Historisch dagverhaal der reize van den heer De Lesseps Zedert het verlaten van den Heer Graaf de la Perouse en zyne togtgenooten in de haven van St. Pieter & Paulus op Kamchatka, enz.

Part 10

Chapter 103,892 wordsPublic domain

Alle de Kamschatters van dit dorp, zo wel mannen als vrouwen, zijn Chamans of gelooven aan de toverijen van deeze gewaande duivelskonstenaars. De een en de ander vreezen ten uitersten de Popen of Russische priesters, tegen welken zij een ongemeenen haat koesteren, ook zoeken zij altoos de ontmoeting met hun te ontwijken, somtijds is dit hun onmogelijk, als dan zoeken zij zich te vermommen wanneer ze hun zien naderen, en begeeven zich zo spoedig mogelijk weg. Ik schrijf deeze vrees, welke hun het gezicht der priesters inboezemt, aan den blaakenden ijver toe, welken deeze zonder twijffel betoont hebben in het uitroeijen der afgoderij, en die de Kamschatters voor vervolging aanzien; zij beschouwen dus deeze bedienaars van den Godsdienst als hunne grootste vijanden: mogelijk hadden zij grond om te gelooven, dat deeze zendelingen met hunne bekeering alleen niet ten oogmerk hadden om derzelver afgoden omvertewerpen. Deeze popen gaven hun waarschijnlijk het voorbeeld der deugden niet, welke zij hun predikten zonder ze zelfs te beoeffenen. In der daad meent men, dat zij zich minder bekommerden om nieuwbekeerden te maaken, dan wel om goederen te verkrijgen, en voor al om die neiging te voldoen, welke hun zo dikwils mogelijk tot de dronkenschap vervoert. Men moet zich dus niet verwonderen, wanneer men deeze inwoonders nog aan derzelver oude dwaalingen ziet vasthouden. Zij bewijzen altoos een geheimen eerdienst aan hun God Koutka[79], zij stellen een zodanig vertrouwen in hem, dat ze onophoudelijk aan hem hunne gebeden opzenden, wanneer ze eenige zaak onderneemen of eenig goed verlangen. Gaan zij op de jagt, onthouden zij zich van hun te wasschen, en wagten zich wel om eenig teken van het kruis te maaken; zij roepen hun Koutka aan, vervolgens offeren zij aanstonds aan deezen God de eerste marter of het eerste dier, dat zij maar vangen kunnen, overtuigt, dat na deeze Godsdienstige daad derzelver jagt allergelukkigst moet weezen; zij verbeelden zich in tegendeel, dat wanneer zij een kruis maakten, zij zich zouden blootstellen om niets te vangen. Tot hunne bijgeloovigheid behoort ook de toewijding van de jonggeboore kinderen aan hun Koutka, die zij reeds van de wieg af aan tot Chamans voorbeschikken. De eerbied, dien zij in dit dorp voor deeze tovenaars bezitten, is niet te begrijpen; dezelve schijnt waarlijk zinneloosheid en verwekt een diep medelijden; want de buitenspoorigheden, met welke deeze de ligtgelovigheid van hunne landgenooten bezig houden, zijn zo dwaas en ongerijmd, dat men 'er minder om lagchen moet dan wel met verontwaardiging daar over aangedaan weezen. Het is waar, tegenswoordig verrichten zij hun kunst niet meer opentlijk, zij voegen zo veel uitwendigs niet meer bij hunne toverijen; hunne kleederen