# Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart

## Part 13

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/historie-van-mejuffrouw-sara-burgerhart-10400/index.md

_Zy_. Dat zal ik u zeggen: myn Vader was druk in den tuin bezig, den helen dag, met de arbeiders, toen de knecht met de Fargon kwam, en hem belastte zyn Heer optewagten, doch niet te laten blyken, dat hy zyn Heer was. Lieve God, dagt ik, daar zal weêr wat agter zitten! want myn Heer is een heel slegt Heer omtrent de meisjes; maar my heeft hy nooit gemoeit, dat moet ik zeggen, en zo zeggen al de meiden ook. Nu althans, ik was in de kamer, toen hy met u in huis kwam, en dewyl ik voor grote lui wat schaamagtig ben, verstak ik my in de naaste kamer in een kleêrkast, daar wel twintig rokken in hangen, de eene nog mooijer als de aâre. Ik dagt, zy zullen wel gaan wandelen, en dan ik gaauw heen lopen, en dan zien zy my niet: zo dat ik alles hoorde. Zie, Juffrouw, ik ben Rooms-Kattelyks, en ik bad onze heilige Moeder Gods om hare bescherming, en ik bad een vyf of zes _Aves_ en _Paters_, zo al in de kast. Wat kon ik doen? zo als gy weet. En toen viel dat met de Paarden voor, en toen ging hy heen, en zo haalde ik u, en verstak u in myn bed. Ik ging voort in den moestuin zo wat wieden, maar ik hield mij maar zo; om dat ik dan bokken kon, en alles afgluren. Het duurde wel een half uur, eer alles in 't stal gedaan was, want de Paarden waren als wilt, en allemaal door de strengen; dat was het maar. Myn Heer ging in zyn huis, en Vader in 't Boerenhuis. Ik geloof, dat hy elderments op zyn neus gekeken heeft, toen hy u niet vondt. Hy kwam in 't Boerenhuis, en vroeg met hele lelyke woorden, waar dit en dat gy heen waart? Myn Vader zei, dat hy dat niet kon weten, om dat hy het zo met de Paarden te doen gehad hadt. Toen vloog hy naar 't Hek, en vondt het open. 't Is gedaan, zei hy: daar is niet op; nu 't is myn verdiende loon, waarom d-r-de ik het Hek niet toe. Hy liep, als een razent mensch, al heen en weêr, en toen hy dat ook moê was, belastte hy myn Vader licht te geven, en hem wat brood en kaas te bezorgen; die deedt dat. Ik was in huis gegaan: Vader vroeg, waar ik geweest was; ik zei, aan 't wieden, en dat ik toen om een praatje geweest was; dat was daar meê wel, hy zei my niets. Wy aten schielyk onze Bry, en hy ging naar bed. Toen kwam ik boven, en hield my stil, tot dat ik hoorde, dat hij wel vast in slaap was. Zie daar, zo is de hele zaak, myn lieve Juffrouw.

Myne blydschap was onbeschryflyk; maar zy verdween schielyk door de gedagten: hoe zal ik nu door de waarde Vrouw voor een bedriegster, een valsch meisje, een ligt jong schepzel gehouden, veracht en verfoeit worden! Wat zal ik doen? Hoe durf ik er weêr heen gaan? Hoe zal men my ontvangen? Wat zal de brave Edeling van my denken? 't Is mooglyk, dat hy reeds by ons geweest is. Zal de deugdzaamste der Vrouwen hem omtrent my misleiden? Wat zal zy kunnen zeggen? En ik had haar zo plegtig belooft, voortaan my geheel door haar te laten leiden. Hoe zal Hartog zich verheugen, indien dit geval ruchtbaar wordt. Kan het verborgen blijven? Heeft my niemand gezien? Maar, 't geen my 't hart doorboort, hoe zal het teder hart myner moederlyke Vriendin lyden! door my lyden!...

