Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart
Part 3
Zy leest veel, en in verscheidene talen; heeft de Waereld gezien; speelt keurlyk op 't Clavier; is zindelyk over haar huishouden, naarstig; modieus, doch niet opzichtig gekleedt; een weinig gekapt, wel te vreden met ons, zo als wy met haar. Gezelschappen heb ik hier nog niet gezien. Juffrouw Letje is een lief vriendelyk meisje, niet zoo levendig als ik: zy zucht meermaal; waarom weet ik nog niet. Zy leest gaarn, zingt fraai, en is, alles in eens gezeit, als de meeste meisjes, die niet veel goed of kwaad bedryven. De twee andere Dames heb ik nog maar eens aan 't middagmaal gezien: beiden hebben goede manieren; en, schoon ik de jongste ben, behandelen ze my met veel beleeftheid. Zy gaan veel uit, schynt het. Letje is meer t'huis nu zy my heeft, dan van te voren, zegt de heusche Weduwe Spilgoed.
't Is raar! alles is zo wel naar myn zin, en echter ik ben niet gerust. U heb ik kwalyk behandelt, en weet niet hoe of gy my beschouwt. Acht ik u dan hoog? heb ik uwe achting voor myn geluk nodig?
Letje kwam daar by my; ziende dat ik geschreit had, was zy zeer met my bewogen. "Wat scheelt er aan, Liefje," zei zy. "Och niets," zei ik, "maar ik ben my zelf moede, ô die Brief, die Brief!" Zy zag dien leggen, maar weet te wel wat de betaamlykheid eischt, om onbescheiden te zyn. Zy zag my aan, vatte myne hand, en 't was of zy my iets wilde zeggen, doch, zich bedenkende: "Kom, Burgerhart," hervatte zy, "gy zyt niet vrolyk: ik ben 't ook niet altoos, en dien wel by u te zyn om het te wezen. Wil ik die solo eens zingen, die gy zo graag hoort? dat zal u wat van u zelf verwyderen." Droevige toevlucht! dit toont wel dat het hier, hier onder de borst, niet richtig is. Ik verlang en beef teffens voor een Brief van u. Och! schryf alles wat gy maar wilt, zo gy my maar in waarheid kunt schryven dat gy nog bemint
_Uwe Vriendin_,
S. BURGERHART.
VIJFTIENDE BRIEF.--Sophia Willis-Van Zon--Anna's Moeder--schrijft Blankaart over Sara. Saartje heeft haar tante verlaten en woont nu bij de wed. Spilgoed--wat ze _niet_ goedkeurt. Zij zelf kan Sara niet nemen, want behalve voor achterklap vreest ze voor haar zoon Willem. Willem is verliefd op Saar, en hij heeft geen geld, zij wel; bovendien: _die twee passen niet voor elkaar_. Sara moet een man hebben die haar áán kan; Willem is een lobbes.
ZESTIENDE BRIEF.--Anna Willis schrijft een allerdeugdzaamst en vriendelijk antwoord aan Sara: ze gevoelt zich na dien boozen brief nog meer aangetrokken tot haar. Geeft haar den raad: "_leen nooit geld van anderen, kom dan bij mij_."
ZEVENTIENDE BRIEF.
MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.
_Myn Heer!_
De Apostel zegt: "dat wy allen ommegang met Zondaren niet kunnen vermyden, want dan zouwen wy buiten de Waereld gaan moeten." En schoon ik my zo kan vinden in de woorden van dien Heiligen sukkelaar, zo als Broeder Benjamin Koning David wel eens noemt; zo kan vinden, zeg ik, in de woorden daar hy zegt: "ik kome niet op den weg der Zondaren:" zo vind ik het nu in mynen weg noodzaaklyk, myne oogen naar het Afgodisch Vrankryk te slaan, ende my als te begeven onder hen, die het teken des Beestes aan hun voorhoofd dragen.
