Part 14
[99] De lengte van deeze pijpen is van hout en hier en daar geborsten, in de midden kan men ze opendoen, en de zuinigheid der rookers doet hun het aangeslagene afkrabben, om vervolgens dit afschraapzel te rooken.
Kleeding.
Vrouwen nog mannen draagen hier hemden; hun gewoone kleeding heeft 'er bijna de gedaante van, ze is minder kort en van een rendieren vel gemaakt; wanneer zij uitgaan, trekken zij 'er een, dat warmer is, overheen; des winters draagen de vrouwen in plaats van rokken, gevoerde broeken[100].
[100] In de beschrijving van de kleeding der Kamschatters heeft men gezien, dat zij onder hun parque een klein hemd van nankin of van katoen draagen.
Den 12.
De Heer Schmaleff voegt zich weder bij ons.
Den 12. kwam de Heer Schmaleff wederom bij ons, zijn terugkomst was ons des te aangenaamer, vermits wij zeer ongerust over hem wierden; het was zes weeken geleeden, dat wij van hem gescheiden waaren[101], en bijna was er een maand verstreken na het bepaalde tijdstip, waar in wij ons weder hereenigen moesten. Er bleef hem weinig voorraad over, dog zijne honden beter zijnde dan de onze, maakten wij daar van gebruik om onze goederen aftehaalen, die wij genoodzaakt geweest waaren van onder weg te laaten, en waar van wij zedert onze aankomst geen het minste naricht bekomen hadden.
[101] De leezer zal zich herinneren, dat hij ons te Apatchin op den 29 Januarij verlaaten had.
1788. _Maart_ van den 12. tot den 17. Te Poustaretsk.
De zuidweste wind, die ons op reis zo zeer gehinderd had, bleef met dezelfde hevigheid geduurende verscheide dagen waaijen, vervolgens liep dezelve in het noord-oosten: dog het wêer wierd 'er des te slegter door.
Het scheen, als of de vertoornde natuur ook tegen ons zamenspande om de zwaarigheden te vermeerderen en onze ellende te verlengen. Ik beroep mij op een ieder, die zich immer in eene zodanige omstandigheid bevonden heeft, hem is bekend, hoe smertelijk het valt van dus door telkens wederopkomende beletselen gekluisterd te zijn; men mag alles aanwenden om zich afleiding te bezorgen, en zich met geduld te wapenen, op den duur worden de krachten uitgeput en de reden verliest haare werking; niets maakt ons lijden onverdraaglijker, dan wanneer wij 'er geen einde aan zien.
Bedroevend antwoord van den Sergeant Kabétchoff.
Wij ondervonden dit alles maar al te zeer, wanneer wij de brieven van Kaminoi ontfingen. Kabéchof melde ons, dat van daar geen hulp te wachten was; de van Ingiga afgezondene manschap was buiten staat om ons te gemoet te komen; over twee maanden reeds te Kaminoi gekomen, had dezelve niet alleen hun voorraad van leevensmiddelen gebruikt, maar ook daar en boven dat geene, het welk voor ons was geschikt geweest; de honden verscheurden elkander even als de onze, en de veertig manschappen zagen zich tot het uiterste gebragt; onze Sergeant voegde daar bij, dat hij aanstonds naar Ingiga, als onze eenigste toevlucht, gezonden had; zijn afgezondene kon niet dan binnen eenige dagen terugkomen; dog hij twijffelde of hij wel een voldoend antwoord mêe zou brengen, dewijl deeze stad niet anders dan slegt voorzien kon weezen van levensmiddelen en van honden, na de aanzienlijke afzending, die dezelve daar van gedaan had.
De Heer Kasloff ontfing de tijding van zijne bevordering.
