Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart

Part 2

Chapter 2 4,199 words Public domain Markdown

Twaalf jaren leefde ik zo gelukkig, als een gehoorzaam en gelieft kind leven kan. Toen keerde myn lot. Myn waarde Vader, zich op eenen heten dag, door het inpakken en afzenden van Thee, zeer verhit hebbende, kreeg een pleuris, en stierf binnen drie dagen, nog geen veertig jaren oud zynde.

Geene VAN MERKEN[4] zou u kunnen afbeelden, hoe groot myner Moeders en myne droefheid was. Wy verloren alles, en myne teder-lievende Moeder voelde alles wat zy verloor; meer zeg ik niet. Oordeel nu. Myne Moeder deedt den handel aan iemand onzer Kantoorbedienden over, vertrok naar de ----gragt, en hielt maar eene onzer meiden; daar leefden wy stil en proper. Maar haar verlangen naar stilte was te gunstig voor haar, om toch onafgebroken aan haar Overledenen te denken! Myne Ouders hadden elkander hartlyk bemint: de dood myn's Vaders stortte haar in de allerdiepste zwaarmoedigheid. Zy sneedt alle uitspanningen af, zag niemand, sprak weinig, zuchtte veel, en stortte veele droeve tranen. Zy werdt ook wel dra zo ziek van lichaam als van ziel. De lieve Vrouw hadt nu reeds de geschiktheid, om het zaad der dweepery, 't welk myne Tante met eene voorbeeldige mildheid uitstrooide, te ontvangen; zy ontfing het ook, helaas!

Ik was bitter bedroeft over myne Moeder! myne zucht tot vermaak verzwakte. Geen wonder! ik zag myne kwynende Moeder in eene sleepende ziekte vervallen, die, zo als Docter E---- duchte, ongeneeslyk was. Ik leed niet minder dan myne dierbare toegeeflyke Moeder. De Teering is eene elendige kwaal, Naatje. Wat heeft de brave Vrouw geleden, en dat zo lang; zo heel lang! Nooit verliet ik haar in het laatste jaar haars levens. Ik sliep voor haar bed, gaf haar alle de medicynen; en zag, buiten myne Tante en den Docter, niemand dan onze goede Pieternel; die brave meid, welke myne Ouders reeds diende, toen ik geboren wierd, en waar voor ik zo veel liefde heb. Nu en dan las ik voor myne zwakke stervende Moeder; doch de Boeken, waar uit ik las, waren niet voor my, ook niet voor haar geschikt, en werden door Tante bezorgt, akelige, zotte geschriftjes, die myne Moeder, vóór de droefheid haren geest geheel hadt benevelt, met versmading zoude beschouwt hebben: Ik ben nu te ernstig, anders zoude ik u eens een paar douzynen Titels opgeven, die my by u zouden verdedigen.

Dodelyk ongerust over myne geliefde Moeder; onpasselyk door het gestadig zitten in eene ziekenkamer, verstoken van lucht, dien balsem des levens, van licht, dat den geest opheft: zonder de minste afleiding; het zwarte beeld des doods gedurig voor my warende; verdrietig over de smarten myner Moeder, verloor ik eerst myne eetlust, toen myne gezonde kleur, en wel dra myne werkzaamheid. Ik keek zo bang en zo zuur als Tante; zuchte, zat leeg en lui met de hand onder myn hoofd, dat dof en zwaar werdt en ongekapt bleef. Met één woord ik vervreemde zodanig van de jonkheid en de natuur, dat Tante my voor een geheel _omgekeert meisje_[5] begon aan te zien. Zy liefkoosde my, om dat zy haar eigen portret in my waande te vinden: en ik, och! ik had vrede met Tante, om dat zy met my in haar schik was.

In dien staat was ik, toen gy ons uit naam uwer Moeder bezogt, die de beleeftheid hadt, om, uit oude vriendschap met myn Vader, en uit nieuwe Buurschap, zo als gy zeide, (want gy kwaamt eerst onlangs op de zelfde gragt), te laten vragen, hoe of myne Moeder nu was, zynde zy begeerig om de zieke eens te bezoeken.

