Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart

Part 15

Chapter 15 4,282 words Public domain Markdown

_Hy_. Myn Heer Blankaart, Letje (dat ondervind ik op nieuw,) heeft een zeer goed eerlyk karakter. Hare vriendschap met Juffrouw Burgerhart, haar inwonen by de brave Weduwe, hebben haar in weinige maanden ongelooflyk veel nuts gedaan. Ja, ik had een ander oogmerk met haar; doch ik zal haar myne weldaden niet ten koste van haar vryheid en geluk toedelen. Indien zy myn voorslag hadt kunnen aannemen, 't zou my lief geweest zyn; maar, zo zy liever den Heer Willis heeft, my is 't wel; ik moet u evenwel ook voor de vuist zeggen, dat Letje niet meer dan twintigduizend Guldens bezit: zo veel als haar Broeder, daar ik ook zeer wel over voldaan ben: en indien Willis nu niets heeft, dan zie ik er niet door.

_Ik_. En ik heel wel! God heeft my gezegent, en ik ben maar een oud Vryer, die kind noch kraai in de waereld heeft. Kom, Helmers! Letje heeft my zo veel van u verhaalt, dat ik mag veronderstellen, dat gy nog wel iets doen zult voor haar. Ik zal voor Willis ook wat doen. Ik had altyd gemeent, als ik niet trouwde, myne Pupil myn goed te maken, met zo wat Legaten aan myn oude Bedienden; maar zy doet een ryk Huwelyk, en ik zeg: zie, Abraham Blankaart, gy moet geen water in de zee dragen, myn Vriend. Nu moeten er andren wel van varen. Och God! het moet hier immers alles blyven; en wel doen is de boodschap. Is dat zo niet, myn goeje Vriend?

_Hy_. Gy doet my aan, Blankaart. Geef my uwe vriendschap: ik denk even als gy.

_Ik_. Met al myn hart: nu, wat zegt gy?

_Hy_. Ik sta de verkering toe; ik bedank u voor de eer, die gy my in deezen aandoet; ik zal tonen, dat ik uwe achting niet onwaardig ben; en laat voorts alles aan uwe bestiering over.

Vervolgens vertelde hy my met aandoening, dat Letje, nog zeer jong zynde, (nu, zy is nog maar drie en twintig jaar,) eene jeugdige liefde had opgeöffert aan haar's Vaders redelyk bevel; en dat zy ook hier voor moest beloont worden. Hy zei my, dat haar Broêr een goede jongen was, daar wel wat van zou te maken zyn, zo hy in goede handen viel. Goed, zei ik, ik zal dat knaapje ook al in 't oog houden, en helpen waar ik kan en mag.

Na de plaats doorgewandelt en op zyn oud Vaderlands afscheid genomen te hebben, sprong ik te paard, en kwam, zo in my zelf tierelierende, en zoo vrolyk als een Koning, met Snap de Stad in, at spoedig, en ging deezen zitten schryven. Ik ben met eerbied,

Uwe Hartvriend,

ABRAHAM BLANKAART.

HONDERD-AGT EN VYFTIGSTE BRIEF.

MEJUFFROUW STYNTJE DOORZICHT AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.

_Lieve Vriendinne!_

Ik had dan het genoegen om u, en nog eenige jonge harten aan het huis van de Vriendinne Buigzaam te zien! Ik was byna niet in staat, om myne inwendige vreugd te verbergen.--'t Was of ik in een zedelyk School was, daar men jonge menschen de eerste treden leerde zetten op den waren weg. Toen ik t'huis kwam, moest ik zo betuigen voor den Here: _Nu weet ik, dat by u geen aanneming des persoons is, maar dat yder, in wat staat of rang, in wat kleding_, (_zo die der betaamlykheid maar niet kwetst_,) _die de gerechtigheid lief heeft, u aangenaam is_? Ja, ik voel zo eene zielenliefde voor de Vriendinne Buigzaam. In haar zie ik zo _Maria_ en _Martha_ vereenigt. In Letje is een getrouw zaad gevallen: de Here geve, dat het door de waereldsche beslommeringen maar niet verstikken moge! Niet, hartje, dat men den kinderen van Jezus alle speelgoedje moet onthouden; maar 't moet binnen de palen van uitspanningjes zo blyven. Och, zy laten het van zelf wel varen, als zy Maagden, Vrouwen en Moeders in den Here worden. En daar is dat zoetaardig Lotje, die moet niet verstoten worden; zy is een kind in 't verstand, maar ook in allerleije boosheid. Ja, Styntje, zei ik zo in my zelf, als ik haar zo eenvoudig zag zitten breijen, gy moet in onschuld dit Kind gelyk worden, of gy kunt in 't Ryke Gods niet ingaan.