Dit droevig bericht benam ons alle hoop, en wij rekenden ons verlooren; onze mistroostigheid en droefheid was zodanig, dat de Heer Kasloff in het eerst ongevoelig was voor de nieuwstijding van zijne bevordering, die hij met denzelfden bode ontfing. Een brief van Irkoutsk komende, melde hem, dat de Keizerin uit erkentenis voor zijne gedaane diensten hem van het bevelhebberschap van Okotsk tot dat van Yakoutsk bevorderd had. In alle andere omstandigheden zou deeze gunst hem van blijdschap verrukt hebben, hier door verkreeg zijne werkzaamheid een ruimer veld, en meer gelegenheid om zijne bekwaamheid in de kunst van regeeren te oeffenen, dog hij was 'er verre af, om de voordeelen van zijn nieuwe bediening te berekenen, alle gewaarwordingen moesten voor die van ons gevaar wijken, en hij was 'er als van overstelpt.
Ik vorm het denkbeeld om van den Heer Kasloff te scheiden.
In een zo hagchelijk oogenblik moest ik aan een ingeeving des Hemels toeschrijven het denkbeeld, dat eensklaps in mij ontstond, om van den Heer Kasloff te scheiden. Wanneer ik daar op doordagt, gevoelde ik het onvriendelijke omtrent hem, en het verdrietige, dat daar in voor mij gelegen was; ik wilde mij daar van ontdoen, dan te vergeefsch: in weerwil van mij zelfs moest ik 'er bij stil staan, ik dagt aan mijn vaderland, aan mijne bloedverwanten, aan mijn plicht. Derzelver onoverwinlijk gezag behaalde de overwinning, en ik ontdekte mijn voorneemen aan den Heer Commandant. Op het eerste aanhooren scheen hem dit ontwerp buitenspoorig, en hij liet niet af met het zelve te bestrijden. De begeerte om het uittevoeren verschafte mij antwoorden op alle zijne tegenwerpingen. Ik bewees hem, dat, wanneer wij bij den anderen bleeven, wij ons de een den ander de middelen benamen om onzen weg te vervolgen; wij konden niet te zamen vertrekken zonder eene aanmerkelijke versterking van honden. Onder de geenen, die ons overbleeven, bevonden 'er zich maar zeven en twintig, die redelijk waaren, alle de anderen waaren of dood of onbekwaam om te dienen[102]; wanneer een van ons toestemde om aan den ander deeze zeven en twintig honden aftestaan, zou de laatste daar door in de mogelijkheid geraaken van voorwaards te komen, en zijn vertrek zou den geenen, dien hij verliet, ontslaan van de zorg, om nog dit klein getal van uitgehongerde honden te voeden. Maar, antwoorde mij de Heer Kasloff, zult gij niet altoos eenige leevensmiddelen voor dezelve nodig hebben? en hoe zult gij ze die verschaffen?
[102] Men zal zich ongetwijffelt wel herinneren, dat wij van Bolcheretsk vertrokken waren met een troup van bijna drie honderd honden.
Wij bekomen van Potkagornoi Walvisch vlees en vet.
Ik wist maar al te veel op deeze aanmerking intebrengen, wanneer men ons zeide, dat onze afgezondene van Potkagornoi was te rug gekomen; gelukkiger geslaagd dan alle de andere, bragt hij ons in een groote hoeveelheid walvisch-vleesch en vet aan, mijne vreugde was op dat gezicht uitermaate, alle de zwaarigheden waaren verdweenen, ik dagt reeds van Poustaretsk vertrokken te zijn. Op het zelfde oogenblik geraakte ik weder met den Heer Commandant op mijn voorstel, die nu geen zwaarigheden meer kon inbrengen, mijn iever moest prijzen, en eindelijk in mijn verzoek instemde, 'er wierd vastgesteld dat ik uiterlijk den 18. alleen zou vertrekken; van dien tijd af hielden wij ons bezig met de noodwendige schikkingen, die ter uitvoering van dit ontwerp nodig waaren.
De rust onder de Koriaken hersteld.