Hy, die ons in treurige omstandigheden toespreekt, met heusheid toespreekt, is ons welkom: dit beurt ons op; het vleit ons; het verwydert ons eenige oogenblikken van ons verdriet: Oordeel des of gy my aangenaam waart! ik voelde nu, dat ik nog vatbaar was voor blydschap. O dierbare aandoening! Hoe, (gy wordt immers niet knorrig, Naatje lief?) hoe staatig, hoe weinig toeschietent, hoe geheel anders gy ook waart, dan ik, in houding, in kleding, in gelaat, toen echter scheent gy my de voorkomenheid, de minzaamheid zelve.

Myne grootste, zoo niet eenigste behoefte, gy weet het nu zelf, is lief te hebben, en gelieft te worden: myne liefde voor myne Moeder was zo oprecht, zo teder, als die van eene dochter ooit zyn kan, maar die liefde vervulde echter myn geheel hart niet.

Hare onbegrypelyke zwakheid, en myn gegronde eerbied waren de oorzaken van dit verschynsel. Die bron stroomde niet hoog genoeg voor my, en yder uur dreigde de dood die voor altoos te verstoppen. Gy werdt voor my noodzaaklyk. Ik zag wel, dat Naatje Willis een geheel ander voorkomen hadt dan Saartje Burgerhart, of alle die Juffertjes, daar ik mede om plagt te gaan, vóór deze toenemende krankheid myner lieve Moeder: maar toen stak uwe statigheid niet héél sterk af by myne dofheid; wel verre van de oorzaak optesporen, dacht ik er niet eens aan: ik kende u; dat was genoeg.

Uwe achtingswaardige Moeder bezogt de myne: het afscheid was teder en bedaart. Zy zag my schreijen, nam myne hand, sprak vriendelyk, troostelyk, kuste my; ja, noemde my, _lief Meisje_.

Gedurende deze ziekte hadt myne Moeder Tante tot medevoogdes, nevens den Heer Blankaart, aangestelt; haar des jaars zevenhonderd Guldens toeleggende, tot ik kwam te trouwen, of, tot myne meerderjarigheid indien Tante my by haar wilde innemen. Deeze schikking zal u niet verwonderen, als gy bedenkt, hoe verzwakt myne Moeder was; als gy bedenkt, dat Tante en ik toen zéér wél te recht konden: Tante hadt Nicht lief, om dat die ziek en zwaarmoedig was, en Nicht, wel, die kon niet denken, dat 'er zulke Tantes in de geheele waereld waren!

Weinige dagen na het bezoek uwer Moeder, storf de dierbare Lyderes, des nagts, in 't byzyn van onze Pieternel en den Heer Blankaart, die toen juist in de stad was, en ik bleef, nog geen zeventien jaar oud zynde, ouderloos. Myn Voogd berustte in de dispositie myner Moeder, doch heeft met Tante niet veel op. Zy noemt bykans nooit zyn naam, of zy voegt er by, dat hy geen godsdienst heeft. Denk eens aan; en dat van zo een allerbest man! Is 't geen schande?

Aanhoudent, stil aan myn hart bytent huisselyk verdriet, heeft maar te veel van die goede lessen, die ik ontfing, uitgewischt. O vrede! ô kalmte der ziel, waar zyt gy zedert deeze drie laatste jaren geweest? ô myne Naatje, kan ik met nimmer wankelende treden den weg der pligten altoos bewandelen; daar men mynen weg zoo hart, zo doornig, zo ruw maakt? Nu 't is ook uit: myn gerekt geduld is ten einde; ik zal my dus niet langer laten plagen. Neen! vast niet.

