Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart
Part 12
Zie, Mevrouw, dat was my zo aangenaam, zo aangenaam, dat ik het niet zeggen kan. Komt, kinderen, zei ik, zit aan, en weest myne Gasten. Zy aten als rovers; en de wyn, die 't hart verheugt, smaakte zo goed, dat ik myn flesje kraakte. Toen aan 't praten over Oost en West, over negotie, over ik weet niet al waar van. Zie, onze jonge lui weten toch veel meer dan wy; dat is niet anders; en daar ben ik blyd om. Edeling zei, dat hy op zyn vertrek naar Holland stondt. Willem zei ook zo; doch dat hy nog drie dagen moest vertoeven, om aan zyn Patroons order te voldoen. Wel, zei Edeling, dan zal ik naar u wagten. Ja, zei ik zo, jonge lui, ik meen ook te gaan. Daar hadt men 't leven gaande! "dat ik hun toch mede nemen wilde; dat zy toch zo gaarn met my wilden reizen." Wat zou ik doen? Ik ben een ouwe Gek; om die twee jonge vlasbaarden werdt myn reis nu nog drie dagen uitgestelt. Nu, wie weet, hoe wel ik er aan doe? Als 't immers myne kinderen waren, zou ik blyde zyn, dat zy met een ordentlyk man t'huis kwamen; en ook, 't zyn lieve jongens! Edeling is niets dan vreugd en vernuft; en Willem, wel, dat is de beste jongen in heel Amsterdam, zeg ik u.
Toen wy van tafel opstonden, zei ik: "Kom, jongens, nu zullen wy eens hier en daar gaan, en het een en ander gaan zien. Die te Romen is, moet den Paus spreken;" en ik sleepte hen ook braaf door den mostert: Maar wat ben ik nu in myn kragt! Nu hoef ik myn schrale voorraat van Fransch niet benaauwt uit te stallen. Dat koetert, dat koetert; 't is of die Edeling zyn tong voor 't Fransch gemaakt is. Tegen den avond ging ik met hun naar mynent, en zei: "komt, haal je lui je Valiezen maar; ik moet je lui by my houden." Wel, myn hart springt op, als ik een Hollander zie; en geen wonder, myn Snap is net al eens: en dat is nu maar een hond, wil ik spreken; zo dat ik hield hen beide, en dogt; "'t Is een verleidelyke plaats; en als zy by myn zyn, valt er niet op marode[1] te gaan." De beide jongens hebben veel met elkander op; dat is braaf: men weet niet, waar het te pas komt, een mensch zonder vriend is een droevig schepzel. Daar was nu Saartjes Vader, wel die was my zo een waart vriend, dat zyn plaats in myn hart maar niet kan gevult worden. Mooglyk, als wy zo wat oudägtig worden, Mevrouw, wil dat zo goed niet meer. _Alles_, zeit de wyze man, _heeft zyn tyd_. En 't is ook zo; ik ondervind het zelf wel.
Ik meen myn reis op Brussel te nemen, en het heerlyk Brabandsch Quartier nog eens door te trekken; dan gaan wy op Antwerpen, daar ik ook nog iets te doen heb, en denk over Rotterdam naar Amsterdam te komen, om het overschot myner dagen buiten beslommering door te leven, tot dat de Here God Abraham Blankaart in zyn zalig ryk zal opnemen; want dat is toch het voornaamste, en daar by is al ons gedraaf en gewin maar fut. Ik ben nu ruim vyftig jaar, en schoon ik, God dank! zo gezont als een visch ben, en noch van ziekte of podagra weet, zo denk ik, dat het best is om voor de grote reis zo onder de hand wat klarigheid te maken; want men kan toch nooit weten, wanneer het de Dood gelegen komt ons te bezoeken, zo dat het best is om altoos gereet te zyn. Wat zegt gy, Mevrouw? Als ik de stoute Meid maar gelukkig in het fuikje zie, dan is alles wel. Nu, Mevrouw, zo als ik zeg, ik ben knorrig op u. _Men hoort verre, dat de Winter kout is: maar, als de maan vol is, schynt zy overal_. Groet myn meisje, en geloof dat ik van harte ben
Uw misnoegde Vriend,
ABRAHAM BLANKAART.
Noot:
[1] Maraudage, hier "avontuurtjes".