Maar gy, myne jonge Vriendinne, hebt vyf talenten ontvangen, en de Here gaf u ook de gewilligheid, om die tot winst uit te zetten. ô Myn hartje, gy kunt nog zo veel goeds doen. En uw Bruidegom is een _Timotheus_, die de begeerlykheden der jonkheid vliedt, in wien het oprecht geloof woont. ô! Zo de lieve _Johannes_ eens aan hem schreef, hy zou zeggen: _Ik schryve u, Jongeling, want gy hebt de waereld overwonnen_. Ik spreke uit ondervinding. De Godsdienstige Edeling is by my geweest, maar zo als hy zich omtrent uwe Tante gedroeg; ô Vriendinne, dat was het _werkent_ Christendom! Uwe Tante weende bitterlyk. Nu ziet zy wél, dat de Here _niet woont in 't water noch in 't vuur_: gelyk er in het oude Verbond staat: dat is, niet in al dat getier en gebaar van dat zo genaamde Bekérings-werk: maar dat God woont in een ootmoedig, gezuivert, en hem geheel geheiligt hart; zoo is het ook met uwe Bruidegom!

Ik ben niet onder de ryken deezer Stad; maar ik heb overvloed voor my, en kan nog wat mededelen; en zo uwe Tante niets hadt, en by my toevlugt nam, ik zou haar gaarne van 't myne geven. Maar nu gy, en uw Vriend, ryk zyt in goederen, ryk in de genade, en dus ook ryk in goede werken, zou het in my eene dwaze trotschheid zyn, geen gebruik te willen maken van 't geen uw beider liefderyke harten my aanbieden: En nu kan ik myne stille liefdadigheid blyven beoeffenen.

Terwyl ik deezen zo zat te schryven, kwam de Heer Blankaart in myn huisje. Uw Tante was danig ontstelt. Hy bestrafte haar als _Joannes de Doper_, en troostte haar, als _Joannes de lieveling des Heren_. Zy viel in den schuld, bekende, dat zy u zeer onrechtvaardig behandelt hadt, en u in gevaar gebragt, om op den doolweg te raken. "Nu, zei hy, Zantje, leer nu beter toezien; er zyn, zo als ik u duizend maal zeide, hele ondeugende sielen onder dat Fyne goedje. Jou Duivel was gierigheid, kind, die moest uitgedreven worden; zo als de Schrift zegt, _gierigheid is een wortel van alle kwaad_. Zie, hadt gy nu van uw geld arme sukkels meêgedeelt; maar neen, er mogt geen duit af, zo 't niet voor dat Volk was. Nu, 't schaadt je niet; zo je jou nu nog maar bekeert, zal 't alles wel lukken: hoor, ouwe kennis, ik begryp niet, hoe of je zo in dien hoop verwart geraakt zyt. Gy pleegt te wezen als alle andere deftige Burgers; maar zedert dat je bekeert ben, zit je te zuchten en te steunen, dat de Duivel in zyn vuist lacht, om dat je het by onzen lieven Heer zo wel niet hebt als by hem. Denk jy, dat onze Hemelsche Vader, die uit liefde en met blymoedigheid wil gedient zyn, het scheelt, of gy u als een _graauwe Munnik_ toetakelt; en er uitziet, of je uit het zothuis kwaamt? dat je dat kostlyk aangezicht weg moffelt in een malle muts? Niet dat ik wil, dat gy u optooit als een kleuter; maar kleedt u zo als Styntje: zo een Samaartje staat immers net en ordentelyk, en het Kuifje zindelyk en zedig? Zy ziet er ook zo blymoedig uit, dat men niet hoeft te vragen, of zy zich in den dienst haars Gods wel bevindt, en vrolyk leeft in den Here. Nu, _zalig zyn zy, die zich beteren_. Wat uw bestaan aangaat, zorg daar niet voor. Uwe lieve brave Nicht heeft my gebeden, om u uit het hare te mogen onderhouden; en ik zou haar niet half zo liefhebben, zoo zy niet zo wel kon goed doen als vergeven. Zie, dat is ook een Christelyke plicht. En wy hebben allen nog zo veel te doen, eer wy waarlyk Christenen zyn, ik voor al, dat het ons niet voegt onvergeeflyk te zyn. En jy en ik, Zantje, mogen by Styntje nog wel een lesje halen."

