Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart

Part 4

Chapter 4 4,239 words Public domain Markdown

Ik geloof waarlyk, dat het inkomen van alle myne uitstaande gelden my niet half zo veel zou verblyden, dan ik verblyd ben door den inhoud uws Briefs, dien gy my de eere aandeedt van te schryven. Hoe, wat! is de lieve meid dan myn lieveling niet? Is zy de dochter niet van eenen man, die myn eenigste hart-vriend was? Dat zou ik geloven, waaragtig! Hoor, myne goede dame, alles is strikt waarheid, wat of de kleuter u verhaalt heeft. Maar, haal my de Boze, indien ik aan zo eene Vrouw een knappen Brief kan schryven: doe al wat u behaagt; och Heer, het geld is goed, wil ik spreken; maar ik zal eene fatsoenlyke vrouw nooit kwellen. Wat denkt gy, Mevrouw, kan ik met u kibbelen om een honderd guldens drie vier, nu myn kind in zulke goede handen is? Ja, zie, ik heb wat ongerustheid voor haar uitgestaan, toen zy nog by hare Tante was; en voor ik wist, waar of zy toch belant mogt zyn. Want, hier gezeit, en hier gebleven, het kon immers gebeurt zyn, dat het stout Dingetje in slegte handen was gevallen, en zo al wyders, gelyk de waarheid is.

Wilt gy wel geloven, Mevrouw, dat uw brief my een traan of vier gekost heeft? 't Is echter zo. Wel lieve God, zei ik, zyn de beste vrouwen dan meest altoos in de onwaardigste handen? Dat is toch ellendig! En daar zit Abraham Blankaart nog in zyn vyftigste jaar, als een niets beduident oud Vryer; en ik had zo hemels vast besloten, om met myn vyf-en-twintig jaar man en vader te zyn. Wat zal men zeggen? die eerst komt die eerst maalt; en een weinig te laat is veel te laat. Ja, Mevrouw, ik heb den Heer Pieter Spilgoed wel gekent, maar nooit met hem verkeert. Hy hadt my te veel wilt hair op 't hoofd; en als de jonge lui getrouwt zyn, moeten zy dat laten afscheeren, of de Boel zit op zy. Ik wist wel, dat hy eene fatsoenlyke Geldersche dame getrouwt hadt, doch meer niet; en ik bemoei my bykans nooit met de zaken van een ander: Ik zeg altoos: "Abraham Blankaart, vrees God, en doe wel; dat is jou zaak, myn vriend."

Alles wat gy van Saartje zegt, is, zo veel ik daar over kan oordeelen, wáár. Wees toch zo goed en hou een wakent oog over haar; wy mans hebben daar zo den slag niet van. Indien er iets mogt voorvallen, 't geen u nodig schynt my te doen weten, zo verzoek ik ernstig om my met uwe Brieven te verëeren. Ik weet heel wel, dat er geene beloning zyn kan, die geëvenredigt is aan uwe zorg en raadgevingen voor en aan een Meisje als myn Sarotje; evenwel zal het myn pligt zyn, om uwe edelmoedige deelneming in haar op eene waardige wys te gedenken. Kan ik u van dienst zyn, 't zy door myn persoon, of myn beurs? Ik ken geen groter geluk dan waardige Vrouwen myne achting te kunnen bewyzen. Ik ben met eerbied,

MEVROUW! _Uw Ootmoedige Dienaar_,

ABRAHAM BLANKAART.

DERTIGSTE BRIEF.--Hendrik Edeling vertelt zijn broer Cornelis, hoe hij Sara heeft leeren kennen; _hij is dol verliefd_. Zoo terloops sprak hij er met z'n vader over en die had gehoord, dat Saar een dolle meid was, die losjes leefde, wat hem speet, want haar vader was achtenswaardig. Wil er niet van hooren en Hendrik is zeer braaf.

EEN EN DERTIGSTE BRIEF.--Jacob Brunier schrijft een fatterig verliefd briefje aan Sara, waarop zij onmiddellijk antwoordt.

TWEE EN DERTIGSTE BRIEF.

MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER JACOB BRUNIER.

