Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart

Part 8

Chapter 8 4,114 words Public domain Markdown

Kom aan, daar heb je nu Paulus, de Apostel Paulus, daar gy zo wel aan gelooft als ik. Wel, die dagt mede al, dat hy 't byster wel hadt; en dat onze lieve Heer magtig met zynen yver gedient was, dagt hy het niet? Hoe! de man zeit het zelf; hoe kun je 't nader hebben? dat hy daar zo liep razen en tieren door Damascus; en wat wil het geval? Hy hadt het wel net mis! en de brave man heeft er altoos berouw van gehad, toen hy beter wist. Ik heb voor dertig jaar myn Belydenis gedaan, by onzen vromen _van der Vorm_, en ik hoop in dat geloof te sterven; doch als ik eens mogt zien, dat andere Kristenen nader by Gods woord blyven, fiat! dan moet ik dit licht volgen, en dat zou ik ook gerust doen; want ik ben een eerlyk man.

Zo dat ik maar zeggen wil, dat ik het Huwlyk om die reden niet kan afkeuren. Je moest nu evenwel je niet gaan zitten inbeelden, dat ik met het kind zo goedkoop ben: alheel niet! maar uw Zoon is zulk een braaf man, daar wil ik maar op komen. Neen, daar heeft zy Goddank te veel gelds toe, en is zy van te braven familie, en 't is een mooije Brunet ook, en ze speelt maar capitaal. Sara Burgerhart moet een zo braaf man hebben als uw Hendrik, en zyne Ouders moeten haar met achting en liefde in hunne familie nodigen.

Nu, nu, 't zou geen onaartig klugtje wezen, met een Papa die zei: "zo zal 't wezen, Dochter, want ik versta het zo." Neen man! myn Pupil is een redelyk schepzel, en zo wil ik, dat zy zal behandelt worden. Daar hadt men dan 't gooijen in de glazen met Papa Edeling, en myn arme kind was aan de Joden overgelevert. Ik bedank je hartelyk, hoor. Zie daar is myn antwoord. Ik blyve

Uw Dienstwillige Dienaar,

ABRAHAM BLANKAART.

Noten:

[1] Bij ingeschoten. [2] Vlugge. [3] Onhebbelijk.

TACHTIGSTE BRIEF.--Sara blijft aan Anna schrijven, al zwijgt deze. Sara blijft Sara; Jacob Brunier blijft vrijen zonder hoop; hij is jaloersch op Edeling. Máár ... Sara _zelf voelt alleen voor zekeren R_. Met hem gaat ze veel uit: hij is zoo knap, voornaam, ontwikkeld. Wat zoekt die R? Háár? Maar zij wil nog geen man. Ze wil Anna dwingen tot antwoorden en toont zich plaagziek grootmoedig.

EEN EN TACHTIGSTE BRIEF.--Hendrik aan Cornelis: Hij heeft met Sara gewandeld! Zij heeft hem niet af-, zelfs niet teruggewezen, maar _ook niet beslist hoop gegeven_. Zij zegt niemand lief te hebben, maar wil nog niet trouwen! Hij heeft moed.

TWEE EN TACHTIGSTE BRIEF.--Zuzanna aan Cornelia Slimpslamp. Zuzanna zit in de war, want de vrome Stijntje Doorzicht heeft haar de les gelezen, óók broeder Benjamin gelaakt. Wat moet ze nu? En Sara vraagt haar goedje. Ach!

DRIE EN TACHTIGSTE BRIEF. Sara aan Anna: ze heeft een prettig avondje gehad. Er is mooi gezongen. Hendrik _was er ook_; hij speelt mooi bas. Cornelia Hartog _was opgewonden_! Alette Brunier was allerliefst; _net een vrouw voor_ Willem! En Hendrik?... _net een man voor_ Spilgoed. Zij is wat ouder, nu ja!

VIER EN TACHTIGSTE BRIEF.--Aletta Brunier logeert op _Bosch en Veldzicht_ en mist Sara. Ze heeft met genoegen Sara hooren spreken over Edeling; ze verdienen elkaar! Sara wordt ook eens op 't buiten verwacht.

VIJF EN TACHTIGSTE BRIEF.--Aletta schrijft ook aan Spilgoed, zendt haar vruchten. Ook zij wordt eens verwacht, met Sara.