HONDERD-ZEVEN EN DERTIGSTE BRIEF.
DE HEER WILLEM WILLIS AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE WILLIS.
_Tederbeminde Hoogstge-eerde Moeder_!
Ik kan my zelf het genoegen niet onthouden, dat er voor my gelegen is, in u myne gedagten medetedelen, en om u, het geen my, is het van eenig belang, ontmoet, te schryven. Uwen dierbaren Brief heb ik met de oprechtste dankbaarheid en eerbied gelezen. Ik hoop, dat ik u niet ten eenenmale zal hebben te leur gestelt, omtrent uw verlangen nopens de beminnelyke Juffrouw Burgerhart. Het geen my hier is voorgekomen, geeft my, ter bereiking van uw oogmerk, nieuwe vermogens; om dat ik waarlyk zó wensch te doen, als uwe Moederlyke liefde van my vordert.
Toen ik te Parys kwam, was myn eerste werk, om den Heer Blankaart op te zoeken: dit gelukte my, na veel lopens en dravens. Ik vond hem den zelfden man, als ik hem altoos vond. Hy was zeer verheugt my te zien, en heeft, om met my, en nog een Amsterdams Heer, Cornelis Edeling, te kunnen reizen, zyn reis nog drie dagen uitgestelt. Wy logeeren by hem. Hy moet zeer ryk zyn, want hy leeft hier net als in zyn eigen huis. Gy kunt wel denken, lieve Moeder, dat ik voort naar myne Beminde vroeg? 't Was alles wel; zei hy. Des avonds by elkander zittende na dat wy den maaltyd gedaan hebben, zat hy in zyn praatstoel, en vroeg ons, of wy nog geen meisje hadden? Ik zuchtte. Edeling lachte. "Dat zou, zei de jonge Heer, schande zyn voor ons, geen meisje, en drie vier en twintig jaar!"--"Eer heeft uw hart," riep de goede man, en vreef in zyne handen van genoegen. "Nu, Willem, (tegen my,) hoe zit het by u?"--"Hopeloze liefde, myn Heer Blankaart; ik bemin Juffrouw Burgerhart; en ben overtuigt, dat zy myne Vrouw niet worden kan." --"Wel, voor haar dan een ander, die u beter lykt:" hervatte hy.
_Ik_. Daar kan ik niet aan denken.
_Hy_. Nu, 't is nog vroeg in 't Gasthuis; doch op Saartje moet gy geen staat maken. Ik zal voor u ook wel een goeje Vrouw opschommelen, en die voor u veel beter zyn zal; want zie, Willem, al had ik eene eige Dochter, en gy kost er gelukkig meê zyn, ik gaf ze u, met de helft van myn goed er by: ik hou veel van u: en ook, hier, onzen Vriends Broêr verkeert naar haar, en zo zyn Vader my maar niet te veel malens aan den kling maakt, zal ik haar geven: hy is de man, dien zy hebben moet; dat zeggen alle menschen, die hem en haar kennen. Kom, je moet niet bleek worden, Willem; ik zal u óók helpen; jy zult een Vrouw als een geschilderde paerel hebben: laat ik zelf maar te Amsterdam zyn: ik weet zo iets voor u, dunkt my.
_Edeling_. Lieve, goedaartige Heer! mag ik my ook wel in uwe gunst bevelen!
_Hy_. Hoe, moet ik voor u ook zoeken? Neen, neen, dat niet: met Willem is 't wat anders! ik moet hem schadeloos stellen.
_Edeling_. Kom, ik zal alles maar opbiegten, op hoop van eene goede absolutie te krygen: maar laten wy eerst uw gezontheid eens oud vaderlands drinken. (_Wy deden zo, en de Heer Blankaart gloeide van genoegen_.)
Ik heb juist, uit vrees voor myn Vader, die de beste, de eerlykste, maar ook in eenigen opzichte de wonderlykste man is, iets gedaan, dat my, vrees ik, droevig zal opbreken!--Ik ben daar zo maar op myn eigen houtje verlieft gaan worden, toen ik te Leiden studeerde. Het meisje is al, wat men van de Goden zou kunnen wenschen, doch zy, en hare hele familie, schynen niet zeer in de gunst van een zeker mal, blint, capritieus, oud Wyf te staan; en zyn daarom niet meer dan burgerlyk gegoet.
