Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart

Part 11

Chapter 11 4,216 words Public domain Markdown

_Juffrouw Buigzaam_. Niets anders.... Maar my dunkt, dat gy niet zeer geschikt zyt, om thans onaangename waarheden te horen; en ik beken, dat ik geen recht heb om u die te zeggen, ten zy de vriendschap my dat recht geeft. Willen wy de zaak daar laten?

_Ik_. Zo als gy verkiest: niemand hoort gaarne onaangename waarheden; 't is des geen mirakel, dat ik er niet veel smaak in heb. (_Zy zag my zeer bedaart, doch niet minzaam, aan_.)

_Juffrouw Buigzaam_. O myn kind, speel niet met uw eigen geluk! (_Dit woord brak myn trotschheid; ik rees op, omhelsde haar, schreide aan haar hals; zy kuschte myne gloeijende wang, trok een stoel naast den haren, en zei_:) Zit, myne Liefde; waarlyk, ik meen het wel met u. --(_Ik kon niet spreken, ik snikte_.) Zy ging voort: De Voorzienigheid, die alles in de zedelyke en natuurlyke waereld bestuurt, die altoos voor alle hare schepzelen het beste beöogt, heeft u, tegen uw uitzicht aan, by my gebragt. Dat ik u lief kreeg, was zeer natuurlyk; dat gy my met achting behandelde, ingelyks. Ik leerde u kennen, ik zag, dat gy een voortreffelyk jong mensch waart; en dat, zo gy altoos uw schrander oordeel volgde, zo gy altoos[3] in goede handen vielt, vooral, zo gy de vrouw wierdt van een achtingwaardig, u beminnent man, gy een voorbeeld in het huisselyk leven zoudt kunnen worden, om dat gy u dan zoudt verheffen boven uwe sterke neigingen tot zulke vermaken, die nooit onze pligten moeten uit den weg stoten, of zy worden hoogst afkeurelyk. Geen meisje van zulk een edelen geest doet ook iets uit dwang: en mogelyk zou ik, indien dit het eenige goede middel voor u ware, uit alle vrouwen minst geschikt zyn, om u nuttig te zyn.

Gy krygt gelegenheid om eene party te doen, die zelf uwe zalige Ouders, (zyn zy nu nog vatbaar voor aandoeningen, die uit deeze beneden waereld ontstaan; iets, dat my zo voorkomt,) moet verheugen. Elk, die belang in u neemt, wenscht, dat gy toch moogt besluiten, om u van dat geluk te verzekeren. De man, zo beminlyk, zo edel denkent, en zo volmaakt geschikt voor u, als gy voor hem zyt. Wat doet gy? Dat gy hem nog niet genoeg bemint, om hem u zelf te geven, daar op is niets te zeggen: maar gy geeft u dermate toe in uitspanningen, die in 't oog vallen, dat de Waereld niet nalaat, om u zó aftebeelden, als gy nooit worden kunt: men houdt u voor _Coquet_, voor _une Dame du Ton_; voor een Meisje, dat zich, in alle hare daden, geen ander oogmerk voorstelt dan Divertissement. Kan ik, die u als myne eigen Dochter bemin, dit zien, zonder op u misnoegt, en over uw gedrag zelf bedroeft te zyn? Gy weet, Liefde, dat ik geen behagen heb in den Heer R.; ook niet, (dit volgt er uit,) dat gy met hem uitgaat. Ik kan, dat is waar, u wel geen reden geven van deeze ongunstige aandoening; doch gy weet echter, dat gy my veel genoegen zoudt aandoen, indien gy deeze, u onschadelyke, opvatting in acht geliefde te nemen: dat doet gy niet; en nog deezen namiddag geeft gy weêr uw woord.

_Ik._ Hadt gy my maar één woord gezegt!

_Juffrouw Buigzaam._ Wanneer moest ik u dit ééne woord gezegt hebben? Vóór de zaak gebeurde? gy waart niet zo gehumeurt als voortyds; gy hadt iets, dat u trof; en ik was de Confidente niet. ô Liefde! niets ontglipt my van u; ik moet voor u zorgen, myne genegenheid gebiedt het my, al zo zeer als myn pligt.

_Ik._ Ik heb vyanden: ik word gelastert.

