Historisch dagverhaal der reize van den heer De Lesseps Zedert het verlaten van den Heer Graaf de la Perouse en zyne togtgenooten in de haven van St. Pieter & Paulus op Kamchatka, enz.

Part 1

Chapter 13,730 wordsPublic domain

Produced by André Engels, Harry Lamé and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net. Scanned by Universiteitsbibliotheek Amsterdam (Early Dutch Books Online)

Opmerkingen van de bewerker:

In deze tekst wordt schuingedrukte tekst weergegeven tussen _lage streepjes_, en gespatiëerde tekst tussen ~tildes~. Alle klein-kapitalen uit het originele werk zijn vervangen door HOOFDLETTERS. Superscripts zijn getranscribeerd als ^{tekst}. [TR] representeert een mongram TR.

Meer opmerkingen zijn te vinden aan het einde van deze tekst.

HISTORISCH DAGVERHAAL DER REIZE VAN DEN HEER _DE LESSEPS_,

_Zedert het verlaaten van den Heer Graaf de la Perouse en zijne togtgenooten in de haven van St. Pieter & Paulus op Kamschatka, tot op zijne komst in Frankrijk, den 17. October 1788._

NAAR HET FRANSCH.

EERSTE DEEL.

[Illustratie]

_Te ~UTRECHT~_, BY B. WILD EN J. ALTHEER, 1791.

VOORBERICHT.

_De tijtel van dit werk kondigt reeds aan, wat het behelst; waarom zou ik mij bevlijtigen om het oordeel van den leezer voorinteneemen? zou ik meer recht op zijne toegeevenheid verkrijgen, wanneer ik hem zou gezegd hebben, dat ik in den grond geen verwaandheid genoeg bezat om een boek te willen schrijven? zal mijn verhaal gewichtiger worden, wanneer men weeten zal, dat ik 'er alleen aan arbeidde uit nood om mijnen leedigen tijd op eene nuttige en vermaaklijke wijze doortebrengen, en met de eenigste bedoeling, om aan mijne naastbestaanden het getrouw verslag van mijnen arbeid en van mijne waarneemingen, geduurende den loop van mijne reis, overtebrengen? het is gemaklijk te zien, dat ik bij tusschenpoozen geschreeven heb, en wel met meerdere of mindere zorgvuldigheid, naar maate het de omstandigheden mij toelieten, of de voorwerpen mij meerder of minder troffen._

_Door het gevoel mijner onervarenheid opgewekt, heb ik gemeent aan mij zelfs verschuldigt te zijn, van mij geene gelegenheid, die ter mijner onderrechting kon dienen, te laaten ontglippen, even als of ik voorzien had, dat men mij verantwoording zou vergen van mijnen tijd, en van de kundigheden, die ik in de gelegenheid was van te kunnen verkrijgen; maar zal uit deeze zorgvuldige naauwkeurigheid, waar aan ik mij gebonden heb, niet een gebrek van bevalligheid en van verscheidenheid in mijn verhaal ontstaan?_

_Daarenboven, de gebeurtenissen, die mij zelfs betreffen, waren zodanig verbonden aan de voorwerpen mijner aanmerkingen, dat mijne eigenliefde niet bedacht was om deeze bijzonderheden agterwege te laaten: ik heb dus het verwijt van te veel van mij zelfs gesproken te hebben verdiend; een gewoonlijke misslag in reizigers van mijne jaaren._

_Behalven deeze verveelende ongeschiktheid, moet ik mij nog beschuldigen van in veelvuldige herhaalingen vervallen te zijn, die eene meer geoeffende pen zou vermijd hebben. Vormt men zich niet altoos omtrent zeekere onderwerpen, en bijzonder in Reisbeschrijvingen, een zekeren gewoonen stijl? van daar, spreekwijzen en uitdrukkingen, die telkens wederkomen: om dezelfde voorwerpen te schilderen kan men zich ook alleen van dezelfde kleuren bedienen._

