Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart
Part 9
Geheel opgetogen reed ik na haar toe; werd zeer beleeft door de Weduwe in de zydkamer begroet; zy zeide my: "dat zy van myne beleeftheid gebruik zoude maken, dewyl zy meende, dat het Treurspel voortreffelyk zyn zoude; de Lectuur daar van hadt haar zeer voldaan." Hier jy, Rembrant, grote afbeelder van ons door driften bezielt gelaat! Schilder my op dat tempo. Myn bloed steeg my naar 't hoofd; ik had trekkingen op myne harssens. Zulk een schok ... zulk eene teleurstelling ... Zy merkte het niet; 't was alles als een blixemstraal. Ik herstelde my zo voort: en, myne hand even aan myne lippen brengende, boog ik eerbiedig, haar bedankende voor de eere my aangedaan. En zie daar! daar kwam de eige Zuster der drie Gratiën, geheel vrolyk, geheel leven, geheel ziel, keurlyk gekapt, en op eene edele wys eenvoudig gekleet, aanzweven. Ik hielp de Dames in de koets; en, toen ik er by was, sprong haar knegt by den mynen agteröp. Myne Loge alleen was nog ledig; alle oogen waren op ons. De Weduwe is niet jong meer, maar waarlyk nog eene zeer schone Vrouw. Myn Wicht? Nu, gy hebt haar gezien? En de malle meid is ook niet lelyk.
De drommel, Jan, wat moest ik op myn hoede zyn! De Weduwe ... ik weet het niet, maar my dogt, dat zy, ongemerkt kwasie, alle myne bewegingen gadesloeg. Ik durfde waaragtig geen eene dier kunstjes gebruiken, die wy altoos eerst te werk stellen, om eens hoogte te nemen. Er was niet op, als met deeze slegte kaart zo goed te spelen als ik kon; en hou my voor een domkop, zo ik de Weduwe, indien die al een galg in 't oog mogt hebben, niet bedrogen heb. Ik sprak meest met haar, en zo gelyk ik altoos tegen fatsoenlyke Vrouwen spreek. Wy reden met myn koets terug, en de Bevalligheid uit de koets helpende, drukte ik hare hand, doch ik kreeg geen antwoord. Is dat te verdragen? Ik nam beleeft, en in de zydkamer, afscheid, ootmoedig biddende, om de eer te mogen hebben, van de Dames myn compliment te komen maken. Kent gy Hein Edeling? Maar waar zou zulk een Jakhals, als gy, zo een styven Jorden als hy (die echter een eerlyk man is, hoor ik,) toch ooit gezien hebben? Hy schynt een vriend der Weduwe te zyn.... Zwyg, zeg ik u; ik wil er niet van horen! Laat hy 't hart hebben! Maar geen nood, al stondt Belzebub zelf naar haar Huwlyk, die duizend-kunstenaar zou my haar niet ontnemen. Ik heb moed, Jan. En wat nu? Ik moet haar alleen zien te krygen! Kan ik echter voor nog eene teleurstelling my beveiligen? _Fortuin helpt den stouten_. Daar zyn weer tien ducaten, Rekel. Kom morgen ogtend hier, zo rasch als gy deezen gelezen hebt, en breng hem met u, of ik laat u aan u zelf over.
R.
TWEE EN NEGENTIGSTE BRIEF.
DE HEER HENDRIK EDELING AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
_Myne Waardste!_
Ik ben tweemaal vergeefsch aan uw huis geweest. Eens waart gy met den Heer R. naar de Comedie, en nu zeide Frits, hadt hy u en de waardige Vrouw naar de Fransche Kerk gebragt. Hoe smart my deeze te leurstelling. Ik moet, voor ettelyke dagen, om zaken van veel aangelegenheid van huis; en hoe vurig verlangde ik, om in persoon afscheid te nemen van u, die ik teder en met de grootste achting bemin; van u, die my eene my dus lange onbekende neiging hebt ingeboezemt! Ik moet vertrekken, de paarden worden reeds gezadelt. ô Mogt ik durven hopen op de gunst van haar, die my dierbaarder is dan myn leven! Indien ik niet voorzag, dat wy beide gelukkig zouden zyn, ik zou u niet lastig vallen met myne bezoeken. Maar, helaas! ik vrees, dat ik de man uwer verkiezing niet ben!--niet worden kan: evenwel gy verëert my met uwe achting; gy noemt my uw vriend. Hemel!
