Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart
Part 10
Ziet gy, Pastoor, ik zou myn hoofd daar niet meê breken, maar Hein ziet er gansch ongedaan uit: hy kan niet tegen moeite; (ja, ik heb al rare jongens ook!) Neen: nooit laat ik dat toe. Maar den jongen evenwel zo maar te laten sterven, dat wil ook niet. Hy is zó bedreven in onze affaire, dat ik gerust myn flesje kan drinken, myn pyp roken, myn kolfje slaan, zonder dat er iets verzuimt wordt. Zo dat, dit kan ik ook nog al niet voor God verantwoorden. Ik heb ook een Brief geschreven aan haren Voogd; niet twyfelende of hy die zo styf _Grotekerks_ is, als ik oud rechtzinnig Luters ben, zou even eens denken als ik op dit stuk. Maar zie daar! daar kryg ik zo een antwoord. De drommel mogt met hem redeneren, en ook ik versta zyn Brief niet genoeg. Het komt my vóór, dat hy al vry grappig over 't Geloof denkt, en het zou veranderen, even als hy zyn rok veranderde, indien hy meende, dat eens anders geloof beter was. Hy spreekt net als uw lieve Neef van Broederschap. 'k Zeg _Broederschap_! Het zit er op met dat Broederschap, als verguldzel op een duits[1] balletje. Men hoeft maar eens op hoogtyden, en zo, in de Kerken te gaan; daar zeg jelui Eerwaardens malkander hele Broederlyke dingetjes. Nu, dat mag ik wel horen: de Kerk is er voor, om het Geloof vast te houden. Elk moet zyn winkel voorstaan; dat is niet anders.
Hoor, Pastoor, ik ben Luters, en dat, wil ik, zullen myn jongens ook zyn, of 't zal er vreeslyk houden. En die Bram is nog al heel wys met zyn Meisje! Ik zou nog, met myn beste pruik op, en den nieuwen zwarten rok aan, heel beleeft moeten vragen, of ik de eer mogt hebben ... weg ... weg!
Ik heb haar ook in een Herberg gezien, met nog twee wilde Knapen, en een andere Juffrouw. Hoor, ik zal 't nooit toestaan: ik wil geen vreemt goed in Luters erfdeel; dat's maar uit. Geef me nu raad: wat moet ik doen? Schryf my eens, Broêrtje, hoe u dit klugtje van Heintje bevalt? Groet de Pastoorse, die my ook altyd ligt te katechiseren: ja, ik ben maar te goed.
Blyve met grote achting,
Uw Eerwaardes
_Dienaar, Vriend, en Broeder_,
JAN EDELING.
Noot:
[1] Van een duit waarde.
HONDERD-NEGENDE BRIEF.--Everart Redelijk antwoordt: hij is het heelemaal met Blankaart eens en vindt de handelwijze van zijn zwager dwaas.
HONDERD-TIENDE BRIEF.--Broeder Benjamin aan Cornelia Slimpslamp: Suzanna weifelt; ach Heere, help! Wij moeten ze voor ons houden. Laat Cornelia haar vergeving vragen.
HONDERD-ELFDE BRIEF.
MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP AAN DEN BROEDER BENJAMIN.
Wie heeft ooit groter gek gezien, dan Benjamin? Hoe is het? Fopje my wat, of hoe weêrgâ zit het? Voor my veinzen? Voor my de fijne Filebout uithangen! Laat naar je zien, zotte jongen. Wy moeten haar bedriegen; dat's 't al. En daarom moeten wy de handen in éen slaan. Zouden wy zo een zot dier ooit gezogt hebben was 't niet om den smul? en gy houdt u van de mallen? Ja, Blankaart, kent ons zeer wel.
Hoor, Ben, de frettery is uit: wy moeten haar nu nog plukken, en dan--de hele Waereld is voor ons open. Zy moet het gelag betalen: de jonge Juffrouw B. moet er niet by lyden. Blankaart is een Duivel van een vent, hy liet u publiek geesselen, en ik moest in 't Spinhuis, zo wy aan haar goed ons vergrepen; ik weet wel, dat er los geld is; en dat zy intrest moet ontfangen; alles mondeling. Toon nu, dat gy my lief hebt: ik zal 't Briefje schryven, en morgen er gaan. Kom ook. 't Geweten? ô dat is een bullebak voor u en my.