_Wanneer ik den tweeden dag na mijne ontscheeping in de haven van St. Pieter en Paulus dit dagverhaal begon, vond ik mij al aanstonds door de dagtekening belemmerd. Ik bezat geen Franschen Almanak, en ik ging over om den ouden stijl volgens Russisch gebruik aanteneemen; deeze benam mij de moeite om geduurig aan het verschil van elf dagen, welke de nieuwe stijl meerder telt, te denken; maar zedert het, tegens mijne verwachting, uitgemaakt is, dat dit werk door den druk het licht zoude zien, heb ik mij beijverd om in de dagtekeningen het gebruik bij ons aangenomen te herstellen, den nieuwen stijl namelijk, en tot gemak van den leezer heb ik denzelven op den kant geplaatst. Wat de uitspraak der Russische, Kamschatsche en andere woorden betreft, moet ik aanmerken, dat alle de letters duidelijk moeten uitgesprooken worden. Ik heb getragt, zelfs in het Woordenboek, om de medeklinkers te besnoeijen, waar van de verwarde zamenloop afschrik verwekt en ook niet altoos noodzaaklijk is. Deezen algemeenen Regel kan men volgen, de_ kh _moet op dezelfde wijze uitgesproken worden als de_ ch _der Duitschers, of de_ J _der Spanjaarden; en de_ ch _als in het Fransch. De laatste lettergreepen_ oi _en_ in, _moeten uitgesproken worden, als of ze geschreeven waaren_ oi _en_ ine.

_De bekwaame aardrijkskundige, die alle mogelijke zorg aan mijne kaarten heeft besteed, heeft 'er mijnen afgelegden weg met eene zo groote naauwkeurigheid op aangetekend, dat de leezer mij van flap tot flap volgen kan. Dit heeft mij doen besluiten om in mijn verhaal alle aantekeningen aftesnijden over de graaden van breedte en lengte._

_Een Kamschatter Caravane in een dorp aankomende, is het onderwerp, dat ik voor een plaat uitgekoozen heb, om dat die na 't mij toeschijnt tergelijker tijd een denkbeeld kan geeven van de yssleeden, van de verschillende plaatzing der Reizigers in dezelve, en van al het geen verder ten deezen opzigte merkwaardig is. Aan de zuiverheid der tekening en aan de juistheid van het graveerstift zal men de bekwaamheid herkennen van twee te recht vermaarde konstenaars._

_Er blijft mij nog overig om het uitstel, het welk het drukken van dit dagverhaal heeft ondergaan, te rechtvaardigen. Zonder tegenspraak had ik het eerder kunnen uitgeeven; mijn pligt zelfs vorderde zulks, maar mijne erkentenis gebood mij ter zelver tijd, om de terugkomst van den Heer Graaf de la Perouse aftewachten. Wat betekent mijn reis, zeide ik tot mij zelfs? Voor het algemeen, is ze niets anders dan een gevolg des gewichtigen togts van dien Bevelhebber; voor mij, is ze het eerbewijs van zijn vertrouwen: dubbelde beweegreden bij gevolg om te verlangen, van aan zijn oordeel de bijzonderheden van mijn verhaal te kunnen onderwerpen. Mijn eigebelang maakte mij daar van ook eene wet: hoe zeer zoude ik mij gelukkig geacht hebben, indien hij mij veroorloft had om mijne reis als een gevolg van de zijne in het licht te geeven, indien hij mij daar door verwaardigt had om in zijn roem te deelen! dit was, ik moet het bekennen, het eenig oogmerk van mijn eerzucht en van mijn uitstel._

_Wat is het treurig voor mij, na een jaar wachtens en ongedulds, nog het einde mijner hoop te zien verschuiven! Zedert mijn aankomst is 'er geen dag verlopen, waar in mijne wenschen onze onversaagde Zeelieden van de Zeekompas, (la Boussole) en de Starremeeter, (l'Astrolabe) niet te rug geroepen hebben. Wanneer ik mij verbeeldde de zee-en te bewandelen, die hun nog overbleeven om te doorkruissen, hoe dikwijls heb ik dan niet gezogt hunne spooren te herkennen, hen van rêe tot rêe te volgen, te veronderstellen, dat ze hier of daar verversching genooten, en alle de bogten van hunnen weg aftemeeten._

