Historisch dagverhaal der reize van den heer De Lesseps Zedert het verlaten van den Heer Graaf de la Perouse en zyne togtgenooten in de haven van St. Pieter & Paulus op Kamchatka, enz.

Part 15

Chapter 153,811 wordsPublic domain

De Kosak, die mij deeze bijzonderheden verhaalde, was door den Heer Schmaleff daags voor ons vertrek vooruitgezonden, deeze had hem bevolen van in dit gehugt stiltehouden, en aldaar, terwijl hij ons afwachtte, onderzoek te doen, of 'er geen voorraad van visch in de eene of andere onderaardsche kelder verborgen was; deeze voorzorg was ons van veel nut, de Kosak bragt ons bij onze aankomst naar een keldertje, dat hij ontdekt had, wij vonden het zelve vol visch, en ik maakte mij van een goed gedeelte meester, dewijl ik maar voor twee dagen leevensmiddelen van Poustaretsk mêegenomen had.

1788. _Maart_ Den 19.

Een zeer lastige dag.

Den 19 begaven wij ons wederom in den vroegen morgen op weg; deeze dag was nog vermoeijender dan de voorige, de weg was verschriklijk, meer dan twintigmaal zag ik mijn slêe op het punt van verbrijzeld te worden, en het zou 'er mede gedaan geweest zijn, indien ik niet eindelijk beslooten had om te voet te gaan; Ik wierd daar toe genoodzaakt, wilde ik mij zelfs aan de gevaaren van het omvallen niet blootstellen, zo dat ik bijna den geheelen dag moest wandelen, dog ik ontweek het eene kwaad maar, om in het andere te vallen.

Onvoorzigtigheid die mijne gezondheid benadeelde.

Na verloop van eenige uuren gevoelde ik mij zodanig vermoeid, dat ik weer op mijn slee stapte, en in dit oogenblik wierd dezelve overzij gesmeeten, zo dat mij de lust verging; Ik wierd genoodzaakt om mij zo goed voort te sleepen, als ik kon, mijne beenen waggelden onder mij, ik was zeer bezweet, en eene hevige dorst kwam nog bij mijne vermoeidheid; de sneeuw verschafte mij maar een zwak hulpmiddel, niets kon mij laaven, bij ongeluk wierd ik een kleine rivier gewaar, uit nooddwang ging ik derwaarts, en zonder de gevolgen van mijne onvoorzigtigheid te berekenen, was mijn eerste werk om het ijs te breeken en zulks aan mijnen mond te brengen; het duurde niet lang, of ik beklaagde mij deeze zuiver werktuigelijke onbedagtzaamheid, mijn dorst was gelescht, dog van de groote hette, waar over ik te onvreden was, geraakte ik eensklaps in het tegenovergestelde uiterste, eene doorgaande koude beving mij en alle mijne leden beefden.

Rustplaats.

De koude van den nagt vermeerderde mijne grillingen, en ik wierd zo zwak, dat het mij onmogelijk was verder te gaan, ik verzogt mijne mede-reizigers, om in het midden van deeze woestijn stil te houden; uit achting voor mij stemden zij daar in toe, want de moeijelijkheid, om zich hout te verschaffen, maakte dit hun niet zeer begeerlijk, naauwlijks had men zoveel geraapt, dat men de ketel kon overhangen, dit bepaalde zich tot eenige kleine geheel groene heesters, die niet branden wilden; wij rekenden ons zeer gelukkig, dat wij thee konden drinken.

van den 20. tot den 24.

De beweeging doet mij herstellen.