_Die gy kent_.
HONDERD-TWAALFDE BRIEF.
MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND.
_Lieve Vriendinne!_
Daar heb ik, als ik alles nareeken, zo een twee dagen en drie uuren in de magt des Satans geweest: hy gaf my die godloosheid in. Hy heeft my verleit.
Och Zusje, Zusje! ik ben gevallen: ik ben wanhopig, ik ben elendig. Die duizend-konstenaar was het, die my dien gruwelyken brief deedt schryven. Zo heb ik te veel op eigen kragtjes vertrouwt, och ja! mogt ik er maar door geraakt zyn, en nooit weêr op my zelf vertrouwen. ô! Het ging my, zo als de Eerwaarde van der Kwast plagt te zeggen: _de Conscientie is de Klapperman uit de hartestraat, die de menschjes waarschuwt voor den brand van de Hel_. Gelukkig, dat myn oude mensch niet te diep was ingeslapen; och! dat was regt dierbaar.
Verberg toch alles, om der Vromen wille. Gy kent de diepten des Satans. Mag ik morgen by je komen, en dan blyven op 't geen je maar hebt? Schryf my dit, of ik verval tot wanhoop.
Uwe zwakke Zuster,
CORNELIA SLIMPSLAMP.
HONDERD-DERTIENDE BRIEF.
DE BROEDER BENJAMIN AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP.
_Zusje Lief!_
Ik begryp je! Wees gerust: om u sta ik den Duivel. Ik heb het zeer druk in myn werk, doch kom morgen; ik ben al verzogt. Alles is om het hare, en om u.
_Gy kent my_.
HONDERD-VEERTIENDE BRIEF.
MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP.
_Keetje Zusje!_
Wat is er een pakje van myn hart! Neen, dat kon ik niet doen, myn geweten wilde niet. Nu is 't weêr licht by my; ik heb alles verbrant. Kom tog vroegjes: och! ik ben zo ontstelt geweest. Nu, Bregtje zal _het Gemeste Kalf_ slagten, omdat ik myne Zuster heb weêr gevonden, die in 's Duivels hol gezeten heeft. Broertje komt ook, hy is zo gemoedelyk in zulke dingetjes. Zo komt het goed uit het kwaad; en nu is myne ziel weêr gebonden aan uwe ziel: niet waar?
Uwe Zuster in den Here,
Z. HOFLAND.
HONDERD-VIJFTIENDE BRIEF.--Smit aan Willem Willis; spoedig zijn ze zwager. Hij heeft Aletta Brunier gezien en gesproken: _net een meisje voor Willem!_--Willem's patroon spreekt heel gunstig over hem.
HONDERD-ZESTIENDE BRIEF.
DE HEER R. AAN DEN HEER G.
_Jan lief!_
Haal my de Satan! ik ben nog even wys! ja, ik zie het hexje nu en dan; ik heb ook met haar op het Concert geweest; maar ik ben nog even na, als toen ik begon. Hoe moet ik het aanleggen? _Liflaffen_?[1] dan lachte zy my van myn stuk; haar met een stemmig bakkes zeggen, _dat ik haar bemin_? Och! dat gaat haar niet eens aan haar koude kleêren, (zo als de meisjes zeggen.) Had ik haar maar ergens, daar myn haan koning kraait, dan zou 't procès spoedig aflopen: en zy zal niet zot genoeg zyn, om zich te durven inbeelden, dat ik een Burgers Dochter zal trouwen. _Sultane Favorite_, Jan: is dat niet dubbelt wel? als _ik_, Frederik de eerste, haren Soliman ben. Ben ik evenwel niet een _Opgewarmt Bier_ en _Broodskind_, gelyk myn Oom, de Kapitein, zyne Matrozen noemt, dat ik zo een charmante meid niet tot myn vrouw maak? Lief heb ik haar, waaragtig; dat is 't maar! Anders zou ik dus lang niet het masker voorhouden. Zy stondt al lang op de grote lyst. Maar, wat praat ik van liefde tegen zulk een liederlyken knaap als gy zyt? Een vrouw is by u een vrouw--loop, gy zyt myn gebabbel niet waardig. Ik heb echter nu een ander plan: dat zal niet missen; en, zo de Weduw het in 't hooft krygt, om hare jonge Vriendin te geleiden, (zy ziet er óók wel uit,) dat zal den koop niet breken. Zoudt gy niet zeggen, dat ik al een gansch karel ben, als gy my zo hoort snoeven en pochen?