_Myn Heer!_

Terwyl gy deezen ontfangt, zyt gy zeker nog druk bezig om uwe Tonco-Boontjes[1] uit te zoeken. Nu, neem er uw tyd toe, want wy blyven t'huis, en zien van daag niemand; dit _a governo_[2]; en terwyl ik toch een verlegen uur heb, zal ik eenige regels krabbelen. Wel man, gy hebt het vreeslyk volhandig! zo vele en zo vele gewichtige zaken; 't is te hard. Gy zyt nog jong, gy zult u dood werken. Zoudt gy niet een substituut in uw ampt kunnen stellen, dan waart gy ten minste van dien kant veilig, al moest het u wat kosten. 't Zou immers jammer zyn, dat zulk een nyver en veelbelovent jong Heer vóór zyn tyd stierf. En daar is voor u immers niet aan te denken, Brunier? Letje heeft my in confidence, gezegt, dat gy, buiten haar zelf te rekenen, aan nog zes Dames beursjes belooft hebt. De waarde Juffrouw Buigzaam heeft ook reden van ongenoegen; nog hebt gy het Lint op haar Demicoëffé niet verspelt, en gy zelf zegt, dat het zo niet meer gedragen wordt. Juffrouw Hartog is knorrig, om dat gy haar de snuif niet bezorgt. Juffrouw Lotje gromt alle morgen aan het ontbyt, om dat gy de Tandpoeijer vergeet. Zie, dat zyn evenwel geen mooije dingen; en wat zal uwe Zuster daar op toch zeggen, dan dat gy het zo volhandig hebt? Het meisje haalt dikwyls een paar beschaamde kaken, als Juffrouw Hartog u, in haren trant, hekelt. En hoe zeer ik ook uwe Vriendin ben, ik zie geen redden aan die zaken: de menschen hebben gelyk. Indien gy zo veel onderneemt, moet gy met meer orde handelen. Gy vindt immers, als gy in den namiddag ons wat komt voorsnappen, allen bezig. De Weduw naait. Letje breidt. Ik knoop aan myn manchetten. Juffrouw Hartog speelt met haar hond. Juffrouw Lotje snuift, en frommelt haar zakdoek, en gy zit er maar lui en leeg by. Waarom neemt gy uw werk niet mede, dan kost gy als een werkent Lid onzer Societeit worden aangezien. Gy voldeedt uwe zeven Dames; gy kost om snuif en tandpoeijers denken: gy kost het Lint spelden _comme il faut_; en ons teffens in uwe nieuwe denkbeelden doen delen. Dan, dunkt my, waart gy in zes maanden op een effen bodem. Ik heb gemerkt, dat gy dikwyls in den spiegel kykt: wat dunkt u, (zie ik wil ook voor uw vermaak zo wel, als voor uw nut zorgen,) wat dunkt u, dat gy van Logement veranderde, en in een Spiegelwinkel gingt wonen? Dat zou ook al tyd uitwinnen; dan zaagt gy u ten vollen, in eens; en kon spoedig uw jabot verschikken, uw das optrekken, de stofjes en pluisjes van uw kamizool[3] knippen. Ik zie gaarn dat men zich wel kleedt, maar my voor een kenster in de kledingskunst uittegeven,--daar zal ik wel afblyven. Myn geest is niet geschikt tot het uitoeffenen van zulke verhevene zaken. Nu, zo als ik zeg, neem het niet te zwaar op, en werk met orde. Gy weet wie ik ben?

_Uw Zusters Vriendin_,

----

Noten:

[1] Zaadjes van den Toncaboom: geneesmiddel. Men maakte er o.a. beursjes van. [2] Tot naricht. [3] Vest.

DRIE EN DERTIGSTE BRIEF.

MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP.