_Juffrouw Buigzaam._ Dat kan niet anders: en zo gy voortgaat, met hen stof te verschaffen, zullen zy u nog anders kwellen. Maar, (om ons discours te vervolgen,) toen het voorstel geschiedde? Ei lieve, wat recht heb ik, om u in gezelschap te behandelen of gy myne mindere waart, aan wie ik alles mag zeggen? om, met één woord, als uwe Gouvernante te handelen? Ik denk, dat dit u óók maar matigjes zou hebben aangestaan.

_Ik._ Wel, wat kwaad is er dan in, dat ik met een fatsoenlyk man den _Hortus Medicus_ ga zien?

_Juffrouw Buigzaam._ Net zo veel kwaad, als of gy u door Frits naar de kerk liet brengen. Van het kwade spreken wy ook niet: al, wat dien naam verdient, is beneden u; dat weet ik zeer zeker: maar zo gy waarlyk myne Dochter waart, dan zou ik u, al wat u geen goed gerucht door uwe vyanden kon geven, u volstrekt verbieden: _Het heeft immers zulk een haast niet, zoude ik zeggen myn Heer; myne Dochter zal, met haar Voogd Blankaart, die haar dit belooft heeft, den een of andren dag dat vermaakje wel eens nemen._ Gy waart ook buitengemeen vriendelyk tegen hem.

_Ik._ Hy wordt, buiten zyn weten, om mynent wil beledigt; en dat valt my te zwaar, om hem, ook buiten zyn weten, daar geene vergoeding voor te doen: doch, zo uw mishagen gegront is, wel, gy zyt meestresse van uw huis; wagt hem nooit meer af.

_Juffrouw Buigzaam._ Ik wagt hem nooit af. Hy is een fatsoenlyk man, ik kan my, op zo eene directe wys, van myn recht als Meestresse ook nog al zo niet bedienen: maar indien gy, ten zynen opzichte, minder gemeenzaam waart; indien gy, als hy inkwam, opstondt, onder het een of ander voorwendzel, en voornam, altoos te bedanken voor alle zyne aanbiedingen, dan zou de Heer R. wel dra verdwynen, en ons geen verschilstoffe aan de hand geven.

_Ik._ Daar toe heb ik geen reden; en dewyl ik hem niet anders ken dan voor een fatsoenlyk, aangenaam man, die zich een eere maakt in my plaisier te doen, kan ik daar niet toe besluiten: indien ik den Heer Edeling beminde, indien ik hem eenige hoop gaf op myne bezitting, dan was het eene andere zaak; en ik zou dan juist doen, zo als gy nu van my eischt, dat ik doe.

_Juffrouw Buigzaam._ Ik eisch het niet van u; uw eigen geluk, uwe achting voor u zelf, uwe achting voor den Heer Edeling, eischen dit. _Ik_ heb niets te eischen: al wat ik doen kan, is u ten besten raden, en dat doe ik waarlyk: gave de Hemel, dat myne zorg voor u geheel nodeloos was! want, hoe het ook ware, uw ongeluk zou myn hart doen bloeden. Ik bemin u, myn kind: ik zie zo veel goeds in u; uwe dwaasheden zelf groeijen op den besten grond. (_Ik weende._)

_Ik._ Dierbare Vrouw! vergeef my deeze eene reis myne verkeerde losse toegeventheid! Nooit, nooit zal ik weêr bedroeven, gy zult alle myne daaden en gedagten regelen; ik zal den Heer Edeling recht doen. Ik heb dit alles zo niet beschouwt, ô! Wat zou ik ongelukkig zyn, zo ik u verloor! Dat zie ik meer en meer; maar ik zal alles vergoeden; ik zal met u, en met Letje huisselyk leven; wy zullen niet dan met Edeling, of haar Broêr, nu en dan eens een uitvlugtje nemen; als gy 't zelf goed vindt, anders niet. Zie daar, ik geef my, ter myner verbetering, geheel aan u over! (_Zy drukte my aan haaren boezem_.)

_Juffrouw Buigzaam_. Myn eigen lief kind! alles is nu wel, alles is afgedaan; ik weet, dat gy het oprechtste meisje van de waereld zyt; en dat gy ook doen zult, méér nog dan gy my belooft.

