Historisch dagverhaal der reize van den heer De Lesseps Zedert het verlaten van den Heer Graaf de la Perouse en zyne togtgenooten in de haven van St. Pieter & Paulus op Kamchatka, enz.

Part 11

Chapter 113,955 wordsPublic domain

Naauwlijks was ik daar, of ik ontfing een bezoek van een Officier, dien de Heer Orléankoff mij zond, om mij over mijn behouden aankomst te begroeten; hij wierd van verscheide der voornaamste Officieren van de stad gevolgd, die beurtelings mij derzelver dienst op de verplichtendste wijs des waerelds kwamen aanbieden. Ik betuigde hun, hoe gevoelig ik over derzelver beleeftheid was, dog in den grond jammerde het mij, dat ze mij voorgekomen waaren, ook haaste ik mij, zo dra ik gekleed was, om aan ieder mijne dankzeggingen te gaan betuigen. Ik begon met den Heer Major Orléankoff, en vond hem bezig in de toebereidzelen van een feest, het geen hij den volgenden dag geeven moest, ter gelegenheid van het huwelijk van een Pool in Russischen dienst, met de nigt van den protapope of aartspriester. Hij had niet alleen de beleeftheid van mij op die bruiloft, waar van hij al de kosten droeg, te verzoeken, dog hij had daar en boven de oplettenheid van mij des anderen daags morgens te komen zien, en mij met zich te neemen, ten einde ik niets van dat schouwtoneel zou missen, het geen hij met reden voor mij belangrijk oordeelde.

1788. _Februarij_ Den 10. Te Nijenei Kamschatka.

Feest gegeeven door den Heer Major Orléankoff.

Het geen mij echter des te meer verwonderde, was het gestrenge, dat bij de pligtpleegingen in acht genomen wierd. Het onderscheid der rangen scheen mij met de uiterste naauwgezetheid gade geslaagen te worden; de plichtpleegingen en gebruiken, alle deeze koele beleeftheden gaven bij de opening van het feest een zekere gemaaktheid, die meer verveeling dan vermaak voorspelden. De maaltijd was allerpragtigst voor het land; ik zag onder andere geregten een groot getal van verschillende soupen opbrengen. Deeze waaren verzeld van koude vleeschspijzen, waar van men terstond veel gebruik maakte. Bij het tweede geregt, kreegen wij het gebraad en pasteijen, dog dit alles kondigde minder weelde dan wel overdaad aan; de dranken waaren gemaakt van verscheidene vrugten, aan deeze streeken eigen, gekookt en met Franschen brandewijn gemengt. Men bediende bij voorkeur en bijna geduurig brandewijn van het land, gemaakt uit _slatkaiatrava_ of zoet gras, waar van ik te vooren gesprooken heb; deeze likeur heeft zo als ik gezegt heb geen onaangenaamen smaak, zelfs is ze geurig, men went zich des te gewilliger aan deeze brandewijn, om dat ze minder ongezond is, dan die uit graanen gemaakt word: alle de gasten raakten ongevoelig in een vrolijken luim, hunne reden was niet lang bestand tegen de dampen van een zo koppigen drank; welhaast heerschte de uitgelatenste vreugde over tafel. Op dit luidrugtige en pragtig gastmaal volgde een vrij wel zamengesteld bal. Het gezelschap was zeer vrolijk, en men danste 'er tot aan den avond Russische en Poolsche contredanssen; het bal wierd door een zeer aartig vuurwerk geeindigt, het geen de Heer Orléankoff gemaakt had, en zelfs aanstak, het was niet groot, dog de uitwerking voldeed in allen opzichte. Ik vermaakte mij met de verbaasdheid en opgetogene verrukking van de meeste der aanschouwers, die weinig denkbeelden van dit soort van vermaaken hadden, men zou ze allen geschilderd hebben; onbeweeglijk van verwondering, schreeuwden zij eenpaarig bij het opgaan van iederen vuurpijl; hun leedweezen over den korten duur hier van vermaakte mij niet minder. In het vervolg moest men al die lieden den lof daar van hooren vermelden, en in het heengaan herhaalde ieder al zuchtende de genooten vermaaken van dien dag.