_Helaas! wanneer, op het oogenblik van ons scheiden op Kamschatka, de Bevelhebbers onzer Fregatten mij als een verlooren kind droevig in de armen drukten, wie zou mij toen gezegt hebben, dat ik het eerste mijn Vaderland moest wederzien? Wie zou mij gezegt hebben, dat verscheiden van hun 'er nimmer zouden wederkomen, en dat ik binnen weinig tijds traanen over hun lot zou storten!_

_In der daad, naauwlijks genoot ik de vrugt mijner zending en de omhelzingen mijner aanverwanten, of het gerugt van de tegenspoeden, onzen Zeelieden onder weg overkomen, vervulde mijn ziel met bitterheid en droeffenis. Hij is niet meer, die braave en deugdzaame zeeman[1], de vriend, de medgezel van onzen Bevelhebber, die man, welken ik beminde en eerbiedigde, als mijn vader; hij is niet meer, en mijn pen weigert zijn treurig einde te beschrijven! dog mijne dankbaarheid schept er genoegen in, om telkens te herhaalen, dat de nagedagtenis zijner deugden en weldaaden eeuwig in mij leeven zal._

[1] _De Heer Burggraaf de Langle._

_O leezer, wie gij zijt, vergeef mijner droefheid deeze afgeperste uitstorting van het hart! Indien gij hem, dien ik beween, hebt gekent, zult gij uwe weeklagten met de mijne vermengen; zult gij met mij den Hemel smeeken, dat Hij welhaast ter onzer vertroosting, en tot roem van Frankrijk, en den Bevelhebber van deezen togt, en die onzer moedige Argonauten, welke Hij ons nog gespaard heeft, tot ons wederbrenge. In het oogenblik, waar in ik schrijf, ach! zo eene gunstige wind hunne scheepen naar onze kusten voortstuuwde...! mogt die wensch mijnes harten verhoord werden! mogt de dag van de uitgaaf deezes werks ook de dag van hunne aankomst zijn! als dan zal ik, in de uitbundigheid mijner vreugde, al het genot der eigeliefde ontwaar worden._

[Illustratie:

ROUTE de M. De Lesseps

Consul de France

_Dans la Presqu'Ile de Kamtschatka Et le long du Golfe de Pengina, depuis le Port de_ S^{t}. Pierre _et_ S^{t}. Paul _Jusqu'a_ Yamsk. ]

REIZE VAN DEN HEER _DE LESSEPS_. UIT KAMSCHATKA NAAR FRANKRYK.

INLEIDING.

Naauwlyks bereik ik den ouderdom van vijfentwintig jaaren, en ik ben reeds aan het gedenkwaardigste tijdstip van mijn leven gekomen. Hoe lang, hoe gelukkig ook de loopbaan mooge wezen, die ik nog te vervullen heb, zo twijffel ik echter, of het mijn bestemming wel zal zijn, om immer in eenen zo roemrijken togt gebruikt te worden als deeze, welke in dit tijdstip geëindigt word door de twee Fransche Fregatten, het Zeecompas (_la Boussole_) en de Sterre-meeter (_l'Astrolabe_) het eerste onder bevel van den Heer Graaf de la Perouse, Opperhoofd van den togt, en het tweede onder bevel van den Heer Burggraaf de Langle.[2]

[2] Indien mijne pen deeze twee vermaerde mannen waerdig was, geschikt om te samen eene groote onderneeming met de volmaaktste eensgezindheid te volbrengen, hoe veel goeds zou ik dan van ieder hunner niet te zeggen hebben? dog zedert lang hebben derzelver verrichtingen en de algemeene achting hen boven alle lofspraak verheven.