ZES EN TACHTIGSTE BRIEF.--Eindelijk antwoordt Anna Willis: _zij bekent schuld_; de Wed. Spilgoed verdient achting!--Ze wil weer vriendin zijn met Sara! Een Geldersche dame heeft haar beter ingelicht: die dame zal ook Sara bezoeken.

ZEVEN EN TACHTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed bedankt Aletta en haar gastvrouw voor de vruchten. Sara verlangt naar Aletta, dus ze moet maar gauw komen.

ACHT EN TACHTIGSTE BRIEF.

MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER.

_Chere Letje!_

Wel kind, wat heb je me daar evenwel een lief en verstandig Briefje geschreven! Kan ik het niet nog meer pryzen? want, al den lof, dien ik u geef als eene puntige schryfster, kryg ik _immers_ met intrest te rug? Van my hebt gy _immers_ alles geleert; zeide gy zo niet, Hartje lief?

Belieft myne Letje nu wel eens geheel aandagt, ja maar ook geheel onderworpen te zyn? Och, ik heb myn woord gegeven! Zulk een aandrang kon myn arm zwak hart niet weêrstaan! Gy weet, wat ik u geconfideert heb? Gy kent myne achting voor den Heer Edeling. Gy weet, (of mooglyk weet gy 't niet; _want weet ik juist zo de geheime historie van uw hart_!) dat achting natuurlyker wyze in vriendschap, en vriendschap heel gemaklyk in liefde kan overgaan? Hier uit zult gy kunnen opmaken, dat het my onmooglyk was, onze Lotje een verzoekje te weigeren. "Daar heb ik u schoon beet," zeit myn Voogd; en dan lacht de goede man, dat hy schatert: Nu iets ernstigers!

Gister voormiddag ging myne aangenomen Dochter[1] met de kousjes, die ik onze Klaartje had laten wasschen en opstryken, naar Oom Dirk. 's Middags niet te huis; dat's een goed teken, zei ik. Ten zeven uuren werdt de sloof met een sleedje t'huis gebragt: zy kwam blymoedig de zaal op. Naauwelyks hadt zy ons gegroet, of aan 't uithalen van haar zakken. Oud en nieuw kwam te voorschyn: Chocolaadjes, Ulefeltjes, Banket, twee grote kluwens fyne wol, om voor Oom koussen te breyen, een pakje wol, dikke breinaalden, een doosje met wissewasjes. Zy presenteerde ons van de snoepery: wy namen elk een Chocolaadje, maar de Scavante bedankte met een hele viese tronie: "Ik proef nooit zulk goed." Lotje was zo raar, en hadt zulke klugtige zetten, dat Hartog zelf lachen moest.

Waarlyk, Lief, ik geloof dat zy meer is uitgebluscht, of overdrommelt, dan wel dat zy van de Natuur zo geheel misdeelt is. Ziet gy wel, dat ik veel edelmoediger ben, dan de meeste Doctoren, die de ziektens hunner Lyders vergroten, om des te meer wonderen in het herstellen aan den dag te brengen? Och, zo dra zy myne Patiente geworden is, heb ik gezien, dat zy minder ver verzeilt was, dan ik gevreest had. Zy verhaalde ons, dat zy uitnement vriendlyk was ontfangen; en dat zy de vryheid had, om een taffen Sak te kopen, doch dat zy eene der Juffrouwen zou verzoeken, om met haar te gaan. Zy hadt ook haar speldegeld, en nog twee ducaten extra gekregen; nu vroeg zy my, of ik de taf wilde kopen? dat ik met een, gaarn lieve Lotje, beantwoordde. Toen zy met my, (want zy slaapt nu in myn Pavillioen, en ik slaap in het uwe, tot gy weer t'huis zyt,) boven was, gaf zy my de twee ducaten, die zy geleent hadt; ik nam die ook, doch alleen om haar eens weer te helpen, want ik vrees, dat de duiten spoedig zullen wandelen. Kon ik haar dat óók beduiden! Nu, alles met den tyd; ik moet niet te veel gelyk doen. Myn Compliment aan Mevrouw uwe Tante. Hou uw Neef maar; ik weet met al myn Vryers haast geen weg meer; voor al kom spoedig by

_Uwe tederliefhebbende_

BURGERHART.

Noot:

[1] Lotje Rien du Tout, (spottend).

