Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart
Part 6
In 't naar huis gaan, gingen wy Coos logement voorby, en spraken Mademoiselle G---- eens toe; die zeer verblyt scheen ons te zien, en vriendelyk innodigde. Wy voldeden ook aan haar verzoek. Letje vroeg schielyk of haar Broêr niet t'huis was; neen, zei zy, maar hy zal weldra t'huis zyn. Kom, zei Letje, dan gaan wy zo lang op zyn kamer: ik volgde, zeer benieuwt zynde, hoe of het toch op de kamer van een Petitmaître er mogt uitzien. Naatje! nooit hebt gy zo een huishouden gezien! myn oog viel eerst op zyn toilet, dat in de volmaakste desordre lag. Poeijer en Snuif bedekten alles. Hairkammen, Wenkbrauwkammetjes, verscheiden Verfjes, Tandenschuijertjes, Tand-poeijer, een glas half vol water, zo smerig als een eend, een stuk uitgedoofde Waskaers, eenige Fransche boekjes, die niet van de strengste zedekunde schenen te handelen, een morsige Inktkoker, een vuile Slaapmuts en een pot Pommade, maakten de misselykste vertoning, die ik ooit zag. Al zyn kleêren hingen over stoelen. Eenige paren zyden kousen slingerden er tusschen. Schoenen, muilen, laerzen, een hartsvanger, lagen door malkander: alle zyne Boeken konden wel in een brood-mand, en zagen er vuil en smerig uit. Letje zag dit lieve boeltje, met beschaamtheid, eens over, en ik was geheel nieuwsgierigheid. "Kyk me zo een floddervink eens; zo een slons van een jongen, en die altoos er uit ziet, of hy uit een doosje komt." Kom! zei ik, hy zal er voor hebben. Daar op deden wy zo veel kattekwaad, en naaiden zo veel mouwen en zakken en koussen toe, en verstopten zo veel goed, als de tyd ons toeliet. Toen gingen wy naar beneden, en zie daar, daar kwam de Vorst van Tour en Taxis, wip wip wip den stoep op; gevolgt door nog een vlasbaard, of drie, die hier alle logeeren. Myn Chevalier weet te wel te leven, (zoo hy meent, och arm!) om ons vryheid te laten zo terstond te vertrekken; en dewyl Mademoiselle G--- hier sterk op aandrong, traden wy in de eetkamer. Terstond presenteerde men 't een en ander. De gure dag gaf Coo den inval om een Bowl Punch te maken. Fiat Punch! Toen had hy 't op zyn lyf! de Arak, de Citroenen, enz., alles kwam uit den hoek. De drank was smakelyk, het gezelschap vrolyk, Mademoiselle G--- kluchtig, en Saartje haar zelf. Enfin, Naatje, wy diverteerden ons als Vorsten; wy raakten aan 't musiceeren, en 't was wel negen uuren, voor onze Vriend ons t'huis bragt.
De lieve Buigzaam wagtte reeds met eeten. De Hartog keek, als of zy zeide: "Wat die Kleuters! moet ik daar naar wagten?" Lotje zat met een Almenak van 't voorleden Jaar, en hield zich of zy las; doch ik weet niet, of zy wel eens spelden kan. Wy waren zo dartel, dat de lieve Vrouw niet wist, wat zy van ons denken moest; en Letje was ongemeen woordenryk. Ik was niet heel gemaklyk, want Juffrouw Hartog my iets, 't geen ik haar verzogt, wat onbeleeft aanreikende, en er by voegende: "ei, altyd dat gelach, 't zal wat te beduiden hebben, als wy 't wisten!" gaf ik haar een antwoord, 't welk aantoonde, dat ik haar, schoon veel ouder, niet voor myne Voogdes begeerde.
Ik heb u nog niet gezegt, dat de Heer Edeling hier alweêr geweest is. Juffrouw Buigzaam spreekt met de uiterste achting van hem, en met zo veel onderscheiding, dat, zo zy tien jaar jonger was, ik zou denken, dat hy de man zyn zoude, dien zy haar hart wilde geven: nu denk ik dat niet. Mooglyk heeft hy zin aan Letje. Hy is door haar Broêr hier althans gebragt. 't Is een zeer fraai man: hy heeft mooije manieren, en ik hoor, dat hy veel verstand heeft. Als hy weêrkomt, zal ik hem eens _Philosophiesch betrachten_; zeide uw Pedant Gekje zo niet?
