Historisch dagverhaal der reize van den heer De Lesseps Zedert het verlaten van den Heer Graaf de la Perouse en zyne togtgenooten in de haven van St. Pieter & Paulus op Kamchatka, enz.

Part 13

Chapter 133,957 wordsPublic domain

In deezen nood zonden wij een soldaat naar het Ostrog van Kaminoi, om aldaar onderstand te zoeken, en om ons te gemoet te doen komen het geleide, hetwelk den Heer Kasloff daar moest afwachten: Dit was een wagt van veertig mannen, die men hem van Ingiga op de eerste tijding van den opstand der Koriaken toegezonden had.

1788. _Maart_ Den 4. Te Gavenki.

Aankomst in het dorp van Gavenki.

Beschrijving van Gavenki.

Wij hadden nog maar vijftien wersten afteleggen, om het dorp of vlek van Gavenki te bereiken; wij hoopten aldaar visch voor onze honden te vinden, en in dit vertrouwen waagden wij het om hun des avonds een dubbelde portie te geeven, ten einde dezelve in staat te stellen, om ons derwaarts te geleiden. Na den nagt even als den voorigen doorgebragt te hebben, begaven wij ons des morgens ten drie uuren op weg, wij verlieten den oever van de zee niet, tot aan Gavenki, alwaar wij ten tien uuren aankwamen; dit dorp is dus genaamd ter oorzaake van deszelfs slegte vertooning en elendigen staat[95], men ziet 'er in der daad niets anders dan twee yourtes, die dreigen intevallen, en zes slegt gebouwde balagans van kwaad krom hout, het welk de zee somtijds op den oever werpt, want 'er is hier geen boom in de nabuurschap; alleen ontdekt men van ver eenig zeer slegt en zeer dun gezaait heestergewas. Het verwonderde mij niet te verneemen, dat 'er onlangs meer dan twintig inwoonders vrijwillig verhuist waaren om elders eene betere gelegenheid optezoeken; tegenwoordig bestaat de bevolking van dit gehugt in vijf geslachten, dat van den toijon 'er onder begreepen; daar en boven teld men onder dit getal twee Kamschatters, die van het eiland Karagui zich hier zijn komen nêerzetten. Men zeide mij de reden van hunne verplaatzing niet, dog ik twijffel of ze bij die verandering wel gewonnen zullen hebben.

[95] Deszelfs naam word ontleent van het woord GAUNA, het welk drek betekent.

Twist tusschen één van onze Sergeanten en twee Inwoonders van Gavenki.

Straf der schuldigen.