zijn niet meer met geheimzinnige ringen, nog met verschillende zinnebeeldige metaalen figuuren opgeciert, welke zich op de minste beweging van hun ligchaam met veel geraas deeden hooren, zij hebben insgelijks ook een zeker soort van ketel afgelegt[80] op dewelke zij de maat sloegen, geduurende hunne voorgewende bezweeringen, of om een ieder van hunne aankomst te verwittigen; en eindelijk, hebben zij zich ook van alle de toverinstrumenten ontdaan. Ziet hier ten naasten bij, waar in hunne plegtigheden thans in derzelver vergaderingen bestaan, welke zij zorgvuldig in het geheim houden, dog die daarom geen minder toeloop hebben. Men stelle zich een kring voor van aanschouwers, die met eene domme oplettenheid rondom den tovenaar of tovenaarster geschaard zijn, want de vrouwen zijn, zo als ik reeds verhaald heb, ook in de geheimenissen der Chamans ingeleid. Eensklaps zet deeze of die zich aan het zingen, of liever aan het geweldig schreeuwen, zonder maat of betekenis; de gehoorzaame vergadering antwoord hem op dezelfde manier, het geen het allerwanluidendste en onverdraagelijkste concert uitmaakt. Langzamerhand raakt de Chaman in verrukking, hij begint op de verwarde toonen van zijne toehoorders te danssen, die zich heesch schreeuwen en verbleeken in de vervoering van hun iever en bewondering; de dans word heviger, naar maate de dienaar van den God Koutka den voorzeggenden geest ontwaar word. Gelijk aan de Pijthische Waarzegster op den drievoet, slaat hij verwilderde en verwoede blikken op, alle zijne beweegingen zijn stuiptrekkende, zijn mond verdraait zich, zijne leeden worden stijf, 'er zijn, om alles in het kort te zeggen, geene verdraaijingen of grillen uittedenken, welke hij niet verzint en uitvoert, tot groote verbaazing van alle de aanweezenden. Na dat hij een tijd lang deeze grillen verricht heeft, houd hij dikwils eensklaps stil, als of hij ingeevingen verkreeg; zijne zinneloosheid word dan zo bedaard als ze eerst heftig geweest is, men ziet geen woede of vervoering meer, het is dan de geheiligde opgetoogenheid van den mensch, geheel vervuld van den God, die hem beheerscht, en die door zijne stem zal spreeken. Verbaast en al beevende, zwijgt aanstonds de vergadering, in de verwachting van het wonderbaare, dat aan hun zal geopenbaard worden. Deeze hoord als dan uit den mond van den zogenaamden Propheet woorden zonder aaneenschakeling voortkomen, die de bedrieger zich bij tusschenpoozen laat ontglippen, hij verkondigt dus alles wat hem door het hoofd gaat, en dit is altoos een uitwerkzel van de ingeevingen van den Koutka. De redenaar verzeld gewoonlijk zijn verhaal of met een vloed van traanen of met een geschater van lagchen, naar maate van het goede of het kwaade dat hij verkondigt, en zijne kragtige gebaarden verschillen naar gelang van zijne gewaarwordingen[81]. Deeze bijzonderheden omtrent de Chamans zijn mij door geloofwaardige lieden medegedeeld, die middel gevonden hadden om hunne onbeschaamde openbaaringen bij te woonen.

