Part 12
Ten tien uuren des morgens hadden wij Khaluli uit het gezicht verlooren; wij waaren het oude dorp van dien naam voorbijgetrokken, het gene onlangs verlaaten is uit hoofde van deszelfs slegte gelegenheid. Wij vonden wat verder eenige verlaaten wooningen, welke eertijds het dorp van Ivaschkin uitmaakten, om dezelfde reden eenige wersten van zijn eerste standplaats overgebragt, vervolgens zagen wij de zee weder, en wij volgden nog geduurende eenigen tijd de Oostkust; zij vertoonde ons ter deezer plaats eene andere baaij, die ik gaarne op mijn gemak had willen beschouwen; dog de dikke nevel, die van den oever af over de zee hing, liet mijn oog niet toe om tot aan den anderen kant van het ys te zien; alleen scheen het mij toe, dat de nevel opklaarde, naar maate dat de wind, die tot hier toe west en noordwest geweest was, meer naar het noordoosten liep.
Ostrog van Ivaschkin.
Ivaschkin legt veertig wersten van Khaluli en nabij de zee; twee yourtes en zes balagans maaken dit dorp uit, het is aan een kleine rivier van denzelfden naam gelegen, die geheel toegevroozen was, even als die, welke wij overgekomen waaren.
Den 26.
Wij vonden te Dranuki den Heer Haus, een Russisch Officier.
Wij sliepen in dit dorp, alwaar de vrees voor een orcaan, waar mede wij, zo men ons zeide, bedreigd wierden, ons een gedeelte van den volgenden dag deed blijven; wij kwamen met de vrees vrij, en hoe zeer het laat genoeg was, wanneer wij tot ons vertrek beslooten, konden wij echter nog tot Dranuki geraaken, als zijnde de overtogt maar dertig wersten. De gelegenheid van dit Ostrog is dezelfde als die van het voorige; wij vonden daar den Heer Haus, een Russisch Officier, hij kwam van Tiguil, en bragt aan den Heer Commandant verscheide zaaken tot de natuurlijke historie betrekkelijk.
1788. _Februarij_ Den 27.
Aanmerklijke en vrij gemaklijke baaij.
Wij vertrokken met het krieken van den dag van Dranuki. In den agtermiddag reeden wij over eene baai, welkers breedte omtrent uit vijftien wersten, en de lengte uit vijfentwintig a dertig bestaat, aan den ingang is ze weinig meer dan vijf wersten breed, ze word door de zuidkust geformeerd; deeze is een laage grond, die afneemt naar maate ze zich in zee uitstrekt, de baaij loopt west-noord-west en oost-zuid-oost. Het scheen mij toe, dat in het west-noord-westen van deszelfs ingang nabij Karagui, de scheepen veilig konden ankeren tegens de zuiden westen en noorde winden; het zuidelijk gedeelte vertoont geene zo goede ankerplaats; de bewoonders des lands verhaalen, dat zich daar verscheide zandbanken bevinden. Ik was verplicht mij op hun zeggen te verlaaten, dewijl het ys en de sneeuw mij hinderlijk waaren om 'er meerder zekerheids van te bekomen.
Ostrog van Karagui, het laatste van Kamschatka.
Wij leiden deezen dag zeventig wersten af, en des avonds kwamen wij te Karagui; dit dorp ligt op eene hoogte, van waar men de zee ontdekt, deszelfs wooningen bestaan in drie yourtes en twaalf balagans, aan den voet van welke de Karaga langs loopt; deeze rivier valt in de zee op eenige snaphaanschoten afstands van dit dorp, het laatste van Kamschatka, want men rekend geen gehugt, dat honderd wersten verder ligt, en alwaar zich weinig Kamschatters bevinden.
1788. _Februarij_ Den 28.
Daar wij verplicht zijn alhier voorraad van gedroogden visch aftewachten, welke agtergebleeven en geschikt is om onze honden in de woestenijen, die wij doortrekken moeten, te voeden, zal ik van dit verblijf gebruik maaken om verscheiden aanmerkingen, die ik in de voorige en in dit dorp gemaakt heb, afteschrijven; ze zijn niet in die orde geplaatst, waar in ze mij voorgekomen zijn, dog men moet in overweeging neemen, dat de snelle voortgang in onze reis mij daar niet altoos meester van liet[88].