Wij waaren nog geen uur te Gavenki, of 'er ontstond verschil tusschen een Sergeant van ons gevolg en twee boeren van het dorp, bij wien hij zich vervoegt had om hout te verkrijgen; deeze antwoorde zeer bars, dat ze het zelve niet geeven wilden; uit de eene woordenwisseling tot de andere raakten de hoofden verhit, de Kamschatters, weinig bevreest voor de bedreigingen van den Sergeant, trokken hunne messen[96], en vielen op hem aan, dog op dit oogenblik wierden zij door twee van onze Soldaaten ontwapend; zodra de Heer Commandant van deeze daad van geweld onderricht was, gaf hij bevel, dat men een voorbeeld stelde door de schuldigen te straffen; hij deed ze voor de yourte brengen, waar in wij ons bevonden, en hij nodig oordeelende om de andere inwoonders vrees aan te jaagen, kwam buiten om zelfs de straf te zien uitoeffenen, de toijon, die bij mij ter gezelschap gebleeven was, begon als toen zich tegens mij onvergenoegd te toonen over de strengheid, met welke men zijne twee landgenooten behandelde; zijn gezin omringde mij, terwijl het zelve nog harder schreeuwde dan hij. Ik was alleen, echter beproefde ik om hen gerust te stellen, wanneer ik gewaar wierd, dat de Heer Kasloff zijne wapenen vergeeten had; ik sprong naar onze sabels op de beweeging, die de toijon maakte om naar buiten te gaan, en ik volgde hem van nabij. Reeds had hij zich bij den Heer Commandant gevoegd, en ruide alle zijne buuren op, hij verzocht, met een groot geschreeuw, dat men de misdadigers losliet, hij was, zeide hij, hun eenigste rechter, het kwam alleen hem toe om ze te straffen; die oproerig geschreeuw beantwoorde de Heer Kasloff alleen met een donker gelaat, het geen de onbeschaamde boeren en derzelver opperhoofd verbaasde; deeze sprak nog eenige woorden, dog men greep en noodzaakte hem, om bij de kastijding, die hij meende te beletten, tegenswoordig te zijn; van de twee oproermaakers, die de straf ondergingen, was de een een jongman van agttien jaaren, en de ander een man van agtentwintig a dertig, ze wierden ontkleed en op den grond gelegd, twee Soldaaten hielden hun de beenen en de handen vast, terwijl vier anderen een hagelbui van slaagen op hunne schouders deeden vallen; men sloeg ze dus den een na den ander met rijsjes van gedroogd denne hout, die hun lighaam vol bloed maakten; op de voorbede der vrouwen, welke overal van een mêedogender aart zijn uit hoofde van de zwakheid haarer sexe, wierd de straf afgebroken, men gaf haar den jongman over, aan wien zij op het oogenblik eene vermaaning gaaven, welke hij gemakkelijk missen kon, want hij was niet in staat om ze te hooren, en nog minder om in gedagten te neemen van zich voor de tweede keer te willen verzetten.

[96] Deeze messen waaren omtrent twee voet lang, dezelve zijn aan de gordel vastgemaakt, en hangen tot op de dijen.

De Inwoonders weigeren ons visch.

De gestrengheid, waar van de Heer Commandant zich in deeze gelegenheid bediende, was des te noodzaaklijker, dewijl wij hier reeds den besmettelijken overgang van den onrustigen aart der Koriaken ontwaar wierden. De zeden van deeze het tegenovergestelde zijnde van die der Kamschatters, welke wij verlieten, deeden ons die der bewoonders van Gavenki twijffelen, of het nog wel het zelfde volk was. Zo veel reden wij hadden om over den iever en de goedaartigheid der anderen te vreden te zijn, zoo veel te meer moesten wij ons beklaagen over de hardnekkigheid en de bedriegerij van deeze. Welke aanzoeken wij ook bij hun deeden, wij konden maar geen visch voor onze honden verkrijgen, zij verzekerden ons koeltjes, dat zij 'er geen hadden, hunne dubbelzinnige antwoorden verraadden hun, en het duurde niet lang of onze leidsluiden wierden 'er de valschheid van gewaar, met alles te doorsnuffelen ontdekten ze onderaartsche bewaarplaatzen, alwaar deeze lieden bij onze aankomst hunnen voorraad verborgen hadden. Niettegenstaande de voorzorg, die ze gebruikt hadden om 'er het spoor van te verbergen, door ze kunstiglijk met aarde en sneeuw te bedekken, wierd in korten tijd alles door onze honden opgespoord, wien door hunne neuzen en den honger de weg geweezen wierd; op het gezicht van hunne diepe kelders en van den visch, dien men 'er uithaalde, bragten deeze boeren de slegtste redenen voort om zich te rechtvaardigen, deeze verdubbelden onze verontwaardiging, en zonder een overblijfzel van medelijden met hun, hadden wij alles weggenomen, dog wij vergenoegden ons met 'er een gedeelte van te neemen.

Visch, dien men op deze kusten vangt.

Uit het geen wij in deeze kelders vonden, scheen het, dat men salm, haring, kabeljaauw, zeepaarden en verscheide andere halfslagtige dieren op deeze kusten vischt.

Meir in den omtrek van Gavenki.