Na nog wat zittens en minzaam samenpratens, vroeg zy my, of wy wat wilden gaan musiceeren? ô Zeer gaarn, zei ik. Zy droogde, met haar eigen zakdoek, een traantje of vier af, kuschte my; haalde myn Voile wat neêr, op dat niemand myn beschreit gelaat zien zou, (denk ik,) en wy gingen elk voor 't Clavier. Nooit speelde zy zo verrukkelyk; al hare tonen stemden met myn ziel, en zy zong haar favorite Air:

_Ah! que l'amour est chose jolie_!

zo heerlyk, dat myne vingers stil stonden. Vervolgens spraken wy van den Heer Edeling, en over zyne t'huiskomst. Hebt gy hem, vroeg zy, eenig gunstig onthaal toegeschikt?

_Ik_. Wel, ik verlang waarlyk, dat hy hier is; ik weet het niet, maar er [is] iets zo ledigs, nu hy hier niet is: dunkt u dat ook niet? me dunkt, dat Letje en hy zo recht by ons behoren. Ik wist niet, dat ik zó over hem denken zou, nu hy hier niet is; doch 't is echter niet anders. (_Zy glimlachte, en noemde my Engel_.) En vraagt gy nu, "waarom vertrouwde gy haar den Brief van uwen Voogd niet toe?" Om dat ik, zelf voor deeze dierbare Vrouw, niet wil weten, dat zy in dit opzicht het zo wel hadt. Dit is mooglyk verkeert; maar neen: die vernedering is my te smartelyk.

Ik was byzonder stil onder ons soupéetje; Juffrouw Buigzaam insgelyks; beide mooglyk uit verdriet, dat wy verschil gehad hadden. Lotje durfde niet spreken, dan met de Kat, en Hartog hieldt een deftig, styf, peinsagtig air. Wy gingen vroeg naar bed, en nu schryf ik u deezen, om hem by de eerste occasie te verzenden. Nagt Liefde. Kom spoedig by

Uw teder liefhebbende Vriendin

SARA BURGERHART.

P.S. De Brief van myn Voogd sluit ik hier in.

Noten:

[1] Vleiend. [2] Ontstemd. [3] Tenminste.

HONDERD-DRIE EN TWINTIGSTE BRIEF.

DE HEER R. AAN DEN HEER G.

_Vriend Jan!_

Uit is de klugt! de myne--de myne is zy, moet, zal zy zyn. ô! Dat lief Bekje! En hadt gy waarlyk zin om den _Hortus Medicus_ te zien? Nu, Schat, gy zult veel méér zien; of ik verdien voor schelm uit het Regiment Ligtmissen gejaagt te worden. En kon Mevrouw Buigzaam niet om huisselyke zaken? ô Ik heb achting voor _huishoudende Vrouwen_; gy doet wel, schone Weduw!

Bezorg, dat morgen voor den middag myn Fargon en de harddravers, _Kwast_ en _Bles_, gereet zyn, om naar buiten, doch langs een omweg te ryden. Hou u daar van daan: ik heb u niet noodig; zeg alleen aan den Tuinbaas, _dat ik met een meisje kom_, dan weet hy genoeg. Hy moet my niet kennen voor 't nodig is; en dan zal ik hem dat wel beduiden. Hy is een gaauwe Kerel; hy moet maar niet weten, dat deeze Dame geen maitres van my is; want hy babbelt dan maar weêr van zyn conscientie; en, schoon ik op geen hand vol ducaten zie, als ik wellust kopen wil, zo hoef ik hem echter niet te vroeg ryk te maken. Ik zal Buiten zyn tegen vyf uuren, of half zes: de Fargon[1] moet in 't koetshuis, en de Paarden moeten, zo als zy van voor 't rytuig komen, op stal gezet worden. Ik zal de rest wel schikken. Philips moet maar te rug gaan.

Onthou myn orders wel. Daar! daar hebt gy vyftig ducaten, om uw schulden van eer te betalen. Ik ben flaauw van vreugd. Zo een meisje; zo een engel; zo rein als een Kind; zo onkundig van haar gevaar; die niet eens vermoedt, dat ik de Belsebub ben, die het op haar bederf toelegt! want trouwen, Liefstetje, daar kan ik niet aan doen. Zie; zo praat ik al in en met my zelf.

R.

Noot:

[1] Fourgon? Hier: gesloten wagen.