[88] Men zal mij mogelijk verwijten, dat mijn verhaal dikwils niet anders oplevert dan schraale en zeer eenvormige bijzonderheden, ik zou den leezer dezelve wel gespaard hebben, indien ik hem niet eene zorgvuldige naauwkeurigheid belooft had; dog dat men in aanmerking neeme, van welke voorwerpen ik omringt ben in de onafmeetbaare uitgestrektheid lands, welke ik doorreis, en dan zal men zien, dat die bijna over al dezelfde zijn. Hangt het dan van mij af om eene behaagelijke verandering aan mijne beschrijvingen te geeven, en niet in eenige herhaalingen te vervallen?
Te Karagui Beschrijving der yourtes.
Ik zal eerst met de yourtes beginnen, die ik nog niet heb kunnen beschrijven, hoe zeer deeze mij toegescheenen hebben eene bijzondere aandagt te verdienen; deeze vreemde wooningen staan onder den grond, gelijk ik reeds gezegt heb[89], en het dak dat 'er boven uitkomt, heeft de gedaante van een afgesneede kegel; dog om 'er een juister denkbeeld van te verkrijgen, stelle men zich voor, een groot vierkant gat van omtrent zes a zeven toises of halve roeden middellijns en van agt voet diepte, de vier zijden bekleed met balken of planken, en alle de tusschenruimtens van deeze muuren met aarde, stroo of gedroogd gras en steenen gevuld; op den bodem van dit gat zijn verscheide paalen geplant, welke dwarsbalken ondersteunen, waar op het dak draagt; het begint gelijks gronds en komt vier voet daar boven uit, deszelfs dikte is twee voeten, de afhelling niet steil, voor het overige is het even als de muuren. Aan den top is een vierkant gat; deeze opening heeft vier voet lengte en drie voet breedte; hier is het, dat de rook moet doorkomen[90], en dat men in de yourte binnen treed met behulp van een ladder of ingekipte balk, die van buiten tot aan de opening van den ingang komt, welke voor mannen en vrouwen beide geschikt is. Men acht het voor een schande, wanneer men door een zeer laage poort ingaat, die aan een der zijden van de yourte gevonden word; om de beschrijving der uitwendige vertooning van deeze wooningen te eindigen, zal ik er nog bijvoegen, dat ze van eene vrij hooge palissadeering omringt zijn, zonder twijffel om dezelve tegens de stormen of den val van de sneeuw te beschutten; anderen meenen, dat deeze omheiningen eertijds tot borstweeringen aan deeze volkeren verstrekten, om zich tegens derzelver vijanden te verweeren.
[89] Bij mijn doortogt te Paratounka, zal men zich herinneren, dat ik eenige yourtes zag, dog zij waaren half uitgebroken, en ik kon 'er naauwlijks de uiterlijke gedaante van mêedeelen.
[90] De rook is in deeze onderaardsche wooningen zo geduurig, dat deeze doortogt niet voldoende is tot deszelfs uitdamping; om dit gemaklijker te maaken, vervaardigt men in een onbewoonden hoek, agter de haardsteede, een soort van rookgat, welkers richting schuins is; dit luchtgat word _joupann_ genaamd, deszelfs mond loopt van buiten op eenige voeten afstands van de vierkante opening uit, men sluit ze gewoonlijk met een riet- of stroodak.
1788. _Februarij_ Den 28. Te Karagui.
Inwendig maakzel en vercieringen der yourtes.
Zo dra men in deeze woeste wooningen neergedaald is, wenschte men ook er weder uit te weezen; het gezicht en de reuk word daar beide aangedaan, het eenigste vertrek, dat het binnenste gedeelte uitmaakt, is omtrent tien voet hoog; eene verhevenheid van vijf voet breed, en bedekt met half versleete vellen van rendieren, zeewolven of van andere dieren, loopt rondom het vertrek; deeze verhevenheid is op zijn hoogst een voet van den grond[91] en diend gemeenlijk tot een bed aan verscheide huisgezinnen. Ik heb in eene enkelde yourte meer dan twintig persoonen, zo mannen, vrouwen, als kinderen geteld; al dit volk eet en slaapt de een onder den anderen; zonder schroom of schaamte, voldoen ze aan alle de behoeftens der natuur, en nooit beklaagen zij zich over de kwaade lucht, die men in deeze plaatzen inademt. Het vuur brand 'er bijna altoos, gewoonlijk is de haardsteede in het midden van de yourte of aan een der zijden geplaatst; Des avonds gebruikt men de voorzorg om het gloeijende vuur bij een te zamelen, en het gat te sluiten, hetgeen aan den rook ten doortogt verstrekt; door dit middel bewaart men de warmte geduurende den geheelen nagt. Bij het schijnzel van een duistere lamp, waar van ik reeds de gedaante en de bedorven lucht heb leeren kennen, ontdekt men in een hoek van het vertrek[92] eene slegte afbeelding van den eenen of anderen heiligen, geheel blinkende van smeer en zwart van den rook; voor die beelden is het, dat deeze volkeren zich nederbuigen en hunne gebeden verrichten; het overige huisraad bestaat in banken en in drinkschaalen van hout of van boomschors gemaakt, de geenen die voor de keuken dienen zijn van yzer of koper, alle zijn ze van eene walgelijke morsigheid; overblijfzelen van gedroogden visch zijn hier en daar verspreid, en ieder oogenblik ziet men vrouwen of kinderen bezig om stukken van zalm-vellen te roosteren, dit is een hunner meest geliefkoosde geregten.