Men vind geen bron nog rivier in de nabuurschap, maar alleen een meir, dat het water aan de inwoonders van Gavenki verschaft; zij gebruiken des winters de voorzorg om het ijs, waar mede het zelve bezet is, te breeken, waar van ze groote stukken t'huis brengen, vervolgens werpen ze die in een soort van bakken, die in de yourte opgehangen worden ter hoogte van een manslengte; de warmte is daar sterk genoeg om het ijs langzamerhand te doen smelten, en het is hier, dat ieder water komt haalen, wanneer men dorst heeft.

Men ziet bij dit dorp een berg of een soort van verschanssing in de manier van deeze volkeren, die daar eertijds in hunne oproerigheden de wijk namen.

1788. _Maart_ van den 5. tot den 9.

Vertrek van Gavenki.

Wij hielden ons te Gavenki maar twaalf a dertien uuren op; wij vertrokken van daar des nagts om ons naar Poustaretsk te begeeven, het welk 'er meer dan twee honderd wersten van afgelegen is; wij hadden vijf volle dagen nodig om dien overtogt te doen, nimmer was onze reis nog zo moeijlijk geweest; wij hadden ons over het wêer van den eersten dag niet te beklaagen, dog den volgenden overviel ons de sneeuw en de stormbuijen; de een volgde de ander zonder tusschenpoozing en met zo veel hevigheids, dat onze leidslieden 'er verblind van wierden, vier treden voor hun uit konden zij niets onderscheiden, zij zagen zelfs de slee niet, die hun oogenbliklijk volgde.

Onze wegwijzer doet ons verdwaalen.

Tot overmaat van ramp, was de wegwijzer, dien wij te Gavenki genomen hadden, oud en kort van gezicht, ook deed hij ons somtijds verdwaalen, als dan liet hij ons stil houden, en ging alleen voorwaards om een punt van verzameling te zoeken, maar hoe zulks te vinden in eene zo uitgebreide vlakte, met sneeuw bedekt, en alwaar men nog bosch, nog berg, nog rivier gewaar word? Alle oogenblikken faalde de ondervinding van onzen leidsman door het slegte weêr, niettegenstaande de ongelooflijke kundigheid, die hij van deeze wegen had; het geringste heuveltje of heestertje was genoeg om hem weêr op den weg te helpen; daar hij zich echter somtijds wel eens bedroog, meenden wij dagelijks wel twintig wersten besteed te hebben aan omwegen, die hij ons veroorzaakte.

De honger beroofde ons van de honden.

Ten einde van twee dagen waren mijne honden op een enkelden visch gebragt, die onder allen verdeeld wierd. Het gebrek aan voedzel benam hun welhaast de krachten, naauwlijks konden zij ons trekken, de een viel neder onder de slagen van onze geleiders, de ander weigerde langer dienst te doen; verscheiden bleeven op de plaats van gebrek dood; van de zevenendertig honden voor mijn vezock gespannen, wanneer ik van Bolcheretsk vertrok, had ik er niet meer dan drie-en-twintig overgehouden, en nog waaren dezelve zeer zwak; de Heer Kaslof had insgelijks veele van de zijnen verlooren.

Het gebrek wierd op het laatst zo groot, dat wij ons op het punt gebragt zagen van niet uit deeze woestijn te kunnen koomen; onze honden volstrekt geen visch meer hebbende, waaren wij verplicht, om ze in het leeven te behouden, van hun van onzen eigen voorraad te geeven, dog derzelver aandeel was maatig; de voorzichtigheid beval ons de gestrengste bezuiniging.

Wij laaten ons reisgoed op het midden van den weg.

In deeze droevige omstandigheid verlieten wij onze goederen op het midden van den weg, onder bewaaring van eenige onzer leidsluiden, en na, onder het voorspan van deeze sleeden de minst slegte honden uitgekoozen te hebben, om de geenen, die ons ontbraken, te vervullen, vervolgden wij onzen weg.

