeven, zo dat ik alleen was, om aan drie of vier medgezellen of naastbestaanden van Youltitka, dewelke mij omringden en onder de oogen zagen, het hoofd te bieden. Bij hun zelfs overtuigd, dat zij het Russisch wel verstonden, om reden zij 'er eenige verminkte woorden van uitspraken, deeden zij mij beurtelings vraagen, waar van de een nog ongerijmder was als de andere, mijn toestand vorderde beleeftheid, en ik antwoorde een ieder met zagtheid en naauwkeurigheid. Ik bragt dus bijna een uur in het midden van deeze onmenschelijke gedaantens door, die waarlijk geschikt waaren om mij vrees aantejaagen, inzonderheid die van derzelver opperhoofd[120]. Mijn soldaat kwam niet naar beneden, en ik begon zeer ongerust te worden, op de beweeging, die ik maakte van naar buiten te willen gaan, stelden zich deeze Koriaken voor mij, een hunner nam mij bij den arm om mij weder te doen zitten, terwijl hij mij vroeg, of ik wilde vluchten; ik toonde goed gelaat, dog ik erken dat mijn hart toesloot, ik herstelde mij en niettegenstaande de verlegenheid, welke zij op mijn aangezicht konden leezen, antwoorde ik, dat ik niet vermeende hun te moeten vreezen. Youltitka zogt mij toen gerust te stellen, hij zwoer dat hij de grootste achting voor mij had, en dat ik bij hem in veiligheid was, zijn gehouden gedrag, voegde hij 'er bij, kon hem in mijne oogen verdagt doen voorkomen, dog hij rekende het zijn plicht om mij omtrent hun andere gedagten te moeten inboezemen. Trots op zijne benoeming onder de rechters in het gericht van Ingiga,[121] nam hij zijnen roem te zeer ter harte, om te gedogen, dat men mij onder zijn oog zou mishandelen.
[120] Men kan zich geen lelijker mensch voorstellen; zwaarlijvig en in een gedrongen, het aangezicht van de kinderziekte en door verscheiden lidtekens geschonden, een somber gelaat, zwarte hairen, die zich tot aan een verschriklijke groote wenkbraauw uitspreidden, onder welke men één diep ingezonken en wild oog ontdekte, hebbende hij het andere door toeval verlooren; dit is de naauwkeurige tekening van deezen Koriakschen vorst.
[121] Die rechtbank word in het Russisch _nijenei-zems-koisond_, of laag grondgericht genaamd; de rechters, die daar zitting in hebben, worden beurtelings in de Ostrogs onder de boeren van ieder district gekozen, de tijd hunner bediening is op drie jaar bepaald, men noemt deeze rechters _zassédatels_.
Ik kende hem reeds genoeg, om geen geloof aan zijne fraaije betuigingen te geeven; ik rekende mij gelukkig, dat hij vreesde uittevoeren dat geen, het welk in zijn vermogen was, en waar toe hij waarschijnlijk wel genegenheid had. Ik spoede mij dan om uit de yourte te komen, onder voorwendzel van te gaan zien, waar mijn volk gebleeven was, en om bevel tot onzen maaltijd te geeven. Ik kon mij van den trouwloozen Koriak nog niet ontdoen, hij was halstarrig genoeg om mij te willen vergezellen, terwijl ik bezig was om mijn gevolg bijeentezamelen, ieder woord, dat ik sprak, scheen hem te ontrusten; dewijl hij het Russisch niet verstond, vroeg hij aanstonds daar van de betekenis, en hij sloeg alle mijne gangen met eene bijzondere opmerkzaamheid gade.