Wie u ook van zyne liefde moge verzekeren, en welk een brillant lot men u moge aanbieden, uw Edeling bemint u meer, dan iemand u kan beminnen. Ik ken uwe waarde, uw bevallig beeld zweeft my altoos voor den geest. Wat zal myn leven, wat zullen myne goederen zyn, zonder u, ô myne zielsbeminde? Ik zal hopen! Uw hart is immers nog vry? Zult gy my niet verachten, als ik u zeg, dat ik den Heer R. niet meer dulden kan? Maar eene liefde, als de myne, is zo teder als oprecht; en hoe kan ik het denkbeeld dragen, dat hy uwe hand vat! Maar gy kent de liefde niet.... Ik zal des niet langer _non sense_ schryven. Groet de uitmuntende Vrouw, en geloof, dat ik met de grootste achting en hartroerentste genegenheid ben
_Uwen_
HENDRIK EDELING.
DRIE EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Jacob Brunier komt door H. Edeling op den goeden weg en bericht dat aan zijn zuster Aletta.
VIER EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Cornelia Hartog aan Wilhelmina van Kwastama: zij is tot de ontdekking gekomen dat Edeling niet om háár maar om Sara komt. _O, ze haat_ Sara! _ze verfoeit_ Edeling.
VIJF EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Cornelia Slimpslamp aan Zuzanna Hofland: die Stijntje deugt niet; _dat mensch is zelfs goed voor roomschen_! Foei! En wat Saartje betreft: _doe een valschen eed_, dat haar moeder je het geld beloofd heeft tot aan Sara's huwelijk. Wil je dat niet, loop dan rond!
ZES EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed aan Hendrik Edeling: zij wantrouwt R., maar heeft geen bewijzen; hij deed fatsoenlijk. --Onverschillig is Edeling Sara niet, _want zij herleest zijn brieven_! Vindt zich zelf voor zoo'n waardig man ongeschikt; dat is de zaak.
ZEVEN EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Smit is heel ernstig verliefd op Anna Willis; hij vlast op een beroep naar een dorp bij Amsterdam, en droomt zich veel zaligheid.
ACHT EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Anna Willis aan Sara: zij verheft haar. Haar _Smit_ prijst Saar ook, eveneens wed. Spilgoed, die als Sara's moeder is. _Edeling_ is een beste jongen. Zij wenscht hem Sara toe. Anna bemint haar Smit zeer en hoopt Sara's trouwe vriendin te blijven.
NEGEN EN NEGENTIGSTE BRIEF.
MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.
_Waarde Naatje!_
Hebt gy waarlyk uw woord gegeven? Dan patientie! Anders, binnen een jaar aanvaarde _ik_ de waardigheid van _Zuster Collega_. Uw Smit! wel, ik ben maar weinig minder verlieft op hem, dan op mynen Voogd zelf; en zo is ook myne Minerva. Wel, Willis, 't is waarlyk al te véél voor u. "Hou er u maar nederigjes onder;" zou tante zeggen. Nu in ernst: geluk, duizend maal geluk met deezen lieven, deezen achtingwaardigen man. Zo gy nu ooit weêr donker kykt, zal ik u waarlyk moeten kloppen. Myn Cootje is nu in staat, om tamelyk gezont te redeneren over dagelyksche voorvallen; en ik merk, dat, als hy met een ander praat dan met my, hy zeker nog al verdient, dat men hem antwoordt. Juffrouw Buigzaam heeft veel met den aanstaanden Eerwaardigen gesproken. Ik was geheel gehoor, en myne Dochter insgelyks.
't Spyt my, dat Letje nog niet t'huis is: dat zou net haar smaak geweest zyn. Luister eens, Naatje; hoewel ik het niet uit dankbaarheid doe aan de Godin der Liefde, (verstaat gy dat, kind?) zo heb ik een groot vermaak in Huwlyks-Alliantiën uit te vinden. Wat dunkt u, dat Willem om Letje kwam, dan hadt hy zeker een Engel van een Vrouw, en zo een verdient hy.--Letje was ook in veiligheid. Eéne bedenking is er maar! Ik weet niet, of myne Letjes hartje wel zó vry is, als dat van Juffrouw _Albedil Burgerhart_.