Na daar eenige koppen van genomen te hebben, begaf ik mij onder mijne tent,[107] ik lag mij op een kleine matras, die op de sneeuw geplaatst was, en dekte mij met verscheidene bontwerken, in de hoop van de uitwaasseming weder te zullen herstellen, dan dit was tevergeefs, en ik deed den gantschen nagt geen oog toe. Bij de benaauwtheden van eene heete en brandende koorts voegden zich eene geduurige bezetheid op de borst, en de gewoonlijke ongerustheid bij de eerste voortekens van eene ziekte. Ik erken, dat ik mij verbeeldde gevaarlijk ziek te zijn, te meer, toen ik bij mijn opstaan geen geluid kon geeven. Ik leed geweldig op de borst en in de keel, de koorts was niet verminderd, nogtans deed mij het denkbeeld, dat een langer rust mij van geen nut kon weezen, en dat ik geen hulp kon erlangen, dan met voorwaards te trekken, het besluit neemen om mijn lijden voor den Heer Schmaleff te verbergen. Ik was de eerste, die van vertrekken sprak, dog daar in raadpleegde ik meer mijne drift dan wel mijne krachten.

[107] Deeze tent was van lijnwaat. Ik had dezelve van den Heer Vorokoff gekogt, voor dat ik van Poustaretsk vertrok.

Ik had maar weinige wersten afgelegt, wanneer mijne smerten onverdraaglijk wierden, ik was verplicht zelfs te mennen, en daar door in eene geduurige beweeging te zijn, somtijds was ik daar en boven door de slegte wegen genoodzaakt naast mijn slêe te loopen, of tot mijne honden te spreeken om ze voort te doen gaan, mijne heeschheid liet niet toe om mij te doen verstaan, ik kon daar toe niet geraaken, dan met poogingen te doen, die mij de krachten benamen en de borst als van een scheurden. Behalven deeze pijniging had ik reden om over die beweeging te vreden te zijn; zo moeijelijk als ze ook was, zo heilzaam wierd mij dezelve, langzamerhand bevorderde ze de uitwaasseming, des avonds haalde ik vrijer adem, de koorts verliet mij, en ik behield alleen eene zwaare verkoudheid, die ik in weinig dagen kwijt raakte. Eene dagelijksche vermoeijing was mijn eenigste hulpmiddel, ik droeg voor al zorg, om het zweet dat mij daar door bezorgd wierd, aan den gang te houden, en ik ben overtuigd, dat ik daar aan alleen mijne spoedige geneezing te danken had; wat 'er van zij, mijn borst had zodanig geleden, dat ze 'er nog lang gevoel van gehad heeft.

In dien tusschentijd had ik ten minsten niet van de strengheid der winden te lijden, de lucht was bedaard en het wêer helder, wij hadden als toen de schoonste winterdagen, zonder dat had ik misschien nimmer mijn Vaderland wederom gezien; dog de Hemel scheen mijn togt te begunstigen, om mij het geen ik geleden had te doen vergeeten.

Ontmoeting van drie Convooijen die aan den Heer Kasloff gezonden wierden.

Welhaast volgde de levendigste vreugd op de droefheid, die mij overstelpt had, wij ontmoeteden in verscheide bezendingen drie Convooijen voor den Heer Kasloff door den Sergeant Kabéchoff afgezonden! Deeze onverwachte hulp verschafte mij des te meer vermaak, als ik mij zonder ophouden voor den geest bragt den beklaagelijken staat, in welken ik dien bevelhebber gelaaten had. Welk eene spoedige verandering in zijne omstandigheden! honderd vijftig vlugge en wel doorvoede honden gingen hem te gemoet en bragten hem leevensmiddelen aan; hij kan, zeide ik tot mij zelfs, den volgenden dag vertrekken, en in dien ik mij niet meer vleijen kan van hem wedertezien, ten minsten zal hij buiten verlegenheid zijn; deeze zekerheid stelde mij omtrent zijn lot gerust.

De Soldaat, die deeze bezending begeleide, bood mij aan een gedeelte van deezen voorraad te geeven, dog ik wachtte mij wel om ze aanteneemen; dezelve was zo overvloedig niet en daar en boven hadden wij ze niet nodig, ik hield hem dan niet langer op als noodzakelijk was.