Ik was besluiteloos wat te doen. Evenwel, alles al weer overpeinzende, dagt ik, 't is echter de eenige nu openstaande weg. Ik moet dit getuigenis geven van myne onschuld! "Ach," zal ik met eene bevende stem zeggen, "indien ik een slegt Meisje waar, indien ik het oogmerk had om u te misleiden, zou ik dan te rug komen, ook vóór ik weet hoe gy my ontfangen zult?" Terwyl ik in deeze gedagten als verzonken was, zei myn trouwhartig Klaartje, (zo hiet het Boerinnetje,) "Kom, Juffrouw, nou moest je op je kousjes my volgen, en zo stil als 't mooglyk is; ik heb onze deur efkes aan laten staan." Ik deed zo, en zy droeg myn schoenen in haar hand. 't Begon te regenen: de lucht werd onweerig en donker. ô, Dat was niets! Zie daar wy buiten de deur! Het bed van den Tuinman voorby gaande, hoorden wy hem diep en gerust slapen. Ik deed myn schoenen weer aan, en ging met het meisje, agter de Boerdery om, al zwygende, en aan haar hand. Ik werd doornat, en moest wel een half kwartier door 't gras; ik vroeg niets, zelf niet, waar brengt gy my? Toen wy digt by een Warmoezier kwamen, zei zy: "God dank, dat 's zo ver! Hoor, Juffrouw, ik breng je hier by brave menschen: maar ik moet, zo dra ik je daar in huis zie, naar myn Zoldertje: ik moet er op passen, dat ik niet in de kyker raak; 't is een boos kaerel, als hy begint."

Zy tikte aan een glas. "Wie daar?" riep een mans stem.--"Ik, zei 't meisje, doch met een zachte stem, toe laat my in huis; ik ben zo benaauwt."--"Ik kom je by, kind, zei een vrouwe stem;" en zo ging de deur open. "Aaltje Buur, zei 't Boerinnetje, ik breng je hier een jonge Juffrouw, die verdwaalt is, maar zy zal je alles wel zeggen, ik moet voort." Ik kuste haar, en zei haar, waar zy my vinden kon, haar een ducaat in de hand stekende, en biddende, zo dra zy durfde, by my te komen.

De goede Vrouw ging met my in een agtervertrekje, stak licht op, en zag met verbaastheid, dat ik zo wel en kostelyk gekleet was, en Juweelen aan hadt. Ik viel op een stoel neder, en schreide bitterlyk. Zy maakte vuur aan, lei braaf hout op, want ik trilde van koude, en myne kleêren dropen. "Kom, lief jong mensch, zei ze, kom, schik aan 't vuur, en warm en droogje wat, ik zal Koffy koken; maar je bent, of je de koorts op 't lyf hebt." Zy ging met de kaars in 't voorste vertrek, en hadt een glaasje in haar hand, "daar, zei ze, Juffrouw, drink dat uit, ik mag niet zien, zo als je beeft." Ik deed het. Zy kreeg een tafel met kopjes, en, zo dra 't water kookte, dronken wy Koffy. Myn Sak, Rok en Pelise droogde zy, en ik begon door de warmte dermate te verkwikken, dat ik haar eenvoudig, zo kort doenlyk; alles verhaalde. Maar, zei ik, wat moest gy denken, myn goede Vrouw, toen Klaartje aan 't vengster tikte? "Wel, lieve Juffrouw, zei zy, dat beurt wel meer. Als Krynbaas dronken is, (en zins zyn Wyfs dood gebeurt dat maar te dikwyls,) dan raast hy als een bezetene, en jaagt al wat onder zyn bereik is de deur uit. Nu is onze Klaartje de Vryster van myn Zoon Pieter; en zo wy onzen jongen wat by konden zetten, 't zou al een paar zyn, maar 't is een slechte tyd. 't Is een deugd van een meid, en heur Moeder was net allëens. Doch, al boodt myn Heer R. myn man duizend gulden 's jaars, wy zouwen by zo een Dier niet weunen willen. Hy is zo ondeugent, en daar gaat zo veel om op die Plaats! Maar wy moeten zwygen; wy zyn maar gemene lui."

_Ik_. Wat zal je man toch denken van my?

_Zy_. Ik heb hem daar, met een woord, gezeit, dat ik hem morgen ogtend alles zal vertellen, en zei, zie maar weêr in slaap te komen, want by dag moet de man hard werken, voor my en myn vyf kinderen. En onze Pieter past ook zo op; maar daar zyn nog zulke kleintjes onder: zy slapen allemaal hier boven ons hoofd.