Ik wierd den volgenden dag bij den protapope, oom van de bruid verzogt, alles was op den zelfden voet als daags te vooren, uitgezondert het vuurwerk. De protapope is, gelijk ik reeds gezegt heb, het hoofd van alle de Kamschatsche kerken; ieder priester van dit schiereiland is aan hem ondergeschikt, en hij beschikt over alle de geestelijke zaaken, hij houd zijn verblijf te Nijenei. Het is nog een vrij jeugdige grijzaart, een breede witte baard hangt hem tot op de borst, en geeft hem een waarlijk achtbaar aanzien. Zijn ommegang scheen mij toe vol geest, vrolijk en gepast te weezen om zich den eerbied en de achting van deeze volkeren te verwekken.

Rechtbanken te Nijenei.

Te Nijenei zijn twee rechtbanken; voor de eene worden de zaaken van het bestier gebragt, en de andere neemt kennis van alle de verschillen tusschen de Kooplieden; de regeeringspersoon, die daar in voorzit, is een soort van Burgermeester, ondergeschikt aan de bevelen van den _Gorodnitch_ of Commandant van de stad. Men heeft hier boven gezien, dat ieder van deeze rechtbanken van het rechtsgebied te Okotsk afhangt, en dat men van alle zaaken aan den bevelhebber van deeze laatste stad rekenschap moet geeven.

Dog het geen mij te Nijenei het belangrijkste voorkwam, en het geen ik niet met stilzwijgen kan voorbijgaan, bestaat daar in, dat ik hier negen Japoneezen aantrof, die in den afgeloopen zomer derwaarts van de Aleutische eilanden gebragt waaren door een Russisch vaartuig, geschikt tot den handel in otters.

1788. _Februarij_ Den 11. Te Nijenei Kamschatka.

Een van deeze Japoneezen verhaalde mij, dat hij zich met zijne makkers op een vaartuig van hun land had ingescheept, om zich naar de meest zuidelijke Kourilsche eilanden te begeeven, met vooruitzicht om daar met de Eilanders handel te drijven, zij volgden de kust en waaren 'er niet ver van verwijderd, wanneer hun zo een verschrikkelijke storm overviel, dat zij ver daar van afdreeven, en geheel verdwaalden. Volgens zijn verhaal, het geen mij echter zeer verdagt voorkwam, bevoeren zij de zee bijna zes maanden, zonder land te zien. Buiten twijffel hadden ze levensmiddelen in overvloed. Eindelijk vertoonden zich de Aleutische eilanden aan hunne oogen: vol van vreugde beslooten zij daar aan te landen, zonder te weeten waar dit best te onderneemen; zij wierpen één anker digt bij een van deeze eilanden uit, en een sloep bragt ze allen aan land. Zij vonden daar Russen, die hun voorstelden om te zaamen hun schip te gaan ontlaaden en het in veiligheid te brengen; dan deeze Japoneezen wilden daar in niet toestemmen, het zij uit mistrouwen, het zij dat ze in der daad geloofden, dat het den volgenden dag gemaklijker zou zijn. Zij hadden veel reden om zich over dit verzuim te beklaagen: want in den zelfden nagt wierp een hevige zee-wind het schip op de kust; men wierd zulks niet dan met het aanbreeken van den dag gewaar, en men had veel moeite om het kleinste gedeelte van de lading en eenige stukken van het schip te bergen, welk laatste bijna geheel van welriekend hout gemaakt was. De Russen, die hen wel onthaald hadden, deeden als toen al het geen in hun vermogen was om deeze ongelukkigen hun verlies te doen vergeeten; zij bragten hun alle vertroosting toe, en deeden dezelven eindelijk het besluit neemen om hun naar Kamschatka te volgen, werwaards zij terugkeerden; mijn Japonees voegde 'er bij, dat zij in veel grooter getal geweest waaren, dog dat de vermoeijenissen, die ze op zee geleeden hadden, en vervolgens de gestrengheid van de lucht, veele van zijne makkers had doen omkomen.