Waarlyk, ik bemin haar; dat is al de zwarigheid; en nooit verlaat ik het Wicht, of ik ben razent zot naar haar; en wat denkt gy? Ik heb nog nooit haar hand gekuscht; 't is waaragtig, Jan. Zy is onnozel[2], dit is het, dat my zo ingetogen maakt: want, hoe vele vrouwen ik ook bedorf, ik heb nog al reguart voor brave meisjes. Een ligtvaardige is myn Pop niet, al was zy zo schoon als deeze meid.--Doch dit is _to Bliktri_ voor u.
Vaar dan wel.
R.
Noten:
[1] Vleien, hofmakerijen. [2] Onschuldig.
HONDERD-ZEVENTIENDE BRIEF.--Cornelis schrijft heel hartelijk en aardig aan H. Edeling, maar ... raad weet hij niet: _vader blijft onvermuwbaar_. Raadt hem aan eens aan oom Redelijk te schrijven.
HONDERD-ACHTTIENDE BRIEF.
DE HEER HENDRIK EDELING AAN DEN HEER JAN EDELING.
_Myn Heer, hoogst ge-eerde vader!_
De zaak, die my, volgens uwe altoos geëerde orders, hier zo vele dagen gehouden heeft, is naar uwen wensch volkomen afgedaan. Ik vleije my, dat gy genoegen zult nemen in den yver, dien ik heb aangewent, om het dermate te dirigeren, dat ik u rekenschap van alles doen kan.
Mag ik nogmaals de vryheid nemen, om te zeggen dat myne liefde voor Juffrouw Burgerhart gegront is op de braafheid van haar hart, en dat ik _volmaakt ongelukkig_ zyn zal, indien zy de myne niet wordt? Wat men ook moge uitstrooijen, zy is, en verdient te zyn, het voorwerp myner hoogste achting; en zy deelt nimmer in andere vermaken, dan die betaamlyk zyn, noch verkeert met menschen, die, om een slegt karakter, behoorden vermyt te worden.
Gy weet, myn altoos geëerde Vader, met welk eene blymoedige onderwerping ik alle uwe bevelen heb gevolgt. Dit was een pligt, die de Natuur en de Godsdienst van my vorderden: Maar gy zyt Vader! gy zult my immers niet ongelukkig maken? zo deeze wensch myner ziel my geweigert wordt, kan ik my geen lang leven voorstellen. Ik gevoel my niet wel. De onëenigheden met myn Vader treffen myn, door liefde vertedert, hart zeer diep! Myne jaren en myn werkzame aart hebben my gestelt boven die dwaze drift, die men doorgaans _liefde_ noemt. Myne liefde is wel niet _Platonisch_[1], maar zy is echter myne reden onderschikt; zy is bedaart, sterk; zy rust op de innerlyke waarde van haar, die myne oogen streelt; zy groeit dagelyks in zagte aandoeningen. Moet ik het opgeven, dan zal men zien, dat myne geliefde Burgerhart tot myn _leven_ zo nodig was, als tot myn _gelukkig leven_. Laat ik u verbidden! Leg uwe vooröordelen af! Gy kent haar niet, geloof my! Heb ik u, myn geëerde Vader! ooit ergens in misleit? zoude ik het nu doen, daar de zaak niets minder is dan eene verbintenis voor myn geheel leven? Geef my de vryheid, om voor my zelf te kiezen. ô Laat ik u, ook voor deeze gunstige toegeventheid, mogen bedanken. Ik kies immers eene Vrouw voor my; ik zal met haar moeten leven.--Ben ik, in myn zes-en- twintigste jaar, nog niet in staat, om uit myn eigen oogen te zien? Kunt gy my van eenige wuftheid in zaken van belang beschuldigen? Heb ik ooit my tegen uwen wil gekant? Moet ik nu my zelf dat verdriet aandoen? Laat ik u myn gansche leven mogen zegenen! Zo myne tederbeminde, als myne Vrouw, u met my niet zegent: zo zy uwen ouderdom niet ten troost, tot hulp, tot blydschap strekke; zo gy haar niet zult beminnen als eene lieve Dochter, vergeet dan, dat gy ooit een Zoon hadt, die zich tekent,
_Uw ootmoedige Dienaar, en liefhebbende Zoon_,
HENDRIK EDELING.