[79] Men vind daar van in Steller eene getrouwe beschrijving.

[80] Dit soort van trom wierd bouben genaamd, deeze is nog in gebruik bij de Yakoutsken, gelijk men in het vervolg zien zal.

[81] Men zou kunnen zeggen dat ten deezen opzichte de Chamans eene zekere overeenkomst met de Kwakers hebben; men weet dat deeze laatste ook diergelijke inblaazingen vooronderstellen, en dat die geen onder hun, welke aan deszelfs ingeeving bot viert, meest altoos begint met erbarmelijk te schreijen, of tekens van eene onverwachte vreugde te geeven; ten minsten preeken deeze ingegeevene nog, schoon wat in het wilde, over de zedekunde, welke zij meenen in haar zuiverste kracht voortestellen, in plaats dat de Kamschatsche redenaars niet weeten wat zij zeggen, en dit geheimzinnig en trouwloos gesnap niet anders bezigen, dan om de afgoderij van hunne al te eenvoudige toehoorders, aantewakkeren.

Bericht van een opstand der Koriaken.

Men bevestigde ons te Machoure dat geen, het welk reeds aan den Heer Commandant berigt was, door een ingenieur genaamt Bogenoff; hij was naar de omliggende streeken van de rivier de Pengina gezonden, om daar den grond voor een stad uit te kiezen en 'er het plan van aftetekenen, met bevel om vervolgens de westkust van Kamschatka te volgen tot aan Tiguil, en om eene naauwkeurige kaart van zijn reis te vervaardigen. Bij zijn aankomst te Kaminoi[82] vond hij, volgens zijn verhaal aan den Heer Kasloff, eene groote menigte van muitende Koriaken, die gewapend voor hem kwamen om hem den doortogt te sluiten, en te beletten, dat hij aan zijne zending kon voldoen. Men voegde 'er hierbij, dat zij ten getale van zes honderd waaren, en dat ze zeer waarschijnlijk ons even min onze reis zouden laaten vervolgen. Het vooruitzicht was treurig, vooral voor mij, die van begeerte brandde om te Okotsk te komen, even als of daar de eindpaal van mijn reis was, of dat ik van daar tot in Frankrijk maar een dag reizens had afteleggen. Hoe hard viel mij het denkbeeld, dat 'er geen andere weg zijnde dan door dit dorp, wij mogelijk genoodzaakt zouden weezen om te rug te moeten keeren! de gedagte alleen deed mij van ongeduld beeven. De Heer Commandant, die met mij daar in deelde, was even als ik van oordeel, dat wij ons op deeze berichten niet moesten ophouden, dezelve konden misschien niet naauwkeurig zijn; het gewicht, dat de verhaalders daar in stelden, het verbaard gelaat, waar mede zij hunne verhaalen vergezelden, eindelijk de kleine bijvoegzelen, die men er dagelijks toevoegde, dit alles deed ons het verhaal mistrouwen. Bij gevolg beslooten wij, dat wij ons zelfs van de waarheid der zaak moesten overtuigen, en voorwaards trekken, behoudens de toevlucht tot de hulpmiddelen, waar door wij onzen doortogt konden verkrijgen, ingevalle deeze oproerigen zich daar tegens mogten verzetten; dog welhaast wierden wij aangemoedigd door de aankomst van een expresse bij den Heer Kasloff, dien geen de minste tegenkanting of moeijelijkheid op zijn reis wedervaaren was, hij verzekerde ons, dat hem alles bedaard was voorgekomen; daar en boven hadden wij reden om te gelooven, dat, in het tegengesteld geval, hij eenige beweegingen zou hebben moeten gewaar worden, en dat wij dus geen beletzel op onzen togt te vreezen hadden.

[82] Een dorp gelegen op den oever van de rivier van Pengina.

Den 5.

Vertrek van Machoure.

Met het krieken van den dag verliet ik dan den Heer Baron van Steinheil, met zo veel leedweezen als erkentenis voor zijn verplichtend onthaal, en voor alle de blijken van genegenheid, die hij mij geduurende mijn kort verblijf te Machoure betoonde[83]. Ik verliet in hem een waarlijk belangrijk mensch, zo wegens zijne kundigheden als hoedanigheden.

[83] Niettegenstaande alle mijne voorzorgen, had ik hier het ongenoegen van mijn Sabelmarter die de Heer Kasloff mij gegeeven had te zien sterven; ziet pag. 48. Aanstonds liet ik ze villen om het vel te kunnen bewaaren.