Ik vond mijne luiden bezig met de slegte honden, die ze over hadden, tegens bontwerk en kleedingen van rendieren vellen te verruilen; de winzucht had hun mijne bevelen doen vergeeten, als mede het gevaar, waar in ze mij gelaaten hadden, dog ik verborg mijn misnoegen uit hoofde van de getuigen; ik klom weder in de yourte, gevolgt van Youltitka en van mijne twee Soldaaten, die aanstonds aan het werk gingen om ons middagmaal toetebereiden; de vrouwen hielpen ons servies schoon maaken[122], en langzamerhand met behulp van brandewijn volgde de vrolijkheid op de vrees en het mistrouwen; wij hielden een zeer lustigen maaltijd, ik tragte zelfs dikwils om het uitbundig geschater van lagchen van mijne gasten na te doen, ten einde hun te meer mijn vergenoegen te betuigen; want de overdreeven betooning van gevoel en gewaarwording is de eenigste die hun behaagt, de maaltijd gedaan zijnde, zond ik een mijner Soldaaten, om bevel te geeven, dat men mijne honden zou voorspannen, welke men reeds gedeeltelijk verruild had, mijn voorraad was ook opgelaaden, in tien minuuten was ik in staat om van de Koriaken afscheid te neemen; zij scheenen zeer wel over mij te vreden, ik weet niet of ze het in der daad waaren. Wat mij betreft, ik was het veel meer, wanneer ik van hun verlost was, en ik verwijderde mij zo spoedig mogelijk.
[122] Zij bedienen zich daar toe van geene doeken nog servetten, zij neemen een stok, en schrapen die af, met dit afschrapzel wrijven en maaken ze vrij wel het vaatwerk en ander keukengereedschap schoon.
1788. _Maart_ Den 29.
Vertrek van Pareiné.
Het was nog maar twee uuren in den agtermiddag; ik meende van het overige van den dag gebruik te moeten maaken, om mij schadeloos te stellen over het gedwongen vertoeven, het welk ik ondervonden had; ik wilde geen rustplaats houden, voor dat ik vijftien wersten van Pareiné af was.
1788. _Maart_ Den 30.
Mijn reis geduurende deezen en den volgenden dag leverde mij niets bijzonders op. Ik trok over verscheide rivieren, geen van deeze was van belang, en zeer weinige waaren met eenig heestergewas aan deszelfs oevers bezet; van Pareiné vertrekkende had ik de zee verlaaten, die ik niet weder kon ontmoeten, dan aan geene zijde van Ingiga, bij gevolg hadden wij geen toevlucht tot het doode hout, het geen wij somtijds op den oever vonden, deeze berooving was ons grootste ongemak door de moeijelijkheid, waar in wij ons onophoudelijk bevonden om telkens ter ontdekking van het minste heestertje uittezien, en door de vrees van 'er geen te zullen vinden.
Zedert lang leefde ik alleen van rendieren, hoe smakelijk dit vleesch ook zijn mag, is 'er echter geen, zo ik geloof, dat men zo ligt moede word; het geen nog erger was, bestond daar in, dat de voorraad, dien ik daar van opgedaan had, na het einde liep, wij aten 'er maar eens daags van, onze overige maaltijden bestonden in gedroogde visch en in gekookte zee-wolven, dus was ik zeer in mijn schik over den gelukkigen vond, welken ik dien dag van twee patrijzen had, ik doode ze en vermeerderde daar mijn pot mêe; deeze maaltijd was eene aangenaame verscheidenheid ten opzichten van de verveelende eenvormigheid van mijn dagelijks voedzel.
Rustplaats.
Zeer fraaij wêer begunstigde onzen togt, een heldere lucht scheen ons een frisscher koude aantekondigen, waar na wij ook verlangden, want de sneeuw was zo week, dat onze honden daarin tot den buik toe inzakten, ieder onzer was, om hun den weg te baanen, verplicht op raquetten voor uittegaan; de hoop op een schoonen volgenden dag bemoedigde mijne geleiders en wij maakten een langen dag; wij hielden niet dan zeer laat stil op een plaats, die gantsch niet beschut was, daar groeide geen ander hout dan een soort van klein, laagstammig en geheel bogtig, hartsachtige ceder. Voor dat ik mij in mijn tent ter rust begaf, wierd ik geduurende den nagt, aan het uiterste van den gezichteinder, wolken gewaar, die niet veel goeds aankondigden. Ik was reeds genoeg aan het climaat gewend, om op de minste verschijnzelen over het te wachtene weder te kunnen oordeelen, en ik deelde die vermoedens aan mijne leidslieden mede; dog deeze vermeenden oneindig meerdere kundigheden dan ik ten dien opzichte te bezitten, zij zeiden mij, dat de zon te fraaij was ondergegaan om voor slegt weder te vreezen; nimmer hadden zij volgens hun zeggen zich daaromtrent bedroogen, en ik moest mij geheel op derzelver ondervinding verlaaten. Bij nadere overweeging was ik blijde hun in deeze verzekering te zien, dit benam mij de ongerustheid van door hun genoodzaakt te worden, om den dag ter plaatse, waar wij waaren, te verblijven, op deeze zouden wij het met den eersten rukwind niet hebben kunnen houden.