_Ik_. Maar zou uw Zoon voor my, met het open gaan van de Poort, niet een Koets kunnen bestellen, die my tegen kwam buiten de stad? want, hoe wel ik het by u heb, myn goede Vrouw, ik verlang zo naar huis.

_Zy_. Heel wel, Juffrouw, als ik denk, dat het tyd is, zal ik hem gaan wekken, zoo als ik altoos doe: jonge lui slapen vast. Goed, zei ik, en wy bleven by 't vuur zitten, en zy praatte zonder ophouden; zo dat de tyd viel my nog korter, dan ik gevreest had. Om drie uuren ging zy Pieter wekken, die, toen hy my zag, vreemt opkeek. "Kind, zei de goede Vrouw, deeze Juffrouw is verdwaalt geraakt: en ik nam haar in huis, toen gy al te bed waart. Ga naar de stad, en haal een Koets, die ten eersten dit heen moet komen; ik zal met haar u tegen wandelen." Bestig, zei Pieter, en ging de deur uit. Die Jongman staat my wel aan, Vrouw, zeide ik. "Ja, God dank, zei ze, 't is een braaf Kind, die wel zo veel "voor zyn moeder doet, als iemand doen kan; en zwygen Juffrouw, daar is geen schrift van." Nu, 't zal hem geen schade zyn, zei ik. Ik deed myn gedroogde kleêren en pelise weêr aan, en zei, daar goede Vrouw, heb je een kleinigheid, tot een bewys van myn erkentenis. (_Ik gaf haar vier Ducaten_.) "Zoo véél geld! zei ze, dat durf ik niet aannemen." O, zei ik, spreek er niet van: ik zal, hoop ik, eens meer voor u doen. Wy gingen toen de deur uit, en kwamen wel dra op den gemenen weg; de Koets kwam, ik bedankte Moeder en Zoon, zei, waar de koetsier my brengen moest, en haalde de gordyntjes voor de glazen.

Nooit kan ik u beschryven, wat er in myn geest, onder het ryden, omging. Nu vreesde ik, nu schrikte ik voor dat zelfde, dat my deeze laatste uuren als myn grootste geluk had toegeschenen;--om thuis te komen! En toen wy nog maar één gragt te ryden hadden, wenschte ik byna, dat wy eenig beletzel kregen, dat den tyd rekte. ô Hoe beefde, hoe trilde ik, toen hy stil hieldt! De klank der schel ging my door de ziel, en, met de handen voor myne oogen, vloog ik onzen goeden knegt voorby, naar myne kamer, zo verwart, en bedroeft, gelyk gy, myne dierbare Vriendinnen, my hebt zien aankomen.

Zie daar een Verhaal, dat ik met de grootste naauwkeurigheid hebbe opgestelt. Hoe gy, na het doorlezen te hebben, over my zult oordelen, moet ik afwagten; en, indien de Heer Edeling by aanhoudenheid my blyft beminnen, moet hy, alëer ik hem voor my kies, dit lezen. Hy moet kunnen zien, wie ik ben, een onvoorzichtig meisje, dat geen kwaad vermoedde, daar zy 't niet zag; en die door haren trek tot vermaken en uitspanningen, zich in een gevaar gebragt heeft, dat op haar bederf konde zyn uitgelopen: een meisje, dat God met tranen dankt voor deeze Ontkoming; en dat voortaan nog meer zich zelf dan anderen zal mistrouwen.

SARA BURGERHART.

Wel nu, broeder, wat zegt gy van zo een Meisje? Moet ik haar nu nog niet meerder achten, en tederder beminnen? Die immers zyne dwaasheden, zo rasch hy die ziet, afkeurt, en zich zelf daar over bestraft, doet alles, wat men eischen kan? Ik heb onder de hand laten vernemen, of de schelm in de stad was; maar 't schynt, dat hy eerst eens wil zien, hoe of 't afloopt. Wy bedekken alles onder een diep stilzwygen. Ik zal voor de brave menschen zorgen, die myn Engel zo getrouw geholpen hebben; maar dit alles mondeling. Ik verlang onuitspreeklyk naar uwe t'huis komst: en hoop, binnen agt dagen, dat geluk te hebben. Vader is zeer vriendlyk, en heeft zelf deernis met my. Hou den braven Blankaart te vriend, Keesje; ik vrees anders, dat gy al zoo veel met Vader zult te doen hebben als ik! Vaarwel, myn Broeder,

T. T.

HENDRIK EDELING.