Een mijner vermaaken had daar in bestaan, om haare hebbelijkheden gade te slaan. Derzelver verwonderlijke levendigheid maakte haar de keten onverdraagelijk, dikwils zogt ze te ontsnappen, en ze zou zeker daar toe gekomen zijn, zo ik ze niet onophoudelijk bewaakt had, en nooit agterhaalde ik ze, zonder dat ze mij een of andere beet toebragt, zij ontvingen bij voorkeur vleesch, het geen in de bosschen het begunstigde voedzel der marters uitmaakt. Haare gezwindheid in het vangen der vogels, en om dieren die zwakker als zij zijn, aantevallen, is onbegrijpelijk. De mijne sliep bijna den geheelen dag, des nagts maakte ze een geduurig gedruis, met zich in de keten te beweegen, dog ten uiterste vreesachtig, wanneer ze iemand zag aankomen, hield ze zich stil, en begon wederom als ze alleen was. Ik had de gewoonte van ze verscheide maalen op den dag buiten te brengen, naauwlijks was ze op de sneeuw, of ze begroef zich en dolf onder de aarde even als de mollen, zich van tijd tot tijd vertoonende om zich aanstonds weder te verbergen.

1788. _Februarij_ Den 6.

Geduurende deezen dag reisden wij zes en zestig wersten ver over de Kamschatka, welkers ijs overal sterk en volmaakt effen was; ik zag niets aanmerkelijks op mijn togt zo min als in het dorp van Chapina, alwaar wij bij het ondergaan van de zon aankwamen.

De groote en de kleine Nikoulka.

Wij vertrokken den volgenden dag vroegtijdig van daar; de sneeuw belemmerde ons dien dag sterk; de grond was 'er mêe bedekt, en deszelfs dikte maakte onzen togt zeer moeijelijk. Wij reisden meest altoos door zeer digte dennen en berken bosschen. Ter halver weg en een weinig verder, ontmoeteden wij twee rivieren, waar van de eene omtrent dertig toisen of vijftien roeden breedte heeft, men noemt ze de groote _Nikoulka_, en de andere de kleine; beide gevormt door bronnen, die uit de bergen komen, vereenigen ze zich ter deezer plaats, om gezamentlijk derzelver water aan de Kamschatka toetevoeren; nog de een nog de ander lagen digt; ik schreef de oorzaak daar van toe aan de groote snelheid van derzelver stroom. De plaats waar ik ze overtrok is waarlijk schilderachtig, dog het geen mij nog zonderlinger voorkwam, bestaat hier in, dat alle de denneboomen, die in grooten getale deeze rivieren omzoomen, boomen van ijs scheenen te weezen; een zeer dik ijzel, mogelijk door de vogtigheid van de plaats voortgebragt, had zich aan iederen tak vast gehegt en maakte derzelver geheele oppervlakte zuiver wit.

Vuurspuwende bergen van Tolbatchina en van Klutchefskaia.

Vroegtijdige Huwelijken in Kamschatka.

Op eenigen afstand van Tolbatchina, trokken wij een heide over, van waar ik drie vuurspuwende bergen ontdekte; geen derzelver wierp vlammen uit, alleen gaven ze wolken van eenen zeer zwarten rook op; de eerste, waar van ik te vooren gesprooken heb, wanneer ik naar Machoure ging, heeft deszelfs haardstêe in het binnenste van een berg, die omtrent van een kegelachtige gedaante is, de top is plat en schijnt weinig verheven. Men zeide mij, dat deeze eerste vuurberg geduurende eenigen tijd stil geweest was, dat men hem zelfs voor uitgedoofd hield, wanneer hij eensklaps op nieuw ontstoken is. In het noord-oosten van deezen word men een piek gewaar, welkers punt de mond van den tweeden vuurberg schijnt te zijn, die zonder ophouden rook uitgeeft, dog ik zag geen de minste vonken. De derde deed zich in het noord-noord-oosten van den tweeden aan mijn oog op; ik kon denzelven niet zo waarneemen, als ik wel gewenscht had, een vrij hooge berg bedekte hem bijna geheel aan mijn oog. Hij ontleent zijn naam van het nabuurig dorp Klutchefskaïa, en men zeide mij, dat ik 'er zeer digt voor bij zou komen; de twee andere vuur-bergen ontleenen insgelijks derzelver naamen van het Ostrog Tolbatchina, alwaar wij vroegtijdig aankwamen. Dit dorp is op de Kamschatka gelegen, vierenveertig wersten van Chapina; het bevat niets buitengemeens; wij vernamen 'er bij onze aankomst, dat men aldaar dien morgen twee Kamschatters getrouwt had; het deed mij leed die plegtigheid niet bijgewoond te hebben, die men mij verhaalde, dat bijna op dezelfde wijze als in Rusland geschiedde. Ik zag de nieuw getrouwde, die mij voorkwamen twee kinderen te zijn; ik vroeg na derzelver ouderdom, en men antwoordde mij dat de bruidegom weinig meer dan veertien jaaren, en de bruid ten hoogste elf bereikte. Diergelijke huwelijken zouden overal buiten Asia voor al te vroegtijdig gehouden worden.