"En was ik niet zeer opgeruimt? en zei de Eerwaardige dit?" Verbaast nog toe! Ik weet echter niet, dat ik my ergens over benaauwt voel: zo dat, weest gerust; maar ik heb ook zo myne denkende buitjes; en om dat die my zo eigen niet zyn, als zy mooglyk u zyn, valt dat zo aanstonds in 't oog.
Edeling is uit de stad. Myn Voogd, merk ik, zou my graag met hem getrouwt zien; en myne Mama Buigzaam meent, dat zyn voorstel myne ernstige overweging verdient, en hoopt, dat ik, ten zynen opzichte, een gunstig besluit nemen zal. Myn hart slaapt nog in rozen; meer kan ik u niet zeggen.
Of ik my ooit het Huislyk leven in zulk een zagt licht heb voorgestelt, als Smit het u afmaalt? Nooit anders! Ik was, schoon een kind, getuige van Huisselyk geluk, in myne altoos dierbare Ouders. Dáár zit het my niet, Naatje. Ik heb, tot nog, geen bepaalde uitsluitende genegenheid voor iemand; en niets zal my dezen gewigtigen staat doen aanvaarden, dan een man, die myne liefde en achting beide waardig is. Zo dra ik den Heer Edeling, (niemand komt buiten hem in eenige aanmerking,) zo veel liefde als achting kan toedragen, zullen alle mindere zwarigheden my niet beletten, om den raad myner Vrienden te volgen.
De Heeren R. en Brunier zyn reeds in de zyd-kamer, om met Lotje en my eens eene schone wandeling te nemen. Ik moet my eens vertreden, dunkt my; ik ben echter zeer wel. Heb ik u al gezegt, dat Edeling uit de stad is? Tot weêrziens! Groet uwen lieven aanstaanden Dominé, kusch uwe Moeder, (hem ook maar,) voor
SAARTJE BURGERHART.
HONDERDSTE BRIEF.--Papa Edeling aan zijn zoon Cornelis: hij wou eigenlijk diens raad als advokaat eens inroepen--Cornelis is n.l. gepromoveerd!--_Wat tegen_ Hendrik _te doen_? Hemelsche goedheid: die jongen houdt maar vol!--Hij heeft Sara gezien met R; "neen, meisje, jij lijkt me niet! ik bedank je hartelijk!" _Nooit_!
HONDERD-EERSTE BRIEF.
DE HEER CORNELIS EDELING AAN DEN HEER JAN EDELING.
_Myn Heer, hooggeachte Vader!_
Hartlyk dank ik u voor den Wissel; waarop my reeds betaling geschiet is. Ik hoop, dat ik u reden tot vergenoeging geven zal: ook omtrent de sommen, my van tyd tot tyd verstrekt. Gy hebt my in staat gestelt, om als een fatsoenlyk Student en Candidaat te leven. Ik heb zeker geld verteert, doch my aan geenerlei lichtmisseryen, of aan grof spel te buiten gegaan: maar ik weet, waarde Vader, dat gy op dit point de edelmoedigheid zelf zyt.
Hoe leet is 't my te horen, dat gy op myn Broeder zo te onvreden zyt! Ik weet wel, dat gy, en vooral van uwe Zoons, geen tegenspreken dulden kunt; vergeef my deeze uitdrukking; maar, dewyl gy u wel wilt vernederen, om myne gedagten te vragen, zal ik u die rondborstig en in gemoede zeggen. Neen, gy kunt uw Zoon, die meerderjarig is, niet beletten een meisje te trouwen, waar tegen gy niets, met eenige zekerheid, hebt intebrengen, dan dat zy van de publycque Kerk is. Onderneemt gy zulks, dan kan Hendrik u voor den Rechter roepen, en zyt verzekert, dat hy daar de vryheid zal krygen, om haar te trouwen.
Ken ik echter myn weldenkenden Broeder, ken ik den eerbied en de liefde, die hy voor zynen braven Vader heeft; dan zal hy tot dit heftig middel zyn toevlugt niet, dan daar toe gedrongen, nemen.