NEGEN EN TACHTIGSTE BRIEF.

MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.

_Waarde Willis!_

Victorie! Victorie! myne Vriendin is te regt. Ik heb haar weergevonden! Frits, loop, draaf, vlieg met dit Paket ten eersten naar den Post: --zo zal ik binnen weinig oogenblikken zeggen; Want ik sta zo met myn handschoenen al aan, om met Lotje uittelopen. Kortjes dan. Lees de nevensgaande een, twee, drie, vier Brieven, en oordeel, of ik misnoegt op u ben; dit alleen nog: de waarde Dame weet niets, haar betreffende. Ergo, zwygen is 't woord. Met ons zal 't wel schikken: hoe zeit Vader Kats?

_Alschoon goê Vrienden kyven_, _Zy zullen Vrienden blyven_.

Adieu, lieve Willis! Omhels uwe dierbare Moeder voor my, groet myn Wimpje, en weet, dat gy geacht en bemint wordt door

SARA BURGERHART.

NEGENTIGSTE BRIEF.

MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER.

_Chere Letje!_

Hoe vaart gy, myne Liefde? Hoe diverteert gy u? Denkt gy wel eens aan uwe Vriendin? Terwyl gy my deeze drie, diepen-aandagt eischende vragen, op uw gemak oplost, of beantwoordt, zal ik, _pour passer le temps_, u dit volgende schryven. "Dit volgende, zegt gy, wat "volgende?"--Bemoei u met de oplossing uwer eige vragen (of myner vragen aan u, zo ge wilt,) ik blief van u, Mejuffrouw, zo niet _ge-Harlogt_ te worden; en, in alle geval, gy zult het, dit volgende, immers aanstonds lezen?

Wel, 't is of Heintje Pik, niet Heintje Edeling, dat is nog zo ver niet--Heintje, neen, deftig, zo als de hele man zelf is, myn Heer Edeling--of Heintje er meê speelt; want geen half quartier uurs was ik, met myne Dochter Lotje, by de Desmoisselles geweest, om een Sak voor haar te kopen, of de Heer R. kwam in. _Mon homme_ was opgetogen over deeze _heureuse rencontre_! Hy praat, weet gy, aangenaam genoeg; en hy vroeg spoedig naar _mon Amie_, die hy noemde, _une charmante Dame_. Dat's voor uw rekening, Letje.

Vriendelyke verzoeken, om, zo ik niets verzuimde, nog wat te vertoeven, aanhouding van myne Dochter, om nog wat te blyven, wyl zy zich niet kon verzadigen in het kyken en gluren naar kistjes en doosjes, en kassen, vol heerlyke Beuzelingen: alles werdt bekeken, geadmireert; met één woord, verbeeldt u een klein meisje, dat met Moeder voor 't eerst eens voor een poppenkraam, of daar men speelgoed verkoopt, gebragt wordt; dat zyn oogjes wyd open doet, beide de vuistjes uitsteekt, en roept en kraait, en hippelt, en alles wil hebben; dan hebt gy een natuurlyk afbeeldzel van Lotje. De Heer R. deedt haar een fraaije snuifdoos present: ik excuseerde my, met te zeggen: "dat ik niet snoof, en nimmer presenten aannam." Lotje is somwylen nog slim óók; zy hieldt zich, als of zy dit laatste niet hoorde; en nu is zy zo wys met die doos, dat het zo niet te zeggen is. Alle oogenblikken wordt hy uit het papier genomen, bekeken, met een slip van een zakdoek gevreven, en, met de beminlykste vergenoeging op haar goedaartig grof gelaat, beschouwt! Het spyt my, dat Oom Dirks koussen nog niet verder zyn dan het boortje: nu, 't zal wel wat bedaren, en anders moet ik er my meê moeijen.