Reize naar Nijenei-Kamschatka.

Ik had eene bijzondere begeerte om de stad Nijenei-Kamschatka te zien, en zedert lang was ik bedagt om aan die begeerte te voldoen. Ik zou gemeend hebben eenen onvergeeflijken misslag te begaan, indien ik dit schier-eiland verliet, zonder deszelfs hoofdstad te leeren kennen. Ik was van den anderen kant verzekert, dat mijne nieuwsgierigheid ten deezen opzichte geene belemmering kon toebrengen aan mijn voorneemen, om met allen mogelijken spoed te reizen. Ik was in der daad genoodzaakt een omweg te neemen, dog deeze was niet lang genoeg om mij eenig beletzel van belang te veroorzaaken. Na dat ik mijn reis met den Heer Kasloff overlegd had, die zich bevlijtigde om mij alles te verschaffen, waar door ik die reis met zekerheid en vermaak kon volbrengen, verbond ik mij om in het Ostrog van Yelofki mij weder bij hem te voegen, alwaar die Heer mij verwittigde, dat hij eenige dagen dagt door te brengen, om op verscheide zaaken van zijn bestier de nodige orders te stellen.

Ik verlaat den Heer Kasloff te Tolbatchina.

Om des te minder tijd te verliezen, nam ik zelfs den eigen avond van onze aankomst te Tolbatchina afscheid van hem; dog de wegen waaren nog slegter dan alle die, welke wij tot nog toe hadden doorgetrokken. Ik had alle moeite, om met het aanbreeken van den dag Kosirefski te bereiken. Dit dorp was zes en zestig wersten van Tolbatchina afgelegen.

1788. _Februarij_ Den 7.

Voorvallen op mijn reis naar Nijenei-Kamschatka.

Ik hield mij aldaar niet op; ik was trots, dat ik gelukkig alle de gevaaren, welke ik geduurende den nagt op deeze ijsselijke wegen geloopen had, was te boven gekomen[84], ik dagt op den dag niets te vreezen te hebben, ik vervolgde mijn weg met eene zekere onbeschroomdheid, waar voor ik echter wel haast gestraft wierd. Na een meenigte wersten op de Kamschatka afgelegt te hebben, die ik blijde was weder te vinden, en welkers breedte ik ter deezer plaats bewonderde, wierd ik genoodzaakt dezelve te verlaaten, om in eene engte te komen, alwaar de sneeuw door de orkaanen aangebragt, eene oneffe en bedriegelijke oppervlakte vertoonde. Het was onmogelijk om de klippen, die mij omringden, te vermijden. Ik hoorde welhaast een gekraak, het welk mij de een of andere breuk aan mijn slêe aankondigde; en in der daad, een schaats was in twee-en gebroken, ik hielp mijne leidslieden dezelve zo goed en kwaad vermaaken, als wij konden, en wij hadden het geluk te Ouchkoff zonder eenig ander toeval aantekomen. Het was middernagt, wanneer wij 'er aankwamen, hebbende wij in deezen dag zes en zestig wersten afgelegt; mijn eerste zorg was om mijn slee te doen verstellen, het geen mij tot den volgenden dag ophield.

[84] Ik vernam daar na, dat het weinig gescheelt had, of de slêe van den Heer Kasloff, welke dien weg op den dag was doorgetrokken, was in stukken gebrooken, hebbende dezelve tegen een boom gestooten, zo dat daar door twee zijner geleiders gekwetst waaren.