Voor dat hij mij verliet, verhaalde hij mij dat de Prins Eitel of het opperhoofd der Koriaken van Kaminoi, dien men van oproerigheid beschuldigt had, in aantogt was om in persoon den Heer Commandant van het tegendeel te gaan overtuigen.

Onzen weg vervolgende, vonden wij aan de overkant van eene kleine rivier, omzoomd van eenig heestergewas, een keten van steile bergen, die wij de een na den ander moesten overtrekken, vervolgens kwamen wij op eene andere rivier genaamt _Talofka_; deszelfs twee oevers verwijderen zich, naarmaate dat men den mond nadert, ze zijn met houtgewas bezet, en ik zag daar vrij zwaare boomen; wij verlieten deeze rivier op eenige afstand van Kaminoi, om een ruim hei-veld over te trekken, en vervolgens een groot meir; eindelijk, gingen wij over de rivier de Pengina bijna aan deszelfs mond, en in de richting van het zuid-oosten naar het noord-westen.

Overtogt van de rivier van Pengina.

Deszelfs breedte is verbaazend, het gezicht der ysschotzen, welke ze bedekten, en die tot eene verschrikkelijke hoogte op den anderen gehoopt waaren, zou mij nog schilderachtiger toegescheenen hebben, indien wij maar een gemaklijker weg hadden kunnen neemen, dog 'er was geen keus, zo dat wij, om zo te spreeken, onze honden en sleeden van den eenen schots op den anderen moesten hijssen; men kan gemaklijk oordeelen over de moeijelijkheid en de langduurigheid van deezen arbeid, ik had alle moeite van de waereld om 'er wel aftekomen.

Aankomst te Kaminoi.

Wij waaren nog bijna twee uuren bezig om tot Kaminoi te geraaken, alwaar wij den 24. voordemiddag binnenkwamen, wij wierden 'er door de inwooners uitermaate wel ontfangen. In de afwezigheid van Eitel, voerde een ander Prins genaamt _Eila_ het bevel over hun, hij kwam ons te gemoet, verzeld van het Russisch detachement, men geleide ons naar de yourte van Eitel, die zedert lang tegens de aankomst van den Heer Kasloff schoongemaakt en toebereid was.

Deeze Eila betoonde ons alle eerbewijzingen, wij hadden altoos een schildwagt aan de deur, zijn order was van dezelve niet te openen, dan voor die geenen, welken wij meenden het minste te moeten mistrouwen.

1788. _Maart_. Den 24. Te Kaminoi.

Rechtvaardiging van deeze Koriaken, valschelijk van oproer beschuldigt.

Het was niet alleen, dat de gerugten van oproer, die men op rekening van deeze Koriaken verspreid had, ons klaarblijkelijk valsch toegescheenen hadden;[108] hun gedrag ten onzen opzichte en het onthaal, het welk zij zich voorstelden aan den Heer Commandant te doen, kon geen de minste twijffel overlaaten omtrent hunne tegenwoordige geneigtheid; ook was het niet te denken, dat dit alles het uitwerkzel was van de tegenwoordigheid der van Ingiga gezondene Soldaaten. De ellende waar toe die gebragt waaren[109], stelde hun buiten staat, om aan menschen die een zodanigen aart als deeze Koriaken bezaten, schrik aan te jaagen; zij geeven te weinig om het leeven, zo ik als nader zal doen zien, om immer bevreest gemaakt te kunnen worden, niets zou in staat geweest zijn om hun te kunnen wederhouden, indien ze de minste reden van misnoegen gehad hadden.

[108] Deeze geruchten waaren door de ontrouwe berichten van den Ingenieur Bogenoff geloofbaar geworden, men zal zich herinneren, dat hij ons verzekerde dat deeze Koriaken hun gewapenderhand belet hadden, om op de rivier de Pengina te komen; wanneer ik hun daar over onderhield, betuigden ze mij alle, dat zij wel verre van zich tegens den doortogt van dien Ingenieur verzet te hebben, zij hem geduurende zijn verblijf met veel beleeftheid en vriendschap behandeld hadden.

