Historisch dagverhaal der reize van den heer De Lesseps Zedert het verlaten van den Heer Graaf de la Perouse en zyne togtgenooten in de haven van St. Pieter & Paulus op Kamchatka, enz.

Part 16

Chapter 163,811 wordsPublic domain

Mijne oplettenheid in het bezichtigen hunner kleeding wekte in hun de begeerte op om insgelijks Fransche te kennen[114], en ik liet mijn monteering uit de mantelzak haalen; op deszelfs gezicht was de verwondering op elks gelaat verspreid, ieder wilde ze eerst betasten, en elk vergaste zich op deszelfs zonderlingheid en fraaijheid. Mijne knoopen met het Fransche wapenschild trokken boven al derzelver aandacht; ik moest op nieuw alle mijne scherpzinnigheid te werk stellen, om hun op eene bevatbaare wijze te doen begrijpen, wat dit graveersel verbeelde, en waartoe zulks diende; zij lieten mij niet uitspreeken, zij sprongen over mijne knoopen, en verzogten mij zonder ophouden van 'er hun allen eenige van te geeven, ik stemde daar in toe op de beloften, die zij mij deeden, van dezelve met groote zorgvuldigheid te zullen gade staan. Hun oogmerk met ze te bewaaren, was om daar van een herkenningsteken te maaken, het geen zij aan allen, die op hunne kusten mogten aanlanden, zouden laaten zien, in de hoop, dat 'er eindelijk mogelijk de een of andere Franschman zou aankomen.

[114] De leezer zal zich herinneren, dat ik als toen in eene Kamschatsche kleeding was.

Hunne landsgenooten hadden wel voor eenige jaaren Engelschen gezien: "Waarom, zeiden zij, zouden de Franschen ons ook niet komen bezoeken? zij konden verzekert zijn van door ons met vreugde en hartelijke vriendschap te zullen ontfangen worden". Ik bedankte hun voor derzelver vriendelijke genegenheid, dog ik verborg voor hun niet, dat onze afgelegenheid een hinderpaal was om dikwils van hunnen goeden wil de proef te neemen, ik beloofde hun echter, dat ik bij mijn komst in mijn Vaderland daar van een getrouw getuigenis zou afleggen.

Na hun zo veel mogelijk op tabak onthaald te hebben, dewijl ik met niets hen meer vermaak kon aandoen, scheiden wij de beste vrienden des waerelds; zij zeiden mij in het heengaan, dat ik misschien spoedig hunne goederen en vrouwen zou ontmoeten, die ze agter gelaaten hadden, ten einde meer spoed te kunnen maaken.

Weinig tijds na het vertrek van deeze Tchouktchis stilde de wind, en ik begaf mij op weg.

1788. _Maart_ Den 28.

Des anderendaags, op het oogenblik, wanneer ik dagt stil te houden bij een bosch, alwaar ik een gemaklijke rustplaats ontdekt had, wierd ik verder voor mij uit eene talrijke kudde van rendieren gewaar, die op de kruin van een berg in vrijheid liepen weiden; wanneer ik met oplettenheid derwaarts zag, onderscheide ik eenige manspersoonen, die ze scheenen te bewaaken. Ik wist in het eerst niet, of ik dezelve moest vermijden dan mij bij hun voegen, dog de nieuwsgierigheid haalde het over, en ik trok voort om hun van nader bij te zien.

Ontmoeting van het gevolg deezer Tchouktchis.

Men zou gezegt hebben, dat ik het bosch langs trekkende hun spoedig zou bereiken. Ik twijffelde echter niet, dat wanneer ik aan het einde kwam, ik nog van dezelve zou afgescheiden zijn door eene vrij breede rivier, waar van ik een quartier uurs te vooren een kleinen arm overgetrokken was. Terwijl ik van den eenen oever tot den anderen deeze lieden beschouwde, wierd ik door twee vrouwen aangesprooken, die in den omtrek wandelden; de oudste voerde het woord, en hoe groot was mijne verwondering, van haar beide Russisch te hooren spreeken! Zij verhaalden mij dat ik omtrent twee honderd treden van de legerplaats der Tchouktschis af was, die het bosch voor mijn oog bedekt hield; wanneer ik op de rivier kwam, zag ik in der daad de sleeden en de tenten, en ik verzogt die vrouwen mij derwaarts te geleiden.

Geschiedenis van de twee vrouwen die mij aangesproken hadden.