Het belang, 't welk het gerugt van deeze reis rondom de waereld verwekt heeft, was veel te openbaar en te algemeen, dan dat men tegenwoordig niet met zo veel ongeduld als nieuwsgierigheid regtstreeksche nieuwstijdingen verwachten zoude van die doorluchtige Zee-lieden, welke door hun Vaderland en door geheel Europa van de Zeën wedergeëischt worden, die ze doorkruissen.

Wat is het vleijende voor mij, na van den Heer Graaf de la Perouse het geluk verkreegen te hebben om hem geduurende meer dan twee jaaren te volgen, nu wederom aan zijne keus de eer verschuldigd te zijn, van te land zijne brieven in Frankryk overtebrengen! hoe meer ik mijn geluk in het ontfangen deezer nieuwe proeve van zijn vertrouwen overweeg, hoe meer ik ook gewaar worde, wat eene diergelijke zending zou vereischen, en wat mij ontbreekt om die behoorlijk te vervullen: Dog ik moet zonder twijffel de voorkeur, op mij gevallen, alleen toeschrijven aan de noodzaaklijkheid om tot die reis iemand te kiezen, die de Russische taal kon spreeken, en die reeds zijn verblijf in dat Rijk gehouden had.

* * * * *

1787. _September_ Te St. Pieter & Paulus.

den 29.

Ik verlaat de Fregatten en ontfang mijne brieven.

Zedert den 6 September 1787 bevonden zich de Fregatten des Konings in de haven van Avatscha, of van St. Pieter & Paulus[3] gelegen aan het zuidelijk uiterste van het schier-eiland Kamschatka. Den 29 kreeg ik bevel om de Astrolabe te verlaaten; den zelfden dag stelde de Heer Graaf de la Perouse mij zijne brieven en bevelen ter hand. Zijne vriendschap voor mij vergenoegde zich niet om bij voorraad de geruststellendste schikkingen te maaken, ten einde mij met zekerheid en spaarzaamheid te doen reizen, maar dezelve ging zo verre, dat hij bij mijn vertrek mij zijne waarlijk vaderlijke raadgevingen medegaf, welke eeuwig in mijn hart zullen gegriffelt blijven. De Heer Burg-graaf de Langle had ook de goedheid de zijne daar bijtevoegen, die mij niet minder van nut geweest zijn.

[3] Deeze Haven word door de Russen genoemt _Petropavlosskaia-haven_.

Hier zij het mij geoorlooft de waare schatting mijner erkentenis te voldoen aan dien getrouwen deelgenoot der gevaaren en des roems van den Heer Graaf de la Perouse, die als zijn mededinger in alle de harten en ook in het mijne aangemerkt word, daar voor dat hij mij onophoudelijk tot een Vader, Raadgever en Vriend verstrekt heeft.

Des avonds moest ik van onzen Bevelhebber en deszelfs waardigen medegezel afscheid neemen. Men oordeele, wat ik uitstond, toen ik hen naar de booten, die op hen wachtten, te rug bragt; ik kon nog spreeken, nog hen verlaaten; zij omhelsden mij beurtelings, en mijne traanen leverden hun maar al te zeer bewijzen op van 't geen 'er in mijn ziel omging. De Officieren, allen mijne vrienden, die zich aan land bevonden, ontfingen ook mijn afscheidskus, allen bedroefden zij zich over mij, allen slaakten zij zuchten voor mijne behoudenis, en verschaften mij die vertroostingen en hulp, welke de vriendschap hun kon inboezemen. Mijn smert, wanneer ik van hun scheidde, laat zich niet beschrijven: Men rukte mij uit hunne armen, en ik vond mij zelven weder in die van den Heer Colonel Kasloff-Ougremin, Bevelhebber van Okotsk en van Kamschatka, aan wien de Heer Graaf de la Perouse mij meerder als zijn Zoon, dan wel als den Officier, die met zijne brieven belast was, had aanbevolen.