_Blankaart_. En wie is die lelyke Torntoffel? de een of andere kwezel van een Tante, denk ik! (_Hy lachte tegen my, of hy zeggen wou, ik denk aan Tante Hofland_.)
_Edeling_. Och, 't is een elendig wyf; en ze leeft met de menschen, als de Duivel met de takkebossen.
_Hy_. Is 't een Leidsch maakzel?
_Edeling_. Neen; men zegt, dat zy van Amsterdam herkomstig is, en nu durf ik, om dat hagelsche Wyf, er nog minder van kikken! want myn Vader is niet gierig, doch hy zegt altyd, men kan van een mooije tafel niet eeten; en, dewyl hy my op _het advocaten_ bestelt heeft, zal ik voor eerst myn geld wel alleen tellen kunnen.
_Hy_. Maar hoe hiet dat lelyk Vrouwmensch?
_Edeling_. Mejuffrouw _de Fortuin_.
_Hy_. ô Gy Platvisch! daar heb je een ouwe rot in de val; (_en hy schaterde van lachen_.)
_Edeling_. Wou je nu voor my ook een goed woordje spreken by Papa; want het zal vreeslyk op myn land waaijen: en zeker, ik heb alles zo niet bedagt.
_Hy_. Wel, zo 't buiten dat wel is, daar is myn hand, Jongen. Ik zal wel zien, dat je er genadiger afkomt, dan je verdient; zie, 't is uw Vader: en jy hebt niet bon gedaan. (_Hy trok zo een potzig bakkes, dat ik hem niet aan kon zien zonder lachen_.)
_Edeling_. Daar is wat aan, maar hoe zal ik het nu redden? Want myn meisje is al wat ik in de waereld begeer, zo als men zegt: dit is waar, dat ik haar oprecht bemin, en dat zy my lief heeft: zy is wel opgevoet, en van een oud eerlyk geslagt. Zo als ik zei, spreek een woordje voor my, myn lieve Heer Blankaart!
O! hoe beminnen en achten wy deezen dierbaren man! Lieve Moeder, is 't niet jammer, dat de Heer Blankaart geen Vader is van een talrijk huisgezin? Dat zeiden wy ook eens. "Ja, Jongens, zei hy, dat spyt my genoeg, maar alle brave nyvere goede jonge meisjes en jongens zie ik aan voor myne kinderen, daar ik ook wel wat goed voor moet zorgen. Ik zeg altijd, Abraham Blankaart, een eerlyk man heeft altoos erfgenamen, myn Vriend; en terwyl ik leef, doe ik zo veel goed, als ik maar grypen en vangen kan. Kom aan, wat had ik nu aan al myn geld, als ik een Nero, een Niemands-vriend was? En nu, wel ik ben overal welkom. Meisjes, jongens, jonge Vrouwen, kleine springertjes, al dat goed is om my, als of er goud uit my te halen is; en ik ken geen groter waerelds-genoegen, dan bemint en gedacht te zyn van goede menschen: al 't overige is maar waweling."
Groet myne lieve Tante, waarde Zuster, en Vriend Smit, dien ik mondeling hoop te feliciteren, en te bedanken voor zynen Broederlyken Brief.
Ik ben met de tederste hoogachting,
Uw gehoorzame Zoon,
WILLEM WILLIS.
HONDERD-ACHT EN DERTIGSTE BRIEF.--Cornelis Edeling aan Hendrik: hij heeft Blankaart ontmoet; voortreffelijk!--Parijs is heerlijk, _de Franschen zijn sympathiek_.
HONDERD-NEGEN EN DERTIGSTE BRIEF.
DE HEER HENDRIK EDELING AAN DEN HEER CORNELIS EDELING.
_Lieve Broeder_!
Ik ben eenige dagen zeer ongestelt geweest, en heb zelf drie dagen het huis moeten houden. Uw laatsten, uit Parys geschreven, heb ik ook daar op 't oogenblik ontfangen. Ik verheug my over uw kennis met dien waarden man, als ook over de gunstige gedagten, die hy te mywaards voedt: Den heer Willis hoop ik eens met myne byzonderste vriendschap te beschenken, gelijk ik naar de zyne vurig verlang: ik ben voorbereit, om hem hoog te achten, en te beminnen.