Wy dronken Thee: de Heer R. en de Desmoiselles spraken van zeker Boek van _Bitanbé_, genaamt _Jozef_, als van een der fraaiste werken, die onlangs in 't licht gekomen waren. Hy haalde er eenige treffende passages van aan. Dit wekte myne nieuwsgierigheid op, om het te zien: Ik schreef de titel, om het, zo rasch ik t'huis kwam, te laten halen. Hy merkte dit, en haalde een, in marrokein gebonden, Exemplaar, uit zyn zak, dat hy my presenteerde: hy hadt het zo van den Binder in passant meêgenomen. Ik vond dit wel beleeft, en oordeelde, dat het zeer gemaakt in my zyn zoude, iets aftewyzen, waar naar ik verlangde, en dat my zo heusch gepresenteert werdt. Ik boog en zei, dat ik het met veel vermaak zoude lezen. Hierop stak hy het in zyn zak, zeggende: "ik zal de eer hebben om de Dames t'huis te brengen, en dan het Boek overgeven." Liefst had ik dit niet; maar, dewyl ik geen reden daar van kon geven, moest ik dit zo laten doorgaan.

Hy bragt ons t'huis, niet langs den kortsten weg: wy ontmoetten den deftigen Edeling, die ons beleeft groette, en, horende, dat wy naar huis gingen, ons derwaards verzelde. Zo kwamen wy dan daar aan, en traden in de zydkamer, alwaar onze waarde Vriendin met Juffrouw Hartog alleen zat. De laatste las, de eerste naaide, en ik geloof, dat er niet veel woorden gewisselt waren. Hartog scheen zeer bekent met den Heer R.; er was eene drukte nog eens zo! allemaal over onze eerste lui, onze _Patricii_; (verstaat gy dit woord, Letje? anders zal ik het wel eens uitleggen;) over de laatste Assemblée; over een gevalletje aan de speeltafel met de Gravin X.; over les Belles Lettres; over Voltaire, d'Alembert, des Clairauts, en nog wie weet waar al meer van.

De Heer Edeling sprak nu en dan ook een woord, doch de Sçavante hadt er geen attentie voor; en de Heer R. was te beschaaft, om haar voorbeeld niet te volgen: hy hadt het des met haar heel druk. Onderwyl verhaalde ik stilletjes aan onze lieve Mama, dat R. zo een fraai Boek voor ons meêgebragt hadt; haar hetzelve noemende. "Ik wou, zei ik, dat die babbelparty ophieldt, en dat ik het Boek maar had: 't is zo fraai! Kom, zei Lotje, ik zal je wel helpen: ik heb dat Boek ook van Josep; 't is heel mooi, en ik lees er veel in, als ik naar bed ga." (Hier volgt de dialoge; ik agter de stoel van de waarde vrouw, wat over haar heen ziende, Lotje tegen de Commode staande. Edeling zei, dat wy een fraai groupje maakten; en kon zyn oogen, schynt het, nergens anders werk geven.)

_Ik_. Wat zegt gy, Lotje, hebt gy dat boek? en hebt gy er ons niets van gezegt? foei, dat's geniepig.

_Lotje_. Ik dagt, dat het oud vuil was by de Juffrouwen; want ik heb het al wat[1] gehad; och Heer, anders was 't wel tot uw dienst.

[_Juffrouw Buigzaam en ik keeken elkander aan, of wy zeggen wilden: hoe! heeft Lotje dat Boek van Bitaubé_?"]

_Juffrouw Buigzaam_. En wie is de Auteur, Juffrouw Lotje?

_Lotje_. Ja, dat weet ik niet; maar het is wel het zelfde Boek van Josep, en het is heel mooi; maar ik word nooit gelooft, en daarom zwyg ik dikwyls.

_Ik_. Lieve Lotje, ik bid u, haal het Boek, op dat Juffrouw Buigzaam het aanstonds zie. En nu geef ik u, myn lieve Letje, eens in ernstig en gemoedelyk overwegen, met welk een Boek het goeje schaap afkwam! Doch, al hadt gy al de wysheid der Egiptische Tovenaren, die van de Endorsche[2] Kol, die van Lodippe[3], [ons door Vader Kats zoo aartig beschreven;] ja al hadt gy de kaart leren leggen by den Drommel op Marken; al waart gy eene Hartog, in het oplossen van Meet- en Stelkundige Voorstellen, gy zoudt het nog niet raden; hoor dan den titel: "_Josephs_ Drouv, end Bli eindend Spel, niet min stichtelick, als droev en vermakelick, om te lezen: in dry bisondere spelen vervat, door _A.C. Crous_. Gedrukt te Groningen, 1721." NB. Op den regel:

_All schoon de Nijd met Pylen schiet_, _God 't all ten best te schikken wiet_.