Ik blyf onder het toeverzigt van den Heer Kasloff, Russisch Bevelhebber.

Hier beginnen mijne verplichtingen omtrent deezen Russischen Bevelhebber. Toen kende ik reeds al het beminlijke van deszelfs inborst, altoos bereidvaardig om dienst te doen, waar over ik zedert zoo veel reden gehad heb om voldaan te weezen[4], hij spaarde mij alle aandoeningen met alle mogelijke zorgvuldigheid: ik zag hem met mij treuren over de verwijdering der booten, die wij nog lang na-öogden; en wanneer hij mij weder ten zijnent bragt, wendde hij alle moeiten aan om mij van mijne droevige overdenkingen aftetrekken. Wie zich een denkbeeld zou willen vormen van de schrikverwekkende gewaarwordingen, die ik in dit oogenblik ondervond, moet zich tragten in mijne plaats te stellen, alleen agtergelaaten op deeze bijna onbekende oevers, en vierduizend mijlen van mijn Vaderland verwijderd: wanneer ik zelfs deezen verbaazenden afstand niet in aanschouw genomen had, kon nogtans het bar gezicht deezer kusten mij genoeg aanduiden al het geen ik op mijnen langen en gevaarlijken togt zou te lijden hebben; eindelijk evenwel bragt het goed onthaal, 't geen mij de Inwoonders beweezen, en de onnoemelijke beleeftheden van den Heer Kasloff en de andere Russische Officieren te weege, dat ik langzaamerhand minder gevoelig wierd over het vertrek van mijne landgenooten.

[4] Na dat hij alle de Persoonen tot deezen togt behoorende met beleeftheden overlaaden had, tragtte hij nog daar en boven om onze Fregatten van levensmiddelen te voorzien. Niettegenstaande de moeijelijkheid om ossen in dit land te bekoomen, bezorgde hij er zeven op zijne eigen kosten, en altoos weigerde hij daar voor betaaling te ontfangen: het jammerde hem zelfs, dat hij 'er geen meer had kunnen geeven.

den 30.

Vertrek van de Fregatten des Konings.

Het zelve had plaats des morgens van den 30 September; de twee Fregatten gingen met een gunstigen wind, die geduurende verscheide volgende dagen woei, onder zeil, waar door wij dezelve dien eigen morgen reeds uit het oog verlooren. Men kan ligt bevroeden, dat ik ze niet zag vertrekken, zonder voor alle de Officieren en de Vrienden, die ik aan boord liet, mijne vuurigste en oprechtste smeekingen opwaarts te zenden; treurig en laatste eerbewijs van mijne erkentenis en verkleeftheid!

De Heer Graaf de la Perouse had mij aanbevolen spoed te maaken; dog ter zelver tijd had hij mij gelast, (het geen mij mijne genegenheid ook dadelijk voorschreef,) van onder geen voorwendzel hoe genaamd den Heer Kasloff te verlaaten: deeze had hem beloofd mij tot Okotsk, de plaats zijns verblijfs te zullen geleiden, werwaarts hij zich onverwijld begeeven moest. Ik voelde reeds het geluk van onder zulk een goed opzicht gesteld te zijn, en ik aarzelde niet om mij blindelings aan den raad van dien Bevelhebber overtegeeven.

Onmogelijkheid om mij naar Okotsk te begeeven voor den aanvang der sleedevaart.

Zijn voorneemen was te Bolcheretsk den tijd aftewagten, dat de sleedevaart kon begonnen worden, welke ons de noodwendige gerieflijkheden moest bezorgen om de reis naar Okotsk te onderneemen. Het Jaargetij was toen reeds te ver verloopen om den togt te land te doen, en de overvaart ter zee was niet minder gevaarlijk; daar en boven wierd er geen vaartuig in de twee Havens van St. Pieter & Paulus en Bolcheretsk gevonden.[5]

[5] Het schijnt, dat geduurende den zomer de zeevaart vrij zeeker is en dat dit de eenigste manier is, waar van de reizigers gebruik maaken om ter plaatze hunner bestemming te komen.