Onder weg vroeg ik hun, van waar zij waaren, dewijl derzelver spraak niet te kennen gaf, dat zij onder dit volk gebooren waren of altoos geleeft hadden.

De eene verhaalde mij, dat ze een Russische was, en dat de moederlijke liefde haar noopte om deeze Tchouktchis te volgen; gevaaren, vermoeijenissen, kwaade bejegeningen, alles braveerde zij, in het vuurig verlangen van zich met hun naar derzelver land te begeeven, ten einde haar dogter te rug te vorderen, die daar in gijzeling gehouden wierd: ziet hier hoe zij dezelve verlooren had.

Dit jonge kind reisde twee jaar geleeden met haar vader en verscheide andere Russen op de rivier de Pengina; deeze Caravane, bestaande uit negen persoonen, trok gerust voorwaards tot in het midden der Koriaken, welke als toen door een gedeelte der Tchouktchis bedreigd wierden, aan welkers hoofd zich diezelfde Kérourgui bevond, van wien hier boven gesproken is. Om deeze gevaarlijke vijanden van zich aftewenden, bedagten de Koriaken om hen van den doortogt dezer vreemdelingen bericht te geeven[115], even als van een roof, die ze zich niet moesten laaten ontsnappen; deeze kunstgreep gelukte; verleid door het lokaas van een grooten buit in ijzer en tabak, vervolgde die Tchouktchis deeze reizigers, derzelver moed kon hun niet behouden, vier kwamen met de wapenen in de hand om, en wierden slachtoffers van hunnen nutteloozen tegenstand. De man van deeze vrouw wierd gedood, terwijl hij zijn dogter verdedigde, die de overwinnaars uit zijne armen rukten, en haar benevens zijne drie overige ongelukkige lotgenooten wegvoerden; zedert dien tijd hadden de Russen niet afgelaaten van onophoudelijk de teruggaaf deezer gevangenen te vorderen, ook hadden zij daar wel de beloften toe verkreegen, dog tot op dien dag waaren 'er maar twee van ontslaagen.

[115] De trouwloosheid der Koriaken heeft bijna altoos getracht om den haat der Tchouktchis tegens de Russen aantestooken, het zij door valsche berichten, het zij door deeze overteleveren, wanneer zij hun zelfs niet konden of durfden aanvallen. Deeze looze streeken kunnen reden geeven van zo veele wreedheden, die de Russen aan de Tchouktchis verwijten, en die echter niet tot den aart van dit volk behoorden.

Het aandoenlijk verhaal van deeze ongelukkige moeder, waar in zij meer dan eens door haare traanen verhinderd wierd, boezemde mij voor haar de levendigste belangneeming in; zonder nog te weeten, of mijne bemiddeling van eenig gewicht bij deeze Tchouktchis kon zijn, gevoelde ik mij reeds aangespoord om mijne poogingen bij de haare te voegen, en ik had het genoegen van te ondervinden, dat dezelve niet vrugteloos waaren.

Van de andere vrouw vernam ik, dat zij eene Tchouktchische van geboorte was; in haare jeugd was zij door de Russen op de rivier Anadir gevangen genomen; naar Yakoutsk gebragt, wierd zij daar gedoopt en zo veel mooglijk onderweezen. Vervolgens had haar een soldaat getrouwt, die na verloop van eenige jaaren was komen te sterven; en eindelijk was zij op bevel van de regeering naar haar vaderland met haare kinderen te rug gekeerd, ten einde aldaar van de verplichtingen, die zij aan de Russen had, te kunnen getuigen; haar was aanbevolen, om alle de bijzonderheden, daar van ter kennis van de Tchouktchis, zelfs van die het wijdafgelegenste waaren, te brengen[116], als mede om hun te doen begrijpen, dat ze oneindige voordeelen zouden vinden in het oprichten van eenen veiligen en vreedzaamen handel met haare weldoenders.

[116] Dat is te zeggen, de geenen, die zich aan geene zijde van de Kaap Tchouktchi ophouden, in de landkaarten bekend onder den naam van Tchoukotskoi-noss.

Deeze vrouw spreekt de Russische, Yakoutsche en Tchouktchische taalen even gemaklijk; zij zeide mij, dat de weinige kundigheden, welke zij aan haare opvoeding verschuldigt was, haar van derzelver aankomst af een zeker soort van vertrouwen onder haare landgenooten had doen verwerven; dat zij zelfs reeds van haar verkregen gezag op de geestvermogens gebruik had gemaakt, om eenige van hunne vooroordeelen uitteroeijen, en zij vleide zich om hun ongevoelig derzelver waare belangens te doen kennen. Haare hoop in dat opzicht was grootendeels gegrond op den aart van dat volk, welke zij mij verzekerde in der daad herbergzaam, edelmoedig, zagt-aartig en in allen opzichte beter te zijn dan de Koriaken.