[91] Ik heb eenige yourtes met planke vloeren gezien, dog dit beschouwt men als overdaadig, en de meesten hebben alleen de aarde tot planken.
[92] Dit klein vertrek is eeniger maate van het groote afgescheiden, het is een weinig minder morsig, omdat het minder bezogt word; dit is de plaats van eer, voor de vreemdelingen geschikt.
Kleeding der kinderen.
De kleeding der kinderen trok mijn aandagt door deszelfs zonderlingheid; men verzekerde mij, dat ze volmaakt na die der Koriaken gelijkt, zij bestaat in een enkeld kleed, namelijk, in een rendierenvel, dat elk gedeelte van het lighaam omwind en daar om sluit, zodanig dat deeze kinderen aan alle kanten daar in genaaid schijnen; eene opening om laag, van vooren en agter, verschaft de mogelijkheid om ze te reinigen; deeze opening is overdekt met een ander stuk vel, het geen na willekeur vastgemaakt en opgeligt word; dit ondersteunt een pak mos[93], dat men op de wijze van een doek tusschen de beenen van het kind aanlegt, en het welk men ververscht, naar maate het zelve vuil word. Behalven de gewoone mouwen zijn 'er nog twee anderen aan het kleed vastgemaakt, in dewelke men de armen steekt, wanneer het kind koud is, de uiterstens daar van zijn geslooten, en het binnenste is met mos gevuld. Men zet het ook een kap op van het zelfde vel als zijn kleed, dog in de yourtes zijn de kinderen meest altoos bloots hoofds, en de kap hangt hun op de schouders. Zij hebben ook nog voor een gordel een band van rendieren vel. Hunne moeders draagen ze op den rug door middel van een riem, die langs het voorhoofd van de vrouw en onder de billen van het kind heen gaat.
[93] Men bediend zich insgelijks van het gras genaamt tonnchitcha.
De toijon van Karagui, bij wien wij ons verblijf hielden, was een oude oproermaaker; men had veel moeite gehad om hem tot zijn pligt te doen wederkeeren, en hij veroorzaakte ons eenige ongerustheid door de volstrekte weigering, die hij deed om ons visch te bezorgen.
1788. _Februarij_ Den 29. Te Karagui.
Taal der Inwoonders van dit Ostrog.
De zeden der inwooners van dit Ostrog hebben veel overeenkomst met die van hunne nabuuren, de Koriaken; deeze gelijkvormigheid word men niet minder in de taal dan in de kleeding der kinderen gewaar. Ik had gelegenheid zulks den volgenden dag van onze aankomst gade te slaan.
Eenige Koriaken brengen ons twee levendige rendieren.
Vernomen hebbende, dat in den omtrek zich twee horden of benden van Koriaken met rendieren bevonden, zonden wij hun aanstonds iemand toe, om hun voortestellen van 'er ons eenige van te verkoopen, zij lieten zich niet lang verzoeken, denzelfden dag bragten zij ons twee levendige rendieren. Deeze toevoer kwam van pas om ons volk gerust te stellen, dat voor gebrek aan levensmiddelen begon te vreezen; echter bedreigde het gebrek nog meer onze honden, dewijl de voorraad van visch niet aankwam; men doode dan in allen spoed een rendier, dog toen het op den prijs aankwam, vonden wij ons zeer belemmerd om met de verkoopers te handelen; ze spraken nog Russisch nog Kamschatsch, en de teekens, die ze gaven, waaren niet minder dan verstaanbaar; wij hadden elkander nooit begreepen, indien niet een inwoonder van Karagui ons voor tolk had gediend.
Onderscheid tusschen twee soorten van Koriaken.