Je weet, myn Zusters man vondt het zo, om u tot eersten Voogd voor zyne Dochter te verkiezen, en hare Moeder maakte my mede-Voogdesse, bevelende, wil ik spreken, haar aan myne liefde en bescherming. Daar voor kreeg ik 's Jaars een matig stuivertje van honderd halve ryërtjes; och ja! Dit was weinig genoeg; want het Meisje was weelderigjes opgevoet: ik moest, om haar, nog al meer omslag maken, dan ik zo in myn eigen gedoente gewoon ben; och ja! Maar, wat is 't? men doet veel uit liefde ende tot liefde. Had ik maar vruchten mogen zien, dan zou ik my alles nog kunnen troosten. Doch al myne moeite, al myne zorg was te vergeefsch. De Meid heeft een Keistenen hart, geheel voor de Waereld; en zo lang ik zoo met dat lastig Zeeschip getobt en gewroet hebbe, ben ik zo van myn hart afgeweest. 't Is of de Zegen uit myn huis is. Ja, ik heb van haar kwaad humeur veel verdragen; maar ze is weg gevlugt.
Voorleden vrydag was ik by eene hele vrome Mevrouw ten eeten, met Broeder Benjamin en nog ettelyke vromen, om een goed woord te spreken. Ik beval aan myne meid, onze Bregt, op Saartje te passen. Wat gebeurt er? Ik kom 's avonds met den Broeder welletjes en vriendelykjes thuis, ga naar 't zaaltje, roep; kryg geen antwoord. Eindelyk door myn gang gaande, hoor ik iemand die roept: "Juffrouw, och Juffrouw! ik zit in de kelder." Ik doe de deur open, daar zat myn meid in den donker opgesloten, en was zo ontstelt, dat zy my pasjes kon zeggen, dat die ondeugende Sara haar in de kelder gesloten hadt, en zelf de deur was uitgegaan. De meid was zo bezet van den drank, dat ik wel denken kan, dat zy haar die heeft ingeperst, en toen in de kelder gebragt, op dat Bregtje haar niet in hare snode vlugt zoude beletten.
Nu is zy in een godloos huis, daar gedanst en gespeelt wordt, daar de Juffrouwen een el hoog gekapt gaan, en met alle vromen den spot dryven. Ik zou haar wel laten weêr halen; maar ik dank den Here, dat zy maar weg is. Nu zal ik weer rust en stilte in myn hutje hebben, en myn eigen wegje gaan. Maar jy moet haar straffen, dat is jou pligt. Ik eisch het volle geld tot zy trouwt, of vyfentwintig jaar is; zy is uit 'er zelf weggegaan: nou, dat spreekt van zelf. Ik geef u aan u zelf, en haar den Duivel over, wiens lievrei zy al aan heeft. Ik sny haar af. Zy zal geen duit van myn goedje hebben. Nou, 't geld wagt ik op den vervaldag. Hoe heuchelyk zou het zyn, indien gy ook in onzen Wyngaart arbeidde; maar uwe vervreemding van het goede laat my niet toe u anders te noemen dan
MIJN HEER,
Ik ben, uwe beterschap en bekering wenschende,
ZUZANNA HOFLAND.
ACHTTIENDE BRIEF.--Blankaart antwoordt wed. Willis: hij is zeer vereerd. _Zelf heeft hij vroeger een oogje op Sophia gehad_; wie weet wat er nog gebeurt!--Hij is het met haar ééns: Willem is op Saar verliefd, dat heeft hij gemerkt. Geld was 't ergste niet, maar als ze niet bij elkaar passen--'t zij zoo! Dan niet aanmoedigen. Laat Sophia een oogje op Saar houden; hij wil Willem wel voorthelpen.
NEGENTIENDE BRIEF.
DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND.