Omhels uwe dierbare Moeder; groet uw Vriend Smit; saluëer uw Tante voor haar, die gy weet dat is,
Uwe hoogachtende Vriendin,
SARA BURGERHART.
ZEVEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.
DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SPILGOED.
_Mevrouw!_
Voor ik iets, Saartje betreffende, aanroer, moet ik u zeggen, dat ik God hartelyk gedankt heb voor uwe herstelling, 't Zoude al te droevig zyn, dat zulke weêrgaloze Vrouwen zo klakkeloos uit de waereld gingen, terwyl wy met hele risten van Beuzelaars en Beuzelaarsters blyven opgescheept. Het doet my aan myn hart goed, dat ons meisje zo haar pligt gedaan heeft; zy zal er een present extra uit myn eigen zak voor hebben. Zie, men moet de jonge lui, als zy wel doen, ook wel doen; en ik ben, God dank, geen vrekkige Jakhals van een Kaerl. Ik zeg altyd: "Abraham Blankaart, God heeft u zo gezegent, je hebt kind noch kraai; hoewel ik weet niet, of dat zo blyven zal; een mensch heeft graag een eigen weêrspraak. Kind noch kraai! wel deel meê, myn Vriend; maak dat niemand op u ziet, als een hond op een zieke koe, dat niemand wel eens wou zien, of jy ook een mooije doode zyn zoudt. 't Moet hier toch altemaal blyven, en als jy brave lui op de proppen helpt, dan doe je als een hupsch Christen mensch betaamt." Nu, dat overgeslagen.
Neen, Mevrouw, ik heb geen byzonder oogmerk omtrent Saartje. Ik zal haar volkomen haar eigen keuze laten doen; en, zo de jongen haar verdient te hebben, zal hy haar hebben, al had hy geen zesthalf in de waereld; maar zo zy dwaas genoeg was, om een knaap te willen hebben, dat een vlegel, of een bobbekop is, of die haar dood zou kniezen, of tot gekheden brengen: Verduivelt! dan zal myn naam geen Abraham Blankaart zyn, zo ik het ooit toesta. Hoe, wat hamer, en wat spykerdoos, heeft haar brave Vader my niet met de dood op zyn lippen gezeit: "Brammetje Blankaart, ik sterf; zorg gy voor dit dierbaar Kind. Wees het geen ik voor haar zyn zoude, mogt ik leven." En heeft hare lieve Moeder ook zo niet gesproken? En heb ik het niet heilig belooft? En ben ik niet een eerlyk man? Hoor, Mevrouw, het meisje is veel ryker dan zy weet. Zy kan, ik herhaal het, krygen die zy hebben wil, mits dat zy wél kiest.
Ja, 't is een weêrgaâs meisje! zo als gy daar schryft, is zy: en ik ben maar bly, dat zy by zulk eene allerbraafste Dame is, dat is goed voor haar. Spreek toch niet van my lastig te zyn; ik wou dat uwe brieven zo lang waren als de Engelsche Courant. Zie, ik ben geen man van de hedendaagsche Waereld, maar een brief van zulke vrouwen, wel, dat is een tractement voor my.
Den ouden Heer Edeling ken ik van voor vele jaren. 't Is een eerlyke knorrepot, een braaf man, een man, daar men op af kan, maar de lastigste mensch, dien ik ook al ken. Pitten heeft hy, en crediet als de Bank: maar ik heb my altoos afgehouden van twee soorten van menschen, van allemansvrienden en van Grimbekken. De laatsten veracht ik, en de eersten beduiden niet genoeg, om er aan te kunnen denken. Zyn Zoons ken ik niet; maar ik heb altyd gehoort, dat het beste jongens waren, doch die 't hart niet hadden, om hunnen Vader ooit dan met schroom toe te spreken. Dat is toch een ellendige zaak! 't Spreekwoord zeit, de beste Stuurlui staan aan land; maar als ik kinderen gehad had, by myn Vrouw, ik zou eerst hunne liefde hebben zien te winnen; en dan zou ik my van hun vertrouwen en achting gemaklyk hebben meester gemaakt. Wat zegt gy, Mevrouw?