Ik kan u al myn verdriet niet vertellen; daar is in vele opzichten zulk een _zweem_ van beuzelagtigheid by, dat gy, die zo gelukkig leeft, niet kunt geloven, dat het my zó treft. Ik heb geen de minste vryheid; komen myne Meesters, dan tiert zy als een zottin; ik mag niet op myn Clavier spelen; ik mag my niet kleden, zo als ik gewoon ben; ik mag niemand zien dan in haar byzyn. Gy weet dat ik altoos proper, en eenigzins modieus gekleed wierd, maar hoe takelt zy my toe! Nu, zedert de rouw uit is, moet ik in een grove lelyke Stoffen Japon lopen; myn Pelise[6] is van eene ouden zyden faly myner Grootmoeder, (en is vol vouwen en kerven,) gemaakt; zonder kap of lintje, met een tinnen haak en oog maar vast gekonkelt. Myn linnen muts is zo groot, dat even het puntje van myn neus er uitkykt. Ik heb dikke drommels van schoenen, en dieren van groene kousen aan. Alle Kerkdagen moet ik gaan, en by dien Leeraar[7] dien zy uitkiest. Maandag en Saturdag moet ik Tante, en die Hottentot van een Bregt, na klungelen, om voor de Oeffenings-vrienden alles gereed te zetten. Ik moet thee schenken, presenteeren, zotteklap en lastertaal hooren ... maar genoeg. Dit evenwel nog: alle avonden moet ik in malle Boeken lezen, die wel door verliefden in een Dolhuis gemaakt schynen, doch die noemt myne Tante innige zielsdierbare Schriftjes, kostelyke Pandjes, enz. By ydere zinscheiding zucht Tante, en snurkt Bregt. Ik mag voor my zelf niets lezen, dan 't geen zy goed keurt; uwe _Julia Mandeville_ heeft die vinnige kwezel op 't vuur gebruit; och ja, voor myn' oogen deedt zy het. Ik beken, dat ik toen niet heel zoetzinnig was, maar het geen kleentje roerde. Waarlyk, Naatje, als ik hier bleef, wierd ik de grootste haneveer die er ooit leefde, en 't is toch geheel tegen myn inborst; doch nood breekt wet.

Ik lyde juist geen honger, maar 't scheelt niet véél. Altoos is 'er iets voor my alleen, nu onder dit, dan weder dat voorgeven. Is dat voor my uittestaan? Weet gy wel, dat ik hier zevenhonderd Guldentjes verteer, kind? Meermaal gaf zy my, in heilige woede, een brave klap om de ooren, en ik ben echter bykans twintig jaar, kind, en zou Tante, schaamde ik my dit niet, er even goed een weerom kunnen geven. Hoor, ik heb aan myn Voogd geschreven, en wagt een gunstig antwoord.

Ik zal wel ergens belanden. Ik heb myne Kinderkennis vernieuwt met myn Schoolmakkertje, Letje de Brunier. Die zegt, dat zy by eene zeer fatsoenlyke Vrouw gelogeert is; eene Weduw, die op de Keizersgragt woont. Juffrouw de Brunier schynt wel wat lugtig; maar dat's háár zaak. De Weduwe zal my wel innemen; althans, Letje zal het haar voorslaan. Ik laat my niet langer plagen: ik verteer te veel geld. Ik ben immers niet kwaad, Naatje? maar zo te leven is my onmooglyk. Wat! zou ik geen braaf mensch kunnen zyn, om dat ik de slavin myner Tante niet zyn wil; om dat ik my naar myn zin wil kleden, 't geen myn Voogd my gaarn inwilligt? Zou ik myn hair niet mogen opkappen, zonder dat myn hart er by leedt? Vrees niet voor my, ik zal wel op de wagt staan. Ik ken de liefde niet; denk er nooit om, breek myn hoofd nooit met zulke snuisteryen. Ik begeer niets dan een leven, dat vry vrolyk en schoon afloopt; goed gezelschap, aangename Boeken, en het vry gebruik van het Clavier.

Dit voornemen heb ik; nu weet gy alles. Bekyf my, preek, vermaan, bestraf, vlei my, ik zal alles lezen, u liefhebben, en--myn eigen zin doen. Antwoord my toch ten eersten[8]: wat verlang ik naar een brief van u! geadresseert in _la Reine de France_, chez Mademoiselle G----. Niemand acht u hooger dan

_Uwe Vriendin_,

SAARTJE BURGERHART.

Noten:

[1] Wees. [2] Hier: betamelijkheid. [3] K.F. Wolff 1733—94; rat. suff. genoegz. rede. [4] Luc. Wilh., Nut der Tegenspoeden, 1721—84. [5] Bekeerd. [6] 't Zelfde als faly: mantel. [7] Dominee. [8] Gauw.

ZESDE BRIEF.--Cornelia Slimpslamp schrijft aan Zuzanna Hofland --Saartjes Tante, bij wie ze inwoont--hoe Saartje als jong kind al niet deugde. Ze leest verkeerde boeken! Ze noodigt Zuzanna bij zich.