Alles beloofde mij nu een goeden uitslag; onder de droevige nieuwstijdingen, die wij van Kaminoi bekomen hadden, waaren 'er echter eenige zeer vertroostende. Men verzekerde ons onder anderen, dat wij in onzen doortogt geene hinderpalen zouden ontmoeten, de rust was onder de Koriaken hersteld, en om ons daar van te overtuigen, hadden zij begeert, dat eenige uit hun den soldaat, die met brieven aan den Heer Commandant belast was, zouden vergezellen; de zoon van het Opperhoofd der oproerigen, genaamt _Eitel_, was aan het hoofd van dit geleide; hij zeide ons, dat zijne landgenooten ons zedert lang met ongeduld wachtende waren, en dat zijn vader voorneemens was om den Heer Kasloff ten bewijze van zijnen eerbied te gemoet te komen.
Het onthaal, 't welk wij den Koriaken aandoen.
Verblijd, dat wij niets meer te vreezen hadden, ten minste van dien kant, bevlijtigden wij ons, om aan deeze Koriaken ons genoegen over hunne welwillenheid ten onzen opzichte te betuigen, wij gaven hun alle geschenken, die onze toestand ons toeliet, namelijk van tabak, stoffen en verscheidene zaaken, die ik geduurende mijn reis op zee gekogt had, en van andere, die de Heer Graaf de la Perouze mij had agtergelaaten. Wij gaven 'er hun ook voor derzelver ouders, dog onze voornaamste zorg bestond daar in, om ze zo dronken als mogelijk was te maaken, ten einde zij wel te vreden over ons onthaal zouden weezen; wij moesten dezelve naar hunnen smaak behandelen, daar en boven word dit bij hun voor de grootste beleeftheid gehouden.
Zij belasten zich met twee mijner mantelzakken.
Ik sloeg deeze Koriaken voor om zich met twee mijner mantel-zakken te belasten; in het eerst scheenen ze daar in geen zin te hebben, te meer om dat ik vorderde, dat ze tot aan Ingiga gebragt wierden; echter verkreeg ik op het laatst door vriendelijkheden en geld, dat zij dezelve op hunne sleeden mede namen; het belang alleen dreef hun om mij deezen dienst te bewijzen, dog ze was mij van zo veel nut, dat ik niet geloofde dezelve te duur betaald te hebben; daar door van mijn reisgoed ontlast, had ik alleen maar voor mijne brieven te zorgen; ik had daar en boven weinig vrees voor de zaaken, die ik aan deeze Koriaken toevertrouwde, dewijl de soldaat, met de brieven van Ingiga belast, met hun te rug keerde, en mij beloofde daar zorg voor te zullen draagen, als mede dat mijne begeerte getrouwelijk gevolgt wierd.
De Heer Kaslof stelt mij zijne brieven ter hand en geeft mij de nodige paspoorten tot mijne veiligheid.
Tot op het oogenblik van mijn vertrek was de Heer Kaslof bezig[103] met zijne brieven te vervaardigen, waar mede ik volgens afspraak mij belasten zou; hij gaf mij een _podarojenei_ of paspoort, die mij tot aan Irkoutsk van dienst kon weezen, en waar heen hij nog daar en boven schreef, dat men mij alle de nodige hulp moest verschaffen. Die vrijgeleibrief was een bevel aan alle de Russische Officieren en andere onderdaanen van de Keizerin, die ik tot daartoe ontmoeten mogt, om mij alle gemak te bezorgen, ten einde ik mijn reis met alle zekerheid en spoed kon vervolgen. De voorzigtigheid van den Heer Commandant verzuimde niet om alles toetebrengen, wat mij van dienst kon weezen; hij had geen meerdere voorzorgen kunnen gebruiken, al was ik ook zijn geliefdste broeder geweest.
[103] Dit was waarlijk een zeer vermoeijende arbeid, wanneer men in aanmerking neemt, dat wij in deeze yourtes niet dan leggende op de grond konden schrijven, daar en boven waaren wij van den rook overstelpt, en zagen onzen inkt naast ons bevriezen.
Mijne aandoeningen, wanneer ik van den Heer Kasloff moest scheiden.