Bijzonderheden wegens het opperhoofd van deeze Japoneezen.

De geen, die met mij sprak, scheen over de anderen een zeker blijkbaar gezag te voeren, men wist van hem, dat hij de Koopman was, en dat de overigen alleen matroozen waaren of onder zijn bevel stonden. Dit was ten minsten zeker, dat ze hem een bijzondere achting en eerbied toedroegen, zij zijn alle overstelpt van droefheid, en toonen de levendigste ongerustheid, wanneer hij ziek is of hem iets onaangenaams wedervaart; geregeld zenden ze tweemaal daags iemand uit hun om hem te bezoeken. Men kan zeggen, dat hij hun geen minder vriendschap toedraagt, want daar gaat nooit een dag voorbij, zonder dat hij hun op zijn beurt bezoekt, en hij zorgt met de grootste oplettenheid, dat hun niets ontbreekt. Zijn naam is _Kodaïl_, zijn aangezicht heeft niets vreemds, zelfs heeft hij een aangenaam voorkomen; zijn oogen zijn niet getrokken als die van de Chineezen, hij heeft een langen neus en een baard, dien hij vrij dikwils afscheert, hij is omtrent vijf voet lang en vrij wel gemaakt, hij droeg het hair op de Chineesche manier, dat is te zeggen, dat van het midden van zijn hoofd een vlegt van de lengte zijner hairen af hong, die wijders rondom afgeschooren waaren, dog men heeft binnen kort hem daartoe gebragt om dezelve te laaten groeijen, en ze op onze manier vast te binden; hij is zeer bevreest voor de koude, de warmste kleederen die men hem gegeeven heeft, kunnen hem daar naauwlijks voor beschutten; hij bewaart en draagt altoos onder deeze die van zijn land, ze bestaan in de eerste plaats in een of verscheide zeer lange zijde hemden, even als onze nagtjaponnen, daar over trekt hij 'er een van wol, het geen zou kunnen doen gelooven, dat deeze laatste stoffe kostbaarder in hunne oogen is, misschien geschied deeze schikking ook gemakshalve, dog dit is mij onbekend. De mouwen van deeze kleederen zijn wijd en open. Niet tegenstaande de strenge luchtsgesteldheid, heeft hij altoos de armen ontbloot en den hals open, alleen maakt men hem, wanneer hij uitgaat, een doek aan den hals vast, dog hij doet ze af zo dra hij in een vertrek komt, hij zegt zulks als dan niet te kunnen verdraagen.