[109] Dit detachement was van veertig mannen geweest, dog op de begeerte van Kabéchof, wierd het met tien Kosakken versterkt, die te Kaminoi aankwamen, met de hulp, die wij onder weg ontmoet hadden.

Het gezicht van het Canon en van deeze gewapende Kosakken, die echter in het dorp getrokken waaren zonder eenig vijandelijk oogmerk aantekondigen, had hun in het eerst eenige ongerustheid veroorzaakt; al aanstonds wendden zij zich tot den Onderofficier, die het bevel voerde, en vorderden van hem een verklaaring, of hij het op hun vrijheid kwam toeleggen dan of hij hun kwam uitroeijen; daar bijvoegende, dat, indien de Russen zodanige voornemens hadden, alle de Koriaken zich liever zouden laaten dooden dan zich onderwerpen. Die Onder-officier stelde hun gerust, hen zeer verstandig antwoordende, dat het oogmerk van zijne zending hen geenszints ontrusten moest; dat hij gelast was om den Heer Kasloff te gemoet te gaan; dat dit een eerbewijs was het geen men aan zijn rang verschuldigt, en voorgeschreeven was door de Krijgswetten in Rusland omtrent de Commandanten, wanneer zij door de plaatsen van hun gebied trokken. Deeze opheldering was voldoende om alle agterdogt te verdrijven, en van dat tijdstip af leefden Koriaken en Russen in de beste verstandhouding. De gerustheid der eerste was zo groot, dat zij geen de minste maatregels namen ingeval van verrassing, zij zouden zelfs geene acht gegeeven hebben op het langduurig verblijf van deeze soldaaten onder hun, indien het gebrek hun deeze gasten niet zeer tot last had doen worden.

1788. _Maart_ Den 25. Te Kaminoi.

Ik had niet gedagt langer te Kaminoi te blijven, dan noodig was om mijne honden te laaten uitrusten, dog in den nagt van den 24 op den 25. wierd de lucht bezet, en eenige rukwinden bedreigden ons met eenen aanstaanden storm; de vrees dat die mij in het open veld mogt overvallen, deed mij mijn vertrek uitstellen.

Beschrijving van Kaminoi.

Dit Ostrog, drie honderd wersten van Poustaretsk verwijderd, is op eene hoogte bijna aan den oever van de zee, en aan de mond van de rivier de Pengina gelegen; het bevat een groot getal balagans en een twaalftal zeer ruime yourtes, gebouwd in den smaak van die, welke ik reeds beschreeven heb. Hoe zeer digt bij den anderen geplaatst, beslaan deeze wooningen een aanmerkelijke plek gronds; de palissaden waar van ze omringt waaren, zijn met speeren, boogen, pijlen en snaphaanen behangen; deeze palissaden zijn dikker en hooger dan die der Kamschatsche yourtes. Onder beschutting van die jammerhartige vestingwerken achten deeze Koriaken zich onoverwinlijk; het is van daar, dat zij de aanvallen hunner vijanden afkeeren, onder anderen die der Tchouktchis, hunne gedugtste nabuuren, zo om derzelver menigte als om derzelver kloekmoedigheid[110].

[110] Men zeide mij hier, dat dit volk, gewaarschuwt van mijne aanstaande reis door Ingiga, waarschijnlijk mij te gemoet zou komen, al was het maar alleen uit nieuwsgierigheid.

De bevolking te Kaminoi beliep als toen weinig meer dan drie honderd menschen, zo mannen, vrouwen als kinderen. Ik zal nog niets van derzelver zeden vermelden, ik verschuif alle bijzonderheden over dit onderwerp tot op mijn komst te Ingiga, alwaar ik binnen weinig dagen hoop aantekomen.

