Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart

Part 7

Chapter 7 4,287 words Public domain Markdown

Begryp, myn kind, dat van uwe keuze uw gelukkig of ongelukkig leven zal afhangen; en dat ik, immers zo lang als gy myne Pupil zyt, u zal beletten uwe keuze te volgen, "indien brave en verstandige lieden, die u liefhebben, my zeggen, dat gy eene dwaze keuze doet." Ik zie niet op geld: zo gy maar een fatzoenlyk man, die u verdient, neemt. Maar ik denk niet, dat zo een braaf meisje zich zal vergooijen aan een jongen, die al zyn verdiensten aan zyn Snyer en Kapper verpligt is; die, als een regt vrouwenaapje, daar zo heen kwispelt, en twee orloges draagt, daar ik zo satans nydig over kan worden, dat ik hen wel eens een losse maling wou geven.

Ik heb wel gehoort, dat vele Dames, by de Twaalf geloofsartikelen; --die gy immers wel pront kent, hoop ik?--dit tot het dertiende maken: "Ik geloof dat de bekeerde lichtmis de beste man maakt." Geloof het niet; 't is allemaal leugen; er is geen stip waar aan, geen kriezel.

Hoe zou het my bedroeven, als ik merkte, dat gy deeze kettery toestemde! Gy meisjes praat, (de wyste niet te na gesproken,) somwyl, als of gy in uw harsens gepikt waart. Wat weet gy toch van lichtmissen? Een losse malle jongen, die zyn goed verbruit, en om peper moet[1], om dat hy zyn koorntje groen at, is geen lichtmis; hy is een gek, die men te Delft moest gaan opsluiten.

Een Lichtmis is een gerafineerde Deugeniet, die zyn roem en vermaak stelt in eerlyke jonge meisjes en brave vrouwen te bederven; die Gods geboden veracht; de wetten der vriendschap schendt; met zyne eeden speelt; met één woord, een allerverfoeilykst man, die te gevaarlyker is, naar mate hy een minlyk figuur, en een aartig vernuft heeft; die de welvoeglykheid zo lang in acht neemt, tot hy de onnoosle in slaap heeft gewiegt, en die in staat is om schatten aan zyne huurlingen uittedeelen. Gelooft gy, myn kind, dat zo een schepsel ooit de beste Echtgenoot worden kan? Alle fouten, door overyling en in gestorm der driften begaan, maken geen Deugeniet uit, indien hy die fouten, zo rasch hy die ziet, verfoeit en schuwt; maar een Lichtmis is zo bedorven van smaak; zyne neigingen zyn tot heblykheden dermate opgegroeit, dat hy nimmer een beter vrouw verdient, dan de allerslegste uit die bende, die hy bedorven heeft.

Een braaf, verstandig, kundig, goedaartig man, is de beste Echtgenoot. Een man van dit karakter verdient al de liefde, al de achting van eene vrouw, die hy zo gelukkig poogt te maken als zy ooit op deeze waereld zyn kan.

Ik zal hier niet meer over schryven; zo als ik zeg, gy hebt de beste Raadsvrouw by u. Gy kunt Juffrouw Willis ook altoos om raad en onderrigtingen vragen. Maar ik hou zo veel van u, dat ik u dit toch zo eens schryven moest. Groet, uit mynen naam, de brave vrouw, aan wie gy zo gehecht zyt; verzeker haar van myne byzonderste achting. Groet ook myn Vriend Edeling. En als gy Pieternel spreekt, insgelyks: Wel, ouwe Pieternel, denkt die nog aan my? Nu, als ik sterf, krygt zy een Legaatje. Zeg het haar niet; zy zou huilen van blydschap, en van droefheid ook. De oude Peterzen zal u, op uw order, het Geld bezorgen. Die ouwe stam heeft ook wat aan my verdient, zo eerlyk en zo hupsch is de man.

Nagt, myn lieve kind.

Uw liefhebbende Voogd,

ABRAHAM BLANKAART.

PS. Laat uw Clavier, en alles wat tot uw lyf behoort, op myn order, van uwe Tante halen.

Noot:

[1] Naar Indië.