Indien de jonge Heer des zyn hof aan myn Kleuter wil maken, en zy het goedvindt, my is 't wel; als 't kind maar gelukkig is, ben ik te vreden, en ik zal haar, met al wat zy in de waereld heeft, zelf aan hem, met myn eigen hand, geven. Doch de Oude moest my evenwel geen Kattesprongen maken, of denken, dat zyn Zoon haar veel eer aandeedt. Ja, ja, 't is een misselyke knevel, die eigenste Jan Edeling; want dan zou my 't bloed ook wat heel spoedig in de ooren kruipen. Saartje is van zulk eene brave oude familie, als er maar weinigen in Amsterdam zyn; haar overgrootvader was al een styl van de beurs, en een pylaar van de kerk: en, schoon zy geen geld heeft, dat by Hendriks te pas komt, zy is echter een schone party; en zy is een heel mooi meisje ook; en zy heeft, mag ik zeggen, alles geleert; en zy speelt immers kapitaal? Wees verzekert, dat ik uw verpligtent bericht voor my onschendbaar zal houden. Zo ik u, waardige Dame, ergens in van dienst zyn kan, beveel! gy zult my verrukken, door my in staat te stellen van u te kunnen tonen, hoezeer ik met de grootste achting ben,
Uw welmenende Vriend en gehoorzame Dienaar,
ABRAHAM BLANKAART.
ACHT EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Anna Willis beknort Sara om haar houding tegenover Coos-Jacob Brunier. Foei! Is vermaak dan alles? En wèlk vermaak! Tante Hofland zal nog gelijk krijgen! Ze mag Anna uitmaken voor wat ze wil: _bijnamen geven is geen redeneeren_.--Willem maakt 't goed; Smit gaat uit preeken. Hendrik Edeling is een beste jongen; Smit kent zijn broer.
NEGEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Willem Willis schrijft zijn Moeder: hij maakt het goed, doet zijn best, maar _Sara kan hij niet vergeten_. Doet Moeder wel goed?
ZESTIGSTE BRIEF.--Hendrik Edeling richt zich tot Blankaart, over Sara. Of er iets tegen is? _Zijn_ vader zal bezwaar maken: _Sara is niet Luthersch_--doch dat is misschien nog te ondervangen.
EEN EN ZESTIGSTE BRIEF.
DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN DEN HEER HENDRIK EDELING.
_Myn Heer!_
Ik ken genoeg van uwe omstandigheden en zedelyk karakter, om niet weinig in myn humeur te zyn, met het voornemen, dat gy hebt omtrent myne lieve Pupil.
Zie, myn Heer Edeling, ik ben geen knorrepot, die altyd legt te gnokken, en te gnutteren[1] op Jongelui; ô ho! het zat over een zestig, zeventig jaar, ook al zo breet niet: maar dit is evenwel hemelsch vast, dat onze jonge Heren het drok genoeg maken, en dat Ouders of Voogden van geluk mogen spreken, als zy een aartige lieve meid, die hun aangaat, in goede handen zien. Wel, 't is een bedroeft ding, dat de jonge Heren zich de vryheid geven om stukjes uittevoeren, die hen de achting van hunne meisjes onwaardig maken. Dat rydt, dat rost, dat speelt, lichtmist voor een voor negentien, alsof men een paardje schytgeld op stal, en nog een lyf in de kist hadt: en als men dan eindelyk het wilde leventje wat moede is, ja! dan klungelt men naar de Vryster, die men eene hope leugens en liflafferytjes vertelt. Het arme schaap neemt alles voor goede munt aan; en zy krygt een man met een verzwakt en verslonst lichaam, zonder zedelyke, 'k laat staan Godsdienstige beginsels; zonder kunde in zyne zaken; en haar geld moet meermaal springen om smousen en ligtekooijen te vreden te stellen.