Aanmerkingen over eenige baidars.

Ik zag nog voor mijn vertrek een twintigtal baidars of booten van verschillende grootte. Dezelve geleeken na die, waar van ik voor mijn vertrek van Khaluli gesprooken heb[111]. Alleen scheen derzelver maakzel vrij beeter, en haare ligtheid meer geschikt, voor de scheepvaart. Derzelver ongemeene breedte behaagde mij ook zeer, verscheiden van deeze baidars konden vijf en twintig a dertig persoonen bevatten.

[111] Ziet het eerste deel _Bladz._ 188.

De Heer Schmaleff is genoodzaakt mij te verlaaten.

Zedert onze aankomst had de Heer Schmaleff reeds voorzien, dat het hem niet gemaklijk zou vallen om met mij dit dorp te verlaaten; dagelijks van den morgen tot den avond door alle de Soldaaten van het detachement overvallen, die hem hunnen hooggaanden nood kwamen voorstellen, rekende hij het van zijn plicht, om dezelve niet te verlaaten, maar om van alle de hulpmiddelen, welke zijn post en eene volmaakte kennis van het land hem aan de hand gaven, ter hunner ondersteuning gebruik te maaken. Hoe zeer hij even ongeduldig was als ik om zich naar Ingiga te begeeven, alwaar zijn broeder hem zedert lang wachtte, besloot hij echter om mij alleen te laaten vertrekken.

Hij geeft mij eenen Soldaat genaamt Yegor Golikoff.

Hij gaf mij daar van met moeite kennis, en drong mij om een vertrouwd soldaat genaamt _Yégor-Golikoff_ mede te nemen; dit was, zeide hij mij, een wezentlijk geschenk, het geen hij mij meende te doen, en men zal in het vervolg zien, dat hij de waarheid gesproken had.[112]

[112] Mijn geleide bestond dus uit vier mannen, te weeten, Golikoff, den soldaat, dien ik van Poustaretsk mêe gebragt had, en twee anderen uit het detachement van Ingiga gekoozen om mij tot wegwijzers te dienen, dog ik meende daar en boven een Koriakschen leidsman te moeten neemen, in dat vertrouwen, dat hij beter den weg zou kennen.

Een dusdanig vriendlijk gedrag vermeerderde mijn leedweezen, zo spoedig genoodzaakt te zijn, om dien waardigen en braaven Officier te verlaaten; mijne erkentenis omtrent hem wenschte hier te kunnen herhaalen, het geen de Engelschen van zijn menschlievendheid en beleeftheid vermeld hebben, dog ik laat voor den Heer Graaf de la Pérouse het vermaak over, om de schuld van allen, die tot onzen togt behoorden, te vereffenen, aan welke de Heer Schmaleff geduurende hun verblijf te St. Pieter & Paulus zich bevlijtigd had alle diensten te bewijzen, die in zijn vermogen waaren.

1788. _Maart_ Den 26. Vertrek van Kaminoi.

Vertrek van Chestokova.

Ik vertrok den 26. des morgens ten agt uuren van Kaminoi, met vrij goed weer[113]; vijftien wersten verder vond ik dezelfde keten van bergen, die ik aan den anderen kant van dat dorp ontmoet had, ik trok ze op nieuw over, vervolgens een rivier, genaamt _Chestokova_ na een Russisch onder-officier, die aldaar aan het hoofd van een detachement van vijftig Kosakken gedood wierd, derwaards gezonden om eenige oproerige Koriaken in toom te houden; deeze verrasten hem, onder begunstiging van den nagt, aan den oever van deeze rivier, en lieten 'er geen een van ontkomen, alle de Russen wierden vermoord. Ik hield ter zelfder plaatse stil.

[113] De schaarschheid van honden te Kaminoi, en de slegte staat van de mijne, had den Heer Schmaleff doen besluiten, om mij die van het detachement te geeven.