Noten:

[1] Hier: kunstmatig romantisch. [2] Lambrizeeringen. [3] Toonaard. [4] Duidelijk.

HONDERD-VEERTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed heeft uit Indië _een erfenis gekregen van_ 80.000 gulden van zekeren Jan Bern, zooals blijkt uit de Honderd-een en veertigste brief.

In HONDERD-TWEE EN VEERTIGSTE BRIEF dankt de Wed. Spilgoed.

HONDERD-DRIE EN VEERTIGSTE BRIEF.--Papa Edeling _geeft zijn koppigen tegenstand op_; hij is overtuigd door Blankaart.

HONDERD-VIER EN VEERTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis feliciteert Wed. Spilgoed en in Honderd-vijf en veertigste brief schrijft ze heel lief aan Aletta Brunier, ook over Sara.

HONDERD-ZES EN VEERTIGSTE BRIEF.

DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE WILLIS.

_Ge-eerde Vriendin_!

Nog spyt het my, dat ik zo weinig tyds te Rotterdam gehad heb. Nu, ik heb uw Zoon dan veilig in uwe handen gestelt. Myne oogen liepen over, toen ik zag, welk een Moedergek die Willem is. Wat zyn dat lompe Heiblokken van kerels, die een man uitlachen, als hem eens een losse traan ontvalt! Ik ben nu een man, mag ik spreken, die van een kind af door 't kreupelbosch gejaagt is. Ik heb door menigen zuren appel gebeten, eer ik zulk een man wierd, door den zegen van God, den Heer; zo dat ik maar zeggen wil, dat ik harden[1] geleert heb: En als ik echter daar zo een Goliath van een Luitenant, als een eikenboom, voor my zie staan, en zyn Zoontje, dat hy in geen ront jaar gezien heeft, hem in de armen zie vliegen; zonder dat het hem het minste aandoet; dan denk ik, hoor jy grote Sinjeur, al bulkt gy als een stier, en al blaast gy als een walvisch, jy bent by my, met al dat gesnoeshaan, maar een bange bloodaart. Je zult wel dra in je hangmat kruipen. Wel, wat hagel, moet je dan, om je kop voor 't Land te laten, geen liefde voor je Land hebben? Zal zo een Bulderbast zyn benen onder zyn lyf laten weg schieten, als of het zo maar bywerkje was, en dat voor vreemden? Zal hy dat doen, zeg ik, dien alle de vaderlyke driften in zyn ziel bevroren liggen? Hoor, dat is by my maar uit, _die geen gevoelig hart heeft, kan niet dapper zyn_.

Hoor, Vriendin, als ik u zie, dan denk ik altyd aan Naömi, de Moeder van Ruth, uit den Bybel. _Willems land is uw land, en Willems God is uw God_; zo als er in den Bybel staat. En hy moet maar voortaan in Amsterdam blyven, en eene brave vrouw voor hem zien te krygen. Tusschen ons; ik weet net zyn slag, eene mooije lieve jonge juffrouw; en ik zal hem wel aan 't werkje helpen: 't is een aartig schoon kind. En Tante moet ook haar milde hand maar open doen. Abraham Blankaart zal geen troef verzaken: Och Heer! ik heb gelds genoeg; en alle brave jonge lieden zyn myne kinderen; zo dat, zorg daar niet voor. Hy moet zelf Koopman worden; ik zal zyn Patroon eens, buiten zyn kennis, gaan spreken.

Maar nu moet ik u eens een klugtje verhalen: Daar is Brôer Benjamin met Zuster Slimpslamp met de Noorderzon verhuist, en zy hebben Tantes Geldkistje meegenomen; (wel nu lach ik my tot een Doctor.) Die malle Zanne! Nu, zy heeft maar verdiende loon: zy zou naar my geluisterd hebben; ik zei dikwyls: _Tante, Tante, al dat Bruine goed loopt op je zak; je zult nog eens van den huig geligt worden: laat ik de kit ereis voor u schoonmaken, en al dat Jan Rap wegjagen_; maar dan was ik, (dat Varken!) een godloos mensch, een Saulus, die de Heiligen vervolgde; plaisierige Heiligen! zie je ze daar niet met Heintje pik, in 't huis daar naast?