ACHT EN ZESTIGSTE BRIEF.--Cornelia Hartog, de blauwkous, schrijft aan Wilhelmina van Kwastama, dat zij vermoedt: Edeling _komt om háár_! Dat het om Saartje zijn zou, komt niet in haar op. Ze noemt haar wel: Saar _heeft Hollandsch gezongen_; Cornelia leest nooit Hollandsch. Foei!

NEGEN EN ZESTIGSTE BRIEF.--Charlotte Rien du Tout schrijft aan Dirk Welgezint, haar oom: ze wil verhuizen, want het tòcht zoo bij de Wed. Sp. Vraagt ook wat zakgeld.

ZEVENTIGSTE BRIEF.--Oom Welgezint geeft haar den wind van voren. Ze is precies zoo'n uil als haar vader: Fransche wind! Hij haalt haar door en noemt haar lui.

EEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF.

MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.

_Waarde Juffrouw!_

Ik heb onlangs eene Vriendin verloren; ze hiet, by gelyk, (zeit onze Pieternel,) Anna Willis; kent gy haar? Ik vrees neen. Nu, dat zy zo, weet gy ook, waar ik haar weêr kan vinden? Ei lieve, wys my den weg, want ik verlang de kennis te hernieuwen; 't was toch, waarde Juffrouw, een in velen opzichte braaf mensch: wy hebben een klein verschilletje gehad, en, zo al pratent en weêr pratent, heb ik haar onder weg verloren. Ik wil zeggen, dat ik niet twyffel, of ik zal haar wel weêr vinden. Het Orloge onzer vriendschap staat maar wat stil, doch de eene of andere heusche vriend zal het wel weêr opwinden, en dan zal het weêr zo fix wyzen, en zo krek lopen als immer. Ik schryf u des maar in voorraad. Ik zou zelf besluiten kunnen om u deezen te zenden, zo gy my alleen beledigt hadt. Maar, dewyl de waarde vrouw, die men niet kan kennen zonder haar hoog te achten, door u zo verkeert behandelt is, en gy daar voor geen vergoeding aan my doet, zal ik alles opzamelen wat ik schryf, even of ik u per post schreef. Zo dra gy my zegt: "Ik heb Juffrouw Buigzaam beledigt; 't is my leed; ik heb slegt gedaan:" is al myn geschryf, nevens myn vriendschap, weêr tot uwen dienst.

Dewyl ik aan myne eenvoudige oprechtheid wil vast houden, zal ik u weêr alles wat er omgaat schryven; en daar uit zult gy kunnen zien, dat ik zeer gaarn met uwe meerderheid van verstand myn voordeel doen wil, indien gy u in den styl uwer lieve Moeder, en met wat minder airs, my die gunst aanbieden wilt.

Volgens afspraak gingen Letje en ik, op den bepaalden dag, de taffen zien. De drie Desmoiselles dronken thee, en wy gevolglyk ook. Onder het thee-drinken kwamen er twee Heren in, om zyden kousen en een hairzak. Alle welgekleedde mannen spreken één taal, als zy de _eer hebben_ tegen jonge Dames te spreken: zo als gy weet, Naatje.

Zy zogten koussen uit, en wy taffen stalen. Gy begrypt wél, dat zy onzen smaak _admireerden_? Nu dan, zy gingen beide zitten. De oudste Juffrouw vroeg naar de _Historie der Beide Indiën door Raynal_; (in 't Fransch begrypt gy,) de Heer R. noemde het _un Chef d'Oeuvre_. Zy spraken vervolgens over eenige _Pieces volantes _, die daaglyks uitkomen: en zyn vriend gaf haar _le Bibliotheque des Arts_ over; naar gewoonte, zeide hy. De heer R. sprak, dagt my, zeer wel, ofschoon hy véél sprak; en dan is dit al een heel kunstje; niet waar? Hy sprak met _extase_ van de dichters Pope, Thomson en Akenside; en met geene onbevallige houding zeide hy: _Oui, ma chere Marianne_:

_Virtue alone is Happines below_.