Nieuwe zwaarigheden.

Wij waaren niet buiten moeijelijkheid nog ongerustheid; het water begon ons te ontbreeken, de eenigste kleine beek, die wij onder weg vonden, was bevroozen, wij moesten besluiten om ons met sneeuw te laaven. Gebrek aan hout was eene andere verlegenheid; geen boom stond 'er op onzen weg, wij reisden somtijds een werst, om een slegt heester gewas, dat geen voet hoogte had, te ontdekken, alle, die zich aan ons oog aanboden, wierden ook dadelijk afgesneeden en mede genomen, uit vrees van 'er verder op geen te zullen vinden, dog deeze waaren zo klein en zeldzaam, dat ze niet voldoende bevonden wierden om onze spijs te kooken. Er was dus geen gelegenheid om ons te verwarmen, echter was de koude allerstrengst, en de traage voortgang van onze reis gaf ons gelegenheid om te klappertanden; bij iederen tred waaren wij genoodzaakt stil te houden, om de honden aftespannen, die de een na den ander stierven.

Ik zou geen verhaal kunnen geeven, wat in deeze omstandigheden binnen in mij omging, de geest had meer dan het lighaam te lijden; de ongemakken, die ik met mijne medemakkers doorstaan moest, gingen mij het minste aan het hart, hun voorbeeld en mijne jeugd deeden mij alles met kloekmoedigheid verdraagen; dog mijne standvastigheid verliet mij, zo dra ik aan mijne brieven dagt; nagt en dag waaren dezelve onder mijne bewaaring, ik raakte ze niet dan met schrik aan. Het ongeduld om mijne zending te vervullen, de voorstelling der tegenspoeden, die ik te overwinnen had, de onzekerheid van daar in zullen slaagen, alle deeze denkbeelden ontrusten mij te gelijk, ik zogt 'er mij wel van te ontdoen, dog een oogenblik daar na bragt mij eene nieuwe tegenkanting weder tot deeze hoopelooze aanmerkingen.

Middelen, waar van wij ons bedienden, om onze honden te doen voortgaan.

Wanneer wij van Gavenki vertrokken, hadden wij de oostkust verlaaten, die van het westen vertoonde zich aan ons oog, wanneer wij nog twee wersten van Poustaretsk af waren, zo dat wij dit gedeelte van Kamschatka in deszelfs geheele breedte doorkruist hadden, het welk, gelijk men gezien heeft, maar twee honderd wersten of vijftig uuren is; wij deeden deezen togt meer te voet dan in sleeden, onze honden waaren zo zwak, dat wij liever verkoozen ons te vermoeijen, om dezelve eenigzints te gemoet te komen, echter liepen ze daarom zelden te gaauwer; onze leidsluiden konden hun niet doen voortgaan, als met zich zelfs even als de honden aantespannen, om dezelve onze rijtuigen te helpen voorttrekken, en wij hitsten ze aan met hun een neusdoek te toonen, die even als de visch in een gedraaid was, zij volgden dit lokaas, dat voor hun uit vluchte, naar maate zij het zelve naderden om het te vatten.

1788. _Maart_ Den 9. Te Poustaretsk.

Aankomst te Poustaretsk.

Het was door dit middel, dat wij ons oogmerk bereikten, om den berg, die naar Poustaretsk leid, overtekomen. Ik rekende mij behouden, wanneer ik in dit gehugt aankwam, uit hoofde van het vrindelijk onthaal, het geen ons de vrouwen beweezen. Wij vonden 'er zes, die ons te gemoet kwamen, en die ons met de dwaaste betooningen van vreugde inhaalden. Wij begreepen uit eenige woorden, welke zij ons zeiden, dat hunne mannen naar het Ostrog van Potkagornoï gegaan waaren, om walvischvleesch te haalen; zij geleiden ons naar haare wooningen, rondom ons zingende en danzende als uitgelaaten. Eene onder haar ontdeed zich van een parque van een jong rendier, om 'er den Heer Commandant mede te omhangen; de anderen betoonden haar genoegen over onze aankomst, welke zij volgens haare verzekeringen niet wagtten, door een luidruchtig geschater van lagchen; dit was niet zeer waarschijnlijk, dog wij gedroegen ons, of wij zulks geloofden, in de hoop van daar door gemaklijker te zullen kunnen handelen.