_Zuster lief!_

Nu kom ik eindelyk op de zaak, waar over ik u wilde schryven. Daar het onze Bregtje Sara gezien, met een jong wilt Heer; zy geloofde, dat het een uit de Kommedie was; en zy was nog veel ligtvaerdiger opgeschikt dan de Pop van Pieternel, daar je men eens van schreef. Zy was een el hoog gekapt. Haar Sack, (ja, zo een duivelsch kleed heb ik ook nog in myn natuurstaat[1] gedragen!) was opgestrikt, je leven zo niet. Ze hadt witte zyde koussen aan; denk, Zusje, witte zyde koussen, en kerjeusde schoenen. En ander Orlosie bungelde een hope nesten en vodden. En ze liep net als de Hoer van Babel met dien Monsieur gearmt. Zy luisterde, Bregt zag het duidelyk, hem wat in, en toen keek hy de meid aan, en lachte dat het een schande was. Hoor, Kee, ik ben somtyds nog al bezwaart over haar; maar Broertje weet my zo tot rust te brengen. Moet jy niet ietwat hebben, Zannetje, zeit hy, om je klein te houwen? Is het niet beter, dat je jou bezwaart voelt om je zonden, dan dat je een Armiaansch slik-grondje hebt? of dat je ziel door eigen gerechtigheid den Duivel als een roofgoed wierdt overgelevert? En dan wordt het my alles zo licht, zo licht; och ja, zo licht.

Maar Zusje, je hebt my zo dikwyls in gemoedsgevalletjes geraden, en Salomon zeit: "twee zyn beter dan een." Ei lieve, wat moet ik doen? Broeder Benjamin wil dat ik met Blankaart procedeer, zo hy my niet tot een duit toe betaalt, volgens de Conditie met haar Moeder gemaakt. Al haar goed is hier ook nog, al de kleeren, en zo voorts, van hare Moeder, die eene pragtige Vrouw was; en al het gemaakt Zilver; maar dat evenwel te verdonkeren, hoe zal dat gaan? Blankaart is een droevig schepsel om mee te handelen; hy zou my, och ja! schandaal aan doen: En evenwel het Hellewicht verdient zo veel goed niet; zy zou het ook tot haar bederf gebruiken. Het alles over te geven is ook hart voor 't vleesch: 't was evenwel myn Zusters goedje, wil ik spreken. Ei lieve, zendt my nog eens het _Heilig Onrecht_ van Petrus Kwezelius. Ja, je hebt toch dierbare schotse Boekjes. Wees gegroet, en antwoord my eens, zul je?

ZUZANNA HOFLAND.

Noot:

[1] Vóór haar bekeering n.l.

VIER EN DERTIGSTE BRIEF.--Sara deelt Anna Willis mee, dat ze Jacob Brunier voor den mal houdt, zich van hem bedient om zich te vermaken en fatsoenshalve te doen vergezellen.

VYF EN DERTIGSTE BRIEF.--Cornelis Edeling antwoordt zijn broer Hendrik: Kerel, er op los! Informeer of ze vrij is en dan, vooruit!

ZES EN DERTIGSTE BRIEF.--Anna Willis waarschuwt Sara. Laat ze toch geen geschenken aannemen van Jacob Brunier: hij heeft geen geld. Je raakt op de tong, Saar!--De tante wordt beter. _Ze zendt haar de sleutels van de linnenkast_, om wat goed op te sturen naar Rotterdam.

ZEVEN EN DERTIGSTE BRIEF.

MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.

_Waarde Willis!_

Of ik nog lees? Wel, dat zou ik gelooven! Ik ben zelf de Lezeres voor de Familie; en onze lieve Weduw heeft een allerkeurigst Bibliotheekje. Maar ik heb zo veel over my zelf te schryven, dat het niet aan het schryven over Boeken komen kan. Zeg wat gy wilt, _myn_ Cootje[1] is nogthans een goed kind; het schikt zich zo kostelyk op, om zyn Saartje te behagen, en schommelt uit alle hoekjes en reetjes van zyn armoedig hoofdje al het verstand, dat hy bezit, by een, om er my op te regaleeren.

En komt gy in geen zes weken t'huis! ô dat's goed; nu kan ik met myn Held braaf plaizier nemen, zonder van u op de vingeren te krygen; ik vrees maar dat ik, want zo zyn de kinderen! myn eigen kwaad niet zal kunnen zwygen. Eéne conditie! zo gy ophoudt met grommen, hou ik op met schryven. Waarom zou ik u beletten uw talent uit den doek te nemen? Gy hebt de gaaf van bedillen, en ik die van er my mede te vermaken, en er myn voordeel mede te doen. Nu ik er deeze flinken weer uitgegooit heb, ga ik er my eens terdeeg toe zetten, om uwen Brief te beantwoorden.