ZEVENDE BRIEF.

MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP.

_Dierbare Vriendinne!_

Wel, wat heb ik een dag gehad, een dag gehad: och! ik vrees dat de Boze maar te veel vat op my gehadt heeft; ik was zo toornigjes, zo toornigjes. Och ja, zo van myn hert afgedwaalt. Dogt ik dat, toen ik dat meisje by me nam? Ik dogt, dat er wat goeds in was; want toen haar Moeder ziek was, was zy zo stil en zo ingetogen, en kreeg ook onze kleur[1] al; maar 't was ook maar onze kleur, en meer niet. Zy was my nog te waereldsgezint; zo bedroeft was zy over hare Moeder; en moest het Hellewicht niet gedagt hebben, dat ik haar beter was dan zeven Moeders? Wat zeg jy, Zusje? Ik, die alles doe om hare lusten te doden en te kruizigen. Och ja!

Ja, het stond my ook nooit wel aan, dat zy, als zy in het oude Testament las, altyd met er neus in de Spreuken en den Prediker zat. En ik vond het nog erger, toen Broeder Benjamin zei: "dat Salomon al dat pligtmatige, waar van hy zo veel schreef, geschreven hadt, in den tyds zyn's afvals; eenigjes en alleentjes om zyne Heidensche Wyven en Bywyven te behagen, die wel zin daar aan hadden, in die blinkende zonden, zei hy; en dat, toen Salomon zich bekeert hadt, hy ook van dat betrachten, dat doen, zoude gezegt hebben: Ydelheid der ydelheden, dit alles is ook ydelheid". Al dat doen, Zusje, laat de ziel maar leeg; die draf van goeije werken zyn ook al todden en vodden van eigen gerechtigheid, zo als de Zuster Alida met yver altoos zegt.

Zusje, wat is die Broeder Benjamin toch een groot mannetje! Nou, ik zal zien te komen, en dan zullen wy spreken van herte tot herte. Ik heb u en de broeders lief.

Z. HOFLAND.

PS. Het Theologiesch Verrekykertje van Zuster Welgeleert gebruik ik met stichting: als je weer eens een zoet Boekje hebt, hoor.

Noot:

[1] Geestesrichting.

ACHTSTE BRIEF.--Sara schrijft Aletta de Brunier, dat ze komt, als de weduwe Sp. haar wil hebben.

NEGENDE BRIEF.--Deze verklaart zich bereid Sara te ontvangen, tegen billijke vergoeding. Het zal haar wel bevallen.

TIENDE BRIEF.

MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA DE BRUNIER.

_Douce et tendre amie!_

_Je suis enragé_, op het oud Wyf--op myne Tante; ik wil geen week langer blyven; 't is of ik in de hel woon. Myne Tante heeft zeer veel van zyn Satansche Majesteits karakter; en Bregt verdient wel een schonen dienst in zyn onderaardsch ryk ... Ja! bons wat aan; ik zal niet antwoorden, ik zal ook niet open doen. Sus! daar hompelt zy, al grommende, den trap weêr af. Goeije reis naar beneden. Ik moet, _chere_, u eens een _Scene_ tekenen, die u niet zal uit de hand vallen.

Woensdag voormiddag raasde zy als eene bezeetene, om dat ik eenige nieuwe Aria's speelde. (Dat's een Wyf, ook?) Zy werd geholpen door haar Hottentot van een meid, die my dorst zeggen, dat zy ook danig ontsticht was. Met wordt er gebelt. Bregt, die volmaakt een zog van een Bollebuisjeswyf[1] gelykt, waggelde naar voor; en Tante gaf my een verbruide oorvyg, om dat ik bleef spelen.... "Juffrouw, daar is Sinjeur Benjamin."--"Wel hede, laat Broeder maar agter komen." Daar kwam Broeder, een luije zuipzak van een Kerel, in een paarschen Japon; (men zou wel zeggen, wie of zo een verlopen Slagers Knegt toch een Japon heeft leren dragen.) "Welkom Broêrtje, wel hoe is het nu nog al met je?"--"'t Gaat nog al; maar men hoofd, men hoofd!"--"Wel, dat is droevig, maar je vergt je ook wat véél."--"Ja 't is myn Ambtsbezigheid; en hoe vaart Zuster? Je schynt wel wat onthutst."--"Ja, dat ben ik ook, 't is niet altyd het effen wegje, Broertje." (Tegen Bregt.) "Ei meid, is er niet wat? dan zou Broeder hier maar familiair blyven." (Tegen my.) "Toe, lieve Saartje, was dat uittestaan, lieve Saartje, en myn wang gloeide nog van den slag, bak jy nou ereis schielykjes wat dunne Pannekoekjes, Broeder lust die zo graag." Ik sloot myn Clavier, en zei: 't is wel, Tante. Ik ging naar de Keuken, en bakte helder door: maar-ik -at-die-al-bakkende-zelf-op. Dit is de eerste trek, die ik haar speelde, hoe zelden ik myn genoegen kryg.