_Mejuffrouw!_
Wel zeit het Hollandsch spreekwoord: "Hoe later op den dag hoe schoonder Volk." Maar wat heb ik met uw gelol en uw heilige sukkelaar te doen? Wat geef ik om uw Broêr Benjamin? Weet gy wat, Juffrouw Hofland, uwe hele ouwe voddenwinkel van kweeslary raakt my niets, geen oogvol. Hou uwe brieven maar t'huis, ik weet alles in 't lang en in 't breed. Het Kind heeft deugdelyk gedaan. Zy moet meer gedulds hebben dan ik, anders hadt zy zo lang niet eens by u gebleven; dat 's maar uit. Waar ik in Amsterdam geweest, ik zou haar zelf uit uwe klaauwen gehaalt hebben, en in myn huis gebragt; al hadt gy en uw volk my braaf gelastert, dat scheelt my weinig. Hoe, wat hamer! denkt gy, dat ik niet weet hoe jy haar gedaan hebt, en dat jy haar als een zottin door de godgantsche stad hebt laten lopen in ouwe konkelige kleêren, en dat voor een meisje die geld heeft, en altoos proper gekleet pleeg te zyn; iets dat ik ook byster graag zien mag: wat wilje nu daar van hebben, he? Jy meugt waaragtig nog wel spreken van omslag! Wat heeft Saartje by u gehad? overgeschoten klieken, en niet half haar bekomst. Weet je wat? Jy hebt het geld van een Wees met uw Smulbroêrs, en Fekel-kousen[1] verteert, en het meisje nog gebruikt, om dat Gespuis optepassen; dat heb je. Je meid is een dronken Tobbe, hoor! Zy komt er genadig af. Laat zy nooit onder myne oogen komen, want ik ben wat poestig[2]; ik mag geen onrecht zien, dat om de hagel niet; er zullen konkels zwaaijen[3].
Wat leg jy ook te wauwelen over afgodisch Vrankryk; en van menschen, die het teken des Beestes aan hare Voorhoofden dragen? Ik weet niet veel van al die nieuwe snofjes en modes; noch hoe die duivelderage hiet, die de Dames nu alweer opzetten; doch jy weet er ook niet veel van. Maar zo zyt gy allemaal: dat gonst, en dat bromt over zottigheden, en wezentlyke zaken laat men zo als zy zyn. Je slagt[4] de Dominees, die, als zy haar studeertyd verkwanselt hebben, zulk tuig op den Preekstoel brengen, daar het te pas komt als een Olykoek in een Treurspel. En wat brust[5] het my, al droegen de Fransjes het Zevengesternte op hun hoofd? Ik ben een oud Hollander, die hier niet kom om zulke grillen, maar om myne affaire te doen, en bemoei my niet met het teken des Beestes, of waar zy dat opplakken; doe ook zo, en je zult wel doen.
Wel, ik denk dat ik zo wel in den Bybel lees als jy, maar wie duivel heeft dáár ooit van heilige Sukkelaar gelezen? Broêr Benjamin is een zotte Vent, hoor! En ik zou my dood schamen, dat zou ik op myn eer, indien ik zo met Gods woord omsprong, en het zo Satans gek toepaste, zo als jy Fynen doet. Weetje wat? David was een held, die de Oorlogen des Heren voerde, en een Kaerel als een boom aan dorst: den Reus Goliad van Gad, meen ik. Paf, daar lag hy, en David ook niet lui, als de blis er op, flink maar, zyn dikken kop afgeslagen: dat was zeker geen sukkelaars werk, meen ik. Hy was een Groot Generaal; dat klinkt je wat anders voor den snoet.
Paulus? van Paulus moet je afblyven. Paulus was de beste, de raisonnabelste man van de waereld; want hy zegt met ronde Zeeuwsche woorden: "Gierigheid is afgodery". ô He! kwam die vrome Apostel eens hier, ik verzeker je, (voor een kwart per Cent,) dat hy uw huis een afgodisch zou noemen. Wat praat jy van een goddeloos huis? mogen de jonge Dames dan niet zingen, niet spelen, als zy maar wel oppassen en braaf zyn? En ik hou veel van de Muziek, en Saartje speelt capitaal, en ik heb haar eene hele scheepslading Muziek gezonden; doch gy zult geen occasie hebben om ze op 't vuur te smyten. Wat zeg je; wat blief je: weet ik van de zaak?
Ik heb zo veel achting voor brave vrome menschen als iemand in de Waereld, maar al je gekwaek, en al je geteem is geen snuifje waart; op myn eer, dat is het niet. Ik weet meer van joului werk der Duisternis dan je denkt; ik ken dat lieflyk Oeffening houden; de goeijen niet te na gesproken; want ik wil allen niet met één kwast overstryken. Maar gy en uwe Soci, daar heb ik de nyd op.