En dat het hemelsch waar is, dat zal ik u eens gaan uitcyferen. Myn kleine Meid is ziek, zo als gy weet; nu althans, Tante hadt haar een Briefje geschreven, waar in zy schreef, dat zy zodanig bestolen was, en verzogt, of zy haar niet eens zou kunnen spreken, of zy haar alles vergeven wilde, wat zy aan haar misdaan hadt, en of zy by my een goed woord zoude willen doen, met nog meer vyven en zessen. Wat doet myn Sarotje? Wel! dat braaf kind schreef haar aanstonds, dat zy haar alles vergaf; dat zy by my ten besten zou spreken, en Tante komen bezoeken; maar zy krygt daar op zulke koortzen, dat zy niet uit kon gaan. En zo dra ik in de stad kom, en met haar spreek, verzoekt dat lief schepzel my, om toch eens by Tante te willen gaan, en te zien, hoe het toch was. Wat zou ik doen? Abraham Blankaart hadt er wel niet veel trek in, doch het Meisje kreeg er my echter naar toe, en ik begreep, dat ik de ouwe Babbe niet in nood mogt laten. Ik ging er dan heen, met Snap, zo by me. Tante deed zelf open, en ontstelde. Nu, zei ik, wees maar niet ontstelt; uw Nicht heeft my by u gezonden, om dat zy zelf ziek is, en ik kom zien, of ik u helpen kan; en zo ging ik met haar, die huilde en balkte, den gang door, daar ik nog iemand vond, daar ik u dadelyk van zal schryven, zo 't my niet ontschiet, want ik ben zo wat met myn memorie gebruit. Daar hoorde ik toen van A. tot Z. Tante had getracteert; zy hadden Tante, die niets verdragen kan, de hoogte gegeven; en Bregt als een zwyn zo vol gegoten. Toen het ouwe Fatsoen, die zy te bed bragten, en Bregt, die zy op kussens in de keuken gelegt hadden, sliepen, hadden zy den aap geligt; en daar was, zeit Zanne, wel twee derde van haar Capitaal, en al hare Juwelen in. Die malle weêrgaê! zy hadt haar huis op den Nieuwen Dyk verkogt, en wel voor twintig duizend Guldens aan afgeloste Obligatien in Contanten; al dat geld was in Gouden Ryders opgewisselt, en lag in een klein kistje. Dit wisten die Hagels-kinderen, want Zanne hadt met hen overlegt, hoe zy dat geld best zou uitzetten. Hoe vindt gy die, Juffrouw Willis? Met zulk bogt, zulk schuim van volk; die weten veel van geld beleggen! ja, zie, zo zot is dat oud wyf. Had ik t'huis geweest, zie, ik ben nu een man, die myn hond geen bedroefde snoet kan zien zetten; maar of ik dat Paar Vromen ook reis eventjes op het Schavot zou geholpen hebben! Ik zou die bedriegers zo veel _smeert hem Keesje_ hebben laten geven; ik zou er eensjes zo balsemiek hebben laten rossen, dat zy zouden geweten hebben, wat het is _den ouden mensch te kruissigen_; zie ik word zo satans nydig, om dat zulk varkenvolk de bybelsche woorden zo misbruikt.