Ik moet hier alles doen; want Bregt is een lomp schepsel, en snuift sterk. Toen ging ik, terwyl Bregt in huis klungelde, de tafel dekken. Bregt eet met ons, want het is Zuster Bregtje, moet je weten, Letje. Tartuff[2] zou een goed woord spreken, maar de Vent badt, (zo noemen zy dat gehuilebalk,) wel een kwartier lang. Het geen hy jankte, geleek veel meer naar het morrent gegnor van ondankbaar Vee, dan naar de zuchten van een bewogen hart, 't geen zynen God looft.

Ik kreeg, _à l'ordinaire_[3], eeten op myn bord, twee schepjes groente; met een slenter kout vleesch van 's daags te voren. Ik spelde myn Servet voor: "als ik gelyk een kind eeten kryg, moet ik ook zien, dat ik my niet bemors." "Och of gy een kind waart," zei de Smulpaap, die onderwyl met zyn duim en vinger de boter van de _robe de chambre_[4] eener Cottelette aflikte. "Dat zou heuchelyk zyn," zei Tante; "ja wel heuchelyk," zei Zuster Bregitta. Toen kreeg ik nog wat byeengeschraapte Spenage, en een stuk Cottelet. Zuster Zantje, en Broeder namen onderwyl eens. Ik kryg nooit wyn. Tante zegt, dat het niet goed is voor my, en dat kan wel zyn; want ik ben jong en gezont. "Kom, Saartje, neem nou maar af; Bregtje is wat vermoeit; de sloof wordt oud." Ik deed zo; zette het Dessertje op. "Waar bennen de Flensjes, Saartje?" "Die bennen in myn maag, Tante." Snap myn servet neêr gegooit, (by ongeluk tegen Broeders palmhoute[5] pruik,) en het onweer op myne Kamer ontweken. Gy weet, ik ben tamelyk vlug, dat my toen te pas kwam. Knap de deur op slot. 's Avonds kwam de Hottentot met een stuk brood en een glas zuur bier, er by voegende, "dat ik het nooit kon verantwoorden, zo als ik een vroom mensch evel plaagde." "Scheer je van myn kamer," zei ik, en duwde haar de deur uit. Het brood (het was goed op de Flensjes,) at ik op. Het bier gaoide ik weg, en dronk eens helder uit myn Caraffe: ging vroeg te bed, en sliep als een roos. Daar aanstonds kreeg ik een boterham, met een kom Thee, die wel omspoelzel lykt. Tante gaat uit, en wil my voor haar oogen niet zien. Zo zitten nu de zaken. Mooglyk geef ik u deezen wel in eigen handen, mooglyk niet: Ik weet niet hoe 't zal uitkomen.

Vast kom ik, de brief der goede Weduwe heeft my in dit voornemen gesterkt. Ik zou al by u geweest zyn, maar ik wagt op een Brief; die brief komt niet. Ik zal, voor ik dit huis verlaat, aan haar die ik bedoel nog eens schryven ... doch dat kan ik by u evengoed doen.