1787. _October_ Te St. Pieter & Paulus.

De zaaken, die de Heer Kasloff nog te verrichten had, en de toebereidzelen tot ons vertrek hielden ons nog zes dagen op, het geen mij zekerheid gaf, dat de Fregatten des Konings niet meer in het geval waren om weder binnen te komen. Ik maakte van dit toeven gebruik om mijne bespiegelingen te beginnen, en om mij een weinig uitvoerig de nodige onderrichting te verschaffen omtrent al het geene, dat mij omringde. Ik lag mij voor al toe om een juist begrip te verkrijgen van de baaij Avatscha en van de haven van St. Pieter & Paulus in dezelve.

Beschrijving van de Haven van St. Pieter & Paulus en van een ontwerp daar toe betrekkelyk.

De Capitein Cook heeft van deeze baaij eene zeer uitgestrekte beschrijving gegeeven, waar van wij de naauwkeurigheid terstond herkend hebben. Zedert heeft dezelve eenige veranderingen ondergaan, die men zegt, dat van veele anderen gevolgt moeten worden, voor al wat de Haven van St. Pieter & Paulus betreft. In der daad, het is zeer mogelijk, dat reizigers, welke hier na ons zullen aanlanden, verbaast staan, van er in plaats van vijf of zes huizen, zo als ze verwagten zouden, eene geheele stad, van hout gebouwd en vrijwel versterkt, aantetreffen.

Zodanig is ten minsten het ontwerp, het geen, zo als ik van ter zijden vernomen heb, door den Heer Kasloff, als deszelfs uitvinder, overgegeeven is, wiens oogmerken niet minder grootsch dan nuttig voor den dienst van zijne Souveraine zijn. De uitvoering van dit plan zal niet weinig toebrengen om de vermaardheid van deeze haven te vermeerderen, reeds beroemd door de vreemde scheepen die er aanlanden, en die de Koophandel er verder zoude kunnen brengen[6]. Om de schikkingen tot dit ontwerp wel te bevatten en er het nut van te waardeeren, heeft men zich alleen maar de uitgestrektheid en de gedaante van de baaij van Avatscha, en de gelegenheid van de bewuste haven voortestellen. Wij bezitten er reeds verscheide getrouwe beschrijvingen van[7] die in handen van de geheele waereld zijn; dus zal ik mij alleen bepaalen om van dat geene te spreeken, 't welk het nodige licht omtrent de denkbeelden van den Heer Kasloff kan verspreiden.

[6] Het blijkt zelfs, uit het geen de eerste Zeevarende daar van bericht hebben, dat 'er geen gemaklijker haven in dit gedeelte van Asien te vinden is, zodat het te wenschen zoude zijn, dat zij de algemeene stapelplaats des Koophandels van deeze streeken wierd. Dit zou des te meer voordeel aanbrengen, om dat de scheepen, die de andere havens bezoeken, namelijk die van Bolcheretsk, Nijenei-Kamschatka, Tiguil, Jngiga, en zelfs Okotsk, gewoonlijk maar bij geluk de schipbreuk ontkomen; het is om die reden, dat de Keizerin uitdruklijk alle scheepvaart na den 26 September verboden heeft.

Dog het geen ik ter zelver tijd vernomen heb, bevestigt nog meer mijn verhaal, en heeft welligt het denkbeeld verwekt tot dien nieuwen aanbouw.