Vergeefsche naspooringen om visch te vinden.

Wij kwamen den 9. des namiddags ten drie uuren te Poustaretsk, en ons eerste werk was om alle de bewaarplaatzen van de visch te doorzoeken. Hoe groot was ons verdriet, wanneer wij ze ledig vonden! wij hielden op het oogenblik de Inwoonders verdagt, dat ze dezelfde voorzorg als die van Gavenki gebruikt hadden; en ziet daar ons bezig met die vrouwen te ondervraagen, en met aan alle kanten te graaven, in de overtuiging, dat de voorraad verborgen was. Hoe meer men het ontkende, zo veel te meer vermeerderden wij onze naspooringen; dan deeze waaren vrugteloos en wij konden niets ontdekken.

Treurig schouwspel het welk onze honden ons opleeverden.

In dien tusschentijd had men onze honden uitgespannen, om ze volgens gewoonte op reijen vast te maaken; zo dra ze aan de paal waaren, vraten ze derzelver riemen en tuigen op, in een oogenblik was alles verslonden; te vergeefsch tragte men om hun daar af te houden, het grootste gedeelte ontvlugte in het veld, alwaar zij ginds en herwaards zworven, alles opeetende, wat hunne tanden verscheuren konden; alle oogenblikken stierven 'er eenigen, die te gelijker tijd een prooij voor de anderen wierden; deeze wierpen zich op deeze doode lighamen en scheurden ze aan stukken, ieder lid wierd den roover betwist door een troup mededingers, die hem met gelijke hevigheid aanvielen: zo hij onder de menigte leggen bleef, was hij op zijn beurt het voorwerp van een nieuw gevegt[97]; op de afschuwelijke vertooning van hun zich dus onderling te zien verscheuren, volgde het droevig schouwspel van de geenen, die de yourte belegerden, alwaar wij ons verblijf hielden. Deeze arme dieren waaren zodanig vermagerd, dat men 'er meelijden mede hebben moest, zij konden zich naauwlijks beweegen, door hun klaagend en geduurig gehuil scheenen ze ons te smeeken, om hun te helpen, en tevens ons te verwijten de onmogelijkheid, waar in wij waaren om het te kunnen doen; verscheidene die zo veel van de koude als van den honger te lijden hadden, lagen zich neder aan den rand van de uitwendige opening, in het dak van de yourte gemaakt, en waar door de rook uittrekt. Hoe meer ze de hette gevoelden, hoe digter ze daar bij naderden; eindelijk vielen zij voor onze oogen in het vuur, het zij uit zwakheid, of dat ze het evenwicht verlooren.

[97] Om ons tegen deeze uitgehongerde honden te verweeren, waaren wij genoodzaakt van niet zonder onze stokken, of zonder wapenen, waar mede men dezelve verdrijven kan, uittegaan.

De Soldaat, die naar Kaminoi gezonden was, moest onderweg blijven.

Weinig oogenblikken na onze aankomst zagen wij den leidsman van den soldaat, die den 3. naar Kaminoi gezonden was, om aldaar onderstand te haalen, te rug komen, hij gaf ons te kennen, dat onze zendeling zelf de spoedigste hulp nodig had, dat hij het geluk had gehad om twaalf wersten ten noorden van Poustaretsk eene slegte verlaate yourte aantetreffen, dat hij zich daar in veiligheid tegens de winden geplaatst had, die hem tien reizen hadden doen verdwaalen, dat de voorraad, dien wij voor hem en voor zijne honden medegegeeven hadden, gebruikt was, en dat hij daar met ongeduld afwagte, dat men hem uit de verlegenheid kwam redden, dewijl het hem anders onmogelijk was uit zijn schuilplaats te komen, nog om de bevelen, waar mede hij belast was, uittevoeren, nog om zich wederom bij ons te voegen.

