Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart

Part 14

Chapter 14 4,346 words Public domain Markdown

Om dan myn vertelling te beginnen; want nu weet gy nog zo veel als gisteren: zo dat ik maar alleen dit zeggen wou! Daar heb ik een bezoek gehad van den Agter-agter-klein-agter-Zoon van Marten Luters ouden vriend, Casper Edeling, van Jan Edeling! en wy hebben te saam over het Geloof, en de zoete Meisjes, eens heldertjes gebakkeleit. Hij wagtte my in myn zydkamer. "Zo, Marten-Broêr, zei ik, welkom."--Uw Dienaar, myn "Heer Blankaart;" en hy keek, of schoppenboêr ook nog van zyn Familie was; zo, dagt ik, dat zyn de oude grillen. Ik zei des, wel fraai buigende, dat ik toch beter ken dan zo een oude podagrist: "Uw dienaar, myn Heer Edeling;" en ik gaf hem een fauteuil. Dus begon hy, terwyl hy de glazen uitkeek. (_Ik, niet lui, ging over 't horretje gluren; ja, zo moet men met die wonderlyke menschen, omgaan, of zy denken, dat de Drommel hun niet wys genoeg is_.)

_Edeling_. Nu, daar is myn Zoon Hendrik dan verlieft op uwe Pupil. Hy ziet er uit, of hy uit een belegerde stad komt, en mymert, en zwygt, en ik heb gister het eens op hairen en snaren gezet, maar 't is of ik met myn kop door dien muur wil: en hy wist my nog een hope te zeggen: die eigenwyze jongens! Ik ben ook moeilyk[3] op hem.--Gy zegt niets?

_Ik_. Wat heb ik met uw en uw Zoons gemor te doen? Ik zie niet, waarom ik iets zeggen zou. 't Raakt my niet; en ik _wil_ my er niet meê bemoeijen.

_Hy_. Wat! raakt het u niet? En dat de jongen knapen zo met het Geloof omspringen? Ei zeker, zou ik myn huis tot een Noachs-Ark, of een Remonstrantsche Kerk maken?

_Ik_. Wel, hoe satan heb ik het? Heb je niet uitgeslapen? of maalt je de geest? Nog eens, wat bruit my uw gekibbel met uw Zoon?

_Hy_. Wel, hy wil Juffrouw Burgerhart hebben, al is zy gereformeert.

_Ik_. Wel, ik wil haar niet geven in eene Familie, die haar niet met liefde en achting ontfangt.

_Hy_. Wat moet ik dan doen?

_Ik_. Dat's _uw_ zaak. Gy zyt Vader. Uw gezag zal zeker met verstand gepaart gaan.

_Hy_. En daar is nu myn Zwager, de Pastoor Redelyk, die praat even eens als gy, en zyn Vrouw ook.

_Ik_. Nu, als je my niets anders te vertellen hebt, kon je de moeite wel gespaart hebben, om by my te komen. Hoe ik over den Godsdienst denk, weet gy. Wilt gy geene Gereformeerde vrouw aan Hendrik geven; wat geef _ik_ daaröm?

_Hy_. Wel, waaröm laten wy onze kinderen dan yder in onze Kerk opbrengen, en hun geloof leren, by Kategizeermeesters van onze eigen Leer?

_Ik_. Om dat wy--laat ik zwygen! Hoor, Paulus is myn man. Wat zeit die? _Onderzoek de schriften_. Dat klinkt u wat anders voor den snoet, dan _zyn Geloof te laten leren_. Weetje wat, Jan Edeling? daar is nog maar te veel _Papery_ onder de Protestantsche Christenen. Wy razen en duiveljagen tegen den _Antichrist_, tegen _den Gog_ en _den Magog_, tegen den _Paus_; en ydere Dominé wil Paus zyn in zyn Kerk, en ydere Vader Heilige Vader in zyn huis zyn. Kom aan! daar is uw Zwager (ei, ik wist dat niet, is hy uw Zwager?) Redelyk; wel, die vrome wyze man, zegt gy zelf, dat net denkt als ik; zo dat, ik hoef my dat niet te schamen. Hoor, jou geloof is een enkel _toeval_; want je hebt er magtig veel toe gedaan, hebje niet? om van Lutersche Ouders geboren te willen worden. Wel, Jan Edeling, Jan Edeling, 't lykt nergens na: maar dat gy uw braven Zoon, als zo een regte Nero, niemands-Vriend, van liefde kunt zien sterven, om een deugdzaam meisje--op myn ziel, (_en ik sloeg op de tafel_,) uw geloof is 't regte geloof niet!