Het eerste _Diel_ heeft zesentwintig Personen en vyf Choren: met dit à gouverno: [_men kan het Toneel plaatsen waar men wil, vermits men doorgaans geen vaste plaats heeft_.] Het Boek zelf is gedrukt met eenen zwarten, stichtelyken, regtzinnigen Predikatie-Letter.

Wy zagen elkander aan, doch zwegen om het ander gezelschap. Onderwyl viel myn oog op een passage, daar Josep Fransch spreekt, zeggende: _Bonjour, Mevrouw Potifars_; en op nog een, daar Potifar tegen zynen Hansworst zegt: _halt mi den smaul_. Toen barste ik in lachen uit, en de goede Vrouw, die ik dit influisterde, lachte zo hartlyk, als ik nog nooit hoorde.

Dit trok den aandagt der overigen; Juffrouw Hartog moest lyden, dat beide de Heren, schoon zy nog niet wisten waarom, mede lachten.

_De Heer R_. Een nieuw amusant Werkje, Mevrouw Buigzaam?

_Juffrouw Buigzaam_. Niet heel nieuw, maar echter ongemeen genoeg; de _Historie van Josep, door eenen Crous_, dat stout meisje, _op my wyzende_, heeft altoos wat potzigs. Dit deedt de lieve Vrouw, om Lotje te sparen; maar het ging Lotjes kroon te na, schynt het; want zy zei heel deftig: "Pardonneer my! 't Is myn Boek, en Juffrouw Burgerhart heeft het nooit gezien." Ik gaf het aan Edeling, die wel dra ook passages vondt, welke hem deden lachen; zo ook de Heer R., die het een meesterstuk in zyn soort noemde, en een rol heel eigenaartig van _Mus_ [de Gek van Joseps historie,] oplas. Enfin, Letje, wy bleven zo al praten van 't een op 't ander; en Saartje gaf het hare in de algemene Conversatie-uitgift, _comme il faut_. Uw Broêr kwam in; bragt een Brief voor u, en bleef ook zitten. Eindlyk hoorden de Heren, dat Frits de tafel dekte; zy stonden op, en marsch gingen de Leijonkers[4].

Is die Heer R., vroeg ik aan onze Vriendin, niet een beschaaft geestig man?

_Juffrouw Buigzaam_. Dat erken ik; maar, myn lieve Saartje hoe komt het doch, dat hy my niet gevalt? ik begryp dat niet!

_Ik_. En ik begryp het wel. De Heer Edeling is zo zeer uw gunsteling, dat er voor geen ander bytekomen is.

_Juffrouw Buigzaam_. Zou dat wel zo zyn? Waarom vind ik dan Brunier niet alleen niet minder, maar beter dan voorheen?

_Ik_. Juist, om dat uw gunsteling hem tot een beter mensch maakt; 't is zyn werk: ergo! maar zeker, hebt gy iets tegen den Heer R.

_Juffrouw Buigzaam_. Ja, Saartje lief, ik heb iets tegen dien man; wat, weet ik zelf niet.

_Ik_. Zyt gy nu wel rechtvaardig en menschlievent?

_Juffrouw Buigzaam_. Gy hebt recht om my dit te vragen; want, waarlyk, myne gewaarwording is zo duister! Ik beken, dat het een opvatting zyn kan. Hy heeft ook al vry veel met u, aan 't vengster staande, gesproken, en ook zeer zagt.

_Ik_. Och, 't gewone praatje: _que vous etes belle! que je vous adore_! en zo, wat er meer volgt.

_Juffrouw Buigzaam_. Engel van een Meisje! zie wel toe. Hy is een man van hoge geboorte, en heeft schatten: Laat hy u niet wat wys maken [_Ik werd root_.] Gy wordt root, myne Liefde!

_Ik_. Dat is ook zo; wat kan ik het helpen, dat er zulke knapen zyn, die ons meisjes wat wysmaken? ô, Ik zie dat gy my niet kent! Denkt gy, dat ik zulke snappers de eer aandoe, om immer in 't geheugen te houden, wat zy my voorgonzen?

_Juffrouw Buigzaam_. De Heer Edeling is een geheel ander man, en die bemint u waarlyk.

_Ik_. Beide stem ik toe; maar hoe veel achting ik ook heb voor dien braven man, ik bemin hem niet; ik bemin geen man op de hele Waereld dan myn Voogd: Nu, hy zal ook fraaije manchetten hebben.