Stormwind.

Ik ontwaakte door een allerhevigsten storm, draaijkringen van sneeuw verduisterden de lucht, naauwlijks kon men onderscheiden of het dag was; niettegenstaande deezen ijsselijken orcaan besloot ik mij weder op weg te begeeven, dog ik kon mijne leidslieden maar niet beweegen om het te beproeven, zij weigerden de plaats te verlaaten, uit vreeze van te verdwaalen, en van andere gevaaren te loopen door een zo slegt weder.

1788. _Maart_ Den 27.

Aankomst van zeven Tchouktchis.

Daar mij alles tegenliep, begaf ik mij vrij misnoegd in mijn tent; des middags wierd ik aangenaam verrast door de aankomst van zeven Tchouktchis, zij waaren op sleeden gezeten, gelijk aan die van de zwervende Koriaken, en insgelijks door rendieren voortgetrokken. Ik ontfing dezelve onder mijn tent en verzogt hun daar te blijven, tot dat de bui over was, ik kon hen niets aangenaamers voorstellen, na ik uit het vergenoegd gelaat, het geen mijn aanbod op alle de aangezichten verspreide, moest oordeelen.

Gesprek met hun Opperhoofd.

Onder deeze Tchouktchis bevond zich het hoofd van de horde of bende, genaamt _Tummé_; hij nam aanstonds het woord om mij te betuigen, hoe gevoelig zij waaren over mijn vriendelijk onthaal, hij verzekerde mij, dat zedert ze van mij hadden hooren spreeken, hun grootste verlangen daar in bestaan had om mij te leeren kennen, dat hun eenigste vrees geweest was, dat ze mij niet zouden ontmoeten, dat zij nimmer mijne gedaante nog mijne beleeftheden zouden vergeeten, en dat zij daar van een naauwkeurig verslag aan hunne landsgenooten zouden doen; uitvoerige dankzeggingen waaren mijne antwoorden, door dewelke ik hun deed begrijpen, dat men mij van hunne begeerte om mij te zien reeds verwittigd had, en dat ik niet minder dan zij naar deeze bijeenkomst had verlangd.

Als toen wierd het gesprek algemeener; het zelve liep over verscbeide onderwerpen, voornamentlijk over hun en mijn vaderland; mijne nieuwsgierigheid evenaarde de hunne, het was over en weer een geduurig vraagen. Wanneer ik hen verhaalde, dat ik om wederom in Frankrijk te komen, de stad, welke derzelver Souvereine bewoonde, moest doortrekken, verzogten ze mij om aan Haar van hun een getrouw verslag te doen, en aan haaren Throon het getuigenis afteleggen van hunnen eerbied en gehoorzaamheid; zij voegden daar bij, dat zij zich tegenswoordig des te gelukkiger achten, om schattingschuldigen van Rusland te zijn, dewijl zij in hunnen handel met de Russen dagelijks van derzelver kant de grootste gerieflijkheid en blijken van genegenheid, welke hun zeer aangenaam waaren, ondervonden; zij waaren voornamentlijk zeer te vreden over den Heer Gaguen, bevelhebber van Ingiga.

Het jammerde hun uit hoofde van deeze goede behandeling, van niet in de gelegenheid te zijn, om met de Russen meerdere betrekkingen te onderhouden; het geschiktste middel, zeiden ze, om alle de moeijelijkheden te vereffenen, zou zijn, dat deeze wederom eene nieuwe volkplanting op de rivier Anadir kwamen stichten, zij beloofden, dat ze voortaan, verre van ze te verontrusten, zouden trachten om dezelve door alle betooningen van vriendschap de onrechtvaardigheid van hun gehouden gedrag te doen vergeeten; dit had zijn oorsprong genomen uit eene dwaaling, die hun met de Koriaken gemeen was; zij verbeelden zich eertijds, dat het geheele Russische volk bestond in dat klein getal persoonen, die zich onverschrokken op hunnen grond en in hunne nabuurschap kwamen neerzetten; door een vrij natuurlijk gevoel van naiever zagen deeze volkeren in die Emigranten, wier vernuft en arbeidzaamheid hun verdagt voorkwamen, zo veele vijanden; zij meenden het hun dringendst belang te zijn om 'er zich van te ontdoen, overtuigd dat, met dezelve uitteroeijen, zij daar van het geheele geslacht vernietigden.