Zo dat ik maar zeggen wil, myn Heer Edeling, dat ik regt te spreken ben, met uwe liefde voor het kind. Dat gy haar daar van nog geen kik gezegt hebt, smaakt my bestig. Hoor, gy zyt een hupsch jongman, en ik hoop, dat onze lieve Heer haar maar genoeg wysheid zal verlenen, om u haar hart, zo wel als haar mooi zagt regtehandje te geven: mits echter, dat myn Heer uw Vader haar die eer aandoet, waar op ydere brave jonge Juffrouw, in zo een geval, recht heeft.
Indien men ons, om dat wy misselyke Potentaten zyn, alles moet laaten doen dat men wil, wel, dan zyn de redelyke menschen waaragtig te beklagen. Hoor, myn Heer Edeling, ik zou geen Kind veröngelyken, en myn Paard, zo min als Snap, myn Patryshond, (die al weer met my naar Vrankryk gesjouwt is,) hadden nog ooit reden, om my voor een bullebak van een meester te houden. Daar is nu Jan, die reeds al zes en twintig jaar by my diende; maar ik heb nog nooit gemerkt, dat de kerel een beter heer verlangde; want ik zeg altyd: "Abraham Blankaart! maak toch, myn Vriend, dat je geen mensch of beest zo behandelt, als jy niet zoudt willen behandelt worden, dan zal je wel doen, en dat is hier de zaak." Doch myn Heer, uw Vader, voor wien ik zeer veel achting heb, moet niet denken, dat myne Pupil ooit in zyne Familie zal komen, indien hy my, als haren Voogd, dit niet met bescheidenheid en yver verzoekt, 't Zou my om u schrikkelyk moeijen; maar ik heb ook op sommige punten myne wonderlykheden; en, schoon ik niet aan de Jicht, of het Podagra zucht, kan ik om de hagel niet veelen, dat men zich airs zoude geven, omtrent zulk een braaf fatsoenlyk meisje. Myne gehechtheid aan de Leerstukken der Publique Kerk is, ja al zo sterk als de zyne aan het Luthersche geloof zyn kan, en daar hoop ik by te leven en te sterven: amen! Maar watte malle dingen zyn dat! "dat ik besluit om myn kind nooit buiten myne Kerk te zullen uittrouwen?" Wel, 't is goed, dat onze lieve Heer wyzer is dan wy allemaal; 't zou hier anders een bedroefde Winkel worden, dat zou het. Laat elk gelooven dat hy wil, dat hy kan, en laten wy allemaal deugdzaam leven; dat zal wat beter voor ons uitkomen, dan dit en dats hargueeren, en kieskaauwen, over dingen, daar de wyste lui zo weinig van begrypen als ik, of een ander eenvoudig Christenmensch. Hoor, myn Heer Edeling, ik kan zo Satans nydig worden, als ik daar in plaats van eene stichtelyke opwekkende Predikatie te horen;--want ik ben een stipte Kerkganger, moet gy weten; ik ga, als ik t'huis ben, alle Zondag in de ouwe Kerk,--niets voor myn neus kryg, dan wat scholastiek[2] Vulnis, dat, mag ik zeggen, diept noch droogt. 't Is goed, dat zulks maar zelden gebeurt, of Abraham Blankaart zou zo stipt niet ter Kerke gaan. Nu, myn Heer, gy moet weten, hoe gy met uw Vader dat Boeltje reddert. Doch hy moet niet vergen, dat myn Saartje van haar Gereformeerde Kerk afwykt. Hoor, ik moet daar niet over gemoeit worden. 't Is onredelyk; en is de man driftig, ik ben ook juist de grootste jaabroêr niet. Hy moest ook niet leggen te choqueeren op myn Kerk, of hy zou zyn man aan my vinden. Ik versta my wel niet op alle de fynheden der redeneerkunst; maar ik denk, dat ik echter met hem geen gevaar loop om uit het veld geslagen te worden: wy kunnen malkander op de Beurs ook wel zo eens een aartigheidje zeggen.
In hoop dat ik zal voldaan hebben aan uwe verwagting, hebbe ik de eer my te noemen,
MYN HEER! Uw dienstwillige Dienaar en Vriend,
ABRAHAM BLANKAART.