Noot:
[1] Zuiver geestelijk.
HONDERD-NEGENTIENDE BRIEF. Hendrik schrijft aan Redelijk, vertelt alles uitvoerig en verzoekt zijn voorspraak bij vader.
HONDERD-TWINTIGSTE BRIEF.--Redelijk weet evenmin raad: vertrouw op God! --als zoon mag Hendrik niet opstaan tegen zijn vader.
HONDERD-EEN EN TWINTIGSTE BRIEF.
DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
_Juffrouw Burgerhart!_
Ik hoor lieve historietjes van u, al hele lieve ook! Hagel en Slypsteen, hoe kan 't zyn? daar je zó veel verstand hebt, en daar je beter je Geloof verstaat dan ik, God betert; en daar ik altoos zo geraden heb, dat je toch den goejen weg op zoudt. Meisje, meisje! maak my niet boos; 't zal er anders op en over gaan; 't zal er ellements te doen zyn. Heb je dáárom zulke kostelyke Ouwers gehad, en moest ik dáárom zó wys met je zyn? Ik kom er blaauw af. Schaamt gy u niet zo te lopen rinkelrooijen [1] met een overgegeven Ligtmis; en u te kleden, of je in een Fransche Winkel stondt? En Mevrouw Buigzaam? och ja; die laat Gods watertje over Gods akkertje lopen; zie, dat vind ik verdord gemeen van zo een' Vrouw.
Men hadt, kwanswys, geen trek tot het huwlyk; men was nog zo jong: men was nu zo gelukkig: zie zo; dat laat ik, ouwe gek, my maar zo op den mou spelden. En onderwyl speelt Madame haar rol, vliegt uit, en loopt met allerlei ploerten en ligte kwanten de godgantsche Stad door, komt by avond en onty t'huis; ja wel, zie; ik ben zo kwaad als een spin. Dáárom hadt gy geen zin in 't Huwlyk, met zulk een braaf man, denk ik; dat was de zaak: dan zou dat gedraaf en geloop uit zyn, en daar bedankte gy voor; niet waar? Myn naam zal evenwel geen Abraham Blankaart zyn, zo ik u, zo lang gy onder myne Voogdy zyt, geef aan den een of ander Parlevinker[2], al was hy zo ryk als de _grote Mogol_, en al was hy een Burgemeester van zyn hals. Ik denk, dat de brave Heer Edeling u nu wel zeer bedankt voor de eer van uw gezelschap: hy heeft gelyk; ik zou ook zo doen. Antwoordt my maar niet, want ik kom in 't kort t'huis, en zal dan nader met u spreken. Ik ben
Uw Voogd,
ABRAHAM BLANKAART.
Noten:
[1] Pierewaaien. [2] Hier: zwendelaar.
HONDERD-TWEE EN TWINTIGSTE BRIEF.
MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER.