Bode naar Potkagornoi gezonden, om aldaar walvischvleesch te gaan haalen.

De Heer Kasloff, wel verre van zich door deezen nieuwen tegenspoed te laaten neêrslaan, boezemde ons moed in, wanneer hij ons de laatste hulpmiddelen, die hij voorneemens was in het werk te stellen, mededeelde; reeds had hij op de verzekering, die men ons gegeeven had, dat 'er een walvisch nabij Potkagornoi op het drooge voorvallen was, iemand derwaarts gezonden, de meeste spoed was hem aanbevolen, en hij moest zo veel vleesch en vel van dien visch medebrengen, als hij maar krijgen kon.

1788. _Maart_ Den 10. Te Poustaretsk.

De Sergeant Kabéchoff vertrekt naar Kaminoi, met het overschot van onzen voorraad.

Deeze hulp nog onzeker zijnde, stelde ons de Heer Commandant voor, om de weinige levensmiddelen, die ieder van ons voor zijne eigen honden meende te bewaaren, opteofferen; de vraag was om 'er ons van te ontdoen ten behoeven van den Sergeant Kabéchoff, die zich aanbood om naar Kaminoi te gaan. In den nood, waar in wij ons bevonden, was de minste straal van hoop genoegzaam om ons te doen besluiten van alles te waagen; wij omhelsden dan deezen raad met vervoering, ons geheel en al op den iever en de kundigheid van dien Sergeant verlaatende.

Hij vertrok den 10. van de nodige onderrichtingen en van het overschot van onzen voorraad voorzien. In deszelfs weg moest hij onzen armen soldaat opneemen, en van daar den last gaan vervullen, waar van deeze zich niet had kunnen kwijten. Na alle deeze maatregelen genomen te hebben, vermaanden wij elkander tot geduld, en wij zogten ons van onze bekommernissen aftetrekken, in afwachting, dat het de voorzienigheid behaagen mogt ons daar van te bevrijden. Ik gaa van deezen tijd gebruik maaken om rekenschap te geeven van de waarneemingen, die ik te Poustaretsk gemaakt heb.

1788. _Maart_ van den 10. tot den 12. Te Poustaretsk.

Beschrijving van Poustaretsk en de omliggende streeken.

Dit gehugt is op het hangen van een berg, die door de zee bespoeld word, gelegen, want men kan geen rivier noemen[98], het geen eigentlijk maar een zeer naauwe golf is, die zich tot aan den voet van deezen berg uitstrekt; het water is brak en in het geheel niet drinkbaar; om daar aan te gemoet te komen, dronken wij bezonken sneeuw, het welk ons eenigste zoet water was; twee yourtes, alwaar omtrent vijftien persoonen in leeven, maaken het geheele gehugt uit, men kan 'er ook nog eenige balagans onder rekenen, welke de inwoonders met het begin van den zomer betrekken, zij hebben die eenige wersten van de yourtes af, en meer voorwaards in de velden gebouwd.

[98] De inwoonders noemen ze POUSTAÏA-REKA, dat is te zeggen, eenzaame rivier; die golf was als toen geheel bevroozen.

Spijze der inwoonders gedurende ons verblijf aldaar.

Zij brengen daar den zomer met visschen door, en om hunnen voorraad voor den winter te verzamelen; naar het voedzel, dat ik hun zag gereed maaken en gebruiken, te oordeelen, moet de visch er niet overvloedig zijn; geduurende ons verblijf bepaalde zich hunne spijze tot vleesch of vet van walvisschen, tot raauwe boomschors, en tot boomknoppen met olie van walvisschen, zee-wolven of vet van andere dieren; zij verhaalden ons, dat ze somtijds in volle zee kleine kabbeljaauwen gevangen hadden; ik weet niet of ze 'er in den een of anderen hoek van verborgen hadden, dog wij hadden zo veele naspooringen gedaan, en wij zagen hun zulke slegte cier maaken, dat ik hun eindelijk waarlijk zo arm geloofde, als ze scheenen te zijn.