Brunier kan zeker nooit myn Vriend zyn, in de sublime betekenis des woords; maar hy kan, als de Broeder van Letje, als een ordentlyk Jongman, met my op alle plaatzen komen. "Of hy met die vriendschap te vreden is?" dat weet ik niet, en meen er myn hoofd ook niet meê te breken. Is het niet beter, dat ik altoos met den zelfden Jongen wandel, dan, zo als men zegt, met elk een uitloop? Tut, tut, die onkosten bedragen niet veel, en bewaren hem mooglyk voor duizend kostbaarder zotternyen: nu moet hy wel zuinig zyn, of hy kan niet met ons uitgaan. Hoe ik het goed zal maken? och, zeer gemakkelyk! als hy trouwt, zal ik zyne Vrouw een stuk huisraad kopen, tienmaal meer waart dan die kleine uitgaven belopen: Is 't nu wel, myne deftige Willis? Ja, ja, ik railleer met zyne gebrekkelyke zyde; hadt hy eene slegte zyde, dan leverde ik den Patient aan u over. Och Heer! ik heb zo maar wat _zedelyke_ mouches, Engelsche pleister, goudvlies, balsem van Peru, lippenpommade en soortgelyke prulletjes; doch die zyn van geene kragt altoos tegen de gebreken van een ziekelyk hart. Maar gy, myne Vriendin, hebt wel andre kruiden, wil ik spreken, zegt Broêr Benjamin.

Het zou een zot stukje zyn, met zo een Borstje Briefwisseling te houden; maar, wie zegt u, dat ik dit van zins ben? 't Komt niet in my op. Ja, ik gelyk omtrent zo veel naar de Godlyke Clarissa Harlowe[2], als myn schaapshoofd naar den vervloekten Lovelace: Heden, Naatje, hoe viel u dit in gedagten?

Myn Brief laten zien? daar is hy niet mal genoeg toe; hy begrypt wel, merk ik, dat ik hem voor een Zotje hou. In het volgende hebt gy deugdzaam gelyk, ja het loopt drok genoeg: maar 't zal haast over zyn. De kring is haast afgevlogen, en dan zal ik by myn eigen hart en by myne dierbare Mama Buigzaam huisselyk t'huis zitten, en lezen, en naaijen, en spelen, en zingen, en met één woord geschikt leven; met Salomon uitgeeuwende: "ook-dit-alles-was-ydelheid!" Waan met dit alles niet, dat ik in 't geheel niet meer denk. Ik denk dikwyls, en dat wel zeer ernstig; maar, 't is of het kwaadje, zou Tantes Bregtje zeggen, 't is of het kwaadje er altoos met zyn neus by is; want de minste beuzeling verstrooit my. Gy weet, lieve Willis, dat ik geen grote zoekster van vygebladen ben, doch nu moet ik my echter vrypleiten. Ik voel, dat ik eene sterke overhelling heb tot het zwaarmoedige; om die reden verstrooi ik my wel eens met overleg; zo bang ben ik, om toch nooit dat gebrek voor eene Deugd aan te zien. Nog een woord over het lezen. Onze brave Huisvrouw heeft eene fraaije collectie van Leerredenen: Die van Solicoffer en Doddridge bevallen my ongemeen. Wy lezen zelf in den Bybel, kind; namentlyk de lieve Buigzaam, Letje en ik; want Juffrouw Hartog is veel te geleert, en Lotje veel te gek, om van die party te kunnen zyn. Ik verzeker u, dat ik nooit met zo veel smaak het Evangelie las als nu, nu ik by eene Vrouw ben, die godsdienstig is zonder veel uitwendigheid, en ons inprent, dat die wel doet, wel vindt. En daar meê is dat maar uit.