Men onderscheid twee soorten van Koriaken; de geenen, welke eigentlijk met dien naam bestempelt worden, hebben eene vaste verblijfplaats; de andere, die rond zwerven, zijn onder de benaaming van _Koriaken met rendieren bekend_[94]; zij bezitten daar van groote kudden, en om ze te voeden, brengen zij ze in die streeken, waar de mos in overvloed te vinden is; zijn deeze weilanden afgegeeten, gaan zij anderen zoeken: zij zwerven dus zonder ophouden, hun verblijf houdende onder tenten van vellen, en leevende van hunne rendieren.
[94] Men zeide mij dat 'er zich van deeze zwervende Koriaken in het eiland van Karagui bevinden, het geen zes en twintig wersten van het dorp van dien naam in het oost-zuid-oosten van de baaij gelegen is; ik meen dit eiland van verre gezien te hebben.
Deeze dieren zijn hun niet minder van dienst voor de reis, als de honden voor de Kamschatters. De Koriaken, die bij ons kwamen, wierden door twee rendieren getrokken, dog de wijze van ze voortespannen, en te mennen, als mede de gedaante van de slêe, vorderen eene bijzondere beschrijving; het zal best zijn, zo 't mij voorkomt, om dit uittestellen tot het oogenblik, waar in ik, bij deeze volkeren reizende, beter in de gelegenheid zal zijn om naauwkeurige waarneemingen te doen.
Aankomst van onze leevensmiddelen.
Deeze zo verlangde leevensmiddelen bekwamen wij eindelijk den 29 des avonds; ze wierden ons aangebragt door den Sergeant, dien wij zedert verscheide dagen wachteden; wij namen ons voor om den volgenden morgen te vertrekken, dog in den nagt verhief zich een der hevigste weste en noordweste winden; die orcaan was van sneeuw verzeld, ze viel in zulk een overvloed, dat wij genoodzaakt wierden ons vertrek uittestellen. Om ons daar toe te noodzaaken was een zodanig verschriklijk wêer nodig, want de aankomst van onzen voorraad had ons ongeduld verdubbeld; deeze was van weinig aanbelang en onze behoefte zo dringend, dat er terstond aan begonnen wierd, zo dra dezelve ontfangen was; het was dus ons belang om de rustplaatzen te verkorten, ten einde de voorraad niet opgebruikt was, voor dat wij de woestenijen doorgetrokken waaren.
1788. _Maart_ Den 1. Te Karagui.
Des morgens bedaarde de wind, dog de sneeuw hield aan, en de lucht dreigde met een anderen storm voor het einde van den dag, deeze begon ook in der daad zich te laaten hooren tegens twee uuren in den agtermiddag, en duurde tot aan den avond.
Beroemde Kamschatsche danseresse.
Om ons afleiding te geeven, stelde men ons voor om een proef te neemen van de begaaftheden eener vermaarde Kamschatsche danseresse, te Karagui woonachtig; het geen men 'er ons van verhaalde, wekte onze nieuwsgierigheid op, en wij deeden haar komen; dog zij weigerde, het zij uit hoofdigheid, of uit gemelijkheid, om te danssen, en scheen in het minste geen belang te stellen in onze noodiging; te vergeefs tragte men haar te beduiden, dat ze hier door zich onwellevend en zelfs oneerbiedig tegens den Heer Commandant gedroeg; alles was vrugteloos; gelukkig hadden wij brandewijn bij de hand, eenige volle glaazen scheenen haar te doen veranderen; ter zelfder tijd begon een Kamschatter op ons verzoek voor haar te dansen, en met de stem en gebaarden haar optewakkeren; langzamerhand wierden de oogen van deeze vrouw vuuriger, haare houding wierd stuiptrekkende; haar geheele lighaam beefde op de verhevenheid, waar op zij gezeten was, de ophitsingen en het heftig gezang van haar dansser, beantwoorde zij door gelijke poogingen met de stem, en door met het hoofd, het welk op allerhande wijze draaide, de maat te slaan. Welhaast wierden de beweegingen zo geweldig, dat zij zich daar op niet houden kon, zij wierp zich op den grond, en daagde op haar beurt het manspersoon uit door schreeuwen en door nog klugtiger verdraaijingen des lighaams. Het is moeijelijk om het belagchelijke van haar dans uittedrukken, alle haare ledemaaten scheenen verplaatst te zijn, zij beweegde die met zo veel kragts als snelheid, de handen bragt zij aan haar boezem met een soort van woede, ontbloote dien en vatte ze aan, even als of ze die benevens haare kleederen wilde verscheuren. Deeze vreemde vervoeringen waaren van nog vreemder gebaarden verzeld; in een woord, het was geen vrouw meer, maar wel eene Furie; In haare verblinde, krankzinnigheid zou zij zich in het vuur geworpen