_Hy_. Hoor, Abraham Blankaart, ik zou met al myn hart u om het Meisje voor myn Heintje verzoeken, was zy van zyn Geloof.

_Ik_. Wel, ik wed om een Visje, dat zy van zyn Geloof is.

_Hy_. Hoe? wat? heeft zy dan haar Kerk verzaakt, en dat om een man?

_Ik_. Noch 't een noch 't ander; en evenwel ik wed met u. Zie, zy zyn het immers daar in eens, en dat's wel een fondamenteel stuk van eenigheid, dat zy met elkander gelukkig kunnen zyn, en dat gy het hen maken kunt. (_Hy gaf my zo een knorrige meesmuil; en toen begon hy weêr op nieuw te zagen, en van 't Geloof, en van elk in zyn Kerk, dat my 't bloed zo al wat begon te krieuwelen_.)

_Ik_. Nu wil ik in myn huis niet langer dat gegons verdragen. Gy zoudt beter doen, als gy eens een Kapitteltje in Sint Jan las: die brave Apostel zal het u zoo ouwerwets zeggen, dat gy wel voelen zult, waar de wind van daan komt. Maar ja, de Bybel daar leest men niet in, dat klungelt en sjouwt met Huispostillen, en Uitleggingen, die geen pyp tabak waart zyn: en Gods heilig dierbaar woord, dat ligt, met zilveren sloten, in het beste vertrek daar braspenningen te zweten. (_Hy lachte_.)

_Hy_. Daar is myn hand, Brammetje; jy bent toch een man, die my lykt. Ik moet nu myn hele les leren. Hoe moet ik dan met myn jongens leven? want ik heb nog ergens zo een suppliant in de wyde waereld.

_Ik_. Wel, als ik zulke jongens had, en zy hadden liefde voor brave meisjes van de Protestantsche Kerk, en zy verzogten my, om haar te mogen hebben, wel, dan zou ik zeggen: ziet; Kinderen, dat staat my bestig aan. Ik zal zien, dat ik elk zyn Vryster bezorg, en je allebei in goeden doen stellen, om wat te beginnen; en dan zou ik met myn jongens eens op 't goed succes drinken, en door myn gang lopen tierelieren, als of ik zelf nog maar twintig jaar waar. Hoor, Jan Edeling, dan zult gy vreugd en genoegen hebben, en je kunt voor je dood nog Grootvader van een kleine kabauter of agt wezen.

_Hy_. Gy hebt gelyk! Ik verzoek u dan om het Huwlyk; en als ik het zeg, meen ik het waaragtig. 't Zal my tot eer zyn, Juffrouw Burgerhart myne Dochter te mogen noemen. Zal hy ze hebben?

_Ik_. Met al myn hart; en ik hoop, dat zo uw andre Zoon ook maar een braaf deugdzaam meisje kiest, dat gy dan ook even redelyk zult zyn.

_Hy_. Zie, Bram, zo ben ik nu ook weêr, als ik iets doe, doe ik het terdeeg; ik hou niet van dat krummelwerkje. Hoor, _als ik over den hond kan, kan ik ook over den staart_. Als Cornelis het wel maakt, en hy een ordentelyk meisje wil, gierigheid daar aan heb ik my nooit bezondigt; ik wil maar baas zyn, en gelyk hebben.

_Ik_. En juist daarom hebt gy geen oogvol recht op iemands hart; alles, wat men, als men van u afhangt, doen kan, is bang voor u te zyn.

_Hy_. Gy hebt waarlyk gelyk: maar ik zal zien, dat ik dien _ouden Adam_ er uitramei.

_Ik_. Dan zult gy de beste man van de Waereld zyn; en myn Meisje zal geen der minsten zyn, die u 't leven aangenaam zal maken. Nu zult gy eerst gaan ondervinden, hoe gelukkig men is, als men de _beminde_ Vader is van brave kinderen.

_Hy_. Ik heb meer voor myne kinderen gedaan dan duizend Vaders doen; ik heb nagt en dag gewerkt voor hen, ik gaf altyd in de ruimte....