Vriend Blankaart, zeide ik, ik vinde gedurig zo stoffe, om my te vernederen voor den Here; laten wy liever elkander leren, en opbouwen in het goede werk. De Here zelf moet ons leren; en zo doet hy ook in het woord der waarheid. "Dat is recht, zeide hy: maar wy doen heel anders, wy verlaten den Sprinkader des levendigen Waters, en houwen ons zelf gebroken bakken uit; zie, ik lees alle daag in Gods Woord, en hou my niet op met uitleggingen, die ik niet noodig heb om het te verstaan, voor zo verre het my raakt als een Christen mensch, wil ik spreken. Wat kan 't my schelen, of in zo een text van den _Gog_ en den _Magog_, of van _Constantyn den Groten_ gesproken wordt? Ik wil _Bybels_, ik wil _practicaal_ horen preken. Daar liep ik verleden Zondag zo eens in de Meniste Kerk by den Toren; er werdt over de Bekéring gepredikt; 't was zo fraai, dat ik ging zitten, en luisterde als een vink. Wel, Styntje, ik ben nu zuiver rechtzinnig, maar waarlyk, ik kon _amen_ op alles zeggen; en ik zei het ook in my zelf. Sticht dat niet beter, dan dat ik hoor zagen, en kaauwen en klungelen over _Aarons baard_? en er dan nog toepassingen by te krygen, die Spotvogels stof leveren, maar die verstandige en vrome menschen met versmading overdenken? Toepassingen, die onze jonge Nazireërs wel agter weeg mogen laten, zo zy zielen willen winnen; en die my danig ergeren, om dat zy my doen lachen."

Toen ging de Vriend Blankaart heen, en ik zei in my zelf: _dit is een Israëliet, in wien geen bedrog is_. En nu, hartje, moet ik u nog zegenende zegenen: _God geve u een Jozua's besluit: wat ook anderen doen, wy en ons huis zullen den Here dienen_.--Groet uwen Bruidegom, groet de Vriendinne Buigzaam, en de jonge Vriendinnen; en neem my in liefde aan. Ik ben

Uwe ware Vriendinne,

STYNTJE DOORZICHT.

HONDERD-NEGEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed vraagt aan Mevr. Willis, of ze de verkeering van Willem en Aletta goedvindt.--Met Sara heeft ze ernstig gesproken: die ziet wel tegen het huwelijk op, maar 't zal wel marcheeren.

HONDERD-ZESTIGSTE BRIEF.--Cornelis schrijft aan zijn Jaantje--Adriana Nijverhart--dat papa hun verloving ook goedkeurt. Jammer dat _hij alléén_--naar Hendrik's bruiloft moet: Jaantje's moeder is ziek....

HONDERD-ZESTIGSTE BRIEF.

DE HEER CORNELIS EDELING AAN MEJUFFROUW ADRIANA NYVERHART.

_Myn allerkostelykste kostelykheid!_

De knoop is gelukkig gelegt: ik ben eens even t'huis gekomen, om te zien, of er ook een Brief van uwe Majesteit, Adriana de Eerste, was. Neen, geen Brief. Nu, dat's weêr een schreefje op den kerfstok! Ik ga zo vliegent weer naar 't huis van Mevrouw Buigzaam.