Hier moet ik ophouden, want ik kan de ontroering niet wederstaan, die ik ondervind, wanneer ik overweeg, dat ik dien beminnenswaardigen man gaa verlaaten, aan wien de hoedanigheid van zijne ziel, nog meer dan de bevalligheid van zijn verstand, mij voor altoos verbonden heeft.
De edelmoedige opofferingen, die hij voor mij heeft gedaan, weegen in dit oogenblik op mijn hart, en ik moet mij verwijten van dezelve begeert te hebben; wat kost het mij niet, om hem alleen in deeze woestijn agter te laaten, zonder voor mijn vertrek te weeten, hoe hij 'er zich zelfs uit zal redden! Het beeltenis van zijne treurige omstandigheid vervolgt en ontroert mij. Ach! laat ik het nog eens herhaalen, om tot het besluit te koomen van mij van hem te verwijderen, niettegenstaande het verbod, het geen mij de Heer Graaf de la Perouze daar omtrent gedaan had moest ik ongetwijffelt alleen gedrongen worden door de overtuiging, dat mij geen ander middel overbleef om spoedig mijne brieven over te brengen; zonder deeze reden, zonder dit eenige oogmerk mijner zending, zou niets mijne begeerte om te vertrekken in mijne oogen kunnen verschoonen. Mogt het getuigenis, dat mijne erkentenis altoos zal afleggen, zo omtrent de door den Heer Kasloff aan mij beweezene weldaaden, als omtrent den iever, dien hij in den dienst van zijne Souvereine betoonde, iets tot zijne bevordering en tot zijn geluk toebrengen! als dan zou aan het mijne niets anders ontbreeken, dan het vermaak van hem weêr te zien en hem te omhelzen.
_Einde van het eerste Deel._
[Illustratie]
NABERICHT VAN DEN NEDERDUITSCHEN VERTAALER.
Wij hebben gemeent den Nederduitschen leezer geen ondienst te zullen doen met kortelijk optegeeven de berichten, die men tot hier toe van den Graaf _de la Perouse_ ontfangen heeft.
Het was den 17 October 1788, dat de Schrijver van dit werk de eerste tijding van den togt des voorn. Graafs te Versailles overbragt, zijnde gen. Graaf _de la Perouse_ benevens den Burggraaf _de Langle_ met de schepen _la Boussole_ en _l'Astrolabe_ op den 1 Augustus 1785 van de rhee van Brest vertrokken, om ontdekkingen te doen. Na de eilanden _Madera_ en _Teneriffe_, ten einde zich aldaar van nog wat wijn te voorzien, die van _Martinvas_ en _la Trinité_, om derzelver aardmeetkundigen stand te bepaalen, en dat van _St. Katherina_ van _Brezil_, om 'er eenige ververschingen in te neemen, aangedaan te hebben, deed de Graaf _de la Perouze_ eenige navorschingen in de _Zuidzee_, voer den 25 Januarij 1786, zijnde 69 dagen na zijn vertrek, de straat _la Maire_ door, en bereikte den 9 Februarij den _grooten Oceaan_, gemeenlijk de _zuid_ of de _stille zee_ geheeten; den 24 dier maand wierp hij het anker in de baaij van _la Conception_, (een Stad in Chili) en vertrok van daar den 19. Maart. Den 8 April ontdekte hij het Paasch-eiland, waar hij aan land stapte; den 28 Maij kwam hij onder het Eiland _Othahijtie_, een der Sandwichsche Eilanden, waar Capitein _Coock_ zo ongelukkig het leeven liet; de Graaf _de la Perouse_ lag zich voornamelijk toe, om die Eilanden op te neemen, welke de beroemde Engelsche Zee-reiziger niet heeft kunnen bezichtigen. Hij verliet de Sandwich 1 Junij, zette koers naar Noord-Amerika, en bereikte aldaar den 23 dier maand de hoogte van _Mont Saint-Elie_, op 60 graden breedte; van de plaats, alwaar hij lande, tot aan de haven van Monterey, op 36 graaden en 2 minuuten breedte, nam hij de kust op; het geen Capt. _Coock_, door tegenwinden belemmerd, slegts gedeeltelijk en van afstand tot afstand had kunnen doen, zijnde niet verder geweest dan 43 graaden; Hij vertrok uit de haven van _Montereij_ den 24 September, stak den _grooten Oceaan_ over naar het vaste land van _Asia_, en ontdekte op deezen Togt eenige onbewoonde Eilanden.