HONDERD-VIER EN TWINTIGSTE BRIEF.--Zuzanna Hofland aan Sara: Benjamin en Slimpslamp _zijn er met bijna al haar geld van door_! Ze vraagt vergiffenis aan Sara en voorspraak bij Blankaart.

HONDERD-VIJF EN TWINTIGSTE BRIEF.--Sara _vergeeft alles en belooft voorspraak_. Zal zelf komen.

HONDERD-ZES EN TWINTIGSTE BRIEF.--Hendrik aan Cornelis: Saartje is zoek! _Ze is met_ R. _uitgegaan en niet teruggekeerd_. Ze wachtten op haar den dag, den nacht, in doodelijke spanning; eindelijk, _om vijf uur, daar is_ Sara. O, o!--die vreeselijke R! Gelukkig Saartje _is ongedeerd gebleven maar heelemaal overstuur_. Hendrik is er zelf ziek van!

HONDERD-ZEVEN EN TWINTIGSTE BRIEF.

MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW STYNTJE DOORZICHT.

_Lieve Vriendinne!_

Ik ben te beschaamt, om je onder de oogen te komen, daarom schryf ik u deezen Brief. Och! ik ben een verloren menschje! Had ik toch naar je gehoort; maar, wat zal ik zeggen? Ik geloof, dat myne zonden my alle deeze elenden hebben op myn hoofd gehaald, och ja! Ik was recht toornigjes op u, toen gy laatst by my waart: want ik meende, dat je zo niet tot het diepste van ons wegje waart doorgekropen; dat het allegaar zoo maar stukwerk was, om dat je zo weinig zin hadt aan Broeder Benjamin. Wat heb ik my voor den Here vernedert, om dat ik eenigen agterdogt omtrent dien Huichelaar plaats gaf! 't is een Belials-kind, een uitgepleisterd graf, van binnen vol stank en doodsbeenderen. En zy is eene Jezabel. Zy heeft my strikken gespannen; zy heeft my op myn droggrond neêrgezet. Zy heeft my wys gemaakt, dat al myne ongerustheid ingevingen des Duivels waren. Zy is eene Architofellinne, die my nog voor agt dagen zo een goddelozen raad gaf, met opzicht tot myn Nichtje Burgerhart. Maar de Here liet zyn schepzeltje niet los: en toen schreef zy my een Briefje van berouw, in zulk een gezalfden styl, Styntje! zy kermde daar in, dat zy nu twee dagen en drie uuren in 's Duivels magt geweest was. O, 't was zo een dierbaar Briefje! En toen was het, dat zy tegen den Hypocryt zei, _kom, laten wij een graf graven, ende Zanneke daar in werpen_; want zy liet my belet vragen; zy hadt zalving voor haar verbryzelt herte nodig, en Broeder zou dan, nu des Heren yver hem vervulde, eens regt zielnadereade en gemoedelyk oeffenen. Wat stelde ik my een gezegent dagje voor! ja, Styntje, ik liet het gemeste kalfje slagten, en de zegeningen der linkerhand werden niet gespaart. Och, ik ben toch altoos zo een Kruipertje op het genadenwegje, en was zeer gesticht. Benjamin was eerst een regte Boanerges, en toen een Zone der vertroosting; en Slimslamp was geheel in een afgezakten staat; doch daarna geheel heilige vreugde, zo zei dat Ezeltje. Ik merk, zei de goddeloze man, dat hier van avond een byzondere zegen over het werk van myn dienst is. Uw huis is een Bethel, Zuster, een Nieuwkerk, laten wy dan blyde zyn: drink, Vriendinnetje, je bent al te bedroeft geweest en je leven is den Sionieten dierbaar. Nu moet je weten, Styntje, dat ik niets verdragen kan; myn hoofdje is zo zwakjes, zo zwakjes: och ja! en toen raadden zy my wat te gaan liggen, en dat deed ik. ô Wat bezorgden zy my! maar ik was danig bedwelmt.--'s Ogtends ontwaakte ik vry wel, maar ik was toch bezwaart, om dat ik onder zo vele stichting my door het schepzeltje had laten vangen. Bregt was ook ziek, zei ze. 't Was laat, toen wy opstonden; zy was stom dronken geweest. Daar ga ik in myn binnenkamer, en zie myn Geldkoffertje niet, daar het plagt te staan: "Bregtje, riep ik, heb jy 't Kistje verzet?" "Och neen, zei ze, is 't weg? en ook 't zou my wat zwaar zyn alleen." Want Styntje, ik had veel contant geld van afgeloste Obligatiën, en een Huis, dat ik verkogt had, en myne Juwelen lagen er ook allegaar in; en daar hing zo een groen kleedje over; och ja, Styntje, Bregt vertelde my toen, dat Keetje haar wyn hadt ingedrongen, (maar dat zei ze ook eens van myn Nichtje,) en dat zy haar toen in de keuken op kussens hadden neêrgelegt; meer wist zy niet te zeggen. Nog dogt ik geen kwaat van die Hellewigten. Och, dagt ik, Bregt zal de deur hebben open gelaten, en 't Kistje zal gestolen zyn! Ik zond een kruijer naar Benjamins kamer, en naar die van Kee; maar de Buren zeiden, dat de Kamers leeg waren, dat zy voor een dag of agt wel meubeltjes hadden zien wegbrengen, maar wisten niet waarhenen. Ik ging voort naar Domine P., die my raadde het in de Courant te zetten, en zo te zien, dat zy in handen der Justitie kwamen, dat zal ik doen. Nu ben ik wel twee derde deel van myn goedje kwyt. En al myn Nichtjes goed hebben zy laten staan. Bregt, nu zy weet, dat ik arm ben, bejegent my vreselyk en vreselyk. Nu zal dat jonge dartele Saartje lachen, en my bespotten; en de Heer Blankaart, haar Voogd, komt ook t'huis. 't Water is aan de lippen. Ja, dien man heb ik ook zo belastert; och ja!