Mijne aankomst in de legerplaats der Tchouktchis.

Het gesprek met deeze vrouwen had zodanig mijn aandagt afgetrokken, dat ik mij reeds in de legerplaats der Tchouktchis bevond, voor en aleer ik zulks gewaar wierd, derzelver vreugde was ongemeen, wanneer ze mij zagen, in een oogenblik zag ik mij omringt, zij spraken mij alle te gelijk aan, ten einde mij te beweegen om bij hun den nagt doortebrengen, ik antwoorde hun dat zulks mijn voorneemen was, en aanstonds vertoonde zich eene vernieuwde blijdschap en geschreeuw. Ik gaf bevel, dat men mijne tent aan het uiterste van 't leger opsloeg; terwijl men hier mede bezig was, liet ik alle de opperhoofden verzoeken om mij te komen zien; vaardig om van de vrijheid, welke ik hun gaf, gebruik te maaken, wachtede zij niet, tot ik binnen mijne tent gegaan was om mij te volgen, ik vond ze daar reeds in zo eene menigte vergaderd, als dezelve maar bevatten kon.

Na de eerste plichtplegingen, wierd het gesprek van den een en den anderen kant levendig en wel met eene gelijke graagte om onderricht te bekomen; wij spraken breedvoerig over ons wederzijdsch vaderland, zeden en gebruiken, hunne redeneeringen waaren ten naasten bij dezelfde, als die welke Tummé en zijne medgezellen met mij gevoerd hadden; zij betuigden mij hunne onderwerping aan Rusland, hun oprecht verlangen om de onderlinge eensgezindheid door betrekkingen van koophandel te onderhouden, en boven al om de volkplanting op de Anadir weder te zien vernieuwen, vervolgens lieten zij zich uit over de beweegredenen van hunne reis, zij hadden voornamelijk beoogd om eenige hunner naastbestaanden, aan Russen verbonden, en te Ingiga woonachtig, te komen bezoeken; misschien waaren zij ook derwaarts gebragt door eenig ontwerp van koophandel, dog na hunne opgaaf, was de genegenheid tot derzelver landsgenooten de eenigste beweegoorzaak van hunne verplaatzing; en in der daad, ik meende deeze Vaderlandlievende gewaarwording in hun ontdekt te hebben in de blijkbaare achting, welke zij aan de tot hun wedergekeerde Tchouktchische vrouw toedroegen, als mede in de liefkoozingen, welke zij aan haare kinderen bedreeven.

Zij herhaalden telkens, dat ik alle agterdogt moest laaten vaaren, en op hunne vriendschap staat maaken; zij vooronderstelden zeker in mij die agterhoudenheid, welke de Russen hun nog in derzelver ontmoetingen betoonen; dog dewijl ik dezelfde redenen niet had om hun te vreezen, was ik er ook ver af om hun te verdenken; dit deed ik hen ook begrijpen, wanneer ik hun antwoorde, dat, daar ik niet voorneemens was om iemand hoe genaamd op mijne reis te beledigen, ik dus ook niet kon denken, dat iemand mij zou willen verontrusten, en te minder zulks wachtte in het midden van een volk zo als zij, wier goedwilligheid en rechtvaardigheid mij reeds bekend was; deeze redenen behaagden hun, zij scheenen deswegens zo wel te vreden als over mijne onbekommerdheid, ik meende dierhalven ook mijne wapenen te moeten verborgen houden, en het voorstel, dat mij mijne soldaaten deeden, van een schildwagt voor mijne tent te plaatzen, van de hand te moeten wijzen.

Ik deelde aan de voornaamste deezer Tchouktchis tabak uit, en liet hun vervolgens thee met beschuit van rogge toedienen; derzelver opperhoofd of vorst genaamt _Chegouiaga_, gelijk aan Tummé in aanzien en gezag, twee van zijne bloedverwanten, en de twee vrouwen die mij tot tolken dienden, gebruikten het avondeeten met mij; de maaltijd was allersoberst, dog zeer vrolijk, mijne gasten vertrokken zo vergenoegd als of ze het best mogelijke onthaal genooten hadden; de noodzaaklijkheid om rust te neemen deed ons scheiden.