_Chere Letje!_
Ik verlang, dat gy t'huis komt. Ik heb verdriet; en ik kan het niemand dan u toebetrouwen. Myne Willis is te statig, te deftig; onze Moederlyke Vriendin kan ik het nog minder zeggen, want het raakt haar ook. Lees den brief van den Heer Blankaart: elke regel is een dolksteek. Myn ziel is beroert; myn boezem klopt van spyt, verontwaardiging, en droefheid. ô! Ik heb vyanden, myne Letje; maar wie is de snode, die my dus mishandelt? die my in het duister en onbekent grieft? Hemel! verdagt te zyn van misdaden, die nooit in myn gedagten oprezen! gehoont te worden om bedoelingen, die ik nooit had; dit is zeer hart, myne Letje. Maar wie is die Ligtmis? de man in de maan, geloof ik; uw Broêr is een brave Jongen; de Heer R. staat bekent voor een zeer ordentelyk man; en met wie anders heb ik ooit (want Edeling is buiten alle bedenking,) den minsten ommegang gehad? Och, met niemand! Nyd, die my bekladt, gooit ook zeker dit lak op den Heer R., die my nimmer reden gaf om hem te schuwen: maar de smart, die dat monster my aandoet, is te groot, om daar ook eenen man, die my altoos met de grootste achting behandelde, in te doen delen. Onze dierbare Vriendin zelf vindt hem onberispelyk; en, zo zy niet geheel in het belang van den waardigen Edeling was, dan zou zy mooglyk zyn gedrag een nog beter naam geven. Ik heb vermoedens.... maar neen!... dat zou al te slegt, al te verfoeilyk zyn.--Hoe 't zy, ik heb een gerust geweten; ik heb my van vele dwaasheden te beschuldigen; doch ondeugden zyn my vreemt.--Ik moet geduld hebben.
Ik ga wat spelen, om te zien of ik my zelf kan opheffen uit deeze verslagenheid.
* * * * *
Daar ben ik al weêr; 't lukt niet! Ik beef, zo aangedaan ben ik. Hemel! verdagt te worden van zulk een man....
* * * * *
_'s Nagts, half twaalf._
Nu, myne liefde, heb ik u veel te schryven. Ik heb de goedaartige Lotje verzogt naar bed te gaan, om dat ik noodwendig schryven moest. De zoete ziel stonden de tranen in de oogen, "om dat zy merkte, dat ik droevig was; en dat onze Vriendin en ik niet zo waren, (zei zy) als altoos; och dat deedt haar zo leet." Heeft zy niet een recht lief hart, Letje? Nu, ik zal haar ook altoos voorstaan, en te regt helpen.
Van middag viel er niets voor, dan dat Hartog vroeg, of de Heer Edeling hier niet meer aan huis kwam; waar op Juffrouw Buigzaam antwoordde: dat hy, om zaken van grote aangelegenheid, uit de stad was; er byvoegende, dat zy hem waarlyk altoos met genoegen zag.
_Juffrouw Hartog_. Ja, 't is een zoete prater; hy weet nog zo wat oppervlakkig meê te doen; schoon ik in 't eerst groter denkbeelden van zyn verstand had, dan nu.
_Juffrouw Buigzaam_. Ik geef my niet uit voor een vrouw van veel kundigheden, om dat ik te wel weet, hoe ik er mede sta: maar my dunkt, dat de Heer Edeling een verstandig belezen man is, en zyn gezelschap overwaardig.
_Ik_. Ja, ik heb misschien geen kennis van verstand, maar zo hy een Uilskuiken is, dan moet een man van verstand een schepzel zyn, daar ik niets van begryp; en ik zou een ducaat geven, om zo een man van verstand eens te zien.
_Juffrouw Lotje_. Heden, Juffrouw Hartog, je waart evenwel de laatste reis zo in de weer, om hem tegen te spreken; was dat sop dan de kool wel waart? Zie, ik ben nou maar een eenvoudige sloof, maar daar zou ik my nog te wys toe rekenen.
_Juffrouw Hartog_. Ja, Edeling weet zeker genoeg, om met onze Sex zo wat voort te komen; doch dat hy geen vogel van de verhevenste vlugt is, heb ik al gezien.
_Juffrouw Buigzaam_. Mooglyk is Uwé van gedagten, dat elk, die zich niet met het air van Ongeloof voordoet, een lagen geest is; en dan is voor my niets raadzelagtigs in deeze uwe zeer vreemde gedagten over deezen waardigen jongen Heer.