Wat weet zo een luije Zuipzak van Gods Woord? Hadt hy liever voor 't lieve Vaderland, (en alle zoete meisjes) Ossen en Schapen geslagt, hy zou een veel nutter werk gedaan hebben. Hoe! hebben wy in Amsterdam dan geen wyze Dominéés, die werk van hunne studie maken, en kunnen wy daar niet Kokseaansche, Voetsiaansche, en Lampiaansche Waarheden horen[6]? maar neen: die goeije menschen klagen over yverloosheid, en velen preken, God betert, ook voor stoelen en banken; en in je lui kamers zitten de Vroompjes gepakt als haring in de ton: zo dat ik wil maar zeggen, dat ik een vyand van zulke Oeffeningen ben.
Hoor, als ik Burgemeester T., of een ander braaf Regent van onze Stad was, ik zou Amsterdam eens terdeeg zuiveren van die onnutte Broodeeters. Ik zou, door de stads Omroepers, met het wapen der stad op hunne bekkens geschildert, de les van Paulus laten opklinken: Hoort, gy brave Burgers en ingezetenen: hoort: "Die niet werkt zal niet eeten". En zulke kwanten, als Broer Benjamin, kregen logement in 't grote Werkhuis, dat er zal gebouwt worden op 't Wezeper Veld: wyl hy een van die Borsten is, die by de huizen omgaande, de Vrouwtjes gevangen nemen, die met zonden beladen zyn. Ik zou niet half zo boos op jelui zyn, indien de stille zielen, die het zo wel met het goede voor hebben, om zulk volkje niet bespot of veracht wierden.
Ik heb veel gereist en getrokken, en heb veel in Roomsche Landen verkeert, maar de Papen zyn nog beter dan jy lui; en er valt evel ook niet veel op te roemen. Jy Saartje aan den Duivel overgeven! Weet gy wel, dat hy een kwaaje Gek is, en dat, als gy haar niet kunt leveren, het er wel eens heel benaauwt voor u zou kunnen uitzien? mooglyk neemt hy Tante, om dat hy Nichtje toch niet bekomen kan. Ken jy de Weduwe, daar zy by inwoont? Je mogt wat, een struif. Puis! Tante! is het zo goddeloos, een menuetje te dansen; Wel dat mogt jy, en broeder, en je dikke Bregt ook wel eens ondernemen, om de kwade humeuren, door luiheid, en lekker smullen opgegaêrt, uit te dampen. Zie, wy kennen malkander van voor dertig jaar; je plagt zo vies niet van een Dansje te zyn. Hoor, ik ben eens door zo een Fynbaar schrikkelyk bedrogen, en zedert gaat er een kou over myn lyf, als ik aan je lui denk. Ik spreek niet van vrome naauw-gezette lieden; dat weet jy héél wél. Wel, wie hoort er van, gy Vrienden gebruikt ons, zo als de Smausen de Christenen gebruiken, om de Sabbatslampen optesteken. Ik kan 't niet knopen[7], dat uw' lieve Zuster besloot, u haar eenig Kind toe te betrouwen. Mooglyk hebt gy zo lang aan haar zwak hoofd liggen gonzen en huilebalken, dat zy het moest opgeven. Alles is jelui gaaijing. En 't was nog eene zoetigheid, honderd halve ryers voor haar kostgeld. En durf jy nog van geld kikken! Hoe, wat hamer! denk je dat ik een schurk of denk je dat ik razende dol ben? Ik ben haar Voogd; zy is met myne goedkeuring heen gegaan. Jy hebt het haar moede gemaakt.--Trekken zul je,--ja! aan een askar. Wel, je bent eene overheerlyke Tante! Je bent immers nu veels te oud en te lelyk om nog eens te trouwen: wat zul je met jou geld doen? Meênemen? Loop voor Joost, ontmaak het kind uw goed, zy heeft genoeg. Procedeeren? Ei spreek eerst den Advocaat naast den gouden ketting eens[8]. Zo die het u aanraadt; hier is je man.