De Tchouktchis erkenden, dat zij hunne dooling en ongelijk ontwaar waaren geworden, zo dra ze de Russen hadden leeren kennen. Te vergeefsch zou men hun thans tot een opstand aanzetten, zij waaren integendeel geneigd om de geheime oproerige laagen van een Prins of Opperhoofd der Tchouktchis, die een vaste woonplaats hadden, genaamt _Khérourgui_, te veriedelen, het zij door zijn gezag intebinden, of zelfs met hem aan de Russen overteleveren.

Niet kunnende bevatten, in welk gedeelte van de waereld ik gebooren was, vroegen ze mij of mijn vaderland niet aan de andere zijde van de groote rivier gelegen was; om hun te kunnen antwoorden, wilde ik eerst weten, wat zij daar door verstonden; ziet hier het zelve: zij verbeelden zich, dat aan geene kant van Rusland, waar van zij naauwlijks een denkbeeld hebben, een zeer groote Rivier is, die het van een ander land, dat door verscheide volken bewoond word, afscheid.

Het was niet gemaklijk hun hier omtrent intelichten, ik sprak een wijle tijds tot hun, zonder dat zij een woord van mijne aardrijkskundige verhandeling begreepen; zij hadden geen het minste juiste denkbeeld nog van de uitgestrektheid nog van het getal der landen, het was hun niet minder moeijelijk om eenig begrip te vormen van de sterkte of rijkdom van een staat, en van de magt van een Souverein. Nimmer hadden zij zelfs getragt om al het zelve van Rusland na te gaan; om hen daar van duidelijk te doen oordeelen, was ik verplicht hun den overvloed van de voortbrengzelen, van de geldspecien en van de bevolking van dat rijk optehelderen, door eene vergelijking, genomen van de meenigte der dieren waar op ze jagt maaken, en van de hoeveelheid visch, die ze jaarlijks vangen, zonder dat hunne rivieren daar door uitgeput worden. Deeze ophelderingen, hun zo na mij mogelijk was aan het verstand gebragt, behaagden hun ongemeen; ik bediende mij van dezelve leerwijze om hen de uitgestrektheid te leeren bevatten; de ruimte van mijne tent gebruikte ik het eerst tot mijne betoogingen, vervolgens nam ik een vel papier, en maakte daar een Geographische kaart van, ten einde hun ten naasten bij de gelegenheid en den afstand van Rusland en Frankrijk, in betrekking van hun land, aanteduiden.

Het was niet zonder moeite, dat ik mij deed begrijpen. Ik achte mij daar voor wel beloond, door den aandagt en het belang, waar mede zij mij hoorden. Over het algemeen was ik verwonderd over derzelver sterkte van geest, en over de begeerte die zij toonden om onderricht te verkrijgen. Daar in boven hunne nabuuren de Koriaken verheven, schijnen ze ook meer het geen ze spreeken, zien en hooren, te overweegen; deeze twee volkeren hebben bijna dezelfde taal; het eenigste onderscheid, dat ik in de wijze van spreeken der Tchouktchis bemerkte, bestaat daar in dat zij de laatste letters der woorden uitrekken, en dat derzelver uitspraak veel zagter en langzaamer is, dan die der Koriaken; met behulp van mijn wegwijzer, die mij voor tolk diende, hield ik zeer wel het gesprek aan den gang.