Ostrog van Ouchkoff.

Men ziet in dit dorp een isba en elf balagans; het getal van deszelfs inwoonders bestaat in vijf geslachten, die in drie Yourtes verdeeld zijn. In de nabuurschap van dit Ostrog word een zeer vischrijk meir gevonden, alwaar de nabuurige dorpen derzelver voorraad komen opdoen, dit meir is ook van zeer veel nut voor de hoofdplaats, welke zonder de visscherij, die daar in voor haar geschied, dikwils gebrek aan visch zou hebben, het welke men weet overal het eerste noodwendigste voedzel te zijn.

1788. _Februarij_ Den 8.

Ostrog van Krestoff.

Ik vertrok in den vroegen morgen van Ouchkoff en op den middag had ik reeds vier en veertig wersten afgelegd, gedeeltelijk over de Kamschatka en gedeeltelijk over zeer uitgestrekte heiden; het eerste dorp, dat ik aantrof, was Krestoff, het scheen mij van een weinig meer belang te zijn dan het voorige, dog voor het overige volmaakt gelijk aan alle de anderen, ik bleef 'er niet langer dan nodig was om andere honden voortespannen. Tot daar toe had ik den weg genomen, die de Heer Kasloff moest volgen om naar Yelofki te gaan; dog in plaats van mij naar Katchina te begeeven gelijk hij deed, zo richte ik mijn weg van Krestoff naar het dorp van Klutchefskaïa, dat er dertig wersten van afgeleegen is.

Vuurberg van Klutchefskaïa

Het weder, dat zedert ons vertrek van Apatchin altoos zeer schoon en zeer koud was geweest, veranderde eensklaps in den agtermiddag; de hemel raakte met wolken bedekt, en de wind, die zich van den westkant verhief, gaf ons sneeuw in overvloed; dezelve hinderde ons geweldig, voor al om den vuurspuwenden berg van Klutchefskaïa te kunnen beschouwen, welken ik terzelfder tijd als dien van Tolbatchina gewaar was geworden. Zo veel mij mogelijk was om 'er van te oordeelen, is de berg, uit wiens boezem de stoffen voortkomen, veel hooger dan de twee anderen; deeze werpt geduurig vlammen uit, die uit het midden der sneeuw, waarmede de berg tot aan den top bedekt is, schijnen voorttekomen.

Inwoonders van Klutchefskaïa.

Bij het vallen van den nagt kwam ik aan het dorp Klutchefskaïa; deszelfs inwoonders zijn alle Siberische boeren, uit de omgelegen streeken van de Lena genomen, en in deeze oorden voor omtrent vijftig jaaren gezonden tot bearbeiding der gronden. Het getal der mannelijke persoonen, de kinderen daar onder begreepen, beloopt weinig meer dan vijftig; de kinderziekte viel onder hun alleen die geene aan, welke ze nog niet gehad hadden, dog zij rukte 'er meer dan de helft van weg. Deeze akkerlieden zijn niet minder gelukkig geweest, dan die, welke zich in den omtrek van Vercknei-Kamschatka bevinden; derzelver oogst en de hoedanigheid van het graan, zo van rogge als gerst, hebben dit jaar derzelver verwachting te boven gegaan; deeze boeren bezitten veel paarden in eigendom, eenige behooren nogtans aan de kroon.

Ostrog van Klutchefskaïa.

Dit Ostrog is vrij groot, het schijnt zulks nog te meer, dewijl het in twëe-en gescheiden is, waar van het eene omtrent vier honderd passen van het andere aflegt; het strekt zich voor al van het westen naar het oosten uit, het is in deeze laatste windstreek, dat de Kerk geplaatst is, ze is van hout gebouwd en in den smaak van de Russische kerken. De meeste der wooningen zijn beter gebouwde en netter isbas dan alle de geenen, die ik tot hier toe gezien had, ook vind men daar zeer ruime magazijnen; de balagans zijn 'er in een gering aantal, en ook gelijken ze niet na die der Kamschatters, deeze zijn van eene langwerpige gedaante, en derzelver dak, dat de helling van de onze heeft, is op stijlen geplaatst, die het in de lucht ondersteunen.