Den 15 December raakte hij in het gezigt van _Assonsong_, een der Eilanden onder de kust van _China_, en wierp den 3 Januarij 1787 het anker voor _Macao_; van daar vertrok hij 6 Februarij, en liep den 28 in de baaij van _Manille_, voor _Cavita_, om zich van eenige ververschingen en leevensmiddelen voor zijn laatsten Togt te voorzien; hij verliet de _Manille_ den 9 April, en, ten oosten _Formosa_ voorbij zeilende, zette hij kours tusschen door de Eilanden _Japan_ en _Korea_, bezag de oostkust van dat schier-eiland, en voer tot op 52 graaden breedte, door een vrij enge straat, bij de zeevaarders onbekend, en gevormd, van de eene zijde door de oostelijke kusten van _Tartarijen_, en van den anderen kant, door twee groote Eilanden, waar hij aan land stapte, en dezelve gedeeltelijk bezigtigde; het noordelijk einde deezer zee-engte door banken bezet vindende, welken den doortogt ondoenlijk maakten, wendde hij te rug naar het zuiden, en zijne naspooringen voortzettende, ontdekte hij, op 46 graaden breedte, een straat, die hem in de zee bragt, gelegen ten oosten der _Kurillische_ Eilanden, tusschen welken hij eenen weg vond, waar door hij naar de haven van _Avatska_ in _Kamschatka_ gelegen kon zeilen: aldaar wierp hij den 6 September het anker.
Deeze scheepstogt van 5 maanden in eene onbekende zee, onder bijna onophoudelijke zwaare nevels, was inderdaad niet min gevaarlijk dan moeijelijk: dezelve kan egter niet weinig ter opheldering dienen van een voornaam punt der aardmeetkunde; zullende, gevoegd bij de ontdekkingen, die de Russen in dit noordelijk deel des aardkloots gedaan hebben, ons naauwkeurig kennis doen verkrijgen aan een uitgestrekt land, welks bestaan tot nog toe betwist wierd; de volken, die de eilanden bewoonen, door den Graaf _de la Perouse_ bezogt, hadden geene kennis aan de _Europeaanen_, zo min als aan de overige bewooners van het groote vaste land; zij zijn vriendelijk en gastvrij, dog hun grond levert geene voortbrengzels op, welken de handeldrijvende natien derwaarts kunnen lokken; den 30. September verliet de Graaf _de la Perouse_ de baaij van Avatschka, om de nog overblijvende naspooringen in het zuidlijk Halfrond te doen.
Zedert vernam men in het begin des voorleden jaars door den Heer _Fournier_, Capitein van een Koninglijke Paketboot, dat de Heer _de la Perouse_, die reeds van zijnen togt rondom den Aardkloot in den Jaare 1789 in Frankrijk te rug verwacht was, door een Spaansch Fregat, van de _Manilla_ op den 21. Februarij 1789 vertrokken, op deszelfs thuisreize was gepreid.
Vervolgens heeft men het gerucht verspreid, dat de Graaf _de la Perouse_ zich den 20 Maij 1789 te Batavia bevond, en bezig was met zijne twee Fregatten aldaar te laaten repareeren, met oogmerk om in de maand Julij daar aan volgende van daar naar Frankrijk te vertrekken, en dat de Heer _d'Angelet_, Astronomist en lid van de Fransche Akademie der wetenschappen, op die reize overleeden was.