Maar nu moet ik u eens wat vragen: want zie, Juffrouw Willis, gy zyt toch maar een _Moeder in Israël_. Wat denkt gy? fop ik my zelf, als ik geloof, dat een vrouw van Tantes jaren, die zo een Briefje aan Saartje kan schryven, om vergeving; die aan zo een kleuter verzoekt, om by my een goed woord te doen, by my, die, zo als ik daar ga en sta, ook maar een armen zondaar ben; dat zo een vrouw, laat zy zo fijn zyn als zy wil, geen boos hart kan hebben? 't Is een malle kwezel, en zo gierig als het Graf; maar zy kan zich nog bekêren; en ik zal haar ook al maar helpen; zy zal in haar ouden dag geen gebrek hebben, nog in fatsoen verminderen. Haar lekkere tant zal nog niet eens uitmoeten; want Abraham Blankaart lust ook wel iets, dat goed smaakt. Zo dat ik maar zeggen wil, dat ik niet kan begrijpen, hoe of 't Christelyk of mooglyk is, dat myn kleuter zo pront haar geloof verstaat. Zy vergeeft haar Tante alles van harten, wil haar helpen, haar bezoeken. Och! toen ik dat hoorde, scheurde ik myn kamisool los; zo was ik aangedaan: ik kon haast geen adem scheppen, en ik dankte God, om dat ik de Voogd van zo een meisje mogt zyn.

Maar ik zou my zelf wel uitschelden voor al wat lelyk is, om dat ik vrees, dat Saartje ziek is geworden van droefheid, over een verduivelden Brief, dien ik haar geschreven heb. Zy ziet er zo naar uit: de rozenwangetjes zyn geheel weg! Hoor, zy ziet er regt droevig uit, maar wil het nog zo niet weten, dat goede Meisje. Ja! daar kryg ik heel in Parys een Brief, vol met leugen en laster van Saartje, en van Mevrouw Buigzaam; en dat Saartje zo aansprong, en dat Mevrouw alles toeliet, en nog eene menigte lelyke dingen; zonder naam, moet gy weten. Daar ga ik je, als zo een dolle Hartog, aan 't schryven, dat het nergens naar leek: en nu hoor ik overal, dat Mevrouw Buigzaam de deugd zelf, en myn Sarotje niets onbehoorlyks gedaan heeft. Zie, ik ben zo satans nydig, en zo ik uitvind wie my zo by myn neus gehad heeft, dan zult gy er van horen: konkels zullen er zwaaijen.

Hoe ouwer ik word, hoe meer ik zie, dat men de deugd by de vrouwen moet zoeken. Ja, van die Juffrouw moest ik u nu nog vertellen, die by Tante zat. Zy hiet, zo als ik hoorde, Styntje Doorzicht; zy was heel stemmigjes gekleet; een Samaartje, met spelden-kopjes, op een wit grondje aan; een zedig Kuifmutsje op, daar het bakkesje van een Heiligje uitkeek: net _Moeder Maria_, zo als ik haar in de Paapsche Kerken heb geschildert gezien. Dat lieve mensch sprak zo waaragtig vroom, zy betoonde zo veel eerbied voor God, zo veel liefde tot den Naasten, zy gaf Zanne zulk een goeden raad, zy was zo minzaam, dat ik, met myn armen over elkander geslagen, haar aanhoorde, en dagt: zie daar eenen van die vromen, zo als God maar een om de honderd jaren zendt, om ons te leren, hoe verre wy het evel brengen kunnen, als het ons maar recht ernst is. Zie daar, Juffrouw Willis, nu ben ik een man, die met een Dominé wel eens over een Kapitteltje harwar, maar ik was stom; zo sprak dat brave Styntje Doorzicht. Eindlyk sprak ik eens recht myn hart uit, en ik drukte haar de hand. _Myn Heer, gy zyt een Zoon van den vromen Aartsvader Abraham; gy wandelt voor Gods aangezichte, en zyt oprecht; een vroom Israëliet, in wien geen bedrog is_. Och Juffrouw! zei ik, dat ik het wel meen, dat is waar, maar ik ben van jongs af in veel slommer[2] geweest, ik heb veel gereist en getrokken, en vele Voogdyschappen gehad. Ik zeg dikwyls, Abraham Blankaart, Vriend, jy zult veel vergeving nodig hebben, heb toch veel lief, man! En zo ging ik daar van daan, zo gesticht, of ik in de Kerk geweest was. En zou een mensch geen struiken uit den grond vloeken, als hy bedenkt, dat, om een deel Huichelaars, Benjamins en Slimpslampen, zulke vrome Godvreezende menschen beschimt en versmaat worden. Ik geloof waaragtig, dat als de Apostel Paulus (Paulus is _myn_ man, weetje, en Salomon die van Saartje), als Paulus nu leefde en Styntje Doorzicht gekent hadt, hy haar als zyn wyf zoude omleiden. 't Is nu zo moeilyk niet, moet je weten, om een goed Christen te zyn, als toen de man zei, _dat niet te trouwen beter was_; en ik verzoek Juffrouw Willis, dat gy daar eens op let. Ja, zo eene Styntje zou eene Martelares geworden zyn. Lieve God! wat zullen toch zulke misselyke stoethaspels van mannen, zo als ik er een ben, in den Hemel bedroeft afsteken bij zo een Styntje, by u, by Mevrouw Buigzaam en by Saartjes Moeder! Nu, ik meen myn ziel eens braaf onderhanden te nemen, haar eens terdeeg _mores te leren_: ô, mogt het onder uw oog geschieden; gy verstaat my immers wel! ik wensch nog eens uw man te worden.--Nu--_is het er uit_. Zeg nu wat gy wilt: _'t is er uit_.