1788. _Maart_ Den 31.
Ik wierd bij het aanbreeken van den dag door een van mijne geleiders wakker gemaakt; hij kwam op eenen spottenden toon mij aanzetten om te vertrekken, ten einde van den aanstaanden fraaijen dag gebruik te maaken; de maan gaf nog haar schijnzel, en de hemel was zonder wolken; terwijl ik volgens gewoonte mijn ontbijt nam met thée en roggebeschuit, waar van het overschot door mijn volk bewaard was, die liever 'er zich zelfs van beroofden, dan dat ik 'er gebrek aan zou hebben, vroegen ze mij de een na den ander, wat ik van het wêer dagt; ieder schertste daar mêe om 't zeerst, dog ik hield mijn gezegde staande, hun beweegende om tot aan den avond te wachten, en als dan te oordeelen, of ik gelijk of ongelijk gehad had, wanneer ik hen een storm voorspelde.
Ontmoeting van zwervende Koriaken.
Naauwlijks hadden wij ons klein leger opgebrooken, of wij ontdekten op eenigen afstand een sleep van vijf Koriaksche sleeden door rendieren getrokken; onze honden, aangelokt door den reuk van deeze beesten, liepen derwaarts op aan met eenen verwonderlijken iever; hoe meer wij voorwaards kwamen, hoe meer deeze Koriaken zig verwijderden, eerst meende ik, dat dit een uitwerkzel van hun aangebooren wantrouwen was, dog uit het gehuil en de drift van onze honden begreep ik, dat zij de oorzaak waaren van de vrees, welke onze nadering inboezemde; zij zouden in der daad ongetwijffelt op de rendieren aangevallen zijn, indien ze onder derzelver bereik geweest waaren. Ik gaf dus bevel om optehouden, het was zeer moeijlijk onze dravers te doen stilstaan, en wij geraakten daar niet toe dan met veel moeite; wij zogten door tekens deeze Koriaken te doen begrijpen, dat ons oogmerk was om met hun een oogenblik te spreeken; als toen scheenen zij raad te houden, na verloop van eenige minuuten kwam een van hun naar ons toe, dog drie honderd treden van ons af stilhoudende, verzogt hij ons insgelijks door teekens om hem ook iemand van de onzen te zenden, en vooral om onze honden tegen te houden. Ik gelaste een mijner soldaaten om op zijne raketten dien Koriak te gemoet te gaan, en hem te vraagen, welken weg zij naamen, van waar zij kwamen, of zij niets van den Heer Kasloff vernomen hadden, en voornamelijk, hoe ver wij ten naasten bij nog van Ingiga verwijderd waaren.
Een half uur daar na kwam mijn afgezondene met het volgende verhaal te rug; deeze Koriaken hadden geen vaste woonplaats, zij gingen naar hunne bloedverwanten, die zij verlaaten hadden, om te Ingiga rendieren vellen te gaan verkoopen en hunne vrienden daar te zien; zij meenden daar te hebben hooren spreeken van eene versterking van honden en leevensmiddelen, zedert kort den Heer Commandant te gemoet gezonden, dog zij hadden verder niets van hem vernomen; ten opzichte van den afstand van die stad waaren derzelver antwoorden volmaakt overeenstemmend met de gedagten van mijn leidsman, dien ik weinig oogenblikken te vooren deswegens ondervroeg, bij gelegenheid van een nieuw verschil, tusschen mijn volk en mij ontstaan; ziet hier, wat daar toe aanleiding gaf.
Verschil tusschen mijn volk en mij over het wêer.
Terwijl wij de terugkomst van dien soldaat afwachtten, zag ik snellijk over ons heen drijven eenige wolken, wier gedaante en richting mij in het denkbeeld bevestigden, dat wij met eenen aanstaanden storm bedreigt wierden; mijn soldaat Golikoff was niet minder ongeloovig dan de anderen, hij had gaarne het tegendeel gewed, echter erkende hij, dat tot heden toe de uitkomst bijna altoos mijne voorzeggingen had bewaarheid, hij had mij zelfs, zeide hij, aan de Koriaken als een waarzegger in dit vak voorgedraagen, en het deed hem leed van mij eensklaps te zien faalen en in minachting vervallen.