Zo dra ik alleen was, hield ik mij bezig om de aanmerkingen, welke het onderhoud met hun, en mijne bijzondere waarneemingen mij opgeleverd hadden, in geschrift te brengen.

Beschrijving van de legerplaats.

De legering van deeze Tchouktchis was op den oever van de rivier, bij derzelver reisgoed, en mat het agterste naar het bosch geplaatst, waar van ik gesprooken heb; ze bestond in een twaalftal van tenten, geschikt op eene linie langs de rivier; deeze tenten zijn van een vierkante gedaante, van rendierenvellen gemaakt en met riemen aan stokken opgehangen, die aan de vier hoeken gesteld zijn. Bundels met speeren, en in de sneeuw gestokene pijlen voor iedere tent schijnen den ingang van dezelve te verdedigen[117]; deeze is zeer laag en sluit zo digt dat 'er niets uit vervliegen kan; men word daar binnen eene groote hette gewaar, de rendierenvellen, welke de wanden en het bedekzel der tent uitmaaken, zijn ondoordringbaar voor de lucht, en altoos is het hair naar binnen geplaatst; derzelver bedden gelijken veel na die der Kamschatters, wanneer die eene rustplaats in het open veld vervaardigen. Zeer dunne takjes worden op de wijze als stof over de sneeuw verspreid, vervolgens legt men daar andere rendieren vellen over heen, en hier op is het, dat zich een geheel gezin nederlegt zonder onderscheid van jaaren of sexe, de ruimte is zo eng, dat men niet kan begrijpen, hoe al dat volk daar op nestelen kan; hier uit ontstaat eene onverdraagelijke stank en morsigheid; het is genoeg te zeggen, dat zij zonder afkeer hunne spijzen en dranken bij de vuilste dingen kunnen zien, want daar zijn geen uitdrukkingen te vinden om de maat van hunne zorgeloosheid te beschrijven.

[117] Het is aan de vrees van des nagts door de Koriaken te zullen overvallen worden, dat men deeze voorzorg moet toeschrijven.

Onder het getal deezer Tchouktchis, het welk omtrent op veertig beliep, waaren vijftien of zestien vrouwen[118], en bijna zo veele kinderen, die alle bezig waaren met de toebereiding van de tenten en de spijzen. Een ieder der voornaamste onder hun heeft knegts tot deszelfs dienst, om de rendieren te hoeden, en dezelve geduurende den nagt tegen de wolven te beschermen, die op deeze kusten in overvloed gevonden worden.

[118] De veelwijverij is bij dit volk in gebruik; men zou ook kunnen zeggen, dat het daar aan de vrouwen geoorloft is meer dan een man te hebben, want men geeft voor, dat zij tot die volkeren behooren, welke de beleeftheid omtrent hunne gasten zo ver uitstrekken, van aan deezen derzelver vrouwen of dogters aftestaan: het zou hun een hoon aangedaan zijn, wanneer men die weigerde. Ik kan echter voor de waarheid van dit bericht niet instaan.

Kleeding der Tchouktchische vrouwen.

De kleeding der vrouwen is allerzonderlingst, ze bestaat in een enkeld rendierenvel, het geen aan den hals begint, alwaar het zelve van agter en vooren evenwijd open is, en als een wijde broek tot onder de knie afhangt, dit kleed word aan de opening van den hals doorgehaald, de eenigste manier van 'er zich van te ontdoen is, dat men de knoopen, die het zelve onder de kin ophouden, losmaakt, en aanstonds valt het in één stuk op den grond en de vrouw is naakt, men kan begrijpen, hoe ongemaklijk het is uit hoofde van de geduurige noodzaaklijkheid, om 'er zich geheel van te ontdoen; wanneer zij reizen, draagen zij een _Kouklanki_ op den rug, welke zij over haar gewoon kleed aantrekken; laarzen van rendieren pooten zijn haar eenigste schoeizel; derzelver hair is donker zwart, somtijds strikken zij het in bossen agter het hoofd op, dog gewoonlijk dragen zij het op het voorhoofd gescheiden, wanneer het met lange vlechten over zij afhangt; haare ooren en hals zijn met vercierzelen van Koraalen in allerhande couleuren belaaden, en als ze koud zijn, verstrekt hun de kap van het parque voor een hoofddekzel.

Gelaatstrekken.