Laat het my eenmaal vrystaan, myn geëerde Vader! u te vragen, of uw mishagen in deeze jonge Dame gegront is. Hebt gy iets tegen hare Familie, of tegen haar zedelyk karakter? Ik vertrouw, neen; myn Broeder heeft die jaren en die bedagtzaamheid, die hem in staat stellen, om eene goede keuze te doen. Nimmer heeft hy, in het onërvarenste zyner jeugd, reden gegeven, om hem van de minste losbandigheid te verdenken; en zou hy nu, nu hy dien tyd agter zich heeft, zich zo verre vergeten, dat hy een meisje beminde, en wel met het zuiver oogmerk, om haar te trouwen, die zyn verstand en hart beide tot onëer strekte? Nimmer geloof ik dit. Mag ik u des bidden, maak hem niet ongelukkig; spaar u zelf nodeloos en u zo nadelig verdriet: Besluit er toe! Laat uw ouderdom in ruste en vrede ongestoort voortglyden. Mag ik u ook herinneren, dat Hendrik van een eens wél en dóórdagt besluit niet ligt is aftebrengen; voornamelyk als zyn hart zo gezet is op de uitvoering van zyn besluit? Ik ken myn Vader, ik waardeer hem, gelyk een dankbaren Zoon betaamt; maar hoop, dat ik de vryheid zal hebben, om u eene Dochter aantebieden, waar tegen gy met reden niets meerder dan tegen Juffrouw Burgerhart zult kunnen hebben. Binnen eene maand hoop ik het genoegen te hebben, om u gezont te omhelzen, en mondeling te betuigen, hoe zeer ik ben,
_Uw gehoorzame Dienaar en dankbare Zoon_,
CORNELIS EDELING.
HONDERD-TWEEDE BRIEF.--Aletta Brunier vertelt haar historie aan Sara: _zij heeft eens lief gehad_, zekeren v. S. Die had geen geld; vader vond dat hij eerst voor geld moest zorgen. v. S. ging naar de Oost; 't ging hem goed, maar _hij stierf er_. Onder dien druk leeft ze nog. Zekere Heer Helmers steunde haar na vaders dood.
HONDERD-DERDE BRIEF.
MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER.
_Myne tederbeminde Letje!_
Ik weet niet, wat andere menschen _intressant_ noemen; maar voor my is _de geheime Historie van uw hart_ zeer intressant; om dat er voor my zeer veel stof tot overdenken, en veel leerzaams in ligt opgesloten. Ik heb, zonder eens uwe toestemming te vragen, uw Brief aan de beste der vrouwen voorgelezen; en zie hier, het geen zy zeide: "Het verstand van Juffrouw Letje is my zeer toegevallen: hare liefde omtrent zulk een Vader was alleen in staat, om haar dus te doen handelen. Indien Letjes Vader meer vrees dan liefde in zyne Kinderen verwekt, indien hy min redelyk omtrent een onbedagten jongeling gehandelt hadt, dan zeker zou Letje in dat ongeluk gejaagt zyn, waar voor hy haar echter poogde te bewaren. Ziet gy wel, myn Burgerhartje, dat men zich niet waarlyk nuttig voor anderen kan maken, dan door reden met minzaamheid te verëenigen? De hemel belone hare kinderlyke onderwerping aan zulk een Vader."
_Ik_. Wel, dat wensch ik zo sterk, dat ik hier aan graag de hand wil lenen. Een braaf hupsch man, die ik zo lief heb of hy myn Broêr is, en dien ik ook maar aan niemand geef dan aan myn Letje, hoop ik te beduiden, dat hy met Letje veel beter te regt zal komen, dan met zo eene stoute meid, als uwe dienares.
_Juffrouw Buigzaam_. ô! Gy zyt zeer gul! een ander te geven, dat men zelf niet verkiest!
_Ik_. Ja! ik kan immers onmooglyk al de Borsten[1] nemen, die my nemen willen? en doe ik dan niet recht _Economisch_, als ik het overschot zo goed gebruik als ik kan?
_Juffrouw Buigzaam_. En wie is die, zo als gy zegt, kostelyke Vriend? Edeling?
_Ik_. Edeling! neen: dien wou ik immers voor u schikken, maar myn lieven goejen Willem Willis. Een jongen, zo braaf, en zo degelyk, dat niemand dan Letje hem ooit, met myne toestemming, hebben zal.
_Juffrouw Buigzaam_. Gy doet my lachen.
_Ik_. Doen schreijen zou ik om geen duizend Waerelden; al waren er al de Huizen Concertzalen, en al de Paleizen Schouwburgen; en dat is veel gezeit.