Ik zal myn verhaal vervolgen: Zo dra ik het wagen durfde om uittegaan, ging ik naar het Huis van Mevrouw Buigzaam, en werdt van myne Beminde met alle tekenen van heuschheid en vriendschap ontfangen. Zy is wat afgenomen, doch de koortzen houden op; en nu, nu heeft zy eene zagtheid in haar gelaat, die my nog veel meer bekoort.
Zy was alleen t'huis: Mevrouw Buigzaam was met de jonge Juffrouwen naar de Kerk, en Juffrouw Hertog op haar gezelschap. Ik zat by haar, en nam de vryheid van hare hand te nemen, terwyl ik my informeerde nopens haren welstand, en zei, dat ik my veel beter gevoelde, 't geen zy met een zeer merkbaar genoegen hoorde. Deeze gelegenheid, ging ik voort, is te gunstig, dan dat ik die niet zoude gebruiken, om u nogmaal van mijne liefde de sterkste verzekering te doen, ik weet wel, dat de liefde geen vrucht van dwang is; maar ik hoop echter, dat gy my eens met meer onderscheiding zien zult. Mijne liefde is niet romanesq[1]: de hoop alleen is in staat, om my te doen volharden. ô! Dat gy my nog eens beminde; nooit zoudt gy u beklagen, dat gy my den voorrang in uw genegenheid gegeven hadt!
_Zy_. Ben ik wel geschikt, om u zo gelukkig te maken, als gy verdient te zyn? ô Myn Heer Edeling, laat ik, vóór ik een besluit neem, nog eerst myn karakter beter vormen naar dat der Dame, die ik als myne Moeder eerbiedig! Ik ben zo bedagtzaam, zo bedaart, zo bestendig niet, als zy, die uwe liefde verdient, behoort te zyn. Ik vorm my zulke ernstige denkbeelden van het Huwlyk! Ik vrees, dat ik nog niet geschikt ben, om myne bespiegelingen altoos tot betrachtingen te verhogen. Ik wagt den Heer Blankaart binnen weinige dagen; laat ik met hem alles eens overwegen. En gy hebt immers een Vader, myn heer Edeling? (_Ik voelde die zet_!)
_Ik_. Dat is zo: maar kunt gy een oogenblik twyffelen, of myn Vader zich niet vereert zoude achten met zo eene Dochter? Hy zal mooglyk eenige bedenkingen hebben, over het geen de goede man _onderscheid van Religie_ noemt; gy weet, ik behoor tot Lutersche Gemeente, maar de Heer Blankaart en myn Vader zullen dat wel vinden.
_Zy_. Indien dat nodig wordt, twijffel ik daar ook niet aan: wat my betreft, ik zal dit omtrent u zo weinig in aanmerking nemen, als gy omtrent my deedt. Doch het is nog zo ver niet.
_Ik_. Uw Voogd komt (zo schryft myn Broeder my,) met den Heer Willis en met hem t'huis, zij hebben elkander te Parys ontmoet. Hoe aangenaam zullen deeze drie reizigers zyn!
_Zy_. Dan krygen wy elk een Broeder t'huis? want Willis is myn Broeder; als gy hem kent, zult gy myne keuze billyken.
_Ik_. Dat doe ik nu reeds: ik ken Willis.
De Kerk ging uit, en wy veranderden van discours. Mevrouw Buigzaam en de beide Dames waren verheugt, my zo veel beter te zien. Ik bleef er dien gehelen avond tot tien uuren, want Mevrouw deedt ons de eere aan om te spelen. Nooit hoorde ik zulk een zielen-muziek. 't Is meer dan kunst! Ik hoop, dat gy 't eens zult horen.
Zy nam occasie, om my alleen te spreken, en zei: "daar, myn Heer Edeling, lees dit geschrift; dan zult gy eerst uwe beminde Burgerhart recht kennen: zy weet niet, dat er u iets van bekent is. Hou dit in 't oog." Ik lei het Papier in myn brieventas; en afscheid genomen hebbende, spoedde ik naar huis om te lezen. Ik at niet, maar ging, Vader gegroet hebbende, naar myne kamer. Lees, en dan zult gy kunnen bezeffen, wat in myn hart, onder het lezen, is omgegaan! Ik heb het voor u gecopiëert, doch moet het te rug hebben, zonder dat gy er iets uittrekt.--Hier op vertrouwende, geef ik u het
VERHAAL.