_Juffrouw Hartog_, (_schamper lachende_). "Aan de vruchten zal men u kennen," zegt de Bybel, en dat is immers waar?
_Juffrouw Lotje_. Heer, Juffrouw, gelooft Uwé dan in den Bybel? Gy zei laatst, weet gy? op dien Zondag, toen ik zo zat te lezen in myn nieuwe Psalmen, dat de Bybel een mooi sprookje was; (_zy werdt root_;) ja, of gy root wordt, 't is evenwel zo, Juffrouw.
_Juffrouw Buigzaam_. Ei lieve, Juffrouw Lotje, moei u daar nu niet mede, om my plaisier te doen, Liefde! Is dit zó, Mejuffrouw Hartog, dat smart my; en ik danke Gode, dat ik nooit myne bekwaamheden heb willen tonen, in voor te wenden, dat ik niets geloofde; daar ik my niet in staat gestelt had, om wel te kunnen oordelen.
_Juffrouw Hartog_. Elk zyne verkiezing, en ik verzoek die vryheid, die ik u laat. Gy schynt zeer gecoëffert met uw Vriend; en vriendschap vermag veel; doch dewyl ik de vriendschap van zo een eigenwys Heertje niet begeer, is myn oordeel te vryer.
_Ik_. Eigenwys Heertje! die uitdrukking is niet verpligtent[1].
_Juffrouw Hartog_. Hoe! is de Heer Edeling dan uw vriend ook? (_my spottig aanziende_.)
_Ik_. Mooglyk verdient gy geen antwoord, doch ik zal beleeft zyn; ja, hy is myn vriend; en ik vind my met zyne vriendschap zeer verëert.
_Juffrouw Hartog_. Dat kan ik wel begrypen; en die vriendschap doet _u_ ook veel eer.
_Ik_. Zy zou zeker u niet tot schande, en nog veel minder tot verdriet strekken, indien _gy_ ten minsten genoeg hadt aan zyne vriendschap, (_zij werdt bleek_.) Kent gy den Heer Blankaart, Mejuffrouw Hartog? (_haar sterk aanziende_.)
_Juffrouw Buigzaam_. Heden; Liefde! wat vraag is dit nu ook?
_Ik_. Juffrouw Hartog zal my, vrees ik, verstaan.
_Juffrouw Hartog_. Nooit hoorde ik, dat men vreesde verstaan te zullen worden: ha! ha!
_Juffrouw Lotje_. Nu, dat's my te geleert.
_Juffrouw Buigzaam_. En my ook, Juffrouw Lotje.
_Ik_. Ja! wist gy wel, dat _ik_ zo eene Sçavante was? of liever, dat ik zo t'onpas iets kon vragen? Wel nu, 't zal u geen oneer zyn myn Voogd te kennen. Hy is wel geen geleert, maar hy is een eerlyk man; eene hoedanigheid, die ook al zyn prys heeft.
_Juffrouw Hartog_. Och, myn lieve kind, ik zou nooit geraden hebben, dat er zo een man in de waereld was, zo ik u zyn naam niet wel eens had horen noemen: neen, ik ken hem niet.
_Ik_. Men zou u occasie kunnen geven, om hem te leren kennen; doch hy heeft niets recommandabels dan zyn vroom eerlyk karakter.
_Juffrouw Buigzaam_. Zullen de Dames ook nog ergens van gedient zyn? anders zou ik verzoeken om te danken en laten afnemen: 't is my wat heel warm in de kamer. Wy allen bogen, dankten, en gingen de een hier, de andere daar. Hartog peinsde. Juffrouw Buigzaam ging in haar Tuin, zag hare bloemen met blyde vergenoeging. Ik stond voor 't raam, diep aangedaan over den ontfangen Brief. Frits had een mand spenage gesneden, die hy haar liet zien. "Ja, zei ze, Frits, die spenage staat my niet aan.--"Zy is evenwel, in uw Tuin gegroeit, Mejuffrouw."--"Al was zy in myn Zydkamer gegroeit, Frits, nog staat zy my niet aan."--Ik wou, Letje, dat ik haar toen had kunnen uitschilderen; maar nog liever dat gy haar toen gezien hadt! Ik ging zitten spelen, en wou myn verdriet weg zingen: 't was of myn vingers de kramp hadden; evenwel, ik dreunde lustig door. En Lotje vondt, dat ik mooi speelde: dat zeit al zo iets, niet waar?