Het geheel des gelaats heeft niets bevalligs, de trekken daar van zijn grof, over het algemeen echter hebben ze geene platte neuzen, nog getrokkene oogen, gelijk de Kamschatsche vrouwen, zij gelijken haar daar in minder dan de Koriaksche; haare gestalte is ook grooter, dog gantsch niet zwierig; de belemmerende dikte en wijdte van de kleeding geeven haar geen vlug aanzien; des niettegenstaande zijn zij met het zwaarste werk belast, als het vuur aantemaaken, hout te draagen, water te haalen, en al het geen zij verder voor haare huishouding noodig hebben. Voornamelijk zijn het de oude vrouwen, die zich met deeze zaaken moeten moeijen.

De trekken der mannen scheenen mij regelmaatiger toe, ze hebben niets van het Asiatische, derzelver couleur is, even als die der vrouwen, zeer bruin, en hunne kleeding, sleeden, en alle derzelver gewoontens zijn volmaakt gelijk aan die der zwervende Koriaken. Ik zal hun ter gelijker tijd met deeze nader leeren kennen.

Reizen, en Koophandel der Tchouktchis te Ingiga.

Deeze Tchouktchis doen tegenswoordig ieder jaar een reis naar Ingiga, zij vertrekken uit hun land met het begin van den herfst, en komen niet in deeze stad voor in de eerste dagen van Maart; naauwlijks hebben ze hunne zaaken verricht, waar toe hun eenige dagen voldoende zijn, of zij begeeven zich weder op reis, ten einde nog van het gemak der sleedevaart gebruik te kunnen maaken; echter is het zeldzaam, dat zij voor het einde van Junij t'huis kunnen zijn.

De Koopmanschappen, die zij derwaarts brengen, bestaan in parquen van marter en vossevellen, en tanden van zee-paarden, die een fraaij ijvoor uitleveren; zij neemen in ruiling ketels, tabak, speeren, snaphaanen, messen en ander yzerwerk; nog weinig gewoon aan den snaphaan, bedienen zij 'er zich ook zelden van, dog daar en tegen zijn zij zeer handig in het afschieten van een pijl, en in het werpen van een lans; ook zijn dit hunne voornaamste wapenen.

1788. _Maart_ Den 29.

Even als alle de Noordsche volkeren, zijn zij uitermaate geneigd tot de dronkenschap, ze zijn zodanige liefhebbers van brandewijn, dat, zo dra men hun daar van gegeeven heeft, men ook verplicht is hun zo lang inteschenken, tot dat ze geheel dronken zijn; zonder dat zouden zij zich beledigt achten, misschien zouden zij zelfs tot bedreigingen en tot geweld overgaan om zich dezelve te verschaffen. Even zulke sterke tabakrookers als de Koriaken, hebben zij ook diergelijke pijpen en de eige manier van rooken.

Ik verlaat deeze Tchouktchis.

Mij niet langer willende ophouden, ging ik met het aanbreken van den dag van deeze Tchouktchis in derzelver tenten afscheid neemen, dog de stank en de hette deed 'er mij spoedig uitgaan. Ons scheiden was allertederst, zij omhelsden mij beurtelings en overlaaden mij met beleeftheden; men begrijpt, dat ik bij dit afscheid ook niet agterlijk bleef in plichtpleegingen, en waarlijk ik kan het onthaal van dit herbergzaame volk niet genoeg roemen.

Ik vertrok tijdig genoeg om in deezen dag bij de dertig wersten afteleggen; ter halver weg vond ik op den oever van de zee twee balagans en eene yourte, bewoond door een Koriaksch geslacht; één uur daar na bereikte ik het Ostrog van Pareiné.

Beschrijving van Pareiné.

Hoe zeer dit minder groot is als Kaminoi, was het echter veel meer bevolkt, deszelfs legging scheen mij toe zeer gemaklijk te weezen, het legt aan de rivier, waar van het den naam draagt, omtrent drie wersten van deszelfs uitwatering in de zee van Pengina, die op deeze hoogte een zo naauwe golf formeert, dat men met schoon weêr van den eenen oever tot den anderen kan zien.

Verhaal van een vrouw van Ingiga.

Het eerste mensch, dat ik in dit dorp ontmoete, was eene oude mestische vrouw, wier bedroefde houding mij trof; ik zogt haar aantespreeken, het zij dat ik door medelijden of door nieuwsgierigheid gedreven wierd; mijne vraagen over de oorzaak van haare droefheid deeden haar een geweldigen schreeuw geeven, en zij antwoorde alleen met haare traanen; eindelijk verkreeg ik door onophoudelijk aanzoek en tekens van belangneeming het verhaal van haare rampen.