Noten:
[1] Vitter en bediller. [2] Spitsvondig.
TWEE EN ZESTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis aan Willem: Sara is geen vrouw voor hem. Een huwelijk kan even ongelukkig zijn door te veel overeenkomst tusschen man en vrouw als door te weinig. Smit gaat trouwen met Anna. Willem moet zich maar goedhouden en volharden in braafheid.
DRIE EN ZESTIGSTE BRIEF.--Sara aan Anna. Ze is boos. Anna beknort haar over haar oprechtheid. Anna mag wel _genever proeven_ en zij geen gaas koopen? Mooie grap! Anna is zoo op zich zelf verliefd, dat ze geen oog heeft voor andersdenkenden. _En ze duldt geen aanmerkingen op Spilgoed_. Anna draait! Jacob Brunier mag zijn wie hij wil, maar _slecht_ is hij niet. Bemoei je met je zelf. Groet Moeder, 't beste voor Willem. Vaarwel.
VIER EN ZESTIGSTE BRIEF.
DE EERZAME PIETERNELLETJE DEEGELYK AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
_Juffrouw Saartje!_
Nou komt myn dat beetje schryven wel te pas, dat je men nog hebt ingestampt. Ik moet aan u schryven. Ik heb rust noch duur; van nagt droomde ik, dat ik u op men schoot had, met je neteldoekse jurk, die ik zelf in het Blaauwe Hoofd nog kogt, an; en dat ik met je zong dat mooi Liedje: "Een kindje in 't water een kindje in 't water." Ja, dat was een huur[1]! Dat was eerst een Heer en Juffrouw! Ja, Juffrouw, ik zou nooit myn Belydenis geleert hebben, had ik niet in joului huis gedient. Ik woon nou ook wel by brave mensen, maar het is altoos drok; wy zyn met ons zeven Booijen, en ik heb dikwyls geen tyd om 't _Vader Ons_ te bidden; en ik mag dat evel zo niet rabbelen; want Kaatje, onze Kindermeid, zeit, dat het van onzen lieven Heer zelf gemaakt is. Laatst nam ik het mee in de Kerk, en las het driemaal heel aandagtig, om dat ik den Dominé niet zien, noch horen kon, zo vol was de Kerk, en dat is tog mooi; en nu sla ik een reisje over, om aan u te kunnen schryven; want wie weet, of deuze Brief in veertien dagen nog vol is. Ik wil maar zeggen, Juffrouw, dat ik gehoort heb, dat de Juffrouw gaat trouwen, met een Heer die een Franschen naam het, die ik niet onthouwen kan; 't is een Broêr, zeggen zy, van een Juffrouw, die met u in 't zelfde huis woont. Hy het een amt op 't Staten of Prinsen hof, zie dat is al het zelfde; nou, Juffrouw zal hem wel kennen. Ik sloeg een gat in de lucht; 't was of ik het te Keulen hoorde donderen, daar onze Koetsier van daan is. Maar die Heer zal wel braaf zyn; anders zou Juffrouw hem niet nemen, wil ik spreken; maar de mensen praten zo raar; en Bregt heeft my zo veel vertelt; maar nou ze eens zo vreeslyk van je gelogen het, geloof ik haar niet meer. Nou, God vergeef het haar, maar ouwe Bregt zal haar loontje wel krygen, gelyk ik hoop! En nouw was myn verzoek, of Juffrouw my weer wou inhuren; en dat Juffrouw met men Heer Willem hadt getrouwt, dat is een Heer! en zo gemeenzaam; wel zie, ik heb buiten u niemand zo lief, als men Heer. Toen ik daar zo by myn Heer zat thee te drinken, dagt ik nog om je