Deszelfs meerderheid boven zijne landgenooten heeft hem eenig aanzien verschaft; dog deeze heeft 'er ongetwijffeld veel minder aan toegebragt, dan wel zijn levendige geest en zagtheid van aart; hij woont en leeft bij den Heer Major Orléankoff; de vrijheid waar mede hij, het zij bij den Commandant, het zij elders, binnen treed, zou onder ons voor onbeschaamdheid of ten minsten voor grove lompheid gehouden worden; zonder omslag zet hij zich aanstonds zo gemaklijk als hem mogelijk is, en wel op den eersten stoel, dien hij maar aantreft, hij vraagt terzelver tijd al wat hij nodig heeft, of wel neemt hij het zelfs, wanneer het maar onder zijn bereik is; hij rookt bijna zonder ophouden, zijn pijp is kort en met zilver vercierd, daar kan weinig tabak in, dog hij vuld ze elk oogenblik. Het rooken is voor hem een zodanige behoefte, dat men veel moeite heeft gehad om hem te beduiden, dat hij zijn pijp niet over tafel gebruikte. Zijn doordringend oordeel is zeer werkzaam, hij bevat alles, wat men hem wil doen begrijpen, met eene verwonderlijke vlugheid, boven al schijnt hij zeer nieuwsgierig en een groot waarneemer. Men heeft mij verzekerd, dat hij naauwkeurige aantekening houd van al het geen hij ziet, en van het geen hem wedervaart, en in der daad de voorwerpen en de gebruiken, die hij onder zijne oogen heeft, zijn zo afwijkende van die, welke zijn vaderland oplevert, dat alles hem stof tot aanmerkingen verschaft: oplettend op het geen gebeurd, en in zijne tegenwoordigheid gezegt word, schrijft hij zulks op uit vreeze van het te vergeeten; de teekens, die hij maakt, scheenen mij ten naasten bij dezelfde als die der Chineezen, dog de manier van schrijven is verschillende, deeze schrijven van de regter naar de linker zijde,[85] en de Japoneezen van de hoogte naar de laagte;[86] hij spreekt genoeg Russisch om zich te doen verstaan, echter moet men aan zijne uitspraak gewoon zijn, om verkeering met hem te hebben; hij spreekt ongemeen snel, het geen veroorzaakt, dat men veel van hem verliest, of dat daar door de betekenis veranderd word; zijne antwoorden zijn in 't algemeen levendig en natuurlijk, nooit ontveinst hij zijn manier van denken, en men kan zich niet openhartiger over een ander uitlaaten, dan hij doet. Zijn gezelschap is aangenaam en zijn humeur altoos vrij gelijkvormig, hoewel zeer geneigd tot wantrouwen. Heeft hij het een of ander verlegd, aanstonds verbeeld hij zich, dat hem zulks ontvreemd is, het geen hem dikwils een ongeruste houding geeft. Ik bewonderde zijne maatigheid, die waarlijk het tegengestelde is van het geen men in dit land ziet. Wanneer hij voorneemens is van geen sterken drank te gebruiken, is het onmogelijk om hem overtehaalen van 'er van te proeven, hij eischt die wanneer hij 'er lust toe heeft, dog nooit gaat hij zich daar in te buiten. Ik merkte nog op, dat hij op de wijs der Chineezen zich in het eeten van twee kleine stokjes met de grootste behendigheid bediende.

[85] De Chineezen beginnen hunne boeken, daar wij de onze eindigen, namelijk van het laatste blad.

[86] Zij schikken hunne letters in reijen.

Japansche muntspecien.

Ik verzogt hem om muntspecien van zijn vaderland te zien, en hij beieverde zich om mijne nieuwsgierigheid te voldoen. De gouden munt is een plaat van omtrent twee duim lang, niet dik en bijna ovaal, verscheiden Japansche teekens zijn op deeze stukken gegraveerd: het goud scheen mij toe zeer goed te zijn, zonder eenige vermenging, het buigt zich zo als men begeert. De zilveren specie is vierkant, minder groot en dik, en van minder zwaarte dan het goud, nogtans verzekerde hij mij, dat de laatste in Japan meer waarde had. Het koper geld is volmaakt het zelfde als het _cache_ der Chineezen; het is rond en ten naasten bij van grootte als de Fransche twee oortjens stukken. In het midden is het in het vierkant doorboord.

1888. _Februarij_ Den 11.

Koopmanschappen die een gedeelte van de lading uitmaakten van het Japansche schip.

Ik deed hem nog eenige vraagen over den aart der Koopmanschappen, die men uit hun schip geborgen had, en ik begreep uit zijne antwoorden, dat ze voornamelijk bestonden in kopjes, schaaltjes, doozen en andere fraaij verlakte zaaken van dit soort; ik vernam nog, dat ze daar van een gedeelte in Kamschatka verkogt hadden.