Ja, lieve meid, gy hebt wel kostelyk gelyk! Men moet maar wel doen en vrolyk leven. He, wat? op die Fynen is toch geen staat te maken; echter zyn er (of jy 't niet geloofde,) zulke vrome zielen onder, die, waren de hoofden dezer brave menschen zo goed georganiseert als hunne harten, wel zuiver en godsdienstig zyn ... enfin, kort gezeit, Letje, Salomon, de wyze Koning Salomon, is myn man: _men moet het goede genieten van zyn leven, ende van zyn arbeid_;--daar mee is dat maar uit, en afgedaan.

't Wordt donker, en ik kryg geen licht in myn kamer; ik kan des niet langer schryven. Hoe zal dat gaan als ik beneden kom? Ik zal eerst Tante goeden avond zeggen, en als zy draaglyk is, by haar gaan zitten breijen; zoo niet, dan ga ik in de zydkamer, de lantaarn brandt toch in het voorhuis, open myn Clavier, en speel op 't gevoel maar weg. Maak myn Compliment aan Mejuffrouw de Weduwe Spilgoed; en zeg haar zo veel gy nodig oordeelt, zo gy deezen nog, vóór ik u omhels, in handen krygt. Nagt, lieve ziel.

Tout à Toi, S. BURGERHART.

Noten:

[1] Poffertjeswijf. [2] Benjamin = huichelaar (Molière). [3] Als gewoonlijk. [4] 't Vleezige. [5] P.-H.-kleurige.

[Illustratie: Snap mijn servet neêr gegooit, (bij ongeluk tegen Broeders palmhoute pruik,) en het onweer op mijne kamer ontweeken. Illustratie van C. Bogerts, naar teekening van J. Buys, in de 1e uitgave van 1782.]

ELFDE BRIEF.

MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.

_Ge-eerde Heer, zeer waarde Voogd!_

De steen is geworpen: ik ben 't ontvlugt, en acht het pligtmatig u alles te melden. Gister namiddag ben ik hier in myn nieuw Logement gearriveert: Ik zal alles vertellen.

Ik twyffel dikwyls, of Tante my deeze laatste weken niet zó geplaagt heeft, om my deezen stap te eerder te doen doen. Het volgende deedt my nog te eerder tot een besluit komen. Ik ontmoette in een Fransche winkel, daar ik een paar handschoenen kogt, eene myner School- vriendinnetjes, zekere Letje de Brunier. Het lieve meisjes Vader was de Heer Phillips de Brunier, geen ongeacht Commissionaris[1] op Duitschland en Italien: Ik leg haren brief aan my, ook die der Weduwe, daar zy by logeert, hier in; op dat gy zoudt weten al wat er my van bekent is. Nu de Vertelling.

Gister middag ging Tante uit eeten. Ik kleedde my aan, stak wat linnen by my, ook myne juweelen, die ik van u gekregen heb, voor gy naar Frankryk ging, doch die ik nooit heb aangehad, met een weinig gelds, (want zy geeft my niets,--geen duit.) Bregt hadt de stoutheid om my te vragen: "waar ga jy heen?"--"Dat raakt jou niet."--"Dan zel je ook in huis blyven."--"Heb jy 't hart, en belet my dat eens." Ik kan wel boos worden, maar niet kyven; en ziende dat Bregt haar talent te werk stelde, bedagt ik my: "Bregt, zei ik, heeft Tante je die ordres gegeven, dan moet ik haar de reden vragen, als zy t'huis komt; wat zullen wy eeten?"--"Kliekjes", zei zy. "Goed, ik heb honger; maar wy zullen Tantes gezondheid eens drinken; toe meid, haal eens een fles wyn, jy hebt zeker den sleutel."--"Ik doe niet, juffrouw Saartje: (nu ik van putten[2] sprak, kreeg ik aanstonds deezen tytel!) "Jy jokt, Bregt; als Tante er van spreekt, zal ik haar den wyn betalen."--"Je Tante heeft altoos zelf den sleutel; maar als Juffrouw my niet beklappen zou, ik kan er toch wel by."--"Ik je beklappen! wel, dan moest ik wel gek zyn; kryg maar, toe, schielyk." Zy ging. Ik had al lang gemerkt, dat Zuster Bregtje aan de fep was; ik tastte haar des van de zwakke zyde aan. Doch, pasjes was zy in den Kelder, of ik, flink de deur in slot, en de grendels er op. Toen ging ik het huis uit, en haalde de huisdeur agter my toe. Hoe het verder met de Zuster gegaan is, weet ik niet.