_Juffrouw Buigzaam_. Wilt gy niet eens ernstig zyn?

_Ik_. Geheel ernst, geheel aandagt, geheel--al wat gy maar wilt. (_Ik kuschte hare hand_.)

_Juffrouw Buigzaam_. Hebt gy den Heer Edeling afgewezen?

_Ik_. Wel, niet anders dan ik u gezegt heb: maar, als de man nu op hoop tegen hoop aan wil boegzeeren, kan ik dat beletten?

_Juffrouw Buigzaam_. Hebt gy iets tegen den waardigen man? ei lieve, zeg het my eens!

_Ik_. Wel, zo veel zelf niet als er op de punt van een pennemes zou kunnen liggen; maar beminnen? ô _point! point_. Ik leef hier al te gelukkig; ik blyf by u, zo lang ik leef.

_Juffrouw Buigzaam_. Zal de Heer Edeling u dan ongelukkig maken?

_Ik_. Niet, ten zy ik het er naar maakte. Hoor, de Heer Edeling is in myn oogen zulk een agtingwaardig man, dat ik hem eigentlyk niet zou kunnen of durven beminnen: op myn woord (ik schaam het my ook haast aan u te zeggen,) ik heb meer eerbied voor hem, dan voor myn goedaartigen Voogd.

_Juffrouw Buigzaam_. Hoe is dat mooglyk? Wel, me dunkt, de Heer Edeling is een recht beminlyk man; zyn ernstig gelaat heldert gedurig op door een zagten glimlach; en wie, denkt gy, vindt zo veel smaak in uw vernuft?

_Ik_. Vlei my niet! Ik ben geen vrouw voor zo een man. Zie, als ik nu eens getrouwt was, zou ik myn man zo liefhebben, geloof ik, dat ik, buiten hem te kwellen, en te liefkozen, niet zou kunnen leven; en op beide zou zo een deftig man weinig gestelt zyn. Hy zou my voor een dartel wyfje, en ik hem voor een regten Joris steiloor aanzien. ô Dat zou een pret zyn om dol te worden! Neen: Laat hy u nemen, dan zult gy beide even gelukkig zyn, en laat my, zonder met Cupido in eenig verschil te raken, myn _Wegje_ (zeit Tante) zoetzappigjes af kuiëren.

_Juffrouw Buigzaam_. Weet gy wat, Liefde? zo ik de jaren van u had, en de Heer Hendrik beminde my, zo als hy u bemint, geloof my, dat ik hem nemen zou.

_Ik_. Gy zoudt niet, dan op ééne voorwaarde.

_Juffrouw Buigzaam_. En welke voorwaarde?

_Ik_. Dat gy, by myne jaren en zyne liefde, die wysheid bezat, die gy nu hebt; anders zoudt gy 't niet een zier beter maken, dan ik nu.

_Juffrouw Buigzaam_. Vindt gy ook meer behagen in den Heer R., genomen dat hy u insgelyks beminde?

_Ik_. Dat kan ik ook nog al zo niet zeggen: maar ik heb geen reden, dunkt my, om met een van beide iets optehebben, om dat ik geen oogmerk heb om van hunne overtollige beleeftheid immer gebruik te maken. De Heer R. handelt my met eene achting, en tevens op zulk eene verpligtende wys, dat ik, ten zy gy er iets wettigs tegen hebt, my ook geëngageert heb, om morgen een nieuw stuk te zien spelen: hy heeft u insgelyks verzogt, maar ik heb gezegt, dat ik niet geloofde, dat gy meê gaan zoudt.

_Juffrouw Buigzaam_. Wel, ik weet het niet, zou ik eens van de Party zyn? ik heb opinie, dat dit stuk schoon is: als ik redelyk wel ben, zal ik meê gaan.

_Ik_. O, wat zyt gy eene verpligtende Vriendin!

_Juffrouw Buigzaam_. Myne liefde voor u doet my veel doen.

Zeg vry myne _zorg_, viel ik haar in, haar met eerbied omhelzende, en een kusch gevende.

Zie daar, Letje lief, dit moest ik u schryven. Nu heb ik geen oogenblik tyd meer. Ik moet my nog opdrillen; Blondel staat reeds naar my te wagten, om my te kappen. Duizend groeten van

Uwe eigene

SAARTJE.