Wijze, waarop de rendieren gevangen worden.

Hunne manier om de rendieren te vangen, die in een groot aantal in deeze streeken gevonden worden, is niet minder zeker als gemaklijk; ze omzetten eene zekere uitgestrektheid gronds met palissaden, laatende daar in alleen eenige openingen: het is in deeze naauwe doortogten, dat zij hunne netten of strikken spannen, zij scheiden zich vervolgens van elkander, om de rendieren in deeze strikken te jaagen. Deeze beesten, zich zoekende te redden, loopen daar in en raaken met den hals of de hoornen vast; daar ontkomen 'er altijd een groot getal, die de strikken breeken of de palissaden omwerpen; echter heeft ééne jagt, door twintig of dertig menschen ondernomen, wel eens meer dan zestig rendieren uitgeleverd.

Bezigheden der vrouwen.

Behalven het huishoudelijke werk zijn de vrouwen belast met de vellen van verschillende dieren te bereiden, bijzonder van de rendieren, en met dezelve te verwen en te naaijen; zij schraapen dezelve eerst af met een scherpen steen, die in een stok vastgemaakt is. Na 'er het vet afgehaald te hebben, gaan ze voort met afschraapen, ten einde ze dunder en buigzaamer te maaken; de eenigste couleur, waar van zij gebruik maaken om ze te verwen, is een zeer donker rood, zij trekken het zelve uit een boomschors in het Russisch _Olkhovaïa-déréva_ genaamt, en bij ons onder de naam van _elze_ bekend; men laat deeze schors kooken, vervolgens vrijven zij daar het vel mede, tot dat de verf wel doordrongen is; de messen, welke dienen om vervolgens deeze vellen te snijden, zijn geboogen en waarschijnlijk van de uitvinding dezer volkeren.

Zeer dunne rendieren zenuwen, door dezelfde vrouwen toebereid, verstrekken hun tot draaden, zij verstaan het naaijen zeer wel, haare naaldens komen van Okotsk en zijn niet buitengewoon, derzelver vingerhoeden gelijken na die van onze kleermaakers, ze plaatzen die altoos aan den voorsten vinger.

Manier van tabakrooken.

Bij mijn doortogt van Karagui heb ik opgegeeven de wijze, waar op deeze volkeren tabak rooken, dog ik kan niet voorbij 'er nog eens van te spreeken, om de nadeelige gevolgen daar van te doen kennen, waar van ik hier verscheide voorbeelden gezien heb; derzelver pijpen[99] kunnen naauwlijks een vingergreep tabak bevatten, het geen zij tot verveelens toe herhaalen; en zie hier, hoe ze zulks verrichten; door den rook met geweld doorteslikken, in plaats van denzelven uitteblaazen, worden zij langzamerhand dronken, zelfs tot dien trap, dat ze in het vuur zouden vallen, indien ze 'er na bij waaren. Gelukkig heeft de gewoonte hun geleerd, om de gewaarwording van deeze bezwijming optevolgen, zij gebruiken de voorzorg van zich nedertezetten of zich aan het eerste voorwerp, dat zij vinden, vast te houden. Hun flaauwte duurt ten minsten een vierendeel uurs, geduurende welken tijd zij in eene zeer gevaarlijke omstandigheid zijn, het klamme zweet overdekt hun lighaam, de kwijl loopt van de lippen, de ademhaaling is moeijelijk en van een gestadigen hoest verzeld. Wanneer zij in deezen staat geweest zijn, meenen zij smakelijk gerookt te hebben.