Duizend groetenissen van Saartje aan u, en aan uwe Dochter. Willem eet alle middag by my. Ik ben

Uw nederige Dienaar,

ABRAHAM BLANKAART.

Noten:

[1] Hij is "gehard". [2] Beslommeringen.

HONDERD-ZEVEN EN VEERTIGSTE BRIEF.--Hendrik aan Cornelis: hij is in de wolken: _vader heeft_ Sara _aan_ Blankaart gevraagd voor 'm--èn: _de lasterbrief was van_ Cornelia Hartog!--dat komt uit door Rien du Tout.

HONDERD-ACHT EN VEERTIGSTE BRIEF.--Willem Willis _is heusch verliefd op Aletta_; Sara behandelt hem als broer.

HONDERD-NEGEN EN VEERTIGSTE BRIEF.

DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SPILGOED.

_Mevrouw, zeer waarde Vriendin!_

Al waart gy nu, menschlyker wys gesproken, zoo heilig als een Engel; (en dat, geloof ik voor my, zyt gy ook maar;) en al wierdt gy ook van zeven duizend legioenen van Duivelen gelastert, dan zoudt gy evenwel nog wel zekerlyk zo veel van den mensch hebben, als Moeder Eva, vóór zy zo lelyk bedrogen wierdt, hadt: kort gezeit, gy zoudt nog wel wat nieuwsgierig vallen? want vrouwtjes zyn toch niet anders. Ik loop, en draaf, en klungel daar zo alle daag aan uw huis, puur als of ik naar u uit vryën kwam; maar dat is zo niet; zulk een fraaije Dame kan in Abraham Blankaarts pot niet. En 't is of ik nu maar te Amsterdam ben, om myn tyd met manden uit te dragen: om fiolen te laten zorgen. Zo dat ik maar zeggen wil, dat ik alle daag aan uw huis kom, om met u eens alleen te spreken: maar ik heb zo veel te horen, te kyken en te gapen, en zo myn spikkelatie met die drie Nufjes van meisjes, die, de een voor, de andre na, in en uit kwispelen en kissebissen; en dan moet ik er de vreugd in maken, en er zo eens wat meê dollen; en dan zit gy daar als _de Roze van Saron_ in 't midden, sprekende, onderrichtende, goedkeurende, minzaam ziende. ô Mevrouw, ik wou, dat onze Schilder Troost nog leefde; ik liet die groupe schilderen, om er myn Familiestuk van te maken, mits dat ik er ook in mogt, met Snap zo by me. En zie daar! dan is de tyd om; en ik heb zelf vergeten, dat ik om u te spreken gekomen ben.

't Is een regenachtige dag. Ik zei, wel heeft Abraham Blankaart er niet den hooi[1] van, om al weer daar heen te laveren, en myn tyd te vermallen met die Meisjes? Ik zal t'huis blyven, en schryven 't geen ik toch aan Mevrouw niet kan vertellen, en Sarot mag er niets van weten; 't is zulk een olyk platje!

Dat die zuurkyk[2] weg is, is goed: 't is een verdort gemeen stukje, voor een fatsoenlyke Juffrouw; maar ik schrijf niet graag over slegte menschen; ik word dan maar nydig en bedroeft.