_Ik_. (_hem in de rede vallende_.) En met dit al, gy zyt wel gehoorzaamt, wel geëerbiedigt, maar ik vrees, dat uw eigen kinderen u niet beminnen, zo als zy u zouden bemint hebben, als gy wat min van het meesteragtige, en wat meer van het Vaderlyke getoont hadt.

Na nog wat pratens ging Marten Neef heen, zo wel gehumeurt, en zo zagt, als hy zeker nog nooit, zedert hy alleen gaan kon, geweest is! Waarlyk, 't is een goed eerlyk allerbest man; maar omtrent zyn vrouw en kinderen was hy, en dat alleen uit grilligheid, een regte _Bullebak_.

Dat zit daar heel gek, en wel dubbel gek met Tante. Dat Janrap heeft haar tot op 't gebeente uitgemergelt. Maar myne kleuter spreekt zo ten goeden, en verzoekt zelf, om uit haar geld Tante wat te ondersteunen, dat het een lust is om te zien. Ik ben daar eens by die beste vrome Styntje geweest, (ja, ik leef onder en boven den grond!) en ben met haar overeen gekomen, dat zy Tante in huis zal nemen, en onder haar bestuur, vatje het? en dat ik het met haar wel maken zou. Maar ik wil dat voor het ouwe wyf niet weten; wel, wat hoeft dat? Die allerliefste vrome ziel zal myn Saartje eens bezoeken, zo een zin heeft zy in 't meisje.

En nu moet ik u eens aanspreken, want gy zyt _het Vrouwtje van Thecoa_,[4] uit den Bybel. Ik wou u eens vragen, of Juffrouw Letje t'avond of morgen niet een goede vrouw voor Willis zyn zoude? of zyn er al Kapers op de Kust? Het meisje komt my zo wél voor, en ik zie heel wel, dat zy ook by u twee witte voetjes heeft; en dat zou zy niet hebben, zo zy geen goed jong kind was; en myn Saar houdt zo kragtig veel van haar. Nu, denk er eens aan: ik zou dat graag zien. Haar Broêr heb ik gekent als het olykste Salet-rekeltje, dat er op Gods aardbodem was, maar hy wordt een heel ander mensch: ik ben ook zyn vriend; doch Edeling, die my zegt, dat hy het beste hart van de waereld heeft, en zo goedaartig is als een kind, heeft vóór, hem een beter bestaan te bezorgen.--Ja, ik wou wel wat zeggen, maar het wil er niet uit; evenwel het deedt my zo goed, toen ik het hoorde, dat myne oogen overliepen! Ik kan 't niet zwygen. Hy is het, die aan Edeling uwe verlegenheid, door een ryken schacheraar u veroorzaakt, vertrouwde[5], er by voegende: "Myn Heer, ik heb geen geld, anders zou ik of Letje het al afgemaakt hebben; maar zeg het de brave vrouw nooit, dat ik het ben, die u dit zeide:" en hy sprak van u, als of gy zyne Moeder waart. Moet zo een jongen geen goede gronden hebben? Moet hy niet beloont worden? Wat zegt gy? Nu schei ik uit, en ben

Uwe oprechtste Vriend,

ABRAHAM BLANKAART.

Noten:

[1] Meer dan genoeg. [2] Cornelia Hartog. [3] Boos. [4] Stad bij Bethlehem. Joz. XV. [5] Vertelde.

HONDERD-VYFTIGSTE BRIEF.

DE HEER R. AAN DEN HEER G.