ô Waarom, myne Jaantje, hebt gy gisteren niet by ons geweest? Niets ontbrak er aan myn geluk dan uw byzyn! Ik geloof niet, dat men met meerder betaamlykheid, met meerder blydschap, een Party als die van gisteren zoude kunnen uitdenken en uitvoeren. Alles was naar de onmerkbare Ordonnantie van Mevrouw Buigzaam; kon het dan anders zyn? Myn Broeder, weet gy, is een regt schoon man, en zyne Bruid, (of nu jonge Vrouw,) eene Bevalligheid, die nog meer bekoort dan het schone zelf. Niemand van ons was eigenlyk opgeschikt: alles was _négligé_. Wy geleken net één Huisgezin. Hendrik was geheel liefde, geheel vreugd: De Bruid minder levent dan anders, en men zag, dat zy alleen uit beleeftheid mede sprak. De voor-avond werdt musicerent gesleten. De Eerwaarde Smit was geen der minste spelers: maar Mevrouw Buigzaam wordt niet geëvenaart, ook niet van de jonge Vrouw, en die speelt, zo als de Heer Blankaart zegt, evenwel "Kapitaal." De eetzaal was gereet gemaakt, om ons Soupée te houden: het overtrof nog het Verjarings Collation. De Heer Blankaart's knegt, die van Vader, en die der Weduwe dienden. Men had voor hun wel degelyk gezorgt, en Blankaart hadt de oude kindermeid van de Bruid ook verzogt, om meê in de vreugd te delen. (Van die nog een woord.)

De twee Weduwen werden door de twee oude Heren op hare plaatzen geleidt; en zo dra de Getrouwden gezeten waren, voegden wy ons er by. Op het dessert heb ik my ook gewroken; doch zy hebben my, door hun verdriet te verbergen onder een vriendelyken lach, deerlyk te leur gestelt. Ik zal het Vod[1] zelf hier in sluiten. 't Zal u mooglyk tot een zoet rustmiddeltje dienen; en gevolglyk nog ergens goed voor zyn.

Toen men vervolgens zat te praten over die kostelyke niet met allen, die onder goede vrienden zo aangenaam zyn, zei myn Vader: "Kom een glaasje van gelukwensching. Welkom, vervolgde hy, met een zeer ernstig vriendlyk gelaat, daar zyn eerlyk hart in uitscheen: Welkom, lieve Dochter, in myne Familie. Nooit moet gy u den dag beklagen, die u in dezelve brengt; ik althans zal een goed Vader omtrent u zyn: gy zyt het waardig. Geluk, myn Zoon, met uwe Vrouw; wees een zo goed Man, als gy een Zoon, een Broeder, een Meester waart, en gy zult uwe Vrouw dierbaar blyven. En gy, Cornelis, (tegen my,) geluk, jongen, met uwe Zuster; als gy trouwt, zal ik even zeer in myn schik zyn als nu: gy zyt beide myne Kinderen. Myn Heer Blankaart, geluk met deeze verbintenis! dat wy beide nog lang getuigen zyn van dat heil, dat myn Vaderlyk hart van den Almagtigen God afsmeekt." Hy kon niets meer zeggen, maar boog tegen het gehele gezelschap, en er vielen tranen langs zyne wangen. De Bruid stondt op, omhelsde hem; hy kuste haar; niemand sprak: allen droogden wy onze oogen af. Hendrik, (om wat afwendig te maken,) vroeg aan 't gezelschap, of men hem, toestondt, om de gewezen kindermeid der Bruid binnen te verzoeken? Niets liever! Daar op kreeg ik myn hoed en handschoenen, en marcheerde naar de Keuken, om het ouwe schaap, dat in haar beste Zondaagsche plunje was, en styf stond van de gouden ringen, in te leiden. "Aanstaande Zuster, zei ik, met myn hoed onder den arm, en Pieternelletje zeer eerbiedig aan de hand, daar heb ik myn Vryster, die gaarn de eer hadt, om by u haar compliment van felicitatie af te leggen." De Bruid trok haar stoel wat uit, en gaf de vrome eenvoudige Pieternel gelegenheid, om zich te laten bekyken. "Wel, God dank! zei ze, dat ouwe Pieternel haar jonge Juffrouws trouwdag nog beleven mogt. Heden, Juffrouw, je bent krek alleens als je lieve Moeder, toen die trouwde. Niet waar, myn Heer Blankaart? En toen myn Heer Blankaart even zo klugtig als deeze myn Heer. Nu, myn Heer en Juffrouw, ik wenschje evenwel van harten zegen; och, myn Heer Edeling, je krygt zulk een lief meisje; ze het ouwe Pieternel nooit een onvertogen woord gegeven, 't was een lief hartje van een kind, en ik was ook zo mal met haar, dat, als zy tandjes kreeg, of zo, ik my tot water huilde; niet waar, myn Heer Blankaart?" En toen gaf zy de Bruid en Bruigom een kusch, die klonk als een klok. De overige Bedienden werden binnen geschelt; de Heer Blankaart overend ryzende, nam een schoon tafelbord, waar op zes verzegelde kleine Pakjes lagen. "Hier, Kinderen, zei hy tegen de Bedienden, daar is voor u elk een gedagtenis van dit Huwlyk. Gelyke munniken, gelyke kappen: Abraham Blankaart kan, en wil ook wel, Goddank! wat missen." Hy gaf elk een pakje, en zy gingen in de keuken zich vrolyk maken. "Vrienden, zei de brave man: zie, ik ben, wil ik spreken, maar een oude Vryer, ik heb kind noch kraai; en God de Heer heeft my boven alle myne begeerte gezegent: Ik weet, 't is waar, niet wat het Vaderlyke hart is; maar dit lieve Bruidje is de waardige Dochter van een man, dien ik my ten vriend had uitgekozen; zy is onder myne oogen opgegroeit; duizendmaal zat zy op myn schoot met my te snappen, of haar Poppen te kleden; (want ik ben een regte kinder-gek!) zo dat ik maar zeggen wil, dat dit de gelukkigste dag van myn leven is; en dat ik nu niets meer van God te wenschen hebbe, dan dat ik en alle brave menschen gelukkig zyn." Onze Dominé besloot, op 't verzoek der oude Heren, dit Vrienden-maal met eene dankzegging, die ons de hoogste denkbeelden gaf van zyn Godvruchtig hart, en zyn menschlievenden aart. Den Eerwaardigen Jongeling rolden de tranen op de t'samen geslagen handen. Zyn stem was zielroerent, alles was diepe aandagt.