Ik twijffel niet, of men zal mij deeze uitweiding over die Japoneezen wel ten goeden houden, ik kan mij niet voorstellen, dat men ze ongepast zal vinden, ze zal kunnen dienen om een volk te leeren kennen, dat wij zo zeldzaam in het geval zijn van te zien en waarteneemen.

Den 12.

Vertrek van Nijenei Kamschatka.

1788. _Februarij_ Den 13.

Na omtrent drie dagen te Nijenei Kamschatka doorgebragt te hebben, vertrok ik den 12 des namiddags ten één uur, om mij weder bij den Heer Kasloff te vervoegen, dien ik zeker was van te Yelofki te zullen aantreffen; ik keerde dan te rug, ten einde mijn weg te vervolgen, dien ik verlaaten had. Ik kwam vrij tijdig te Tchoka, het laatste dorp, dat ik doorgetrokken was, om mij naar Nijenei te begeeven, en het welk, gelijk men gezien heeft, twee en twintig wersten van daar gelegen is. Hier heerscht een hevige en bijna geduurige wind uit het westen, men vind daar van de reden in de legging van dit dorp aan de rivier, tusschen twee ketens van bergen, welke door deeze gescheiden word, en die zich vijfentwintig wersten langs deszelfs twee oevers uitstrekken.

Ik bragt den nagt te Kamokoff door, en den volgenden morgen bereikte ik in weinig uuren het Ostrog van Kamini of van Pierre, van daar nam ik den weg op Kartchina, onderweeg trok ik voor bij drie meiren, waar van het laatste zeer uitgestrekt was, en weinig minder dan vier a vijf uuren omtrek heeft. Ik sliep in dit laatste Ostrog, veertig wersten van het voorige en gelegen op de rivier van Kartchina[87].

[87] In het algemeen, hebben bijna alle de dorpen dezelfde naamen als de rivieren, aan welkers oevers zij geplaatst zijn, uitgezonderd nogtans die geenen, welke op de Kamschatka zijn gelegen.

1788. _Februarij_ Den 14.

Ik vertrok van daar met het aanbreeken van den dag, en niettegenstaande het slegte wêer, dat ik geduurende dien geheelen dag ondervond, reisde ik evenwel de zeventig wersten, die ik nog tot Yelofki afteleggen had: dit Ostrog is op de rivier van denzelfden naam gelegen, en van bergen omgeeven.

Ik voeg mij weder bij den Heer Kasloff te Yelofki.

De Heer Commandant prees mijnen gemaakten spoed, dog ik had mij te vergeefs gevleid, dat het oogenblik van onze hereeniging ook dat van ons vertrek zou weezen; de zaaken zijner bediening, die hem derwaarts geroepen hadden, waaren nog niet afgeloopen, het geen hem noodzaakte om zijn verblijf te verlengen; daar en boven hoopte hij, dat de Heer Schmaleff ook niet lang zou agterblijven, dewijl, wanneer wij onze reismaat in aanmerking namen, het mogelijk geweest was, dat hij ons te Yelofki aangetroffen had. Wij bleeven 'er nog vijf dagen, zo om de zaaken te eindigen als om hem te vergeefs te wagten; de Heer Commandant aan mijn ongeduld toegeevende bewilligde in ons vertrek op den 19 des morgens zeer vroeg.

1788. _Februarij_ Den 19.

Storm die ons op weg overviel.