Ons discours duurde wel een uur, denk ik; want ik had ook nu en dan een woordje ingebragt, dat met attentie gehoort, en met lof toegejuicht wierdt; zoo als dat van zelf spreekt, Naatje. De Desmoiselles zeiden my: "Dat deeze Heren zeer ryke, zeer fatsoenlyke lieden waren, en dat de Heer R. geparenteert was aan onze eerste familiën. Hy hadt _une superbe Bibliotheque_, en zou ons graag dezelve heel en al ten gebruike geven; ook dat hy aan eene der Juffrouwen gevraagt hadt, waar ik woonde; en gezegt, dat hy de vryheid zoude nemen, om de _Essay on men_[1], in vierderleie talen by een gedrukt, te brengen, wyl hy gemerkt hadt, dat ik die wel eens zoude willen zien."

t'Huis komende, verhaalde ik ons avontuurtje aan Juffrouw Buigzaam, en liet haar de stalen zien, die ik by my had. Juffrouw Hartog zette een vieze tronie, en vondt de taffen zeer _commun_. "Zo, zei ik, en de Heer R. heeft die zeer fraai gevonden." "Kent gy den Heer R., Juffrouw Burgerhart?" "Zo als gy hoort, Juffrouw Hartog." Zy wierdt vriendelyker. "Kent gy dien Heer? vroeg de Weduwe. "Ja, Mejuffrouw, by reputatie. "Hy is een man van geboorte, _un homme du Ton peutêtre; mais un homme d'Esprit_.

Rien du Tout was uit; Hartog ging uit, en wy hadden het huis vry. Nu, zeide ik, zullen wy eens een recht lief stil stichtelyk avondje hebben; en dribbelde, met een half menuët pasje, de tafel om. Wy verzogten de waarde vrouw, om voor ons wat te lezen, en kregen ons naaijen. ô Naatje, nooit heb ik zulk lezen gehoort, en zulk een lieve stem is er niet! zy voldeedt aan ons verzoek, en las een Boekje: "de vrolykheid van een Godsdienstig leven;" dat gy zeker kent? De avond vloog om. Hoe gelukkig waren wy! Halfnegen kwam onze Lotje thuis, ging zich deshabillieeren, en in de kamer gezeten zynde, vermaakte zy zich met Jillis, onze kat. De tafel hadt reeds drie kwartier gedekt gestaan, toen de Sçavante binnen tradt; zy haastte zich, was minzaam, spraakzaam zelf. Wy zagen wel, dat zy wat verlegen was; zy wist wel, dat zy nog wat te goed hadt; maar ik beschuldig nooit iemand die zich zelf beschuldigt; en de lieve goedaartige vrouw maakte geene remarques.

Toen wy reeds yder in ons pavillioentje lagen, hadden Letje en ik het nog zeer druk over het geen er gelezen was: ik zie duidelyk, dat Letje verstand en smaak heeft; maar 't is een verwaarloost verstand, en een nog ongeoeffende smaak: zo vergenoegt als Engelen sliepen wy in.

Morgen zal ik deezen vervolgen, zo er iets, my betreffende, voorvalt. Gy weet, ik leg alles by elkander, tot dat ik mijne Vriendin Willis vinde.

* * * * *

Dees dag is stil en eenzelvig voor uwe Pupil afgelopen; en ik ben maar wat aan 't haspelen geweest, om dat Letje in 't naauw was. 't Geval is zeer verre uitziende:--zy heeft, deezen middag, het Bierglas van Juffrouw Hartog gebroken. Hare _veel Waereld_[2] bewaarde Letje niet voor haar misnoegen; en, dat nog erger is! ons niet voor het aanhoren eener (geloof ik althans,) geleerde Oratie over de fraaiheid en byzonderheid van dit glas: "'t welk zy van Lord Muffle, toen die hier in 't land was, gekregen had; 't was naar de regels der Geometrie gemaakt, enz. enz., en zy hadt liever, dat Juffrouw Letje haar grootsten Spiegel gebroken hadt, dan dat Glas." "En ik niet, zeide Lotje, want dat beduidt een dooije." Dit deedt my lachen. Letje verzogt excuus; Juffrouw Buigzaam gaf aan Frits last, om even zo een Bierglas te kopen; en Juffrouw Hartog hieldt hare opgelapte meerderheid.