_Juffrouw Buigzaam_. Ik beken, dat dit in u inderdaad al eene ongemene grote opöffering zyn moet.
_Ik_. En dat ben ik met u volmaakt eens.
_Juffrouw Buigzaam_. Het is mooglyk wat heel onderzoekent in my, als ik u durf vragen, of gy aan den braven Heer Edeling niets het minste schryven zult?
_Ik_. Wel, gestelt zynde, dat de schaal, of liever de evenaar, krek in 't huisje stondt?
_Juffrouw Buigzaam_. Zo ik er iets aan doen konde, dan zou ik zeker er zo veel gewigts opleggen, dat gy tot al[2] _schryven_ oversloegt.
_Ik_. Maar wat zal ik zulk een deftig verstandig man schryven?
_Juffrouw Buigzaam_. Wat? Ja, dat moet gy zelf beöordeelen: dit, myne liefde, kan of mag ik u niet dicteeren. In ernst, kunt gy aan dien deftigen verstandigen man niets melden, dat hem, in weerwil dier hoedanigheden, aangenaam zyn zoude? Pleeg met u zelf raad.
_Ik_. Maar ik ben het met my zelf niet eens. Somtyds wilde ik, _dat ik niet schryven wilde_; en somtyds wilde ik, _dat ik wilde_. Gy lacht! Heb ik u dan niet gezegt, dat ik een misselyk figuur ben? geen vrouw voor zo een man.
_Juffrouw Buigzaam_. Gy hebt vooröordeelen, myn hartje!
_Ik_. ô Duizenden; dat sta ik u ook toe.
_Juffrouw Buigzaam_. Maar kan zulk eene verstandige jonge Dame zich verbeelden, dat dit toe te staan alles is, wat zy te doen heeft.
_Ik_. Ik geloof neen: zy moet die afleggen, en zo hoop ik van tyd tot tyd ook te doen; en zo dra ik vast weet, dat ik dien eernaam, zonder verwaantheid, niet geheel onwaardig ben, zal dat gaan of 't gesmeert is: maak er staat op.
_Juffrouw Buigzaam_. Nu ik u dit herinnert hebbe, zal ik er afscheiden. Ik bid u alleen te bedenken; dat, indien gy my eens in vertrouwen kunt zeggen, dat de Heer Edeling uwe liefde, zo wel als uwe achting gewonnen heeft, ik u een der beste oogenblikken van myn leven zal verschuldigt zyn. Gaat gy uit, hartje, om dat gy zo in order gekleet zyt?
_Ik_. Dit was myn oogmerk: de Heer R. zal my op 't Concert brengen.
_Juffrouw Buigzaam_. Zo!
_Ik_. Gy zyt heel _laconicq_, maar dat _zó_ spreekt gy _zó_ deftig uit; hadt gy 't liefst niet?
_Juffrouw Buigzaam_. Hoeft gy my dat te vragen, daar gy weet, hoe zeer ik uw byzyn bemin? Evenwel, ik heb geen recht om u uwe vermaken te ontroven: indien gy liever met den Heer R. uitgaat, dan met my t'huis blyft. Wat is er aan te doen? Ik ben uwe Vriendin, niet uwe Gouvernante.
_Ik_. Laat ik u omhelzen, schoon, of liever omdat gy my zeer doet! ô Myne moederlyke Vriendin, welk een verkeert meisje zou ik zyn, indien ik uw gezelschap niet boven alle vermaken stelde? Wil ik het laten afzeggen?
_Juffrouw Buigzaam_. Gy bedenkt dit wat laat: en wat zou de Heer R. van uwe wispelturigheid zeggen?
_Ik_. ô! Daar bekommer ik my niets het minste over. Ik hoop niet, dat ik aan hem rekenschap moet geven van 't geen ik doe; en zo hy 't kwalyk neemt, is hy een gek, dat is 't al.
_Juffrouw Buigzaam_. Rekenschap geven? dat is weer wat sterk! maar ik zie niet, dat hy geen reden zoude hebben, om misnoegt te zyn; dat scheelt u weinig, zegt gy; goed! Ik weet, dat gy een trotsch meisje zyt. Was het echter vroeger, ik zou u door uw t'huis blyven verpligt zyn. Zo waar, daar is hy reeds om u.