Wij deeden in het begin vier en vijftig wersten vrij langzaam af, dog in den agtermiddag wierden wij door eenen ijsselijken storm uit het westen en noord-westen overvallen; wij bevonden ons in het open veld, de wervelwinden waaren zo hevig, dat het ons onmogelijk was verder te komen; de sneeuw, daar door bij vlaagen opgenomen, vormde in de lucht eenen dikken nevel, en onze leidsluiden wilden, niettegenstaande de kennis, die zij van de wegen hadden, niet meer instaan voor het verdwaalen. Wij konden hun maar niet beweegen om ons verder te brengen, het was echter onmenschelijk hier op de genade van een zo geweldigen orcaan te blijven leggen; wat mij betreft, ik erken, dat ik zeer mismoedig wierd, wanneer onze geleiders voorsloegen om ons digt bij een bosch te brengen, het welk zij ons zeiden niet ver afgelegen te zijn, en alwaar wij ten minsten ons eenigermaate in veiligheid konden stellen. Wij aarzelden niet om van hunnen goeden wil gebruik te maaken, dog voor dat wij dien weg verlieten, die onmogelijk te onderscheiden was, moesten wij nog wachten, tot dat alle de sleeden van ons gevolg bij een waaren, anders hadden wij gevaar geloopen, om van elkander te geraaken en elkander te verliezen; de vereeniging geschied zijnde, bereikten wij dit bosch, het geen gelukkig op den afstand, dien men ons gezegd had, gevonden wierd; omtrent ten twee uuren nadenmiddag hielden wij stil.

Noodwendige stilhouding bij een Bosch.

Manier waar op de Kamschatters hun bed op de sneeuw vervaardigen.

De eerste voorzorg van onze Kamschatters bestond daar in, om een gat in de sneeuw te graaven, welke ter dezer plaats ten minsten zes voeten diep was, anderen bragten hout aan, in een oogenblik was het vuur aangestoken, en de ketel geplaatst; een sobere maaltijd en eenige maaten brandewijn herstelden welhaast al ons volk; toen de nagt aankwam, hield men zich met de middelen bezig, om dien zo goed mogelijk op ons gemak doortebrengen, ieder werkte aan zijn bed, het mijne was in mijn _vezock_, alwaar ik mij in kon neerleggen, dog niemand als de Heer Commandant en ik hadden een zo gemaklijk rijtuig. Hoe, zeide ik tot mij zelfs, zullen het die arme menschen met slaapen maaken? Ik was welhaast buiten ongerustheid omtrent hun; de wijze, waar op ik hun derzelver bed zag toebereiden, verdiend verhaald te worden, hoe zeer ze 'er niet veel werk van maaken; na eerst een gat in de sneeuw gemaakt te hebben, bedekten zij het zelve met kleine takken van boomen, en wel de dunste, die zij vinden konden, vervolgens wikkelden zij zich in een _Kouklanki_, en na het hoofd in de kap, die 'er aan vastgemaakt was, gestoken te hebben, lagen zij zich neder even als op het beste bed des waerelds; wat onze honden betreft, deeze wierden uitgespannen en aan de boomen rondom vastgemaakt, alwaar zij den nagt zo als gewoonlijk op de sneeuw doorbragten.

1788. _Februarij_ Den 20.

De wind sterk geminderd zijnde, begaven wij ons voor den dag wederom op weg, wij hadden nog dertig wersten afteleggen om ons naar Ozernoi te begeeven, alwaar wij voorneemens geweest waaren om den voorigen nagt te slaapen; wij kwamen daar des morgens ten tien uuren aan, dog onze honden ten uiterste vermoeid zijnde, waaren wij genoodzaakt aldaar het overige van den dag en zelfs den nagt te blijven in hoop, dat de wind, die in den agtermiddag wederom met de grootste hevigheid begon op te steeken, in dien tusschentijd zou bedaaren.

Ostrog van Ozernoï.

Het Ostrog van Ozernoï ontfangt zijn naam van een meir in deszelfs nabuurschap; de rivier Ozernaïa loopt langs dit dorp, dog ze is van weinig belang; het huis van den toijon is de eenigste isba, die ik te Ozernoï gezien heb, en men zeide mij, dat ik 'er tot aan de stad Ingiga geene meer zou aantreffen; daar en tegen telde ik vijftien balagans en twee yourtes. Ik behoorde hier deeze onderaardsche wooningen te beschrijven, dog dewijl deeze klein zijn in vergelijking van die, welke ik welhaast gelegenheid zal hebben waarteneemen, wil ik liever de beschrijving tot dat tijdstip uitstellen.