* * * * *

Al Weêr een dagje! wel Naatje, en nog al geen Brief van u. 't Zal by my altemaal verwilderen, 't Hek is van den dam; de Schapen lopen in 't koorn. Wat nieuws. De Heer R. heeft hier aan huis geweest, en bragt my het Boek, waarvan ik u gemelt hebbe. Hy zat een uur by ons. Hy sprak meest met de waarde Vrouw. Waarlyk, 't is een schoon welgemaakt man. Ik geloof, dat hy veel geest heeft. Het gesprek ging over de _Algemene Liefdadigheid_, by gelegenheid dat men eenen drenkeling voorby bragt, die gelukkig geret was. Hy merkte aan: "dat, ofschoon onze deugd niets kan verdienen, zy echter altoos iets voortreflyks blyft; en dat hy het met de oude Romeinen hier in eens was: _het is veel schoner één Burger te behouden, dan honderd Vyanden te doden_."

Juffrouw Buigzaam was wel voldaan over zyne redenen. Ik plaag Letje gruwlyk met hem, want hy schynt voor haar zéér véél attentie te hebben; schoon hy my zyne Bibliotheek heeft aangeboden, nevens eene keurlyk geschreven Catalogus, om te zien, wat my zoude aanstaan. Nu, dat vind ik wél héél lief, en zal er ook myn gebruik van maken: "Zo dra ik meer lichts omtrent dit Luchtverschynzel, 't welk nu aan onzen Huisselyken horisont opdaagt, hebbe, zal ik u daar meer van zeggen." Zie daar, zo zoude Juffrouw Hartog spreken.

* * * * *

Nog geen Brief van Rotterdam! Geduld--Maar ik moet evenwel nu zeggen, dat gy uwe Voogdyschap slorzig laat leggen. En ik, arme ziel! kryg onderwyl vryers als zand. 't Is of heel Amsterdam weet, dat gy my mondig verklaart hebt. Hebt gy dan met myne Tante overleit, om my, zo maar kort en goed, aan den Satan overtegeven? Niet dat die hier ook al geweest is; was dit zo, Rien du Tout zou my dat wel gezegt hebben; zy is, zegt zy, "met een Helm geboren, en kan kwaad "zien". Nu, dat kunnen er wel meer, en ook al daar het niet is; ook Naatje? Foei, dat gy my zo in den pekel laat zitten! Daar heb je dan voor eerst myn kostelyke vriend Cobus; ja, die eerst komt die eerst maalt: daar heb je dan myn allerliefste Willem, uw Broeder; daar heb je dan de Heer R., die my een Boek brengt; ende ten vierden, daar heb je dan de zeer ernstige, zeer stemmige, zeer verstandige Heer Edeling. Ik heb wel geen haast om te trouwen; doch als ik nu maar wist, welk man ik moest kiezen, als my die haast eens overviel: dat is het maar.

* * * * *

Nog geen _Peccavi_![3] en de dag is om. Lees ten slotte dit volgende. Letje kwam by my. De arme Lot, zei ze, is bedroeft; en ik geloof ook, ergens om verlegen.

_Ik_. Dat spyt my, waar is zy? Laten wy zien, wat er scheelt. Wat scheelt u, Juffrouw Lotje?

_Zy_. Wel dat geloof ik ook; myn Oom Dirk is zo boos op my, om dat ik hem iets verzogt heb; en, dat nu nog erger is, ik moet myn Kapper betalen, en ik heb geen gulden aan geld. [_Zy schreidde als een meisje_.]

_Ik_. Is 't anders niet? kan ik u helpen met twee ducaten, ze zyn wel zeer tot je dienst; kom, wees maar vrolyk: uw Oom zal 't zo niet gemeent hebben. [_Ik gaf haar de ducaten: maar zo dankbaar als dat mensch was_!]

_Zy_. Ik beloof u, uw geld in de volgende week vast te betalen.

_Ik_. Nu ja, dat's wel.

De sloof zat te breijen zonder opkyken, aan een witte garen kinderkousje: "dat's een veeg teken," zei Letje, tegen my. Arme meid! 't Is waaragtig een groot kind. Ik hoop, dat ik haar toch nog zal leren spelden[4], en wat schryven, want het eerste is elendig, immers als zy een opschrift leest, en haar Waschbrief is een Lyst van Toverkarakters.

S B.