_Ten slotte_, zegt onze geleerde Hartog. De stroom van zinnelyke vermaken, (of wilt gy, van beuzelagtige uitspanningen? 't is my ook wel,) moet eens met een springvloed over myn hart heen vloeijen, en al dat drabbige zwaarmoedige mede spoelen, dat er in myn verdrietig leven is op- en om- en ondergezakt; dan zal myn ernst redelyk, myne vrolykheid helder, en myn geheel gedrag eenparig goed, nuttig en pligtmatig zyn. Vaarwel! ik twyvel niet, of gy zult voldaan zyn over de uitvoering uwer Commissie. De Meiden zyn wèl, en de dienstpresentatie aan de Juffrouwen. Heden, Naatje, hoe raar was het my, zo als vrouw en voogd in uw huis te dribbelen; wat had ik een wysheid in het terdeeg schikken uwer klederen, enz. Willem, myn beste Willem, was gevallig t'huis. Toen ik hem zeide, dat zyne Tante wat beter was, kon hy zyne blydschap niet verbergen; maar toen ik er byvoegde, dat zyne Moeder nog wel zes weken uitbleef, keek hy heel droevig. Die moedergek! ik zou den Jongen een kus hebben kunnen geven, zo wèl stondt hem dat droevige; maar Willem is geen Coo Brunier. Ik vrees, Naatje, dat uwe vermoedens wáár zyn. 't Smart my, want schoon ik niemand liever voor myn Broeder had dan Willem, ik zou hem in geen nader betrekking gelukkig kunnen maken. Arme Willem! dit maakt my ongemaklyk. Omhels uwe Moeder voor

_Uwe Vriendin_,

SARA BURGERHART.

Noten:

[1] Jacob Brunier. [2] Van Richardson: modeboek dier dagen--_sentimenteel_.

ACHT EN DERTIGSTE BRIEF.--Cornelia Slimpslamp ontraadt Zuzanna Hofland te procedeeren, en schrijft haar over broeder Kwast te Rotterdam.

NEGEN EN DERTIGSTE BRIEF.--Willem Willis, zeer verliefd, schrijft aan Sara heel teerhartig; zij antwoordt onmiddellijk.

VEERTIGSTE BRIEF.

MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER WILLEM WILLIS.

_Myn lieve Willem!_

Is de man een kind geworden?--Zou ik misnoegt zyn? En om wat reden? Om dat een braaf fatsoenlyk jong Heer, met wien ik zo veel ommegang heb, wiens Moeder en Zuster myne hoogstgeachte Vriendinnen zyn, my, eindelyk, op de betamelykste wys, zegt: dat ik hem niet onverschillig ben? Waarlyk, dit zyn gruwelyke ondernemingen; vreest gy niet, dat ik u, met eene theatrale houding, zal toevoegen:

"_Moi, je suis femme, je ne pardonne jamais_."

In ernst, Willem, ik dagt niet, dat gy zo dwaas, of dat ik zo eene _Prude_ was; een van beiden moet echter zeker zyn. Ik zal u dan ééns voor altóós tonen, dat _gy_ schuld hebt, en ik niet. Verstaat gy dat, Vriend? Ik zal aan u schryven, als aan een' Jongeling dien ik hoogacht, om dat hy de achting waardig is van veel beter menschen, dan meisjes van negentien jaar zyn kunnen; vertrouwende echter, dat gy deeze myne heuschheid niet zult misbruiken.

Geloof my dat ik, tot gistren toe, nooit er aan gedagt heb, of gy my met andre dan de oogen eens Vriends zaagt. Myne verkeering met u was weinig minder dan zusterlyk, en het heeft my duizendmaal gespeten, dat gy myn Broêr niet waart, ook ten koste myner halve bezitting. Ik nam alle uwe beleeftheden aan voor beleeftheden; en, om te zeggen zo als 't maar is, ik verwonderde my geen zier, dat gy, als ik by uwe Moeder was, ons gezelschap hield: zie, me dunkt, dat kwam my toe; en welk Meisje, zo vrolyk en zo achteloos, zou dit niet denken? Maar nu gy my gezegd hebt, het geen gy my zeide, my zonder liflaffen, en met zulk een ontroert gelaat, zeide, nu moet ik eenen anderen weg inslaan; om dat ik het my zelf nooit zoude kunnen vergeven, een eerlyk man, die my beminde, met ydele hoop den kap te vullen; en my te verlagen tot het verachtelyk peil der Coquettes. 't Smert my, dat uwe genegenheid juist gevallen is op de eenigste stoute meid, die u mooglyk eene teleurstelling als deeze zou doen ondervinden. Wat kan ik het helpen? Ik ken de liefde niet, en heb geen den minsten trek om zulk eene grillige zaak te leeren kennen, om dat ik volkomen gelukkig ben in de omstandigheden, waar in ik my bevinde. Hier uit kunt gy opmaken, dat gy alle bedenkelyke reden hebt, om zo vriendlyk als nog ooit iemand te groeten, dien ik nu en dan zie, en daar ik overal mee kom; ja dat gy onreedlyk zyn zoudt, zo gy hem niet zo lief hadt als uw hart eischt.