Noten:

[1] Een poos. [2] I Sam. XXVIII, 7. [3] Aspasia en elders. [4] Begeleiders.

EEN EN NEGENTIGSTE BRIEF.

DE HEER R. AAN DEN HEER G.

_Vriend Jan!_

Hoe dikwyls, dou lompen Kaerel, zal ik u dan moeten zeggen, dat my alles verveelt, en gy met uwe weêrgaze aapenkuren, kwakzalvers loopjes, en zotte uitnodiging, met een paar onzer Lievertjes, nog wel het allermeest? Wat kan ik, arme duivel, doen; waarom denken, dan aan de bevalligste meid, die ooit met een paar schone oogen de halve waereld in oproer stelde?--Gek, ja, stapel zot ben ik na haar; en ik moet myn rol van Huichelaar spelen, om haar ooit zo naby te komen, dat ik haar kan inluisteren: _ik bemin u_. Vrouwen, Vrouwen! Wat staat er niet voor uwe rekening! Nu, wy zullen afrekenen, myn trotsch Meisje! dat: "ik snuif niet; ik neem nooit geen presenten aan:" zult gy my betalen. Dit is de eerste oorvyg, welke myne eigenliefde, die waarlyk tegen de uwe wel opmag, nog ooit van eene schone hand ontfing. En ben ik niet een schone vent? Kan ik niet beuzelen met de zottinnetjes? redeneeren met de wysneusjes? Erger ik ooit een Vrouw, die achting verdient, door het allerminste dubbelzinnig woord? Sloeg ik ooit taal uit, die _blozen doet_; (ook maar uit welstaans halve?) Er moet een eind aan komen: zó leef ik eigenlyk niet. Maar welk een einde? Vraagt gy dat, Ligtmis? Ik een man van geboorte, van middelen; zy een Burgermeisje, met een stuiver goed? Gy zyt een driedubbelde Uilskop; of gy wilt my aan 't praten krygen. Trouwen? Zyt gy dan razent dol? Ik zal, denk ik, tot zulk een disperaat uiterste nooit komen. _Vryheid is de prikkel der liefde_: dit weet gy is myne spreuk. Als myne Maitres zal zy _Sultane Favorite_ zyn; maar myn Wyf! Wel foei! Zie daar, dat was al reden genoeg, by _un homme de mon goût_, om haar ondraaglyk te vinden. Trouw gy haar over een maand of vier. Zo lang, dunkt my, zal ik haar beminnen kunnen, en gy zult myne genietingen nieuw leven byzetten, door my die dan wat moeilyk te maken. Gy weet wèl, "dat een Ligtmis geen recht heeft op eene eerlyke Vrouw?"

Nu, gy hebt haar eens gezien; maar ik verdelg u van den aardbodem, zo gy haar in 't eerste half jaar weêr ziet. ô Liefde, liefde! maar welk een deugeniet ik ook omtrent de Vrouwen ben, ik zal myne drift, die alleen op myn eigen vermaak uitloopt, met uw gewyden naam niet opkwikken! Zotte vooroordelen! Krassen in de Lei door een bigotten Praeceptor daar in gekraaut, anders niet. Hoe zeit myne Hartog: _geluk is deugd_. Wel zie, Jan, was zy zó lelyk niet, ik gaf haar nog de een of andere keer een kusch voor dit Zedekundig regeltje. Laten wy toch ons Ongeloof als helden beleven, en den Duivel niet voor niets dienen.

Nu, myne koets staat gereet; ik ga haar halen: de Dame, daar zy by logeert, heb ik ook door haar verzogt. ô Ik weet wél, dat die niet uitgaat op zulke partytjes! En de malle meid, die er by was, ook! nu dat bruit nog wat heen. Ik weet al, hoe ik met haar moet omgaan. Zy zal bukken voor my, dien zy niet vreest. Mooglyk vorder ik in deeze laatste vyf uuren reeds merkelyk.

_Tien uuren, des avonds_.

Ik ben woedent, ik zoek met de hele waereld rusie; ik raas op Philips, of ik dronken ben; en zou u zeer graag by my hebben, om u helder afterossen. ô Gy verachtelyke slaaf myner vermaken! die, om een fraai kleed, en een goeden maaltyd voor my kruipt. Wat is er nu weêr te doen? vraagt gy, met het air van een berooiden verkwister: zwyg, en luister.