Grootvader, Pieter Burgerhart. Die is nog by gelyks men Doop-peet: want ik hiette maar Pieternelletje Pauwls, en ik had zo een dinsigheid[2], om ook een _van_ te hebben; en toe zei je Grootvader; kom meid, we zullen je _Pieternelletje Deegelyk_ noemen: 't heugt my nog klaar; ik lei het Pampier in de eetenskast in men keuken, en Grootvader deedt zyn schoenen nog aan, en hy lachte dat hy schudde; om dat ik zo bly was met men _van_. Ik had het zo kostelyk by je Ouwers: en ik heb het nu ook goed; en als ik oud word, dan denk ik, onze lieve Heer zal ouwe Pieternel niet verlaten: daar vertrouw ik op. Zo dat ik maar wou zeggen, dat ik altoos dagt, dat men Heer Willem je was opgeleit. Hoor, het is my hier te drok, en daar zyn meer huizen dan kerken. Ik wou een stil dienstje by twee eenige luidjes, daar ik men werkje zo zelf kon betreuzelen; en wy kennen mekaer, want Juffrouw het wel duizendmaal op men schoot gezeten, en dan kon ik ook nog eens horen van dien goejen Heer Blankaart, die ik in velden noch op wegen ontmoet; nou ik kom haast nooit uit. Ja, Juffrouw, zo jy en men Heer Blankaart niet in den hemel kommen, dan versta ik my dat werk niet. Wat was hy altyd grappig, en wat het hy my dikwyls een gulden gegeven; en ik wou Juffrouw graag wat in haar huishouwing kopen, al was het maar een Glazen-kasje, of een Turfbakje; maar voorlede week kwam je Tante Hofland my tegen. Wel nou Pietje, zei zy, weetje nou wel, dat jou Juffrouw nou in zo een slegt huis woont, en zoo waerelds gekleet gaat? Ja Juffrouw, zei ik, die Weduw is een heel braaf mensch, dat weet ik heel wel, en Juffrouw Saartje gaat gekleet, zo als alle ryke jonge Juffrouwen; en, zei ik, onze lieve Heer ziet op het hart, niet op de kleren, zei ik; nou zei zy, "Kind, je hebt geen Licht[3]". Nou Juffrouw, als je trouwt, wat zul je dan kerjeust[4] wezen! en dat's evel geen zonde; want je Moeder, die zo vroom was, als er een mensch over een paar benen gaan kon, en ouwe Hille, onze Schoonmaakster, wel zo veel goeds gedaan het, die oud en katyvig[5] wierdt; sting styf van 't stof, toen zy trouwde; ik wou, Juffrouw Saartje, dat je dat eens gezien hadt. Laat my tog eens weten, of je haast Bruidstranen zal drinken. Alle menschen zeggen, dat je op je trouwen staat. Ik ben al tweemaal aan uw huis geweest; doch Juffrouw was uit, en ik kom weinig uit, en 't is by ons vreeslyk drok. 't Is nu net drie weken, dat ik aan deuzen schryf; neem men stoutigheid ten besten. Was ik maar weêr zo in men eigen gedoentetje by Juffrouw, wat zou ik bly zyn! Ja, ik wensch nog uit Juffrouws huis gedragen te worden; wist ik dat, ik zou zo in myn knopjes zyn, want dat was een grote gerustheid.
Nagt lieve Juffrouw Saartje, van je ouwe Pieternel, zo pleeg je te zeggen.
PIETERNELLETJE DEEGELYK.
Noten:
[1] Goeie dienst! [2] Zin in. [3] Geestelijk inzicht. [4] Trotsch. [5] Hier: gebrekkig.
VYF EN ZESTIGSTE BRIEF.
MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DE EERZAME PIETERNELLETJE DEEGELYK.