Noten:

[1] Pope 1688—1744. [2] Kennis van de "Groote Wereld". [3] Schuldbekenning--van Anne n.l. [4] Spellen.

TWEE EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Sara verhaalt Anna van een bezoek van Edeling, die in gesprek is geraakt met Corn. Hartog over: _De Genoegzaamheid der Deugd_; de opinies loopen uiteen en Sara critiseert; zij is 't eens met Edeling.

DRIE EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Sara verzoekt tante Hofland haar mee te deelen, wanneer ze haar _klavier, guitaar_ en _muziek_ kan laten halen.

VIER EN ZEVENTIGSTE BRIEF.

MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.

_Ge-eerde Heer en Voogd!_

Al leefde ik honderd jaar, en al deed ik niets in al dien tyd, dan u myne erkentenis te bewyzen; dan nog zou ik geen tyds genoeg hebben, om u zo veel daar van te tonen, als myn hart en myn pligt van my vorderen. Uw edelmoedig geschenk streelt my te meer, om dat my dit verzekert van de vriendelyke goedkeuring myns gedrags. Ik hoop er zo een gebruik van te maken, dat ik u ook daar van, zo wel als van de duizend guldens, behoorlyk rekening zal kunnen doen.

Ik heb Tante een Briefje gezonden, waar van de Copy hier nevens gaat, en zy heeft my laten zeggen: "dat zy order van u zelf moet hebben; doch dat zy nog zo iets met u te verrekenen heeft." Ik had echter zo heel graag myne Muziek, myn Clavier en Guitar.

En nu zal ik eens eene nieuwe pen snyden; ik heb er my reeds in myn deshabillié toe gezet, om uwen dierbaren Brief ordentelyk te beantwoorden. Kan ook een verstandig tederlievent Vader wel meer belang nemen in zyn gehoorzaam Kind, dan gy, myn Heer, in my neemt! maar geen Kind zal ook my in dankbaarheid en leerzaamheid, hoop ik, overtreffen.

De Heer Edeling is een uitmuntent Jongman! Nooit verlaat hy ons, of wy achten hem nog meer, dan de laatste keer dat wy hem zagen. De lieve Vrouw spreekt van hem, zo als zy zelden spreekt. Maar, myn lieve Heer Blankaart, zou zo een man, en die zo veel goederen bezit, immer aan my denken! Neen, zo verwaant ben ik niet. Zo een man moet een Vrouw hebben, die hem nader komt: nu, dat is zyn zaak. Ik heb geen den minsten trek om van staat te veranderen. Ik heb nog nooit een man gezien dan die ik, op zyn allermeest, alleen my ten vriend wenschte. Wil ik u eens wat zeggen? Daar is de jonge Heer Willis; die heeft my gezegt, dat hy my bemint. ô 't Is zulk een braaf, eerlyk, bevallig Jongman! ik heb hem ook zó lief, als of hy myn eigen Broêr waar; doch heb hem voor zyne liefde bedankt. ô! ô! Hy zal wel eene brave vrouw krygen; want het is een recht lieve goedaartige Jongen: waarom zou ik hem ophouden, daar ik toch geen zin in hem heb, en niet wil trouwen?

De Heer R., een zeer fatsoenlyk ryk Heer, van ruim dertig jaar, denk ik, heeft kennis met my gemaakt, en zyne heerlyke Bibliotheek my ten gebruike aangeboden, 't Is toch goed, dat alle Heeren geen laffe Jonkertjes zyn; "maar 't is heel iets zeldzaams, zeit de Weduwe, veel oordeel en belezenheid by veel beschaaftheid en waereldkennis te vinden." Zo dat wy mogen van geluk spreken.

Ik verzeker u, myn waarde Heer, dat ik nooit tegen uwen altoos redelyken wil trouwen zal; en dat ik, omtrent het XIIIde Geloofsartikel van vele Dames, eene Ongelovige ben. Niets dunkt my, (en zo dunkt ook de brave Vrouw,) geeft uw Sexe zo veel stof in de hand, om de onze met bespotting te beschouwen, dan het beleven deezes XIIIden Artikels. Een gek kan ik dulden, een Pedant verdragen, een Petitmaitre lyden; maar, op een Lichtmis zie ik met schrik en versmading! Hy is de Natuurlyke Vyand myner Sexe: Niet meer van zo een lelyk afbeeldzel des Duivels. Wie is boven alle zwakheden? Ik ben 't niet! Maar dat ik my ooit zoude straffen, met een Lichtmis voor myn man te nemen; verächt my, zo ik er toe in staat ben!