hebben, het welk in het midden van de yourte aangestoken was, indien haar man zich niet gehaast had om 'er een bank voortezetten, ten einde haar zulks te beletten; hij gebruikte daar en boven de voorzorg van geduurig bij haar te blijven; wanneer hij zag dat ze geheel buiten kennis was, en zich aan alle kanten nederwierp als mede dat ze genoodzaakt was, wilde zij staande blijven, van zich aan haar voordansser vast te houden, nam hij haar in zijn armen en bragt haar op de verhevenheid; ze viel daar op neder als een klomp, zonder bewustheid en buiten adem; ze bleef bijna vijf minuuten in dien staat, ondertusschen hield de Kamschatter, grootsch op zijne overwinning, niet op met zingen en danssen. Tot haar zelfs gekomen hoorde deeze vrouw naar hem; somtijds stond zij niettegenstaande haare zwakheid op, en bragt onverstaanbaare klanken uit; men zou gezegt hebben, dat zij deezen moeijelijken tweestrijd weder wilde beginnen, haar man wederhield haar, en verzogt dat ze mogt uitscheiden, dog de overwinnaar zich verbeeldende van niet vermoeid te kunnen worden, ging voort met haar aantezetten; wij moesten van ons gezag gebruik maaken, om hem het stilzwijgen opteleggen; niettegenstaande de lofspraaken, die aan de begaaftheden der vertooners gegeeven wierden, moet ik bekennen, dat ik echter het toneel niet bevallig vond, ik zal meer zeggen, ik zag het met weerzin.
Liefhebberij van deeze volkeren voor den Tabak.
Mannen & Vrouwen, alles rookt en kaauwt hier tabak; door eene toebereiding, die mij niet bekend is, vermengt men dezelve met asch, om, zo als men zeide, ze des te sterker te maaken; de inwooners, aan welke wij snuif aanboden, bragten ze niet aan hun neus, maar aan den mond; ik bezag hunne pijpen, zij hadden dezelve gedaante als die der Chinezen, alle waaren ze van been en zeer klein; wanneer ze rooken, wagten ze zich wel om den rook uitteblaazen; ze zwelgen dien met smaak in.
Afscheid der toyons, die ons tot een geleide gedient hadden.
Alle de toijons der Ostrogs, door dewelke wij van Ozernoi af doorgetrokken waaren, hadden ons, uit achting en tot eene eerbetooning voor den Heer Kasloff, tot aan Karagui uitgeleide gedaan.
Den tweeden dag na onze aankomst, hadden zij van ons afscheid genomen om ieder naar hun dorp te rug te keeren; hunne jongste groet was zeer hartelijk; na nogmaals op nieuw vergeeving aan hun Commandant gevraagt te hebben, dat ze hem niet beter op zijn reis hadden ontfangen, betuigden zij hem derzelver levendigste aandoeningen over de scheiding van hem, even als of ze hem in het midden der grootste gevaaren gelaaten hadden, ze booden hem alles aan wat zij bezaten, kennende geen andere blijken van erkentenis. Zij vervoegden zich even zo aan mij, met nadruklijk beede, om van hun het een of ander te willen aanneemen, te vergeefs weigerde ik zulks, dit maakte hunne verzoeken des te dringender, en om ze te vergenoegen, was ik genoodzaakt hunne geschenken aan te neemen.
Blijken van genegenheid, die mij de Kamschatters gaven.
Hier vind ik mij genoodzaakt om aan het geheele Kamschatsche volk, het geen ik gaa verlaaten, mijne verplichtingen te vervullen, welke derzelver handelingen ten mijnen opzichte van mij vorderen. Het vermaakt mij, wanneer ik mij voor den geest breng het verplichtend onthaal, het geen ik van het zelve genooten heb; ik heb deszelfs herbergzaamheid en zagtäartigheid recht gedaan, dog ik heb niet genoeg uitgeweid over de blijken van genegenheid, welke deeze goede luiden mij gaven. Daar zijn, zo ik meen, geene opperhoofden van Ostrogs, die mij niet eenige kleine geschenken deeden; dan eens was het een sabelmarter of vosse-vel, dan eens vrugten of visch, en zodanige andere zaaken, die zij dagten, dat mij aangenaam zouden weezen. Ik mogt mij tegens hunne aanbiedingen verzetten, zij kwaamen geduurig weder op het zelfde en noodzaakten mij om het aanteneemen, men zou gezegt hebben, dat zij zeer gezet waaren om het onrecht, dat zij zo lang den Franschen naam aangedaan hadden, ten mijnen opzichte te verbeteren; dikwils bedankten zij mij, dat ik hun ten onzen opzichte andere denkbeelden gegeeven had; somtijds waaren zij ook geneigd om daar berouw over te toonen, wanneer zij bedagten, dat zij mij niet meer zien zouden, en dat mijne landgenooten zeldzaam in het geval waaren van door hun schier-eiland te reizen.