Uit was ons gesprek. Maar ik betuig u, dat ik, met al myn musikale drift, naauwlyks in staat was, om my op 't Concert niet te vervelen.
t'Huis komende was ik niet vrolyk. Zy sprak echter nergens over, want Hartog en Lotje waren in de eetkamer. Ik zag haar nu en dan eens aan; zy was beleeft, zy was vriendlyk,--maar ik was _Juffrouw Burgerhart_.
Myne lieve Letje, wat was dat voor my te zeggen! ik moest of schreijen, of met Lotje aan 't malen; tot het laatste kreeg ik rasch gelegenheid. Zy vroeg my, of ik op het groot Concert geweest, en of het daar niet heel plaisierig was?
_Ik_. Al naar dat men zich zelf gestelt voelt: somtyds ja, somtyds neen.
_Juffrouw Hartog_. Als men uitgaat met gezelschap, dat ons behaagt, vermaakt men zich overal.
_Ik_. Dat is zeker, de ondervinding leert dit wel....
_Juffrouw Hartog_. En Juffrouw Burgerhart heeft zeker het aangenaamste gezelschap aan den Heer R....
_Ik_. En Juffrouw Hartog is, niettegenstaande alle hare Geleertheid, mooglyk niet in staat, om myn smaak juist zo wiskundig te weten.
_Juffrouw Hartog_. Ik oordeel uit de verschynzels.
_Ik_. En uw oordeel is mooglyk niet vry genoeg, om, wél waar te nemen.
_Juffrouw Hartog_. En het uwe mooglyk niet eenparig genoeg, om zo veel te observeren, als iemand, die zonder belang toekykt: of gy moest u inbeelden, dat ik u eene eer benyde, die ik niet eens verlang.
_Ik_. Als ik eens niets beter te doen heb, kon het gebeuren dat ik uwe stelling wat nader zal beschouwen.
_Juffrouw Buigzaam_. Het is dunkt my, wel een zeer armoedig vermaak, elkander te tonen, dat men meer vernuft dan goedhartigheid heeft.
Ik verstond dit, en zweeg; een schampere lach van Hartog zelf kon my niet aan 't praten krygen. Lotje, zei ik, wanneer gaat gy eens by uw Oom en Tante?--ô Als gy maar wilt, al was 't morgen.--Bestig, zei ik, als 't goed weêr is, zullen wy er eens heen kuijeren. Zy was zeer blyde met deeze presentatie. 't Was redelyk laat. Juffrouw Buigzaam schelde, om 't licht op de slaapkamers optesteken, stondt op; ik neeg zeer beleeft, en kreeg een--_nagt, lieve Juffrouw_. Lotje rammelde my nog een hope voor; en ik hield my of ik sliep, om haar te doen zwygen. Ei! dagt ik, die verwenschte Jongens! zie daar, zy zyn het, die ons 't leven onaangenaam maken; Edeling zo wel als de rest. Vaarwel, myne Beste.
Ik ben uwe Vriendin,
SARA BURGERHART.
P.S. Ik ben deezen namiddag by Oom Dirk geweest. Tante is eene lieve Vrouw; Oom? Ja, ik kan 't u niet beduijen: Een dot garen, die allemaal in de war zit. ô Welke mannen, Letje! en moeten wy ook trouwen? dat ziet er gek voor ons uit.
Noten:
[1] Jongens. [2] wel.
HONDERD-VIERDE BRIEF.--Wed. Spilgoed aan Hendrik Edeling; houd maar moed; ze heeft uw vader gezien, _bevalt haar niet_, maar ze zal u zelf schrijven.
HONDERD-VIJFDE BRIEF.
MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER HENDRIK EDELING.
_Wel-edel Heer!_
Myne achting voor u moet wel zeer ongegront zyn, indien ik ooit reden heb my te beklagen over het schryven deezes Briefs. Dit stel ik onder het onmooglyke; ik zal des, in dit opzicht, aan uw verzoek voldoen.