Spreek niet van haar kwaad humeur. Zy is maar al te zoet van aart, en te toegeeffelyk. Zoo zeit de brave Weduwe Willis, en elk die het lief kind kent. Doch wie Satan kan met zo een paar ouwe Meerkatten omgaan, als jy en Bregt?
Zie daar Zusje, nu heb ik óók eens gewerkt in uwen zondigen Wyngaert; ja, ja! ik heb de ranken zo verbruit besnoeit, dat, zo er nog iets goeds van zal komen, het volgende jaar goede vruchten zal leveren. Ik twyffel, of Broer de Uitlegger u, voor alle uwe Smulpartytjes, wel zo vele heilzame Waarheden gelevert heeft, dan gy hier ontvangt voor ééne Fransche Briefport.
Om u aan den Drommel overtegeven, (in plaats van myne Pupil,) denk ik dat nu te laat is; en ook, hoe boos ik op u ben, ik wensch uit grond van myn hart, dat gy u verbeterde: gy zyt wel oud; doch men is nooit te oud om iets goeds te leren: gy waart toch in uw jeugd nog al een rare schommel; hoe kom je zo verandert?
Ik wil geen katteschrift meer van u ontfangen, zo gy u niet bekeert; daarom wordt alles in eens afgedaan door
ABRAHAM BLANKAART.
Noten:
[1] Kletskous. [2] Kort aangebonden. [3] Klappen vallen. [4] Lijkt op. [5] Kan 't me schelen. [6] J. Coccejus, 1603—1669, G. Voetsius, 1588—1676, F.A. Lampe, 1683—1729, godgeleerden van zeer uiteenloopende richting. [7] Begrijpen. [8] Bedenk dat 't geld kost.
TWINTIGSTE BRIEF.
DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
_Lieve Kind!_
Myn Boekhouder, de oude goede Peterszen, zal u het geld brengen, dat ik u toeschik: de Wissel bedraagt duizend Guldens. Koop er al van wat gy nodig hebt, om in ordentelyke gezelschappen te gaan. Maak drie Sacken, of hoe hieten die Samaartjes[1], zo als uwe Moeder en Grootmoeder droegen. Koop alles wat er by hoort, maar niet opzichtig, of wilt; nu ik vertrouw alles goeds van u. En doet nu niets aan je lyf, dat je niet kunt blyven dragen: dit zou u al zo gek staan, als die klungels die Tante u aan deedt. Gy moet het eerste half jaar in voorraad betalen; ik wil geen verplichting op dit stuk. Leg het wel aan, en als ik u zie, toon my dan eens hoe gy 't besteet hebt. Hoor meid, zo je 't wel aanlegt, heb jy gelds genoeg; zoo niet, dan is 't gaauw op.
Ik heb zakken met klagten over u, in eenen zotten Brief van je Tante. Doe jy maar wél, en ik zal u altoos voorstaan. Ik had gemeent t'huis te komen, maar 't zal nog vooreerst niet lukken. Luistert toch altyd naar de brave en wyze Juffrouw Willis, als of het uwe moeder waar; meer eisch ik niet van u. Ga je wel in de Kerk, Kind? Dat moet je voor al en voor al doen. Daar zit ik nou weer in een Paaps land, daar hoor je van God, noch zyn gebod, wil ik spreken; en zo ik myn tyd niet wel had waargenomen, hoe zou 't nu gaan met my? Als ik t'huis kom, zal ik je alle Zondag afhalen om ter kerk te gaan, want ik ben nog zo een oud Hollands man; en je zou niet geloven, Kind, hoe fraai de meisjes zyn, als zy daar, gelyk zo een rei wassepoppetjes, wel gekapt en gekleet, aandagtig zitten toe te luisteren wat de Leeraar zegt. Ik versta weinig Fransch, maar als je evel toch altemet eens naar de Fransche Kerk wilt, dan zal ik, uit pure inschikkelykheid, met je gaan, en denken: zy onderhoudt er haar Fransch door; en voor my is de penitentie kort, want die Coquette Abbeetjes maken het in een uur knaphandig af.