Een Engelsch vaartuig, toebehoorende aan den Heer Lanz, Koopman te Macao, kwam in het afgeloopen Jaar 1786 in de haven van St. Pieter & Paulus ten anker. De Capitein Peters, het bevel op dit Schip voerende, deed aan de Russen voorslagen van Koophandel, waar van hier de bijzonderheden. Door eene gesloten overeenkomst met een Russisch Koopman, genaamt _Schelikhoff_, had hij zich verbonden om den handel in dit gedeelte der Staaten van de Keizerin te drijven, en vorderde ter waarde van tagtig duizend Roebels aan Koopmanschappen. Het is waarschijnlijk dat deeze goederen in Pelterijen zouden bestaan hebben, dewelke de Engelschen staat maakten in China te verkoopen, van waar ze in ruiling stoffen en andere waaren, voor de Russen geschikt, zouden terug gebragt hebben. De handelaar Schelikhoff begaf zich in persoon naar St. Petersburg, ten einde daar de goedkeuring van zijne Souveraine hier omtrent te verzoeken, welke hij ook verkreeg; dog terwijl hij bezig was zich in staat te stellen, om aan de voorwaarden van zijne verbintenis te voldoen, wierd hij onderrecht, dat het Engelsch Schip op de kusten van het Koper-Eiland vergaan was, wanneer het van het Noordwestlijk gedeelte van America naar Kamschatka te rug kwam. Volgens alle waarschijnlijkheid was het derwaarts geweest om pelterijen, ten einde daar mede zijne lading te beginnen, die het vervolgens in de haven van St. Pieter & Paulus zou hebben komen aanvullen; men weet, dat slechts twee man van het scheepsvolk behouden zijn, namelijk een Portugees en een Neger van Bengalen, als mede, dat zij den winter in het Koper-Eiland hebben doorgebracht, van waar een Russisch schip hen naar Nijenei-Kamschatka heeft overgebragt: zij hebben zich te Bolcheretsk bij ons gevoegt, en de Heer Kasloff is voorneemens hen in het aanstaande jaargetij naar St. Petersburg te zenden.

[7] De Heer Graaf de la Perouse heeft met ruim zo veel zorgvuldigheid dit plan uitgewerkt, als alle de geenen die 'er voor hem geweest zijn: men zal het in het verhaal van zijn reis kunnen zien, het welk voor den weetgierigen leezer een nieuwe bron van onderwijs en opheldering zal openen.

Men weet, dat de haven van St. Pieter & Paulus aan het noorden van het inkomen der baaij Avatscha geleegen is, en ten zuiden geslooten word door eene zeer naauwe landengte, waar op een Ostrog[8] of Kamschattisch dorp gebouwd is; op eene hoogte ten oosten agter de haven is het huis van den bevelhebber geplaatst[9], bij wien de Heer Kasloff geduurende zijn verblijf alhier deszelfs intrek genomen had; nabij dit huis, bijna in dezelfde rigting, ziet men dat van den Corporaal der bezetting en verder noordwaards dat van den Sergeant, dewelke na den Commandant de eenigste persoonen van eenig belang zijn, die men in deeze plaats, zo ze die naam verdient, noemen kan; regt tegen over het inkomen der haven, op het afhellen der hoogte, van waar men een meir van eene aanmerkelijke uitgestrektheid ontdekt, vind men tegenwoordig de overblijfzelen van een hospitaal, waar van in de reize van Capitein Cook gesprooken word[10]. Beneden deeze overblijfzels, digter bij het strand, heeft men een gebouw opgeregt, het geen tot een Magazijn of een soort van wapenplaats voor de bezetting dient, en het welk gestadig door een schildwagt bewaard word; zie daar in 't kort den staat, waar in wij de haven van St. Pieter & Paulus bevonden hebben.

[8] Het woord _Ostrog_ betekent eigentlyk een omtrek met palissaden bebouwt. Men zou deszelfs oorsprong na ik vermeen kunnen afleiden van de verschanssingen door de Russen in der haast zamen gesteld, om zich in veiligheid te stellen tegens de stroperyen der Inboorlingen, die zonder twyffel met ongeduld verdroegen, dat men hun land overweldigde. De naam van _Ostrog_ word tegenwoordig aan byna alle de dorpen van deeze streeken gegeeven.

[9] Die Bevelhebber, _Khabaroff_ genaamt, was toen Preporchik, of Vaandrig.