_Dierbaarste Vriendinnen_!
Ik begin dan aan een Verhaal, dat my onmooglyk is mondeling te doen; ik schryf dus. Geloof heilig, dat ik het onder het zegel der waarheid schryve: ô, hoe ben ik in myne eigen oogen gedaalt! Waarom heb ik niet meer acht gegeven op my zelf; op hen, met wie ik omging; op den raad myner Willis, en op den uwen, ô beste der Vrouwen! Ik zal boete doen: ik zal myne dwaasheid afwisselen, tegen de volkomenste geleidelykheid aan uwe vermaningen; ik zal my zelf zo ver zien opteheffen, dat uwe vermaningen in goedkeuringen zullen veranderen. En, zo dikwyls als ik eene te grote zucht voor uitspanningen voel, zal ik in myn Kabinetje gaan, en dit geschrift, ter myner beschaming, lezen. Laat ik beginnen:
Ik ging met den Deugniet, gelyk gy weet, in den _Hortus Medicus_, vast voornemende, om nooit weêr met hem uittegaan; en echter hy was dezelfde beschaafde, aangename, fatsoenlyke man omtrent my. Hy liet my in den _Hortus_ alles zien; leidde my veel uit van 't geen ik zag; en ziende, dat ik zulk een groot vermaak vond in dit alles te zien, stelde hy my voor, of ik ook plaizier had, om eene zeer fraaije Plaats te zien, van een zyner Vrienden; de Heer en Dame, zei hy, zyn wel niet Buiten, maar dat zegt niets, men weigert nooit een fatsoenlyk man om die te zien; er is zeer veel uitheemsch gebloemt. Ik, die in dit voorstel niets ontwaarde, dan genenenheid om my te verpligten, stond dit geredelyk toe. Wy gingen des vry spoedig uit den _Hortus_, de Plantage door, de Muider-Poort uit. Nooit had ik zo veel geest, zo veel vrolykheid, zo veel levendigs in hem bespeurt, 't Sloeg vyf uuren, zo als wy buiten waren. "Is 't ver?" vroeg ik. "ô! Wy zullen er binnen 't half uur zyn, als wy wat aantreden." Ik deed zo, en 't was bykans zes, toen wy voor een laan stil hielden, die op een zeer fraai huis liep. Het Hek stondt aan. Hy ging de Plaats met my op, en den Tuinbaas ontmoetende, vroeg hy, is myn Heer of Mevrouw t'huis, "neen, was 't antwoord, maar dat is het zelfde." "Wilt gy het huis niet eens zien?" (tegen my.) "Ja, maar ik zie liever bloemhoven, dan lambrissementen[2]." Wy traden in 't huis.
_Hy_. (_tegen den Tuinman_.) Deeze Dame heeft geen thee gedronken; hebt gy ook kokent Water? Toe, jongen, brengt het schielyk, met het geen er by hoort; gy weet uw Heer en ik zyn Vrienden. (_De Kerel ging heen; ik had geen zin aan hem, hy hadt een lelyken uitkyk_.)
_Ik_. Gy doet te veel moeite, myn Heer, als ik maar een glas bier mogt!
_Hy_. Ik geef nooit bier, als de meisjes warm gegaan zyn, en dan stil zitten.
_Ik_. Wel, laten wy wandelen.
_Hy_. Eerst wat uitrusten. (_De Tuinman bragt theegoed, wij dronken spoedig een kopje_.)
_Ik_. Kom, nu de bloemen gaan zien; het wordt al tyd.
(_Hy stondt op, en met eene houding, die my verbaasde, zeide hy, dat hy my beminde, dat hy smoorlyk op my verlieft was; en dat hy niet twyffelde, of dit had ik wel gezien; hier aan schreef hy ook de goedheid toe, die ik had gehad, om met hem te gaan, dewyl men daar in huis zo gegeneert was. Yder woord ontstelde en vertoornde my: ik zei_: Gy beledigt my ten hoogsten. Nooit heb ik iets, zelf schaduwachtig, gedagt van 't geen gy zegt; en zo ik het gedagt had, geloof my, dat ik niet met u zou gegaan zyn. (_Hy lachte, en wilde my kusschen_.) Hou af, zei ik; gy railleert te sterk.