_Broeder Lichtmis!_

Razent, woedent, helsch kwaadaartig over myne mislukte onderneming! In myne eigen strikken gevangen! Maar wie kon denken, dat er een Burger- meisje in de waereld was, die een man, zo als ik ben, tegenstand zou bieden? Wat moet ik denken; zou er waaragtig zo iets zyn, dat deugd genaamt wordt? Ei, wisjewasjes! Kinderlyke vooroordelen; dat is 't al, en anders is 't niets. Nooit heb ik my zo misrekent! En niets dan schrik kan my haar bezorgt hebben. Zie daar! daar raken de Harddravers met een poot of drie in een der leizels, die ik bevolen had optestrikken, om toch gereet te zyn, zo dra zy besloot my te volgen. Er was niemand op de plaats dan de Tuinvent. Ik moest helpen of myn beste Paarden verliezen. Ik sluit de schone meid in de kamer, verzekert, dat zy myne gevangene moest blyven. En in dien tyd, dat ik in den stal ben, is zy 't ontsnapt. 't Is my volstrekt onbegrypelyk, want er was niemand op de Plaats dan de kerel en ik. Ik kom weêr, doe de deur open, vind haar niet, sta als een driedubbele gek, loop het huis uit, raas, stampvoet, vlieg by Kryn in huis; alles vergeefsch; loop naar 't Hek; ja, 't Hek was open, en ik begreep, dat het niet voor my geraden was, haar na te zetten. Waar zy belant is, weet de Drommel; doch het scheen my hoognodig, om, vroeg in den morgen, weg te ryden; ik ging naar Utrecht, en van daar op Arnhem; thans ben ik op Pruisischen bodem, en laat my ligt Hofraad maken; 't kan te pas komen. Hoort gy niets? Alles zou ik nog vergeten kunnen, maar ik bemin haar tot myn straf. Dit maakt my dol op my zelf, en met dit al, het is niet anders.

Als gy niets beters te doen hebt, kom dan by my, en breng Philips mede, op dat ik ten minsten een paar guiten heb, op wie ik al het onweêr myner gehoonde en van liefde gemartelde ziel vryelyk mag uitgieten.

T. T.

R.

HONDERD-EEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis laat Blankaart _een blauwtje loopen_.

HONDERD-TWEE EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Hendrik schrijft Sara een solide liefdesbrief.

HONDERD-DRIE EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Sara antwoordt hem niet minder degelijk; _er ligt haar nog iets op 't hart; ze denkt dat_ Hendrik _nog niets weet van 't geval met_ R., maar uit de Honderd-vier en vijftigste brief blijkt dat hij alles wist.

HONDERD-VIJF EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Anna Willis noemt haar verloofde Smit "waarde vriend"--deelt hem de _officiëele verloving mee_ van Sara en Hendrik. Blankaart was zeer ontroerd, doch lachtte zijn tranen weg.

HONDERD-ZES EN VYFTIGSTE BRIEF.

DE HEER HENDRIK EDELING AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.

_Myne Tederbeminde!_

Ik kan my zelf het genoegen niet onthouden, om te schryven, in die droefgeestige uuren, dat ik uw gezelschap moet missen. Ik weet, myne Liefde, dat de Betaamlykheid my de wet stellen moet; dat ik myne affaire moet benyveren, en voldoen aan die onderscheiden pligten, die ik voor my te doen vinde: ik kan u des maar weinige uuren 's daags zien. Al den tyd, dien ik kan uitsparen, gebruik ik echter om aan u te schryven.

Gy hebt u dan met welberadenheid aan my verbonden, en, schoon de gelukkige dag nog niet bepaalt is, zo hoop ik, dat hy nu haast zal aanbreken; iets, waarom ik vurig bid.

Myn waarde Vader, die myn geen woord gezegt heeft van zyn voornemen, om u te komen zien, verhaalde my onder het avondeeten, dat hy by u geweest waar, om u veel zegen te wenschen met uwe Verjaring. "Zie, Hendrik, zei hy, 't is een aartig meisje, maar 't is of zy bang van my is. Zy was wel beleeft en vriendlyk, maar toch zo niet, als zy tegen haren Voogd (die er ook inkwam,) zich gedraagt: en dat spyt my; want ik meen het kind wel te doen; jammer, duizend jammer! dat zy niet van ons Geloof is."

_Ik_. Juffrouw Burgerhart zal, zo dra zy weet, dat gy vriendelyke gemeenzaamheid niet voor kleinachting in jonge menschen aanziet, u zeker zo behandelen, als gy wenschen kunt.

_Hy_. Wel, dat's al een raar Compliment, Hendrik. Ben ik dan zo een Niemands vriend, dat de jonge lieden voor my vrezen? dat zou my spyten!

_Ik_. Myn waarde Vader, trek er toch dit gevolg niet uit! Gy weet, hoe pligtmatig ik altoos omtrent u gehandelt heb, en den Hemel dank voor den braven Vader, dien hy my gaf.

_Hy_. Ja, ik zie zelf wel, dat ik zo niet ben als uw Oom Redelyk, of als Blankaart, maar dat is zo myn humeur. Nu, zal 't haast lukken? Wanneer gaat het Huwlyk aan?

_Ik_. Zo dra wy een huis hebben, denk ik.