_Myne goeje beste Pieternel!_
Ik heb uw Brief gelezen: wel heden, ik wist niet, dat je zoo veel by mekaêr kon stichten. Ik ben met uw Brief magtig in myn schik. Als het eens jou uitgaans dag is, zendt my dan een kruijer[1], dan zal ik t'huis blyven, als ik uit de Kerk kom, en wy willen weêr eens heel veel praten; je weet, Nelle, daar hou ik wel van. Meid, wat hou ik van je, om dat je my zo wel opgepast hebt, en zo dankbaar aan myn lieven Vader en Moeder zyt. De Heer Blankaart is naar Frankryk; zo dat gy hem niet ligtelyk zult tegenkomen. Ja, dat is een man, niet waar? Och, ik heb hem zo lief! maar ik ga niet trouwen, daar is geen woord waar aan. Wees jy gerust: al wierd jy tagtig jaar, dan zal je toch by my wonen, als ik getrouwt, of op my zelf ben. Sterf des, als je tog sterven moet, maar gerust voort, 't zal zo zyn. Zeker, Pieternel, als gy oud en zwak wordt, zal ik voor u zorgen, en je zult dan zien, dat het heel goed is, op onzen lieven Heer te vertrouwen. En zei Tante "dat je geen licht hadt?" Heden meid, gy moest eens aan Tante gevraagt hebben, of 't waar is, dat zy zal trouwen, en met welk een Heer; maar daar hebje niet omgedagt. Ik zal heel graag, als ik trouw, wat in myn Huishouden van u hebben! Maar 't hoeft juist zo veel niet te zyn, als je voornemen was. In dit papiertje liggen twee ducaten[2], die doe ik u present, om dat gy zo een beste meid zyt, en myn Ouwers zoo lief hebt. Spreekt er maar niet van tegen my; koop er wat voor: zulje, Pieternel? De Juffrouw, daar ik by in huis woon, is net zo een brave vrouw als myne Moeder was, dan kun je eens denken. Nu ik ga niet trouwen, hoor. Gy weet wel, wie u deezen schryft.
S. B.
PS. Dat joului Koetsier van Keulen is, kan ik wel denken. Nagt, goeje meid.
Noten:
[1] Met een boodschap. [2] Plm. 6 gulden.
ZES EN ZESTIGSTE BRIEF.--Sara aan Blankaart: ze leest in den bijbel, gaat naar de komedie en naar concerten, onderhoudt Fransch en Engelsch. Edeling bezoekt haar dikwijls; ze heeft ook Pieternel gesproken.
ZEVEN EN ZESTIGSTE BRIEF.
DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
_Myn beste Meisje!_
Uw Brief is my zo welkom, dat ik hem ten eersten ga beantwoorden. Dank God, myn kind, dat gy by zo eene verstandige en godvrezende vrouw gekomen zyt: Het hadt ook heel scheef kunnen uitkomen; als gy nu eens by slegt volk belant waart, en gy hadt eens meê moeten doen: Gy weet, die met pek omgaat, wordt er door besmet. Ja, dat zou droevig voor u geweest zyn, zo deeze vrouw gestorven hadt, dat begrypt gy wel. Dat gy uw pligt omtrent haar deedt, doet my zó goed, en geeft my zó veel vreugd, dat ik u een wisseltje zend, van honderd ducaten, van my, tot een teken hoe content ik daar over ben. Koop er wat moois voor, en draag het my tot gedagtenis; en doe altoôs uw pligt, zult gy? Gy moogt héél wel met ordentelyke lieden uitgaan, als het maar niet te drok loopt: nu, gy zyt in goede handen; daar vertrouw ik op: Want gy zyt jong, kind; en ik weet, hoe de jonge lieden toch zyn.
De Heer Hendrik Edeling is my zeer wel bekent: 't is een allerbest jong Heer, en een knap kaerel ook. Ik heb somtyds, weet gy, rare invallen; en ik mag de jonge meisjes gaarn wat kwellen: wat zegt gy, Saar, als die Heer eens zin aan u hadt, zoudt gy daar wel veel tegen hebben? Nu, zin of niet, als gy myn eigen Dochter waart, en die Heer dan zin in u hadt, en my dat zeide, ik zou u aan hem geven, ten minsten zo gy er niet tegen waart. Zie, kind, ik hoop u nog gelukkig getrouwt te zien. Doch meisje, meisje, pas op! Gy zult een hele rist vryers krygen; zy zullen om u dwarlen, als muggen om de kaars. Gy zyt nu in de vrytyd; is 't zo niet? Ik eisch niet van u, dat gy my kennis zult geven van alle beuzelpraat, die zy u komen aan 't oor piepen; maar ik verwagt van u, indien gy aangezogt wordt door iemand, die gy genoeg in aanmerking neemt, om hem nader te willen leren kennen, dat gy my dit zult melden.