Zeg eens, Saar lief, staat er ergens in den Bybel van een _teken des Beestes_? zy past dat toe op de menschen daar ik nu by ben. Ik heb de vier Evangelien al eens doorgelopen, doch vind er niks van[2]. Doch dat Fyne volk vindt zo veel in Gods woord, dat er geen Christen mensch anders in kan vinden. Jy hebt niet veel anders te doen, lees zo lang tot je het vindt; maar 't zal weer op niets uitkomen. Evenwel staat het in den Bybel, dan spyt het my, Kind, dat ik het niet wist: want ik ben een dood vyand van spotten. Och Heer! ik dagt dat zy choqueerde[3] op de Kapsels. Zo ik iets op u vermag, bederf uw schoon bruin hair niet ten plaisiere van eene ongevallige mode: anders moei ik my er niet mee. Nu, zoek er eens ter deeg naar, hoor? En schryf my of gy 't wel hebt. Vrees God, leef betaamlyk, en denk dat je daar twee Ouders in den Hemel hebt, die u ter zyner tyd hopen weer te zien.
Nagt beste Kind, ik ben
_Uw toegenegene Voogd_,
ABRAHAM BLANKAART.
Noten:
[1] Ruime japon met overkleed. [2] Openbaringen. [3] Hier: afgaf op.
EEN EN TWINTIGSTE BRIEF.--Sara stelt Blankaart gerust; ze is niet verkwistend, dankt voor 't geld, vraagt een paar japonnetjes; Jacob Brunier--Aletta's broer--vindt ze een _meisjesgek_; Willem Willis beschouwt ze als haar _broer_, diens moeder acht ze hoog; ze verlangt naar Blankaart.
TWEE EN TWINTIGSTE BRIEF.--Aan Anna Willis vertelt Sara, hoe ze zich in de bullen steekt, nogal weidsch! Ze ombert om 'n stuiver 't fiche! wat ze niet véél vindt. Ze heeft 't best naar haar zin: Jacob Brunier bevalt haar niet: te fatterig.
DRIE EN TWINTIGSTE BRIEF.--Anna antwoordt: ik maak me ongerust! Die Brunier vrijt naar je, en dat zou niets zijn, als hij maar wat beteekende. Spelen? Ook Anna speelt, maar Saar _maakt het te bont_! Ze zal ziek worden, vermaak-ziek. Pas op, Saar!
VIER EN TWINGTIGSTE BRIEF.
DE BROEDER BENJAMIN AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.
_Men Heer!_
Jy hebt ons, ons volk, ende onzen weg beroert, en schoon de Zusters zich alles zouwen getroosten in stille zuchten, zo voel ik my gedrongen om het voor haar, de goede zaak, en my zelf optenemen, om dat ik haren stichter en huisbezorger ben; al ben jy een groot Heer, ik zal jou tonen, dat ik op de muren van ons huisselyk Sion geen stommen hond ben; myn geblaf zal je doen zien, dat ik geen Indringer, geen Bemoeiäl ben, maar dat ik eene wettelyke Roeping heb. Nou ja; men Vader liet me de slagery leern; 't was een waerelds man, een schoenlapper; maar men Moeder was evel in Kerkelyke bediening; want zy was eene der Kerke-schoonmaaksters; en hadt men Vader het niet belet, zy zou my op de Studie gedaan hebben; doch hy vroeg altoos, "of zy dan razende dol was;" de middelen ontbraken, en ik had eene grote mate van ziels en lichaams vermogens, en veel meer trek tot geestelyken dan tot slagerlyken arbeid. In mynen onoverwinbaren afkeer van allen lichaams arbeid, hoorde ik myne roeping tot een ander amt; ik was gehoorzaam, ik kategiseerde de kinderen en de vrouwtjes uit myn Buurt, voor een mondvol eeten, want de arbeider is zyns loons waardig. De reuk myner gaven verspreidde zich ook spoedig; de Groten der aarde verruilden ook gaarn myne toelichtingen voor hunne tydelyke goederen; edoch, dit getal is echter niet