Hy heeft het wel gezeit! Zanneke, zei hy, dat volk loopt op je zak, ze bedriegen je. Jy bent een regte Saulus, zei ik dan. En wat gaf Benjamin niet voor, dat hy zo eene innerlyke dingsigheid voor my hadt: hy was jong, moet je weten; hy hoopte, dat wy nog eens tot éénen vleesche zouden worden, wy die twee waren van natuur. Wel heden, Styntje, het er niet een heel praatje gegaan, dat ik één jok met den Broeder zou aantrekken; en heeft de Heer Blankaart, heel in dat Paapsche Vrankryk, er zich niet mede bemoeit? Als ik zo alles nadenk, zou ik myn gryze hair wel uit men hoofd scheuren. Myn geld, myn kostelyke geldje is weg, ik ben bedrogen. Och! wat ben ik een droevig sukkeltje! En hoe zal myn Nicht nu tot opspringens toe blyde zyn! Nu zal zy zeggen, straft onze lieve Heer myn Tante, die my zo kwalyk bejegent heeft. Zie, ik moest je dat zo allegaar eens schryven. Schryf een lettertje aan

Uwe elendige Zusje,

ZUZANNA HOFLAND.

[Illustratie: ha! da's een kereltje! zei hij! Illustratie van C. Bogerts naar teekening van J. Buys in de 1e uitgave van 1782.]

HONDERD-ACHT EN TWINTIGSTE BRIEF.

MEJUFFROUW STYNTJE DOORZICHT AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND.

_Vriendinne Hofland!_

Ik weet nog niet, of ik my over uw geval bedroeven of verblyden moet: maar ik ben zeer neêrslagtig, als ik zie, dat er zulke goddeloze menschen in de Waereld zyn, die, _onder den dekmantel der Godzaligheid_, erger doen dan zy, die niet leven onder de indrukken van Dood en Eeuwigheid. Gy zyt dan het slagtoffer hunner geveinstheid en godloosheid! Wat zal ik zeggen! De wegen des Heren zyn onnaarspeurbaar, en de middelen, die hy aanwendt, om verdoolde schapen tot de regte Kooi weêr te brengen, aanbiddelyk. Ik verheug my, dat de Here u zo lief heeft, dat hy u juist ontneemt, daar gy uw hart op gestelt hebt, en waardoor gy altoos in 't goede te rug gehouden wierdt. Ik heb u lang met meêlyden beschouwt, om dat ik zulk schuim van Oefningsvolkje kende.--Ik weet, dat men daar, met oogen vol overspel, en een hart vol boosheid, een vrybrief naar den Hemel krygt; en ik ben in lang voor een openbaar zondig mensch zo bang niet, als voor zulk soort. Wel, zo de Apostel Petrus eens in uwe Oeffening gekomen was, dan zou hy tegen Benjamin ook gezeit hebben: _ô! gy kind der Helle, vol van alle bedrog en godloosheid_, zo als hy tegen Simon den Tovenaar zei.