_Hy_. Wel, is dat de zwarigheid? wagt, met je Vrouw, de occasie hier by my af: of wil zy niet by zo een knorrig man zo lang komen inwonen?

_Ik_. Daar is geen woord over gesproken; maar ik ben wel verzekert, dat myn aanstaande Vrouw over haar Mans Vader dus onheusch niet zal oordelen; en ik bedank u by voorraad allerhartlykst voor deeze aanbieding.

_Hy_. Waar is uw Broeder Cornelis?

_Ik_. Die eet by den Heer Blankaart.

_Hy_. Wel is 't waar! alle jonge lui zyn even gaarn by hem; maar 't is ook de beste, de braafste man van de waereld. Hy heeft my ook al zo eens aan 't oor geweest over uw Broêr.

_Ik_. Ja, myn lieve Vader! Keesje heeft, toen hy te Leiden studeerde, eene Juffrouw leren kennen, die hem boven alle behaagde; en dewyl de Heer Blankaart die familie kent, en roemt, zoo is 't niet vreemt, dat hy een woord voor myn Broêr gesproken heeft: zy is niet ryk....

_Hy-. (_my in de reden vallende_.) Ben ik dan een gierige schrok? Heb ik ooit op geld gezien? Als 't anders wel is, zal dat wel gaan; maar al weer niet van myn Geloof, denk ik?

_Ik_. Dit weet ik met geen zekerheid: de Heer Blankaart zal u alles wel berichten.

_Hy_. Nu, 't is nog zo verre niet. Hy moet eerst wat praktyk hebben. Ik hoop, dat hy die zaak op het Oostïndische Huis, voor Mevrouw Buigzaam, maar wel en spoedig zal afdoen: zo hy zich ooit met slegte zaken bemoeit, ontërf ik hem; geen schelmen in myne Familie, zou ik hopen: dan nog liever Gereformeerde meisjes tot Schoondochters!

Zie daar de kaart van 't land, myne Liefde, indien gy den braven man weder mogt ontmoeten. Hy zal u zeer lief hebben, maar het u nooit zeggen; hy zal u overhopen met presenten, en zien of hy op u keef: Beter hart dan het zyne is er niet.

Myn Broêr praat bykans zo veel van u als van zyn meisje, en houdt niet op van te zeggen, dat gy, uit alle meisjes, juist die geene zyt, die my gelukkig kan maken.

Nu zal ik u verslag doen van myn Bezoek by den Warmoezier. Ik ging er deezen namiddag heen. De vrouw was bezig met groenten te wassen, geholpen door een jongen knaap; de man was in den Tuin.

_Ik_. Goejen dag Aaltje-buur, hoe gaat het al?

_Zy_. (_Zeer verwonderd opkykende_.) Heel wel, myn Heer, maar ik ken u niet!

_Ik_. Gy kent evenwel, denk ik, eene jonge Juffrouw, die gy een dienst gedaan hebt, welke ik moet trachten te belonen? Is dat uw Zoon, Pieter?

_Zy_. Ja myn Heer, dat's Pieter; en dat is myn man, die daar zo druk bezig is.

_Ik_. Myne goede vrouw, zo 't u gelegen komt, wilde ik u wel eens spreken.

_Zy_. Als 't je belieft, myn Heer. (_Zy ging met my onder een zwaren Olmenboom op een Bank zitten, die wat van 't huis afstondt_.)

_Ik_. Vrouw, gy hebt, door die jonge Juffrouw in huis te nemen, en veilig in de stad te bezorgen, my een dienst gedaan, dien ik u niet kan belonen; doch ik zal u echter myne erkentenis bewyzen.

_Zy-. Wel, myn Heer! wel, myn Heer! dat is al dubbelt en dubbelt wel: die zoete Juffrouw heeft my vier gouwen Dukaten, en myn Zoon nog een gegeven; dat waarlyk veels te veel was. En wie, al was hy een Heiden of een Turk, zou zo een aller liefst jong mensch niet in huis genomen hebben, in zo een droevige omstandigheid? Wil ik u wat zeggen, myn Heer? al had ik geen rooije duit gekregen, ik zou 't even lief gedaan hebben; ik heb ook kinderen; en hoe bly zou ik zyn, als myne kinderen ook in nood en verlegenheid brave menschen vonden! maar die ondeugende R. zal zyn loon wel krygen.