Wel Willem, wel Willem, moet gy u óók in het Satirique omtrent de Vrouwen vergrypen? Wie heeft u toch gezegt, dat wy altoos Beuzelaars vóór hupsche Jongens verkiezen? De een of ander vergiftig knorrig ouwe Vryer, denk ik, die de zonden zyner jeugd wel gaarn op eene Sex zoude schuiven, die altoos door de beste mannen met achting behandelt wordt. Wil ik u eens zeggen, hoe het eigenlyk zit? Wy Meisjes worden, meest allen, op eene zeer kinderagtige wyze opgevoet. Men schynt omtrent het bestaan onzer zielen als rechtzinnige Muzelmannen te denken. Ons postuur, onze kleur, onze houding, trekken al de zorgvuldigheid: men leert ons de kunst van behagen, en hierom krygen wy dans-, en zingmeesters, en hierom moeten wy 't Fransch, 't Ombre leren, enz. Ik beken, dat een Meisje ten minsten niet gekker zyn moet dan ik nu ben, om, voor dat zy oud en lelyk wordt, te begrypen, dat alle deze fraaiheden niets zyn dan bywerk, dat zy zo wel denken kan als haar Broêr Piet, haar Neef Jan, haar Oom Gerrit. Het getal dier Meisjes is grooter, dan men gelooft dat het is; doch wat zullen wy, arme Zieltjes, evenwel doen, als wy zien, dat onze aanstaande Heeren en Meesters zo verheven van verstand zyn, dat zy ons _idoliseeren_[1] om die Beuzelingen; en mooglyk, (om hun eigen zelfs wil) geredelyk ontslaan van alles, dat in 't oog der reden verdienstlyk is. Het is ook wáár, dat velen uwer schikkelyke Borstjes al vry onaartige Heertjes zyn; en waarom zouden wy, voor wy dat moeten doen, lastige Druilöoren tot ons gezelschap kiezen? Onthoudt dit lesje, en doe er altoos naar; dan zyt gy myn beste Willem, hoor.

Myne achting voor u is op uw goed en eerlyk karakter gegront; en myne vriendschap hebt gy, om duizend goede hoedanigheden, die ik in u, als Zoon en Broeder, heb opgemerkt. Hou u daar mede te vreden; want ik verzeker u, dat er niets anders voor u te halen is. Vergeet my, en poog u de liefde waardig te maken van eene veel betere Vrouw voor u, dan ik ooit zyn kan. Zoo gy haar by my, om getuigenis van u te vragen, zendt, dan zal ik haar reden geven, om over u voldaan te zyn. Gy zult my zeer verpligten, indien gy u de smarte uitwint die gy mooglyk zoudt gevoelen, als gy afscheid van my naamt. Ik ben

Uwe ware Vriendin,

S.B.

Noot:

[1] Verafgoden.

EEN EN VEERTIGSTE BRIEF.--Sara aan Anna: Wed. Spilgoed is erg ziek! Zij waakt en verzorgt haar, is zeer onder den indruk, hoogst ernstig gestemd.

TWEE EN VEERTIGSTE BRIEF.--Willem Willis schrijft Sara: hij berust, maar hoopt! Saartje's vroegere dienstbode uit het ouderlijk huis, Pieternella Degelijk, heeft hij gesproken en die had de schrikkelijkste dingen van haar gehoord! Hij heeft haar gerustgesteld. Nu gaat hij naar Duitschland; haar portret neemt hij mee. Vaarwel!

DRIE EN VEERTIGSTE BRIEF.--Anna Willis stuurt goeie berichten en dank voor Sara's zorgen. Willem zal een legaat krijgen van tante!--Zij is op bezoek geweest bij tante's buurman en dat beschrijft ze: alles is daar oudhollandsch degelijk en gul. Ze heeft daar kennis gemaakt met Wijsneus, een pedant, en er ontmoet proponent Smit, een vroegeren kennis: die bevalt haar!