Zie my voor zo eene Beuzelaarster niet aan, dat ik my niet zoude verëert achten met de gevoelens, die gy voor my betuigt. Waarlyk, myn Heer Edeling, ik zie zéér wél, dat gy verdient met onderscheiding behandelt te worden. Indien gy niets meerder begeerde dan myne vriendschap, zeer weinig zoudt gy meer te wenschen hebben! Doch ik zoude u onëdelmoedig behandelen, indien ik u reden gaf om te denken, dat ik in u iets anders dan eenen Vriend beminde. Het zal my, in dat karakter, hoogst aangenaam zyn u weêrom te zien; want ik ben met byzondere hoogachting,
Uwe Dienares,
SARA BURGERHART.
HONDERD-ZESDE BRIEF.
MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.
_Myn Heer, zeer geachte en beminde Voogd!_
Myn pligt eischt, dat ik u het volgende melde. De Heer Hendrik Edeling heeft by my aanzoek gedaan. Indien ik immer van staat verander, verdient hy my daar toe te doen overgaan, of ik verdien hem niet; maar ik heb geen zin in voor eerst hier toe te besluiten: Nog geen twintig jaar, en zo volmaakt gelukkig als ik nu ben! Ik heb echter billyk geöordeelt u, die my als een Vader bemint, dit te zeggen; want van uwe goedkeuring ben ik reeds verzekert. Myn verlangen naar uwe komst is zo groot, dat ik die niet kan uitdrukken. De waardige Vrouw groet u met achting, en ik ben, met een dankbaar hart,
Uwe gehoorzame Pupil,
SARA BURGERHART.
HONDERD-ZEVENDE BRIEF.
NAAMLOZE BRIEF AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.
_Myn Heer!_
Myne achting voor u, en de droevige gevolgen, die ik voorzie, doen my u het volgende schryven. Uwe Pupil gedraagt zich op eene wyze, die haar bespot, ja veracht, en u veel verdriet moet maken. Men ziet haar overal, en nu meest altoos met eenen Heer R.; een man van rang en grote goederen, maar ook een onzer eerste Ligtmissen. De Dame, daar zy, nevens nog drie Juffrouwen, logeert, ziet dit alles, en vindt echter (schynt het,) goed, om dit onvoorzigtig ligtvaardig meisje haren gang te laten gaan. Zy is niet ryk; en grootschheid beeft voor niets zo zeer dan voor armoede. Meer zeg ik niet. Hoef ik meer te zeggen? Uwe Pupil is ook zeer verkwistent in hare uitgaven; indien zy geene presenten aanneemt; dat ik niet weet. Zeker Heer loopt haar na; en ik geloof, dat zy dien man aanhoudt, om, ten behoorlyke tyde, hem (mooglyk) te trouwen; indien zyne oogen nog niet bytyds open gaan:--Doch zy heeft hem betovert;--zo doet zy elkëen.
Dit alles smart my! Ik beöog haar welzyn, en stelle u daarom in staat, om haar hier over, zo 't u goeddunkt, te onderhouden. Ik hoef u niet te zeggen, wie ik ben, en van welke Sex;--dit doet er niets toe:--zo gy wys zyt, doe uw voordeel met myn bericht; en zo gy er een goed gebruik van maakt, kan ik u meer melden. Intusschen ben ik met achting,
MIJN HEER!
_Iemand, die 't wel met u meent_.
HONDERD-AGTSTE BRIEF.
DE HEER JAN EDELING AAN DEN EERWAARDIGEN HEER EVERART REDELYK.
_Waarde Broeder!_
Wat zegt gy nu, _mon bon Pasteur_, van uw lieven Neef Hendrik? dien je immers, met je eigen handen, zelf, in myn huis, gedoopt hebt; die, had ik hem in myne zaken kunnen missen, volgens uw raad en zyn begeerte, tot Predikant zoude gestudeert hebben; die wil nu met drommels geweld trouwen met een _wilde_ meid _buiten onze Kerk_; met een _Gereformeert_ Nufje. Nu, daar moest hy maar eens om komen! Verbruit, Pastoor, ik heb het zo Satans op hairen en snaren gezet; want, nu myn lieve vrouw dood en weg is, regeer ik als Koning. Uw Zuster was de beste vrouw van de waereld: doch te mal met de Jongens. Luter zelf zou niet meer uitgevaren zyn in zo een geval als ik. Ja! fluiten! Daar hebje nu de boel over de reê, en hy geeft voor, dat ik hem ongelukkig zal maken, indien hy haar niet krygt; met nog eene hele turfmand vol zulk geziegezaag, daar de jongens zo veel meê ophebben.