_Ik_. Gy spreekt wél; gy verdient achting. Maar zou ik dat lieve Klaartje ook niet eens kunnen zien? gy ziet, ik weet van de geheimen.

_Zy_. (_Zy lachte_.) Pieter toe, ga eens even by Kryn-Baas, en vraag, of Klaartje hier niet eens kan komen; maar je moet niets van dezen Heer zeggen. (_Pieter ging op een draf, en in een kwartier kwam hy met Klaartje te rug_.)

_Ik_. Wel, dag schoon kind, ik moet u de groetenis doen van zekere jonge Juffrouw, die zeer verlangt om u eens by haar te zien.

_Klaartje_. Zo, myn Heer; wel, ik zou gaarn eens gekomen zyn, maar ik durfde niet om myn Vader; die moet er niet agterkomen, of 't zou er bedroefd uitzien. 't Heerschap jaagde hem heen', en wat zouden wy dan?

_Ik_. Gy hebt gelyk. (_Onderwyl was Moeder haar Man gaan roepen, die ook nu by ons kwam; een ordentelyk man, dunkt my_).

_Zy_. Zie, myn Heer, ik heb Vader zo eens een woord gezeit, maar hem dunkt ook, dat wy wel zes-dubbelt beloont zyn.

_Hy_. Ja, dat denk ik, en zo ik de zonde niet ontzag, ik zou zo een deugeniet, zo een verleider van jonge meisjes kunnen kloppen, dat hy 't opstaan vergat; dat zou ik! (_en hy zette zyn hoed in de oogen_.)

_Ik_. Hy en zyn soort verdienen niet beter, maar laten wy van wat anders praten: deeze jonge vrienden zyn Vryster en Vryer?

_Pieter_. Ja, myn Heer, met God en met eeren, en ik heb haar ook miserabel lief, ook Klaartje? (_Klaartje kreeg een kleurtje en zweeg_).

_Ik_. En waarom gaat het Huwlyk niet voort?

_Klaartje_. Dat geloof ik, myn Heer, ik heb maar twee-honderd guldens voor Moeders erf, en Albert-Baas kan niet meê geven; de menschen hebben zeven kinders, en men kan zonder geld niets beginnen.

_Ik_. Wel, Albert-Baas, als de jonge lui nu in staat waren om zich te redden, zou het dan wel zyn.

_Hy_. Dubbelt wel, want wy houwen maar elendig veul van Klaartje; ook Wyf?

_Ik_. Wel, kom aan. Zie naar gelegenheid uit, en als je op je slag bent, laat het my dan weten: zie, hier is een beurs, daar genoeg in zal zyn om te beginnen: daar, Moeder doe jy uitdeling, en geef er zo veel van als gy goed vindt: gy zyt allen hupsche menschen.

De vrouw was verstomt, de man keek of hy zei: "droom ik, of waak ik?" en Pieter omhelsde zyn meisje, uitschreeuwende; "nou ben je evel de myne, nou word ik jou man;" en hy kuschte haar, of hy haar wou opeeten. Nou, zei hy, ik ben op dien Heer "niet jaloersch, geef hem een zoen voor zyn goedheid." Zy deedt zo, met een ware eenvoudigheid, die my aandeedt. Na nog wat pratens, ging ik te rug, en kwam maar juist van pas binnen.

Ik twyfel niet, myne Liefde, of gy zult te vreden zyn met myne wyze van doen. ô Wat vindt men schone karakters onder zulke gemene lieden! Laten wy, zo veel wy kunnen, die toch wel doen.

Nu zal myn eerste bezoek by uwe Tante zyn. En dat lieve mensch, 't welk gisteren by u was, moet ik nader leren kennen. Dit is al Christelyke deugd! en hoewel 't gezont oordeel wel eens voor een weinigje te vergetrokken yver schynt te wyken, dit is niets, daar een mening zo oprecht, en het voordeel zo uitgebreit is.

En nu, myne Liefde, bid ik u, dat gy uwen Edeling niet langer laat reikhalzen naar een geluk, dat hy zo vurig wenscht, en dat hy met zo weinig geduld kan afwagten. Myne Zielsbeminde! gy hebt myn koel, al te onverschillig karakter opgevyzelt tot dien graad, die my alle myne zedelyke en machinale verrichtingen met vuur, met deelneming, met vaardigheid en gemaklyk doet uitoeffenen. Liefde voor een waardig Voorwerp, veradelt den Mensch; zy leidt ons daar, daar wy, in al wat goed, wat groot, wat nuttig, wat heilzaam is, voor ons en anderen, komen moeten. 't Wordt middernagt. Ik moet eindigen, om u niet ongehoorzaam te zyn. Wel dan, ik ga slapen. Rust zagt, myne Beste, en ontwaak onder de bescherming des Algoeden. Eeuwig ben ik

Uwen

EDELING.