Neen, myn Heer! ik zal uw vroom gemoed nooit bedroeven! Kan ik ondankbaar zyn? Om u, wat er ooit gebeure, te kunnen bedriegen, zoude ik zelf eerst moeten bedrogen worden; en wie zou toch, in de wyde waereld, dáár belang in stellen! Ik sta niemand in 't licht; ik kwel niemand; ik wil zo graag allen zo wel doen, als in myn vermogen is. Ik begeer niets dan uwe Vaderlyke gunst te behouden, by deze dierbare Vrouw myn dagen te slyten, en zo al de eene zotheid voor, en de andere malligheid na wat af te wennen. De waarde Dame groet u met de hoogste achting, en ik ben

Uwe liefhebbende Pupil,

SARA BURGERHART.

PS. Ik hoor, dat Tante zal trouwen met een Heer die er veel in zyn Japon komt; die Heer ken ik; ô my! ô my! 't Is toch grappig ook.

VIJF EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Hendrik Edeling vertelt Cornelis wat hij zooal gedaan heeft; Sara is een engel! Hij zendt hem Blankaarts antwoord. Maar vader Edeling blijft koppig--geen "_Noach's ark van gelooven in zijn huis_! Nooit!

ZES EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Papa Edeling schrijft aan Blankaart; van dat huwelijk kan niets komen. Hendrik is _Luthersch_, zij niet. Afgeloopen.

ZEVEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF.

DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND.

_Mejuffrouw!_

Wel, hoe hebben wy het toch met elkâer? ryd je de witkwast, of maalt je de geest? Denk jy, dat ik zo maar op een dag heen en weêr zo eens over kan komen, om u te zeggen, dat gy Juffrouw Saartje haar Linnen en Muziek zendt? Was het Briefje niet zo beleeft, als er een in heel Amsterdam te vinden is? Wie hagel hoort er van? 't Is immers het kind zyn eigen goed. De Guitar heb ik haar zelf uit Londen meêgebragt, toen zy, tien jaar was; hy kost my verscheide Guinees; maar hy is ook al wat je horen kunt, zeg ik je. Wat doe je toch met haar Clavier; speelt Bregt met haar styve dikke stompen er somtyds eens een deuntje op, als zy dronken is; en dans jy dan met Broêr smulpaap, als er zo een klein verheugingje is? Wat praat gy toch van nog wat te rekenen of te verrekenen: zwyg er maar dood stil van, of ik zal u anders spreken. Weet je wat je krygen zult? Net twee nieten in een bodemloos mantje; en Bregt om een oortje raakwat, voor een vervalletje: Broêr kan zo veel knokkel oly krygen als hy t'huis kan brengen: Dan zult gy wel _voldaan_ willen tekenen? Wat zegt gy nu van Abraham Blankaart?

Maar wat hoor ik, Zanneke, ga je trouwen met een Heer, die alle daag in zyn Japon by u komt? Ik kan wel denken, wie of er op u smoel heeft[1]; wie anders dan de Broeder? Nu geluk, er is maar een paar bedorven. Evenwel, als ik zo alle ouwe dingen overdenk, dan beklaag ik u toch. Wy hebben immers menigmaal eens een pretje gehad, en je hoorde my toen zo graag zingen van: "Toen onze Pau in 't Leger kwam." Waaragtig, Zanne, de Fynen lopen op uw zak, meid! ze zullen je zo arm maken als een Mier. De duivelsche gierigheid heeft u gefopt, en de kweeslary zand in de oogen gestrooit. Neem dan dien Drasboek niet; ik zal wel een ander opschommelen, als ik in de stad kom. Nu hebt gy order van my, om Saartjes goed te zenden. Ik blyve

_UWEd. Dienaar _,

ABRAHAM BLANKAART,

Noot:

[1] Zin in je heeft.