1788. _Maart_ Den 2.
Vertrek van Karagui en gedwonge omweg door het losgaan van het ijs in eene baaij.
Wij vertrokken des morgens ten één uur van Karagui met redelijk stil weer, het geen den geheelen dag aanhield, de eenigste tegenspoed, dien wij op onze reis ondervonden, was, dat wij niet, gelijk wij gehoopt hadden, eene baaij konden overtrekken, die door den wind van daags te vooren was los gegaan, wij moesten dezelve dus omreizen. Deeze baaij is diep, ze is agt a tien wersten breed, en de richting van haar loop scheen mij toe noord-oost en zuidwest te weezen, het ys was alleen maar tot aan deszelfs mond gebroken, en van daar was ze weer digt tot in zee: met den omweg, tot welke deeze ontdooijing ons noodzaakte, kan onze dagreis op vijftig wersten bepaald worden.
Gesteltheid van onze rustplaatzen in het open veld.
Bij het vallen van den nagt hielden wij in het open veld stil; aanstonds waaren de tenten opgeslaagen. Onder de grootste, den Heer Kasloff toebehoorende, wierd zijn en mijn vezock met de portieren tegen elkander geplaatst, zo dat wanneer wij de glazen, die van talkbladen waaren, neerlieten, wij gemaklijk zamen spreeken konden; de overige sleeden waaren twee aan twee rondom onze tent geplaatst, en de tusschenruimte van de eene slee tot de andere was met lijnwaat of vellen bedekt, onder welke onze geleiders en de luiden van ons gevolg zich in veiligheid konden stellen en hunne bedden maaken; dusdanig was de gesteldheid onzer rustplaatzen in het open veld.
Waar in ons avondeeten, onze eenigste maaltijd, bestond.
Zo dra als de ketel overgehangen was, dronken wij thée, vervolgens was men bezig met het avondeeten in gereedheid te brengen, het geen elken dag onze eenigste maaltijd was. Een Corporaal had het bestier als Hofmeester en als Kok; de geregten, die uit zijne handen kwamen, waaren nog talrijk nog lekker, dog de spoed waar mede hij ze toebereide, en onze honger maakte ons daar omtrent toegeevende. Hij diende ons gewoonlijk een soup, met beschuit van zwart brood en rijst of gort, voor, en ziet hier hoe hij ze vervaardigde: hij nam een stuk osse- of rendiere-vleesch, en voor dat hij die in het kookende water deed, sneed hij ze aan zeer dunne stukjes, die in een oogenblik gekookt waaren.
Daags voor ons vertrek van Karagui had men ons tweede rendier gedood en begonnen; wij vergastten ons op deszelfs merg; ik vond ze raauw of gekookt zeer smakelijk; wij deeden ook de tong kooken, en ik weet niet ooit iets beters gegeeten te hebben.
1788. _Maart_ Den 3.
Onze honden beginnen gebrek te lijden, verscheiden raaken om het leeven.
Wij hervatteden onze reis in den vroegen morgen, dog het was ons onmogelijk meer dan vijf-en dertig wersten afteleggen; de wind was veranderd; wederom in het westen en in het zuid-westen gekomen, verhief hij zich op nieuw met eene groote hevigheid en wierp ons den sneeuw in het aangezicht. Onze leidslieden hadden veel te lijden, echter nog minder dan onze honden, waar van verscheiden op weg omkwamen, uitgeput van vermoeidheid; de overigen konden ons uit zwakheid door gebrek aan voedzel niet voorttrekken, men gaf hun niet meer dan het vierde van hun gewoon rantsoen, en naauwlijks hielden wij voor hun nog voor twee dagen voorraad over.
Een Soldaat naar Kaminoi gezonden om aldaar onderstand te zoeken.