1788. _Maart_ Den 29. Te Pareiné.

Het was bijna veertien dagen geleden, dat zij, benevens haar man, haar zoon en verscheidene van hunne vrienden van Ingiga vertrokken waaren, om te Pareiné hunne naastbestaanden te gaan bezoeken; onder weg overvallen door een van die schrikkelijke orcaanen, welkers droevige uitwerkzels ik meer dan twintigmaal vreesde te zullen ondervinden, waaren deeze reizigers verdwaald geraakt en de een van den anderen gescheiden; de vader en de zoon waaren op dezelfde slêe gezeten; na lang gezworven te hebben, om een schuilplaats of eenig punt van hereeniging te zoeken, waaren zij geheel afgedwaald; men had alle moeite van de waereld om hun te ontdekken, men vond hen eerst na twee dagen in de sneeuw bedolven en van koude gestorven, derzelver geheele lighaam was bevroozen, de houding toonde duidelijk aan, dat deeze twee ongelukkigen, geen krachten meer overhebbende om voort te komen, zich ter verwarming den een om den ander gestrengeld hadden, en dat zij in elkanders armen dood gevonden waaren, de vrouw gelukkiger dan haar man had een schuilplaats bereikt aan den oever van eene rivier, omtrent vijftien wersten van Pareiné, alwaar zij en haare reisgenooten eindelijk uitgeput van krachten en ten uitersten bedroefd aangekomen waaren. Zij voegde 'er bij, dat zij allen geduurende deezen storm nog hemel nog aarde konden onderscheiden; de sneeuw in de lucht bevroozen verdikte zich in het vallen, en scheen een regen van brokken ys; hunne kleederen waaren daar van zodanig doortrokken, dat ze dezelve niet meer gebruiken konden. Dog het geen de droefheid van deeze vrouw vermeerderde, was van zich buiten staat te zien om in haar land te rug te keeren, niemand scheen hier geneigt om haar daar toe de middelen te verschaffen, die zij niet ophield van te verzoeken, dog altoos te vergeefs. Op deeze woorden stroomde een vloed van traanen over haare wangen. Ik wist niet hoe haar te vertroosten, ik zeide haar alles wat mij het mededogen opgaf, dog dewijl ik van geen de minste hulp kon zijn, verliet ik haar met het leedweezen van geen andere hulp toegebragt te hebben, dan alleen het geen een weinig verzagtende meewarigheid kan te weeg brengen.

Ongerustheid welke mij een Opperhoofd der Koriaken verwekt, die mij wil aanhouden.

Terwijl ik met haar sprak, waaren de inwooners van Pareiné rontom mij verzameld; hun Opperhoofd of Prins genaamt _Youltitka_ naderde mij om mij te verzoeken van den nagt in zijn dorp te blijven; zijn valsch voorkomen bevestigde al het geen men mij van zijne trouwloosheid verhaald had, ik deed hem begrijpen, dat ik geen de minste genegenheid had om mij optehouden; op mijne weigering stelde hij mij de onmogelijkheid voor van mij honden en levensmiddelen voor den volgenden morgen te kunnen bezorgen; de redenen, die hij deswegens gaf, kondigden opentlijk zijn onwil aan[119], ik meende daar zelfs gevaarlijke voorneemens in te ontdekken. Daar ik besloten had om tot wat prijs ook hem niet te wille te zijn, antwoorde ik, dat ik zou moeten ontbeeren, het geen ik niet verkrijgen kon, dog dat niets mij zou verplichten om te blijven; hij veinsde mij niet te begrijpen, en wende een nieuwe hinderpaal voor, ter zelver tijd zag hij mij met een schamperen glimlach aan, die mij toescheen wantrouwen omtrent mijn vertrek te moeten inboezemen. Ik gevoelde, dat ik mij met de grootste standvastigheid moest wapenen, of besluiten om geduldig aan het bevel te gehoorzaamen, het welk de plicht zou goedvinden mij opteleggen; al de inwoonders van het dorp waaren daar, ten minsten twee honderd menschen drongen zich op eene onstuimige wijze rondom mij heen, het zij om mij schrik aantejaagen, of het zij om mijne verlegenheid te bespieden. In deeze gevaarlijke omstandigheid bedagt ik om hun in het Russisch aantespreeken, in de hoop, dat 'er zich onder de menigte misschien eenigen zouden bevinden, van wie ik mij zou kunnen doen verstaan, en die minder onhandelbaar zouden weezen als derzelver opperhoofd.