Ik heb u, daar ik God nog voor dank, gewaarschuwt. Wat zou ik my anders nu bezwaart gevoelen! Maar gy zaagt my aan voor hunne Vyandinne, en ik vond geen ingang tot uw verbystert hart. De Here zelf moest u uwe zonden voor oogen stellen. Gy waart gierig, onrechtvaardig, boosaartig, nydig; gy deedt uw eige Zusters Dochtertje te kort. De gierigheid zou u voor altoos bedorven hebben; want gy waart gerust in uwe ongerechtigheden; men maakte u wys, dat dit uwe Koningszonde was; dat gy zo iets moest hebben, om u laagjes te houden; zo een _Engel Satanas_, die u sloeg. Hoe meer gy afweekt van het kenmerk eens waren discipels des Heren, hoe meer men u wys maakte, dat _gy by Jezus waart_.

Om u tot bekering te brengen, ontneemt de Here u dat goed, en wel door uwe geveinsde Vrienden. Gy hadt met Gods oude Volk twee ongerechtigheden begaan. _Hem, den Springader des levendigen Waters, hadt gy verlaten, en u zelf gebroken Bakken uitgehouwen, die geen water en houden_. Is u de Bekeering ernst, wel zie daar, ik geef u een zeer goed Toetssteentje. Kunt gy Gode hartelyk danken, om dat hy u dat aangebeden geld ontnomen heeft? Kunt gy u in Gode verblyden, om dat gy uit zulk een _geestlyk Sodom_ geret zyt? Kunt gy besluiten, om aan uwe Nicht schuld te bekennen, haar al het hare te geven? Kunt gy den Heer Blankaart om vergeving bidden; om dat gy zyn Voogd-Kind als gedwongen hebt, om, in hare jonge jaren, de ruime Waereld in te gaan? Ik vraag u niet, of gy uit waar berouw u voor den Here kunt vernederen; als gy het eerste doet, zal dat wel volgen; en kunt gy tot het eerste niet komen, het laatste zal u weinig helpen. Ja, Vriendinne, het zal danig op den ouden mensch der zonde aankomen. Maar dit is de ware zelfsverlochening. Dit is de Evangelische Leer. Dit is het _Innig Christendom_. Buiten dit is alles ydelheid; _dan hebt gy geen Godsdienst_. Doet gy dit al? dan zult gy vreugde en rust hebben, en gy zult den Here danken, om dat hy u uwen afgod ontnomen heeft. Gy zult zien, dat uw verlies tot winst wordt.

Laat Bregt gaan, zo gy kunt; zy voegt beter by de Benjamins en Slimpslamps, dan by u. Ik zal u een goed mensch bezorgen, om uw werk te doen, tot dat wy weten wat en hoe. Vervolg de boze Huichelaars niet; 't is geld vergeefsch uitgeven, en u zelf tot bespotting maken.--Als ik weet, of gy mynen raad goedkeurt en opvolgt, zal ik verder met u spreken. Beproef u aan het Heilig woord, en laat my eens weten, hoe gy gezint zyt; want daar van zal myn gemoedshandel met u afhangen. Beproef ook, of myn raad uit God is. Altyd gedenk ik u in myne gebeden, want ik ben in waarheid

Uwe Vriendinne,

STYNTJE DOORZICHT.

HONDERD-NEGEN EN TWINTIGSTE BRIEF.--Arnold Helmers, Aletta's vroegere weldoener, schrijft haar: neem neef Pieter, _is zeer geschikt voor je_.

HONDERD-DERTIGSTE BRIEF.--Zuzanna Hofland komt tot de lektuur van _Thomas à Kempis_: Imitatio Christi. Brecht _is in een bierkroeg verzeild_.

HONDERD-EEN EN DERTIGSTE BRIEF.--Hendrik heeft Sara gesproken; _zeer zwak, maar beterend_.

HONDERD-TWEE EN DERTIGSTE BRIEF.--Aletta aan Helmers; ze kent Pieter heelemaal niet! maar haar hart is vrij, misschien....