Deeze openhartige bekentenis was mij des te vermaakelijker, dewijl mijne leidslieden daar bij waaren; dit deed in mij de begeerte opkoomen om mij op mijn beurt met hunne onkundige eenvoudigheid te vermaaken; de omstandigheden waaren gunstig, ik herhaalde, dat zij ten hoogsten binnen twee uuren van mijne wetenschap zouden overtuigt zijn, dog dat ze mij voor alles moesten waarschuwen, of wij op onzen weg eenige plaats zouden aantreffen, alwaar wij ons in veiligheid konden stellen. "Geen een, antwoorde mij één van de twee, tot aan de rivier van Ingiga zullen wij niets anders doortrekken dan een groot en open veld, alwaar het oog naauwlijks eenige oneffenheden van den grond, of sneeuw, door de orcaanen aangebragt en door den hagel verhard, ontdekken kan". Deeze ophelderingen maakten mij verlegen, terwijl ik voorzag, dat wij genoodzaakt zouden zijn om te rug te keeren, ten einde bij een klein bosch, dat wij voorbijgekomen waaren, een schuilplaats te zoeken, wij waaren 'er nog maar een half uur van af, dog de hoofdigheid mijner wegwijzers, in staande te houden, dat wij niets te vreezen hadden, verdreef de zwaarigheid; stout op hunne ingebeelde ondervinding, waaren zij van begrip, dat wij onzen weg moesten vervolgen, dit was het geen ik verlangde, in de hoop van des avonds te Ingiga aantekomen.
Ik gebruik mijn Compas tot grote verwondering mijner leidslieden.
Om te zekerder mijn ontwerp uittevoeren, nam ik mij voor om tot mijn Compas toevlucht te neemen, het geen ons alleen dwars door de wervelwinden heen kon geleiden. Ik vernam derhalven van den bekwaamsten mijner wegwijzers, in wat streek Ingiga gelegen was, hij wees ze mij op het oogenblik aan, met mij van verre, een berg te doen opmerken, welkers spits zich in de wolken scheen te verliezen; "de stad, zeide hij, tot mij, is eenige wersten aan geenen kant en in dezelfde richting gelegen, wij zijn daar nog vijftig à vijfenvijftig wersten van af". Ik viel hem in de reden, om de windstreek hoger te zetten als waar ze gebleeven was, en om met mijn orlogie de snelheid van onzen voortgang te kunnen bepaalen; van de rustplaats af hadden wij zes a zeven wersten in het uur afgedaan, dog ik moest mij voorstellen, om veel langzaamer voorttekomen, wanneer de storm opkwam, ook rekende ik maar op drie wersten in een uur, het was zes uuren des morgens, en na mijne berekening, had ik hoop van voor middernagt te Ingiga te kunnen zijn. Ik vernam nog van mijn geleider, dat om bij de rivier te komen, die derwaarts geleid, wij een zeer groot bosch moesten bereiken, dat door dezelve gescheiden wierd, dit stelde mij verder gerust, de groote uitgestrektheid van dit bosch zo ter regter als ter linker hand verzekerde mij, dat wij het zelve niet missen nog verdwaalen konden.
Alle deeze maatregelen genomen hebbende, zeide ik aan mijn volk, dat ik niets liever wenschte dan voorttereizen, dog dat ik beslooten had van niet stil te houden, wat 'er ook gebeuren mogt. Ik belaste hun, dat zij mij zouden waarschuwen, zo dra zij meenden den weg niet meer te kunnen vinden, dewijl ik als dan voorneemens was om hun te geleiden; de ernstige toon, waar meede ik dit bevel gaf, verbaasde hun; zij zagen elkander verwonderd aan, en durfden mij niet opentlijk zeggen, dat ik verdwaasd was; de vrijmoedigste nam echter het woord op, om mij voortestellen, dat daar ik nooit dien weg afgelegt had, ik ook niet op mij kon neemen om hun te geleiden zonder gevaar te loopen van allen verlooren te raaken, en dat ik zonder twijffel wilde spotten; om 'er in eens af te weezen, zond ik ze op een barssen toon ieder naar zijne slêe, onder bedreiging, dat ik die niet gehoorzaamde zou doen straffen, en ter zelver tijd gaf ik het teken om te vertrekken.
Eene heftige orcaan.