_Hy_. Hoe, neemt gy het dus op? dan bedriegt gy u; want (_en hy zwoer een duren eed_,) het is my ernst; ik bemin u: gy zult de myne zyn; (_al weder naar my toe dringende_.)
_Ik_. Hou u gerust! Gy bedriegt u, zie ik, omtrent my: zo gy my beminde, zoudt gy my dus niet kunnen vernederen: Laat my gaan, ik wil hier niet langer blyven.
_Hy_. Laat my gaan; ik wil hier niet langer blyven! ô, Zo spreekt men niet tegen een man, als ik ben; en dat op zyn eigen Plaats. (_Ik bestorf als myn linnen_.) Zie, meisje, al die grote gevoelens zyn by my niets dan meisjes beuzelaryen. Evenwel, gy zyt nog te bekoorlyker, nu gy zo een fraai rolletje speelt. Kom, myne Saartje, laten wy gelukkig zyn; de tyd is kostlyk, zo gy ten minsten dwaas genoeg zyt, om naar huis te willen keeren. Myn Fagon is anders al Buiten, de Paarden staan, met de leisels opgeknoopt, op den stal, en in weinige uuren zyn wy ver van hier; want ik waag er myn beste hartdraver aan. (_Hy wilde my weder kusschen_.)
_Ik_. Schelm! Deugniet! Judas!
_Hy_. Al wat gy maar wilt, myn Engeltje, mits dat gy my gelukkig maakt. (_Hoe ik te moede was, kunt gy eenigzins opmaken, maar ik hield my moedig_.)
_Ik_. Ik ben, zie ik, in uwe magt; maar veel eerder dan uwe verfoeilyke oogmerken te beantwoorden, zal ik het uiterste wagen; ik zal gerugt maken, zo gy de deur niet open doet.
_Hy_. Ik doe geen deur open, en of gy gerugt maakt of niet, het zal niets helpen; niemand hoort u. Kom, gy hebt u genoeg verweert. Zelden had ik zo veel werk met myne Lievertjes. Gy hebt gestreden voor uw harssenschim; dien lof geef ik u; maar nu eisch ik uwe overgave. (_Ik werd woedent en was door de sterke aandoeningen op 't punt van te bezwymen; de vrees zelf gaf my kragten. Ik wilde een raam open schuiven_.)
_Hy_. Neen, Kindje, daar is voor gezorgt; ik hou om de dood niet van buren-gerugt. (_Hy werdt, dagt my, kwaadaartig over zyne te leurstelling! ô Myne Vriendinnen, heb ik my zelf dan iets te wyten, gaf ik aanleiding; immers niet met myn weten_?)
_Hy_. Zie zo, 't wordt mooi laat; nu, ik heb zeer goed Logement voor u; en ik hoop, dat ik u den tyd aangenaam zal verdryven.
_Ik_. Laat my gaan; 't is nog niet te laat, om in de stad te komen. (_Hy lachte_.)
_Hy_. Ziet gy my voor zo een verd... gek aan, dat ik, een prooi onder myn bereik hebbende, die zal laten weg vliegen?
_Ik_. Zo ik iets op u vermag, zo gy eenige menschelyke gevoelens hebt voor een meisje, dat u nooit beledigde; dat nooit het minste oogmerk omtrent u hadt; dat u voor een vriend, voor een eerlyk man hieldt, laat my gaan, en ik zal u alles vergeven. (_Ik schreide bitterlyk_.)
_Hy_. Speel vry denzelfden zang, uit eenen andren sleutel[3]; ik hoor gaarne _Variantes_, en gy zyt uw onderwerp magtig.
_Ik_. ô Myn Heer, bespot my niet! God weet, in welk een dodelyken angst ik ben; ô myne waarde moederlyke Vriendin! ô myn Voogd, wat heb ik gedaan?