Ostrog van Kamini.

De Kamschatka loopt langs den voet van dit Ostrog, en was ter deezer plaats nog geheel digt; ze loopt menigmaal geduurende den zomer buiten haare oevers, het water rijst en dringt dan dikwils tot in de huizen, waarom het zeer goed is dat ze alle op de hoogte gebouwd zijn.

Vier wersten ten oosten van de Kerk van Klutchefskaïa, is nog een ander _Zaïmka_ of klein gehugt, dat door Cosakken of Soldaten, die teffens akkerlieden zijn, bewoond word, wier oogst aan de regeering behoort; dog ik kon niet besluiten dien omweg te neemen, om het te gaan zien.

Ik hield mij maar weinig tijds te Klutchefskaïa op; ongeduldig om Nijenei te zien vertrok ik nog dien avond, om mij naar Kamini, een Kamschatsch dorp, twintig wersten verder gelegen, te begeeven. Ik kwam daar in het midden van den nagt aan, en reed het door.

1788. _Februarij_ Den 9. Te Nijenei Kamschatka

Ostrogs van Kamokoff & van Tchoka.

Aankomst te Nijenei.

Voor den dag was ik te Kamokoff, twintig wersten van Kamini, welhaast bereikte ik Tchokofskoï of Tchoka, na nog twee en twintig wersten afgelegd te hebben, van daar tot aan Nijenei bleeven 'er nog twee-en twintig aftedoen, en deeze overtogt was voor mij ook maar het werk van eenige uuren; ik had het genoegen voor den middag in deeze hoofdplaats van Kamschatka aantekomen, die men reeds van verre ontdekt, dog welkers vertooning nog grootsch nog vermakelijk is.

Beschrijving van deeze hoofdplaats van Kamschatka.

Het zelve vertoond niet anders dan een verzameling van huizen, waar drie klokken boven uitsteeken, en is gelegen aan den oever van de Kamschatka, in een kom, welke door een keten van bergen geformeerd word, die zich van ronds om verheffen, dog 'er echter op een vrij grooten afstand van verwijderd zijn; zodanig is de gesteldheid van de stad Nijenei, waar van ik, eer ik ze gezien had, meerdere verwachting had; alle deeze huizen, die men mij zeide in honderd vijftig te bestaan, zijn van hout, van een zeer kwaaden smaak, klein, en hadden als toen daar en boven de onaangenaamheid van onder de sneeuw begraven te zijn, die de orcaanen daar opgehoopt hadden. Deeze hebben zonder tusschenpoozing op die hoogte geheerscht, en waaren eerst zedert eenige dagen opgehouden. Daar zijn twee kerken te Nijenei, de eene is in de stad en heeft twee klokken, de andere, tot het fort behoorende, is daar binnen beslooten; deeze twee gebouwen zijn van een onbehaaglijk maakzel; het fort is bijna in het midden van de stad, het bestaat in eene vrij ruime palissadeering, van een vierkante gedaante. Behalven de kerk, waar van ik zo even gesprooken heb, besluit deeze omtrek daar en boven de magazijnen, het tuig en wagthuis; één schildwagt belet dag en nagt het inkomen; het huis van den bevelhebber van de plaats, den Heer Major Orléankoff, is bij het fort gelegen, en is even als de andere huizen, behalven dat het grooter is, het zelve is van geen beter smaak, nog hooger gebouwd.

Ik trad af bij een ongelukkigen banneling genaamt _Snasidoff_, die bijna ter zelver tijd met Ivaschkin een gelijk lot had ondergaan, dog om andere oorzaaken; hij is evenals deeze zedert het Jaar 1744 naar Kamschatka gebannen.