Den 21.

Wij vertoefden den 21. nog te Ozernoi, om daar te vergeefsch een Sergeant van het gevolg van den Heer Commandant aftewachten, dien hij naar de stad Nijenei-Kamschatka had afgezonden.

Den 22.

Den volgenden morgen begaven wij ons naar Ouké, wij waaren daar zeer vroeg; als hebbende maar zes en twintig wersten afgelegt, wij beslooten niet verder te gaan, om aan den Sergeant gelegenheid te geeven van zich weder bij ons te kunnen voegen, gelijk men hem bevolen had, dog hij kwam niet.

Ostrog van Ouké.

Te Ouké vind men geen eene isba, dit Ostrog bestaat alleen uit een twaalftal balagans en twee ijourtes, men had 'er een voor den Heer Kasloff schoongemaakt, en wij bragten daar den nagt door.

1788. _Februarij_ Den 23.

Wij verlieten dit dorp met het aanbreeken van den dag, ter halver weg wierden wij een aantal balagans gewaar, die alleen maar, zo men ons verhaalde, bewoond worden ten tijde van den vischvangst; niet ver van daar, zagen wij de zee weder, en wij reeden ze eenigen tijd langs. Ik wierd zeer verhinderd om in persoon te kunnen ontdekken, tot op welken afstand ze digt lag, of welke de strekking van dit gedeelte der oostkust van Kamschatka is. Een noordewind overviel ons, en voerde ons de sneeuw met zo veel gewelds in de oogen, dat men maar alleen moest denken om ze afteweeren; daar en boven hing 'er over de zee een nevel, die van den oever af begon, en zich wijd scheen uittestrekken. Dit duistere gordijn verborg dezelve bijna geheel aan het oog; de bewoonders des lands, die ik ondervroeg, antwoordden mij, dat wij langs eene niet zeer ruime baaij gekomen waaren, en dat de zee tot op dertig wersten ver van de kust met ijs bedekt was.

Te Khaluli een met leer bedekte baidar.

Ik vond te Khaluli, een Ostrog aan de rivier van deezen naam, zes en zeventig wersten van Ouké, en niet ver van den zeekant gelegen, niet meer dan twee yourtes en twaalf a dertien balagans, dog ik zag daar met vermaak een baidar met leer bedekt. De lengte van deeze schuit of boot was omtrent van vijftien a agttien voeten, en de breedte van vier voeten, het geraamte was van vrij dunne planken, het welk als latwerk aangelegt was. Een langer en zwaarder stuk hout dan de andere diende voor de kiel, de dwarshouten waaren met riemen vastgemaakt, en dit alles overdekt met verscheide vellen van zeepaarden en zeewolven van de grootste soort; de wijze waar op deeze vellen toebereid en digt aan een genaaid waaren, zo dat het water niet in de schuit kon doordringen, behaagde mij het meest, ze scheen mij van gedaante als de onze, dog minder rond, ook had ze die zwier niet, aan de uiterste einden enger, eindigde ze in een punt en was aan de kiel plat, de ligtheid dezer vaartuigen zeer geneigd tot omslaan, heeft deeze zamenstelling noodzaaklijk gemaakt, waar door ze meer evenwichts verkrijgt; deeze baidar was onder een loots geplaatst, die gemaakt was om ze voor de sneeuw te bewaaren. De toijon van Khaluli ons zijn yourte ingeruimd hebbende, verbleeven wij daar des nagts, want wij moesten tot den volgenden morgen wagten, eer wij ons op weg konden begeeven; de wind was na onze aankomst meer opgestoken, en verminderde niet voor des nagts.

1788. _Februarij_ Den 24.

1788. _Februarij_ Den 25.