De Heer Blankaart luisterde my in 't oor, dat wy moesten dansen. Willem en ik haalden twee Fiolen: Een gaf ik aan myn Vader: "Jongen, zei hy, ik doe er niet meer aan! Ik vrees, dat het gebrekkig zyn zal." Evenwel, de vreugd, die zyn hart overstroomde, deedt hem die aannemen; ik presenteerde den Heer Smit ook een: die, zonder eenige kwalyk geplaatste excusen, zei: "ik zou dit fatsoenlyk gezelschap onëer aandoen, indien ik my onttrok, om het myne tot eene zo billyke vreugd te doen. Wy zyn onder de Roos." De Heer Blankaart haalde de Bruid op. Zy danste niet wel; niet zó wel, meen ik, als zy 't anders kan; en zy verzogt hem om geëxuseert te zyn. Toen moest Letje en Willem op de baan; beiden toonden, dagt my, dat zy elkander wilden behagen. Bruinier was onvermoeit, en gy weet, ik val ook niet heel vies van een cabriooltje. Eens haalde ik Mevrouw Buigzaam, en danste met haar een zeer statige Menuët; trouwens allen waren in den goeden smaak: Na een uur dus doorgebragt te hebben, verdwenen Mevrouw Buigzaam en het Bruidje. Hendrik bleef nog in de kamer, doch ik geloof, dat wy alleen zyne uitwendige tegenwoordigheid hadden: De beide oude Heren gaven hem de hand. De Weduwe kwam niet te rug, voor myn Broeder insgelyks weg was: de vreugd ging haren gang: ten drie uuren waren de Koetzen gereet: elk nam even vrolyk, minzaam en even vriendlyk afscheid en ging naar zyn eigen huis.

Vóór ik ga zien, of de Jonge Lieden al by de hand zyn, sluit ik deezen. Indien ik eenigszins kan, kom ik in 't laatst van deeze week; ik heb u wel honderd millioenen van zaken te zeggen; (nu, dat kun je wel denken;) 't is, of ik u in geen eeuw of twintig gezien heb. Myn vader is nu zo minzaam als altoos welmenent eerlyk: en nu durven wy hem beminnen. Blankaart doet u hartlyk groeten, en doen alle de Vrienden en Vriendinnen, en goede bekenden, en ik omhels u, met een hart stikkent vol liefde. Maak myn compliment aan uwe waarde Ouders, en aan de kleine Familie. Altoos ben ik

Uwe

C. EDELING.

Noot:

[1] Zijn "gedicht", niet veel zaaks.