Ik heb, op Tantes tafeltje, een kaartje laten leggen, om dat zy niet ongerust zyn zoude. Zy heeft my schrikkelyk geplaagt: mooglyk zal zy zich dit herinneren; en wat hoef ik haar te kwellen, nu ik uit haar magt ben: Is 't niet waar, myn Heer?

Wat verlang ik naar een Brief van u! De Muziek heb ik ontfangen. ô Wat zyt gy een goed man! Kon ik u mondeling zeggen, hoe zeer ik u acht, en hoe gelukkig ik my reken van te zyn,

MYN HEER!

_Uwe Ootmoedige Dienaresse en Pupil_,

SARA BURGERHART.

PS. Myn adres zal ik hier ook by leggen.

Noten:

[1] Handelsagent. [2] Zuipen, pimpelen.

TWAALFDE BRIEF.--Anna Willis waarschuwt Saartje: ze is zoo jong; ze moet zich nogeens bedenken; misschien trouwt ze gauw; gaat 't verkeerd, dan krijgt Sara de schuld. Bij die wed. Sp. leven ze luchtigjes, ook Aletta is maar luchtig. Hoe denkt Blankaart erover? Zij zal 't haar moeder vertellen: _misschien wil die Saar wel hebben_.--Deze brief blijft wat lang uit.

DERTIENDE BRIEF.--Sara beklaagt er zich over en wordt boos om Anna's koelheid. _Haat_ me desnoods, zegt ze, maar _veracht_ me niet. Eindelijk komt Anna's brief en Sara schrijft haar.

VEERTIENDE BRIEF.

MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.

_Dierbare Willis!_

Zoo ontfang ik den uwen. Kunt gy my nog liefhebben? Hemel, wat ben ik ongelukkig! Zedert de dood my myne Moeder ontnam, liep my alles tegen. Waarom ontfing ik uwen Brief niet eerder? dien voor my zo allernodigsten Brief, ô Myne voortvarentheid!... Wat meer geduld, en wie weet hoe gelukkig ik nu zyn zoude. Maar durfde ik daar op hopen? By u te zyn;--onder het zorgende oog uwer Moeder. Dat is nu te laat! En ik moest nog de Zedemeestres spelen! Ik moest, zo onkundig van myn hart, het uwe beproeven! Ik moest--och, lieve Naatje, vergeef het my; zoek toch naar eenige verschoning voor my, ik kan niets vinden. Ik heb, voor een jong mensch, al veel verdriets gehad, en al veel ongelyks geleden; maar nu, nu ondervind ik voor 't eerst, dat zelfverwyting eene zeer grievende smart veroorzaakt; alles is daar beuzeling by. Als ons hart zegt, men doet u ongelyk, gy verdient dit niet, dan is de belediging zelf, vreugd, by de bewustheid dat wy haar, die ons lief heeft, kwalyk behandelen; óók terwyl zy zich bevlytigt om ons te helpen. Dit gevoel, hoe pynlyk, troost my echter; het maakt my uwer vergeving waardig.

Verscheur myn laatsten Brief. Laat hy zyn als niet geschreven: ik was moedeloos. Wat zal het my nu helpen, uwe bedenkingen te wikken? Helaas, Naatje, de stap is gedaan! Ik ontken niet, dat ik hier zeer vergenoegt ben; maar uw Brief, uw Brief! Ik had dan mogen hopen altoos by u te zyn? Gy weet hoe gaarn ik by u, by uwe lieve Moeder ben! En is Willem t'huisgekomen? (van hem eens nader.) Waarlyk, ik heb het hier zeer wel, hoewel het is nog vroeg, eerst de vierde dag; indien ik het vergelyk by de laatste jaren: doch by u te zyn ... 't is vrugteloos. Dit maakt my droefgeestig, en verbetert myn lot niet; ik schrei er van.

Mejuffrouw de Weduwe schynt een zeer goedaartig mensch, zy ziet er allervriendelykst uit; ik denk, dat zy byna veertig jaar oud is. Zy heeft fraaije manieren; zy is eene Vrouw van fatsoen en opvoeding, dat ziet men. Zy spreekt niet veel, doch 't geen zy zegt is goed gezegt.