HONDERD-ZEVEN EN VYFTIGSTE BRIEF.

DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE WILLIS.

_Ge-eerde Vriendin!_

Al heb ik nul op het request gekregen, daarom blyf ik evenwel dezelfde. Hoe, wat? zoudt gy my tegen uw zin nemen? Wel nog mooijer! Neen, Vriendin, ik heb u van harten gevraagt, doch het stond u vry, om my af te wyzen: Nu zal ik al vast als een _niets beduidend oud Vryer_ sterven. Want trouwen zal nu wel agter blyven.

Ik zal echter nog zó veel goeds in de Waereld doen, als ik maar grypen en vangen kan; want zo maar het leven, dat God de Heer my geeft, met geld winnen en boekhouden te verpierewaaijen, dat was nooit te verantwoorden: Me dunkt, dat het er schraaltjes moet uitzien, als een Christen mensch in den Oordeelsdag evel niets kan opnemen, dat zo iets de pyne waart is, zo als onze meeste ryke luidjes toch doen. Neen, ik hoop te kunnen zeggen: "Here! ik ben, en dat is maar niet te ontkennen, een zondig mensch; ik ben maar een oud Vryer; maar ik heb zo veel goeje menschen wel gedaan, als ik maar belopen kon; ik heb kwaaje zoeken wyzer te maken; ik ben niemand ooit hart gevallen, en ik deed dit zo alles, om dat ik uwe geboden lief had, en uit dankbaarheid, om dat ik zo gezegent op de waereld was, alles tot lof Uwer genade, amen;" zo dat, ik wil maar alleen zeggen, dat gy waarde Vriendin, my niet tegen uw zin moet nemen.

Ik ben dan eergisteren by den Heer Helmers geweest; zo als ik tegen u zei, dat ik doen zou. Hy woont daar als een klein Prinsje, hoor! Ik dagt: kom! myn Blesje moet ook eens met baas uit; zie, 't beest is my zo lief als myn Snap, zo als het ook wel merken kan. Daar kwam ik als een hele Sinjeur de Plaats opryen, maakte myn paard aan een boom vast, en ging met Snap naar het huis.

_Ik_. Uw dienaar, myn Heer Helmers! doet Abraham Blankaart u ook belet? maar mooglyk ben ik niet by u bekent, en _onbekent maakt onbemint_.

_Hy_. In persoon ken ik u niet, myn Heer, maar in karakter wel; gy zyt hartlyk welkom; waaraan ben ik dit aangenaam bezoek verpligt?

_Ik_. Dat kan ik u voor de vuist, en met weinige woorden, zeggen. Ik kom uit vryen om uw Vriends Dochter Letje:--maar, kyk zoo niet op, niet voor my.

_Hy_. Ik zal u met genoegen horen.

_Ik_. Hebt gy den Heer Willis gekent? Hy was niet gelukkig in zyne affaire.

_Hy_. Neen, maar ik heb een Vriend gehad; die dit met hem, en even onverdient, was; Letjes Vader.

_Ik_. Nu althans, die man heeft een Vrouw en twee kinderen nagelaten; (_en, toen zei ik zo veel goeds van u, dat ik het niet zeggen mag_.) Zyn zoon is myn gunsteling, een braaf ijvrig Jongeling, by den Heer ---- op 't Kantoor; die hem als een Vader bemint. En nu kwam ik by u, om eens te horen, of gy iets tegen een Huwlyk tusschen deeze Kinderen zoudt hebben? Zyne moeder zal u, zo gy het bewilligt, nader verzoek doen: want zy bemint Letje, en zou graag zien, dat haar Willem het meisje kreeg.

_Hy_. Heeft Letje u niets gezegt van zekeren Brief?

_Ik_. Geen woord. Zy weet ook niet, dat ik naar u toe ben. Zie, ik wou eerst weten, hoe gy er over denkt. Gy zyt haar weldoener, zegt zy.