[Illustratie: Nu, mijn Heer en Juffrouw, ik wenschje evenwel van harten zegen; och, min Heer Edeling, je krijgt zulk een lief meisje; illustratie van C. Bogerts naar teekening van J. Buys in de 1e uitgave van 1782.]

HONDERD-EEN EN ZESTIGSTE BRIEF.--Saar en Hendrik zijn gelukkig!

HONDERD-TWEE EN ZESTIGSTE BRIEF.

MEVROUW SARA EDELING AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.

_Waarde Willis!_

Weet gy wel, dat, zo ik maar iets den slag had van te kunnen grommen, dat ik dan braaf grommen zou op u? wat was er op te zeggen? elk zyn beurt, dat's niet te veel; en ook, kind, gy moogt ouder en wyzer zyn, zo veel als het u zelf maar blieft, doch ik ben zeker nu iets meer betekenent dan gy: ik ben eene _getrouwde Vrouw_. Foei! Naatje, niet op de Party geweest! Foei! Naatje, nog al uit blyven; en dat om dat de Eerwaarde Smit u, en uwe Moeder verzogt, om met hem naar zyne standplaats te gaan, ter verrigting van duizend dingen die geen uitstel lyden. Gy hebt er 't meest by verloren. Nu hebt gy myn Oom en Tante Redelyk niet gezien, noch Kapitein Herberts; nu weet gy niet, hoe Vader Edeling getracteert, hoe wy jonge Lieden allen gedanst hebben, en hoe of de oude Vrienden 't werkje aanzagen.

Toen ik nog zeer jong, en zeer bedroeft los was, kon ik Brunier (uw ouden Vriend,) verzoeken, om alle deze bagatelles voor my zeer keurigies uit te schryven, en denken, hy kan nu zo goed netjes breijen als 't behoeft; met schryven zal hy een vaste hand krygen; en kinderen moeten niet leeg zitten. Maar nu zyn al die flinken[1] over. Ik heb zo veel achting voor myn lieven man, dat ik iemand, dien hy zyn vriend noemt, met geen spotterny kan behandelen. Ik heb nu ook door Edeling een trek uit zyn karakter gehoort, waar aan ik het te danken heb, dat ik deezen waarden man leerde kennen.

Onze samenleving met den ouden Heer is recht aangenaam; Keesje is de vreugd van 't huis: ik wensch, dat hy ook maar, zo als myn Voogd zeit, _een eigen weêrspraak_ hadt. Myn nieuwe Vader is de degelykste man uit Amsterdam; en nu dat zyne wonderlyke eenigzins grillige manieren, door de weltevredenheid, over de zagte Noten rollen, vind ik er iets veel meer Comiecqs dan lastigs in. Ik kan u zeggen, dat _Dochter Edeling_ in de kas is by _Vader Edeling_: ja, dat hy my overlaadt met gunsten.--Een staaltje van zyne denkwyze:

Gisteren aan tafel zittende, zei hy: Ik ben boos op Blankaart.

_Ik_. Boos op myn Voogd; dat kan niet zyn: want gy, Vaderlief, zyt hier te redelyk, en hy veel te goedaartig toe: gy beeldt u dit maar in.

_Hy_. Hoe, denk je, dat ik door inbeeldingen geregeert worde? dat is al eene aartige zet!

_Ik_. Wy hebben allen onze luimen. Zoudt gy wel geloven, dat ik die ook heb? ô Ik kan zo luimig zyn, dat ik met my zelf wel kyven zou, als ik niemand by my heb.

_Hy_. Wel zo, dat ziet er voor u, Hendrik, niet al te voordelig uit! (_Myn man lachte_.)

_Ik_. Wel neen! tegen zulke lieve redelyke menschen draag ik my nooit als eene malloot, om dat ik te veel prys stel op hunne achting, met andren, daar ik méér meê gelyk sta, mik ik het zo naauw niet.

_Hy_. (_Half knorrig, half goedschik_.) Nu, ik ben evenwel boos op Blankaart.

_Ik_. (_Hem potzig in de oogen kykende_.) En om wat reden? of is Papa ook een beetje met luimen bezet, want myn Voogd is de beste man van de gehele waereld, myn man uitgezondert?