VIER EN VEERTIGSTE BRIEF.--Sara aan Anna: Wed. Spilgoed wordt beter. Deze vertelt haar droevig leven--een roman op zichzelf. Sara is hoogst ernstig gestemd en leert inzien, dat met liefde en huwelijk niet valt te spotten!

VIJF EN VEERTIGSTE BRIEF.

MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.

_Waarde Vriendin!_

Voor 't eerst ben ik na het toeval myner geëerde Juffrouw Buigzaam uitgeweest: Niet op eene Klossen-party, niet met een Wysneus en een aanstaanden Dominé, maar met myn kostelyken Vriend, (zei Jan van Gyzen tegen zyn Bok,) den Heer Jacob Brunier, verzelt van deszelfs Zuster Aletta Brunier; en dat wel in de Fransche Comedie. Daar hebt gy immers niets tegen? Ik kon u wel wys maken, dat ik er ging om myn Fransch te onderhouên, doch dan jokte ik u wat voor. Neen, ik ging er met geen ander oogmerk, dan om eens een Fransche Comedie te zien spelen. Wel Naatje, ik raad u sterk aan om, voor gy van staat verandert, er ook eens te gaan. En zo dit, gelyk myne Tante zegt, de Tente des Satans is, dan moet ik u maar zeggen, dat hy als _un homme de Goût_, en _comme il faut_ gelogeert is! Ik zag _les Femmes Sçavantes_ spelen, een stuk van den groten Molière: myn genoegen was groot: alles dagt my was natuur. Het karakter van Crisale smaakt my; maar dat _Excusez moi, Monsieur, je n'entend pas du Grec_; hoe bekent ik daarmede ben, had al het aantreklyke der nieuwigheid, toen het wierdt uitgesproken door eene schone jonge Actrice, wier talenten men toejuichte. Ik was niet weinig misnoegt over het gedrag van ettelyke Heren en Dames in drie of vier Loges. Het spel zelf trok hun aandagt niet; dat is hunne zaak; maar, andere fatsoenlyke Lieden te beletten om te voldoen aan het oogmerk, waarom die naar zo eene plaats gaan, vind ik ten uitersten onbeleeft. Zo ziet gy, kind, dat alles onvolmaakt is, of, zo als de Heer Blankaart zegt: _alle regtertjes hebben er slinkertjes_. Zulke onfatsoenlykheden, denk ik, kunnen niet belet worden. Wie doet den Paus in den Ban? Cootje zegt my,--(ik noem myn auteur, om des te meer klem aan zyne woorden en aanhalingen te geven,) dat lachen, praten, badineeren, onder het spelen van de zielroerendste Treurspelen, thans _du Ton_ is; en dat menig Champignon en Champignone de Fortune[1] daar mede ontegenzeggelyk bewyzen, dat zy lieden van Rang zyn, en ten minsten reeds deeze zes laatste jaren geweest zyn. Zeg je zo! was myn antwoord; evenwel, al wierd ik altoos maar voor een Koopmans dochter gehouden, ik meen deeze Certificatie van myn fatsoen niet mede te nemen, om dat ik myne lieve Ouders niet in verdenking wil brengen, of zy my ook wel hebben opgevoed.

Niettegenstaande deze en nog een half douzyn ongevalligheden, moet ik u maar zeggen, kind, dat ik verzot ben op den Schouwburg; dat ik niet kan begrypen, wat of men toch kan inbrengen tegen eene uitspanning, die, wel ingericht, zo veel goeds kan uitwerken. Nu, dat mogen de Geleerden afhaspelen, ik ga er heen, en dat wel zonder dat myn hart my iets verwyt. Juffrouw Rien du Tout was zeer uit haar humeur, om dat wy haar niet hadden meê genomen. 't Is myn schuld; ik vreesde, dat die Beuzelagtige Woelgeest ons maar zou gehindert hebben: als wy weer gaan zal ik haar zien in een Loge te plakken; daar zal zy zich beter diverteeren dan by ons, die eenvoudig komen om te horen, te zien, te wenen, of te lachen. Apropos, weet gy wel, dat het thans voor zeer ongemaniert gehouden wordt, te schreijen by eene _Alsire_, en te lachen by den _Français à Londres_? Zie, dit alles à Gouverno, het kon u te pas komen. Ik moet u nog al meer fraais verhalen.