groot. Dus raakte ik ook bekent met de vrome Juffrouw Hofland, die gy als een andre Saulus vervolgt. Ik slyt vele opgewekte uurtjes met haar. Nu weet gy wie ik ben; maar jy bent een Atheïst, een Armiaan, een Sociniaan; ja je bent, mag ik met ruimte zeggen, een Deïst[1]. Jy bent een voorstander van alle godloosheid, jy staat een dartel Hellewigt voor; dat doe jy; ja, dat doe jy. Jy weet ook wel, dat Juffrouw Hofland, als eene echte dochter van Gaaijus[2], de noden der Heiligen vervult; en jy onthouwt haar heur geld; zoo dat jy een Kerkrover bent; ja, dat ben jy. Zo, heeft Saartje geen drie honderd guldens verteert? Wel nou toon je alweer jou werelds hart. 't Is waar, wy hielden het meisje in eene Christelyke soberheid, wy kleedden haar stemmig; ik weet ook beter dan jy, hoe veel zy 's jaars aan voedsel en deksel nodig hadt; honderd Ryksdaalders!--maar hoe veel heeft de goede Juffrouw wel gezucht over dat baldadig kind der Zonde, hoe vele tranen heeft zy geschreit, hoe veel gebeden heeft zy voor haar arme ziel gedaan, hoe dikwyls is zy ziek geweest door al dat tobben! kost dat alles geen tyd en zorg? of denk jy dat alles voor niets te hebben? Neen, jy zult, jy moet er voor betalen. Maar zo ben je lui: in 't aardsche kunt jy lui rekenen en cyferen; maar, in 't geestelyke ben je lui blint; maar Juffrouw Hofland zal haar geld hebben, ik zal u dwingen; ik--vrees voor my.... Wy hebben in deeze godvergeten stad nog onze duizenden. Wee, wee, die den vinger tegen ons opheft...! Wy yveren voor de vromen, en onze haat is heilig; dit wee betekent veel, als het wordt uitgeboezemt door een man als is
_Uw ware Vriend_
BENJAMIN.
Noten:
[1] Gelooven aan God als Schepper--meer niet. [2] Der Gerechtigheid?
VYF EN TWINTIGSTE BRIEF.
DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN DEN BROEDER BENJAMIN.
_Verachtelyke Kaerel!_
Ik reken myn knegt te goed om u te schryven; daar aan zyt gy de eer, die ik u thans doe, schuldig. Zeg, fraaije kwant, dit aan uwe Principale: "dat zy zich stil houde, of dat ik haar alles, wat zy 's jaars, boven de honderd Ryksdaalders, ontfangen heeft, zal afkorten." Ik wagt haar voor den Rechter. Laat zy daar hare Leverantie van zuchten, tranen en gebeden inleveren, om te zien, hoe veel haar voor elke twintig ditoos zal worden toegewezen.
Houd u stil, of 't zal niet met u gaan. Ik meen u, en nog eenigen uws gelyken, zo dra ik in Holland kom, voor myne rekening, aan vast werk te helpen; en dit dreigement zegt veel in de pen van eenen man als
ABRAHAM BLANKAART.
ZES EN TWINTIGSTE BRIEF.--Sara vertelt Anna van haar leven; Aletta is goed en lief; Cornelia Hartog, ook huisgenoote, bevalt haar niet: te geleerd, ondichterlijk; Charlotte Rien du Tout, eveneens huisgenoote, mist karakter, is grillig, nukkig. Ze heeft kennis gemaakt met Hendrik Edeling: staat haar wel aan!
ZEVEN EN TWINTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed bericht Blankaart over Sara: ze is lief, vroolijk, eerlijk, past goed op.
ACHT EN TWINTIGSTE BRIEF.--Anna Willis is bedroefd; haar tante te Rotterdam is ernstig ziek; ze moet er heen met Moeder, kan vooreerst niet schrijven.
NEGEN EN TWINTIGSTE BRIEF.
DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW MARIA BUIGZAAM, WEDUWE
P. SPILGOED.
_Mevrouw!_