_Hy_. Wel! hy heeft u zo veel kostbaarheden gekogt, en op uw verjaring zulk een boel Juwelen gegeven, dat ik, nu het aan my toekomt, niet eens weet, wat of ik u zo eens geven zal; en ik ben evenwel uw Vader, je hebt alles dubbelt en dwars, en daar is nog zo een menigte goed van myn Vrouw ook. Hy maakt my recht verlegen: want ik zie niets, of je hebt het.

_Ik_. Ik ben niet heel hebzugtig: en met dit al, daar is iets dat gy my geven kunt; had ik dat!...

_Hy_. (_My in de rede vallende_.) Wat is dat toch? je zult het hebben, kind.

_Ik_. Een kinderlyk deel in uw Vaderlyk hart! zo ik dat hebben mag, dan vraag ik, of Amsterdam te koop is? (_Ik stond op en kuschte hem_.)

_Hy_. Loop, stout dingetje; is 't anders niet, och heden! ik meende, dat het heel wat byzonders was.

_Ik_. Dat is het ook, lieve Vader!

_Hy_. Nu, gy zyt een raar meisje, hoor; maar, (_in zyne Brieventas schommelende_,) zie daar is een Wissel op myn Cassier. Neem dit dan tot een bewys, dat gy my lief en waart zyt, en steek hem maar in uw Almanakje.

Hem inziende, zag ik, dat hy _fl_ 6000 beliep. Ik bedankte met aandoening, en zei tegen myn man: daar, Edeling, neem dit van my aan. Ik heb niets nodig, en, als ik iets van doen heb, weet ik, dat gy my meer zult geven dan ik verzoek.

Vader schudde zyn hoofd. Ja, zei ik, myn man en ik hebben maar één belang, en dewyl hy veel meer verstand van geld heeft dan ik, dewyl ik nooit speel, en alles kan krygen, wat ik begeer, is het immers niet meer dan billyk, dat ik aan myn besten Vriend alles in bewaring geef?--Kom, zei hy, ik verpraat, met dat drommelsche Wyfje, weêr al myn tyd: kom, Hendrik, naar 't Kantoor.--Zy gingen weg, en ik had zo wat te schikken en te bergen, zo als eene Huishoudende Vrouw altoos wat heeft, Naatje. 't Was Postdag, ik was blyde, dat myn Voogd by my kwam Thee drinken. De Heren lieten zich in kommetjes de Thee brengen. Wy zaten als ouwe lui te snappen, en over byzondere zaken te keuvelen, toen myn beste Willem inkwam. Hy deedt ons eene openhartige biegt: "dat hy Letje beminde, en dat hy niets zo zeer wenschte, als eens in staat te zyn, om voor haar te zorgen, in dien rang, waar in zy gewoon was te leven: dat zyne Moeder zyne keuze goedkeurde, en dat hy hoopte eens weder bemint te zullen worden." Blankaart zei: "dat hy hem in alles raden en ook helpen zou, en met plaisier zag, dat zyn oogmerk dus verre gelukte." Beide bleven by ons eeten. Edeling hadt Brunier op de Beurs verzogt. Wy hadden een lieven avond. Beide de jongens waren vrolyk en vergenoegt. Myn man! och! die is al wat een vrouw zoude kunnen wenschen: ik vrees maar, dat hy al te goed op my zyn zal; ook dan, als ik 't eens minder verdien dan nu; en dan zal hy my ongelukkig maken; want hoe zou ik dit ooit aan my zelf vergeven kunnen?

Morgen gaan wy ons nieuwe huis in order brengen; het is digt by Mevrouw Buigzaam; dit maakt het voor my verkiesselyk; evenwel, het is een schoon huis: ik hoop er u wel haast in te zien. Oordeel eens, hoe druk ik het nu heb! hoe veel airs ik my geef, tegen alle die goede menschen, die my 't hunne brengen om alles te maken, _comme il faut_. Ik moet Letje volstrekt tot hulp hebben, of ik kom er niet door. Ik ben met achting,

Uwe liefhebbende Vriendin,

SARA EDELING,

geb. BURGERHART.

Noot:

[1] Hier: grappen, streken.

HONDERD-DRIE EN ZESTIGSTE BRIEF.--Saar verhaalt zelf van haar geluk.