En eindelijk heeft de Nationaale Vergadering in Frankrijk, uit hoofde van de onzekerheid, waar deeze doorluchtige Reiziger en zijne togtgenooten zich thans bevinden, op den 9 Februarij van dit jaar deswegens het volgende besluit genomen:
"De _Nationaale Vergadering_ decreteert, dat de Koning zal verzogt worden, om aan alle de Ambassadeurs, Residenten, Consuls en Agenten van de Natie bij de resp. Mogendheden, de noodige bevelen te geeven, ten einde zij bij de Souvereinen, alwaar zij resideeren, in den naam der Menschlievendheid en van de Kunsten en Wetenschappen tragten te bewerken, dat dezelven aan alle de zeevaarenden, welken tot hunne onderdaanen behooren, en aan alle derzelver Agenten, hoe ook genaamd, en waar die zich ook mogen bevinden, dog voornaamelijk in het _Zuidelijk Halfrond_ en de _Zuidzee_, gelieven te gelasten, om alle onderzoek te doen naar de twee _Fransche_ Fregatten, la _Boussole_ en _l'Astrolabe_, onder bevel staande van den Heer _de la Perouse_ en derzelver manschappen, als meede alle naspooringen in het werk te stellen, waar door het nog in weezen zijn, of de schipbreuk der gem. Fregatten, zou kunnen beweezen worden; ten einde, dat wanneer de Heer _de la Perouse_ en zijne togtgenooten, waar het ook zijn mogt, gevonden of ontmoet zouden worden, aan hem de noodige hulp gegeeven, en alle de middelen bezorgt worden, waar door zij in hun Vaderland konden te rug keeren, en derwaarts al wat nog in derzelver bezit was met zich voeren; terwijl de _Nationaale Vergadering_ zich verbind, om elk en een iegelijk, die aan deeze zeevaarenden hulp zal verleenen, tijdingen van dezelve bezorgen, of maar zouden kunnen gelegenheid geeven, dat de papieren en zaaken, van welken aart ook, die tot derzelver Togt zouden behooren of kunnen behoord hebben, aan _Frankrijk_ wierden terug bezorgd, naar maate van de beweezene diensten, schadeloos te zullen stellen, en zelfs te beloonen. Decreteert wijders, dat de Koning zal verzogt worden om één of meer vaartuigen te doen uitrusten, waar op eenige Geleerden, Natuurkundigen en Tekenaars zullen ingescheept worden, en om aan den Bevelhebber van den Togt den tweevoudigen last te geeven, van den Heer _de la Perouse_ optezoeken, volgens de stukken, onderrichtingen en beveelen, die aan hen zullen worden gegeeven, en tevens ter gelijker tijd naspooringen, betrekkelijk de Wetenschappen en den Koophandel te doen; met alle de noodige maatregelen te neemen, om deezen togt, afgezonderd van het oogmerk om den Heer _de la Perouse_ opte spooren, of zelfs, na hem ontdekt, of tijdingen van hem bekomen te hebben, nuttig voor de Aardrijkskunde, den Koophandel en de Kunsten en Wetenschappen te doen zijn. Decreteert eindelijk, dat de Minister van de Zee-zaaken onverwijld aan de _Nationaale Vergadering_ een staat van de uitrusting, welke de Koning zal nodig geoordeeld hebben te beveelen, zal overgeeven, ten einde de noodige sommen ter bekostiging van deezen Togt kunnen vastgesteld worden."
HISTORISCH DAGVERHAAL DER REIZE VAN DEN HEER _DE LESSEPS_,
_Zedert het verlaten van den Heer Graaf de la Perouse en zijne togtgenooten in de haven van St. Pieter & Paulus op Kamschatka, tot op zijne komst in Frankrijk, den 17. October 1788._
NAAR HET FRANSCH.
TWEEDE DEEL.
_Met Plaaten en Kaarten._
[Illustratie]
_Te UTRECHT_, BY B. WILD EN J. ALTHEER, 1792.