HONDERD-DRIE EN DERTIGSTE BRIEF.--Stijntje Doorzicht héél wijs en vroom aan Zuzanna Hofland: ze haat volk als Benjamin c.s.; van Sara heeft ze een lieven indruk.

HONDERD-VIER EN DERTIGSTE BRIEF.--Anna Willis bericht Sara de thuiskomst van Moeder en haar; ze zullen veel te praten hebben. _Zij weet van de historie met R. niets_. Zij zelf gaat binnenkort trouwen. Is Smit eenmaal ergens beroepen, dan _blijft_ hij er; _hij is gematigd, houdt niet van godsdiensttwist_.

HONDERD-VIJF EN DERTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed aan H. Edeling; zij houdt den zieken Hendrik op de hoogte; Sara _gevoelt zich_ H. _nu vooral niet meer waardig_, toch verlangt ze naar Hendrik, evenals naar Blankaart, _die al op reis is_ huiswaarts.

HONDERD-ZES EN DERTIGSTE BRIEF.

DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SPILGOED.

_Ge-eerde vrouw!_

Gy zyt immers niet moeilyk, om dat ik uwen laatsten Brief niet beäntwoort heb? Hoor, Mevrouw, ik ben niet al te wel te vreden op u, en knorren op eene vrouw, dat is my onmooglyk; (op een stout meisje bruit er nog zo wat meê heen.) Maar, zie, ik kan ongelyk hebben: nu, wy zullen dat appeltje wel schillen; want ik kom t'huis, en 't zal er onder en overgaan, zo Saartje maar zie zo veel op de kerfstok heeft; en als het op de eene regent, zal het op de andere druppelen; want men heeft my zo wat gezegt, dat my verdort en verdort weinig aanstaat. Jan struksje! als ik evenwel eens bedrogen was? wel, dan wierd ik averegts; en ik mogt u wel, met een strop om myn hals, en een brandende kaars in myn hand, om vergeving bidden; zo als ik hier wel gezien heb, dat de Papen voor de Heilige Maagd deden.

Nu, dat zal zich wel redden! Ik zal u onderwyl maar eens verhalen, dat ik met twee goeje, grote, lange Hollandsche Jongens t'huis kom. Ja, ik heb al rare klugten! Daar kom ik, 's daags voor ik uit Parys gaan zal, in een Hollandsen Logement, het eenige, dat er in de hele godgantsche Stad te vinden is; en daar ik meermaal naar toe ga om eens Hollandsche knap te eeten, en een schoon servet te hebben. Ik zit vredig en wel aan myn tafeltje; met Snap, myn Patryshond, zo aan myn zy, braaf te schransen, toen er een fraai jong Heer inkomt, die er uitzag als een bloeijende roos, en dat neemt my aanstonds ten voordeel van zulke jonge maats in. Hy sprak zeer goed Hollandsen: jy bent geen Fransch fatsoen, dogt ik, maar wie ben je? Nu, ik kon dat zo niet vragen: _hei, hoor eens hier! jy, met die groene rok daar, wie ben je_? Nog geen half kwartier daar aan, of daar komt myn oude kennis, myn beste Willis. Ik stond op, en gaf hem, op zyn vaderlands, de hand. Welkom, myn jongen, zei ik: kom, zit aan, en eet wat met my; en ik vroeg hem duizend vragen te gelyk. "ô, Zei de goeje jongen, myn Heer Blankaart, wat heb ik naar u gezogt! men zeide, dat gy vroeg waart uitgegaan, meer niet; ik heb wel in vyftig Coffyhuizen en Logementen geweest, gy waart er niet; eindlyk zei een Heer, die u scheen te kennen, dat de goede Heer Blankaart zeker aan zyne Hollandsche maaltyd zat; en hier uit besloot ik, die uwe gewoonte ken, dat gy in dit Logement waart:" Hy vroeg my aanstonds naar het stout Dingetje; en ik zei, dat alles wel was; wat zou ik gezeit hebben?

Myn mooije jongen hoorde naauwlyks, dat ik Abraham Blankaart was, of hy kwam by my, en zei, dat hy ook verzogt om de eer van met my te eeten; "ik kan my niet beter by u recommandeeren," zei hy, "dan door u te zeggen, dat Hendrik Edeling myn eigen Broeder is."