Ten half negen hadden wij omtrent vijftien wersten afgelegd, 'er bleeven mij nog veertig volgens mijne berekening over, dog het was reeds meer dan een uur geleden, dat de gezichteinder met donkere wolken bezet wierd, men zag den storm trapsgewijze naderen, en de wind begon de sneeuw met draaijkringen opteheffen; mijne reisgenooten bewaarden het stilzwijgen, de vrees werkte op hun bijna zo veel als de verwarring, ze wisten niet hoe ze het hadden; welhaast overviel ons de orcaan met zo veel hevigheid, dat daar door eenige van onze sleeden in verwarring geraakten, door hevig schreeuwen bragt men ze weder bij een, mijne wegwijzers erkenden overwonnen te zijn, en kwamen mij verzoeken om stil te houden, hoe zeer wij ons in het open veld bevonden; verblind door den wind, die hun in het aangezicht speelde, vreesden zij, dat wij zouden verdwaalen.
Ik herinnerde hun mijne belofte, en bleef bij mijn besluit om voorwaards te trekken; ik beval, dat alle de sleeden zo digt mogelijk de een de ander zouden volgen, ten einde men bij het minste toeval elkander hooren en hulp toebrengen kon, vervolgens stelde ik mij, met behulp van mijn Compas, dat ik onder mijn kleed vastgemaakt had, om het telkens onder het oog te hebben, in staat om onze Caravane te bestuuren, wij reisden in deeze order het overige van den dag, om zoo te spreeken, in het midden der duisternis, want de Soldaat, die de slêe mende, welke op de mijne volgde, was voor mij onzichtbaar, naauwlijks kon ik zijn voorste honden onderscheiden.
Des avonds ten zeven uuren, vermoeid van de klagten en de vertoogen van mijn volk, die niet ophielden van te verzoeken om stil te houden, en daar en boven meenende, dat wij nog maar vijf of zes wersten van het bosch moesten afzijn, verzekerde ik hun, dat zo wij het zelve ten negen uuren niet bereikten, wij des nagts niet verder zouden voorttrekken, ten minsten zo zij, wanneer wij aan het bosch en de rivier mogten komen, niet liever dan tot aan Ingiga wilden voortreizen, waar wij als dan zo digt bij zouden zijn, dog dat ik hun volkomen vrij liet om dan te doen wat zij zouden goedvinden; deeze voorwaarde scheen hun tot bedaaren te brengen, niet dat zij meenden, zo veel voorwaarts gekomen te zijn als zij waaren, waarschijnlijk zelfs dagten zij niet meer op de streek te zijn, en zij verlangden alleen maar naar eene rustplaats, in de hoop om met den dag den weg weer te kunnen vinden.
Omtrent een quartier over agt uuren, wierd ik als een donker gordijn gewaar, dat zich voor ons ontwikkelde; het voorwerp verspreide en verdonkerde zich, naar maate dat wij het naderden, een oogenblik daar na, riepen mijne leidslieden, dat zij boomen ontwaar wierden en behouden waaren; en inderdaad, wij bevonden ons in het bosch van Ingiga, ik zond hun eenige treden voor uit om zich te herkennen, en welhaast kwamen zij verrukt van blijdschap mij zeggen, dat wij bij de rivier waaren.
De eerbiedige toon, waar op zij mij dit bericht kwamen brengen, vermaakte mij zeer; terwijl zij mij bedankten van hun zo wel geleid te hebben, hield de Koriak staande, dat geen hunner Chamans ooit zo iets wonderbaars verricht had; daar ik hun het slegte weer had voorspeld, wanneer alles in hun oog het tegendeel scheen aantekondigen, en vervolgens hun had weeten te leiden en te bewaaren in het midden van deeze _pourga_[123], scheen hun zo veel wijsheids bovennatuurlijk te zijn; de erkentenis van mijn overig gevolg was bijna even dwaas, zij konden van hunne verbaasdheid niet te rug komen; te vergeefsch toonde ik hun mijn compas, te vergeefs wilde ik hun uitleggen, hoe dat daar in mijne geheele wetenschap gelegen was, zij beslooten met te zeggen, dat een zodanig toverboek niet verstaanbaar was, dan voor diergelijke verstanden als ik, die in de toverkunst onderweezen waaren.
[123] _Dus noemen zij deeze stormwinden._