_Hy_. Wat? wel, gy zyt vry willig medegegaan met een man, die smoorlyk op u verlieft is, en die u tot zyne _Sultane Favorite_ hoopt te maken. Want zie, mooi Meisje, ik wend niet voor u te trouwen, ik wil u niet bedriegen, elk moet zyn rang bewaren. (_Ik zeeg op een stoel neder, en ik geloof, dat ik op dat oogenblik in staat zou geweest zyn, om hem een mes in zyn schurkagtig hart te drukken: zulk tergen maakte my zinneloos. Hy liet my eenige minuten aan my zelf over; maar wat er toen in myn geest omging, weet ik niet! Hy naderde my weder_.)
_Ik_. Deugeniet, lieve goede menschen ... ô God! hoort my niemand! (_Hy nam my op, maar zweeg; doch al myne kragten zich, machinaal, verzamelende, stootte ik hem van my af; hy beet op zyne lippen en vloekte_). Toen smeekte ik hem weder, dat hy my gaan liet.
_Hy_. Ja, op de Fargon. (_Ik bedagt my_.)
_Ik_. Kom aan, als het toch zyn moet.
_Hy_. Neen, Meisje, ik versta u. Hier moet gy blyven, geen kuren by den weg. Ik had gemeent, dat gij goedwillig met my zoudt gegaan zyn, doch nu is die voorzorg onnodig.
_Ik_. Vrees voor de gevolgen; gy zyt niet boven de wetten. (_Hy lachte hartlyk_.)
_Hy_. Zou ik niet, Liefde? Weet gy wel, dat de Rechter geen notitie neemt van zo een galanterietje? Kan het my schelen, waar ik ben, denkt gy? Hadt ik kunnen vermoeden, dat gy my zo veel moeite zoudt gemaakt hebben, ik had het wel anders overleit. (_En toen drukte hy my zo sterk aan de hand, dat hy my zeer deed. Ik beefde zodanig, dat hy zelf deinsde. 't Werdt schemer-avond, en myn dodelyke angst nam alle oogenblikken toe_.)
_Ik_. Tyger en geen mensch! Kunt gy my in zulk eene benauwtheid zien; wat recht hebt gy op my?
_Hy_. Dat recht, dat yder Ligtmis van myn rang op zo veel meisjes heeft, als hy goedvindt in zyn Serail te plaatsen. Of wilt gy, (_en hy tradt naar my toe_), dat recht, dat de sterkere heeft over de zwakke. (_Ik viel voor hem neder, ik smeekte, ik weende, ik geloof zelf, dat ik hem myn waarde R. noemde_).
Ik had al reeds een groot geweld in den stal gehoort, maar 't scheen, dat hy er geen acht op gaf. Eindlyk kwam de Tuinbaas in den gang lopen, en riep: Myn Heer, de Paarden zyn met hunne poten in de leiseelen geraakt; en ik kan het niet meester worden: wat moet ik doen: Hy riep, (met een vloek,) _u gaan ophangen, voor ik u den hals breek_. De Kerel ging weêr heen, en zei, dat, zo myn Heer de hand niet wilde lenen, hy zyn Paarden kwyt was. Razent en scheldent ging hy heen, en stiet my van de deur weg, die hy toesloot. Naauwlyks was hy weg, of er ging een deur in het vertrek zagtjes open, en daar kwam een Boerenmeisje, die my, zonder iets te zeggen, wenkte om optestaan. Ik deed het aanstonds. Zy sloop met my uit het huis, en verstak my in haar bed op een zoldertje, dat zy wel ter deeg sloot. Ik wist niet, of ik droomde, dan of ik wakker was; ik wist niet, of 't bedrog of hulp was: alles was even onbekent. Het werdt duister; en niemand kwam by my.
Eindelyk hoorde ik beneden lieden spreken; myn bloed stolde in myne aderen, en ik weet niet, of ik lang in onmagt was. Doch 's middernagts ging de deur open, en het meisje bragt my een groot glas melk met water, my wyzende niet te spreken. Zy sloot de deur weêr toe, en, dewyl de maan opkwam, zag ik haar zeer onderscheiden[4]. "Nu slaapt myn Vader, zei zy, hoor hem eens ronken!" Wie zyt gy, myn goed meisje? zei ik.
_Zy_. Ik ben des Tuinmans Dochter, lieve Juffrouw, weest niet ongerust! ik zal u helpen.
_Ik_. Laat ik u omhelzen, gy zyt myn Redster. O, gy zult wel beloond worden! en als gy wilt, kunt gy altoos by my blyven; maar door welk geluk hebt gy my dus verre geret?