ACHT EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed aan Blankaart: Sara en Hendrik houden haar beiden op de hoogte. Ze deelt hem nu uitvoerig een gesprek mee over het _Buitenleven_. Sara vindt zich daar te jong voor, Hendrik verlangt er naar. Saartje knoopt manchetten voor Blankaart; deze moet zich van den domme houden!

NEGEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF.

DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN DEN HEER JAN EDELING.

_Heer en Vriend!_

In antwoord op uwen, Amst. den ... passato, dient: Ik ben nu maar, die ik maar ben, een niets beduident oud Vryer, en dat's het al; doch ik wil je zweren, dat wy niet meer in Geloof dan in humeur verschillen. Zie daar, ik heb het altoos zo druk en volhandig gehad, dat het trouwen er is ingetrokken[1], maar selderdemostert, was ik Vader over een half douzyn jongens en meisjes, wel dan zou ik myn geluk niet kunnen overzien, als ik daar zo al die kabouters hoorde snappen, en rabbelen; of Abraham Blankaart ook meê zou doen! En als zy dan zo verre heen waren, dat zy op 't geen ik zeide aanmerkingen konden maken, en het hunne voor hunne kleine zaakjes wisten in te brengen; wel, dan zou ik God harlyk danken, om dat ik zulke snelle[2] kinderen had; zo als billyk is. Begrepen zy in 't vervolg eens iet beter dan ik; bestig, zou ik zeggen, en doen het zo.

Daar heb je nu myn Saartje, wil ik spreken. Wel de kleuter weet veel meer van de Waereld en van de Schrift als ik, en ik ben dertig jaar ouder. Voor ik naar Vrankryk ging, zei ik: Kind, lees je jou Gebed 's avonds wel stipt uit Mell? "Myn Heer, zei ze, ik bid uit myn eigen hart; ik weet immers beter, wat ik nu nodig heb, dan Mell voor vyftig jaar dat raden kon?" Wat denkt gy, dat ik toen zei? je zult, by dit en dat, jou Gebed uit Mell lezen, om dat ik het doe? Mis mantje! ik zei, dat's waar meisje, je heb groot gelyk; en anders zou zy denken, dat ik haar vyand en niet haar welmenentste vriend was. Hoor, Jan Edeling, gy hebt nu veel meer verstand dan ik, doch daar heb je mis in. 't Is op myn woord, je hebt mis.

God de Heer geeft ons, zyne kinderen, wel reden van zyne bevelen: "doe dat, op dat het u welga," staat er dat niet in den Bybel? En zullen wy nu zo misselyk[3] en zo boos zyn, dat wy onze kinderen, in plaats van brood, slangen en schorpioenen in den mond proppen? Hadt, by gelykenis, Luters Vader eens gaan zeggen: "Luter, ik versta niet, dat je Luters wordt, jy zult Paaps blyven, want wy zyn van 't begin van de waereld af allemaal Paaps geweest; en zo jy 't in den kop krygt, om van ons oud geloof aftegaan, zullen wy eens wat anders by de hand vatten." En was Luters Vader evenwel zo wel de Vader van Luter niet, als Jan Edeling Vader is van zynen Zoon Hendrik; en waar was dan je hele Geloof gebleven?

Dat je op je Kerk gestelt bent, eer heeft uw hart; dat's braaf! maar hier, ik, zei de gek, ben ook op myn Kerk gestelt, en myn hart het ook eer, zou ik denken. Wel zie, wy verschillen zo weinig in geloofsgronden, wil ik spreken, dat het niet de pyne waart is, om er zo over aantegaan. En waarom zouden onze jonge lui niet met malkander te Kerk kunnen gaan? Hebben wy niet één Heer, één doop? Maar wat hagel hebben wy Leken met hunne disputen en tandtrekken te doen? Zo dat tegen het Huwelyk heb ik niet, indien er geen andre dan deeze geloofsverschillen mede gemoeit zyn. Dat gy van 't Luters geloof zyt, is goed voor u; dat ik op zyn Gereformeerts geloof, is ook goed voor my. Maar elk zyn vryheid: Gy zyt immers geen Paus, al ben je Vader? Je kunt immers mis hebben? Of zyt gy onfeilbaar? Hoe zit het?