[Illustratie:
CARTE de la ROUTE de M. DE LESSEPS
Consul de France
_Depuis_ Avatscha, _ou le Port de S^{t}. Pierre et S^{t}. Paul, au Kamschatka Jusqu'à_ Paris _En 1787 et 1788._ ]
REIZE VAN DEN HEER _DE LESSEPS_, UIT KAMSCHATKA NAAR FRANKRYK.
1788. _Maart_ Den 18.
Vertrek van Poustaretsk.
Eindelijk kwam de 18. Maart en ik nam afscheid van den Heer Kasloff. Ik zal van ons jongst vaarwel niet gewaagen, men zal ligt bevatten, dat het zelve zo teder als moeijelijk was; Ik vertrok des morgens ten negen uuren van Poustaretsk, en wel op een overdekte slêe, bespannen met zeven honden, die ik zelfs mende, de soldaat die gelast was om mij ten geleide te verstrekken, had 'er agt voor de zijne; voor ons uit reed een wegwijzer, genomen uit de inwoonders van dit gehugt,[104] en deeze voerde de slêe, waar op het reisgoed gelaaden was: twaalf honden waaren voor die slêe gespannen, in dewelke het overschot van mijne goederen en onzen voorraad was; ook wierd ik van den Heer Schmaleff en de onder-officieren van zijn gevolg verzeld; dog in plaats van ons gezamentlijk naar Ingiga te begeeven, zo als onze afspraak was, scheidden wij eenige dagen daar na.
[104] Geduurende mijn verblijf te Poustaretsk had de Heer Commandant onze Kamschatsche leidslieden afgedankt. Eenige hoorden in den omtrek van Bolcheretsk t'huis, en waren daar bijna vierhonderd uuren van verwijderd! Deeze arme lieden zagen zich genoodzaakt, na dat ze omtrent alle hunne honden hadden zien sterven, van te voet te rug te keeren.
Uit Poustaretsk komende begaven wij ons op de golf. In het eerst was onze togt vrij gemaklijk, het ijs was overal sterk en effen, in weinig uuren bereikten wij den mond; daar wierd de weg moeijelijker; verplicht over de zee te reizen zonder ons van den oever te verwijderen, ontmoeteden wij telkens ijsklompen, die als zo veele klippen scheenen, tegens dewelken wij verbrijzeld konden geraaken. Te vergeefs wilden wij beproeven, om ze door omwegen te vermijden, de oneffen keten van deeze bergjes strekte zich langs de kust uit, en belette ons den doortogt; wij moesten besluiten van dezelve over te rijden; met gevaar van bij iederen stap omvergeworpen te zullen worden; meer dan eens, ontsnapte ik het, om mij in deeze tuimelingen gevaarlijk te kwetsen; mijn snaphaan, dien ik aan mijn slêe had vastgemaakt, wierd verwrongen en als een boog gekromd, verscheidene mijner medemakkers kreegen zwaare kneuzingen, geen één kwam 'er zonder eenig letzel af.
Verlaate gehugt.
Bij het vallen van den nagt bereikten wij een gehugt, gelegen aan den oever van de zee, en bestaande uit twee yourtes en drie balagans in een zeer slegten staat en geheel verlaaten; de eenigste man, welke de yourte bewoonde, waar wij ingingen, had zich op onze aankomst van daar begeeven.[105] Ik vernam van een der onzen, die derwaarts vooruitgereden was, dat deeze man een Chaman of tovenaar was, die, wanneer hij vernomen had, dat wij den volgenden dag moesten aankomen, van schrik bevangen, dadelijk bij de Oluteriers was gevlugt,[106] hij zou daar blijven, tot dat de Heer Kasloff voorbij was.
[105] Alle de zwervende Koriaken vlugteden insgelijks voor ons, ten einde niet genoodzaakt te weezen van ons de behulpzaame hand te bieden.
[106] Dit volk woont ten zuiden der Tchouktchis op de Oost-kust.
Ontdekking van voorraad in dit gehugt verborgen.