Wy kwamen allen in de zydkamer byëen, om thee te drinken: Myn hoofd was vol, en ik kneep nu en dan een traan weg: wel naarstig aan de zakdoeken naaijende, terwyl Lotje breide, of zy er geld meê verdiende. --Daar kwam zo waar de Heer R. Het denkbeeld, dat hy beschuldigt was, om dat men my benydde, maakte my veel vriendelyker dan ordinair; me dagt, dat ik hem vergoeding doen moest; en dat denk ik nog. Hy hadt een zeer fraaije bloem op zyn borst; hy zag, dat ik er naar keek; durf ik u deeze aanbieden? zei hy, en ik nam die vriendlyk aan; hy was zeer fraai.
_Juffrouw Buigzaam_. Is myn Heer R. ook een Liefhebber van bloemen?
_De Heer R_. Ja, Mevrouw, en ik vind, dat in deezen, zo als in alle zaken, de Natuur de Kunst onëindig overtreft. Ik heb ook eene kleine verzameling van vreemde gewassen, die men maar zelden vindt.
_Ik_. De Heer Blankaart heeft my wel tienmaal belooft, my eens in den _Hortus Medicus_ te brengen, maar 't is er nooit toegekomen; en ik hoor, dat daar zulke fraaije Planten en Heesters zyn.
_De Heer R_. Laat ik de eer mogen hebben, u daar eens heen te leiden: gy zult met verrukking zulk een rykdom der Natuur beschouwen; 't is er waarlyk fraai.
_Ik_. 't Zou onbeleeft zyn, dit verzoek af te wyzen.
_De Heer R_. Ik zou om die eer deezen dag zelf nog verzoeken, maar ik ben geëngageert: mag ik morgen, als het zulk heerlyk weêr is, en zo zonnig als nu, zo gelukkig zyn, om de Dames daar heen te brengen?
_Juffrouw Hartog_. Ik bedank u; ik ben niet plantagtig; een bloem is by my een bloem, meer niet.
_De Heer R_. En wat zegt Mevrouw?
_Juffrouw Buigzaam_. Excuseer my, myn Heer; huisselyke bezigheden, en myne zwakheid laten my dit niet wel toe.
_De Heer R_. Deze vriendelyke Juffrouw zal dan wel gelieven mede te gaan?
_Juffrouw Lotje_. Ik zou 't gaarn doen, maar ik moet morgen ogtend tydig by myn Oom en Tante zyn, om naar den Hout te ryden.
_De Heer R_. Zo dat, Mejuffrouw, gy zult u dan met myn gezelschap alleen zien te vermaken?
_Ik_. ô, Myn Heer, maak geen complimenten.
Hy boog. Nog een kwartier gezeten hebbende, zeide hy, dat hy morgen ten vier uuren zou maken aan huis te zyn, en vertrok. Onze Juffrouw Sçavante las; wy spraken weinig. Elk scheen in gedachten; myn kind zeker over haar vrolyk reisje naar den Hout; ik over den Brief; en Juffrouw Buigzaam?--dat wist ik toen nog niet!
Na het thee drinken stondt de lieve Vrouw op, nam een boek mede, en ging in het Tuinhuis zitten; (zo als ik naderhand zag.) Ik zag mistroostig, ongemaklyk[2], en stond ook op, my naar den Tuin begevende, om ruimer adem te scheppen. Doe ik u ook belet, Juffrouw Buigzaam? anders ga ik weêr heen.
_Zy_. Integendeel, _uw_ gezelschap is _my_ altoos aangenaam.
_Ik_. Dan zal ik my by u zetten. (_Zy zag onderwyl al in haar Boek_.) Ik moet u iets vragen. Zyt gy misnoegt op my? als dat waar was, dan zou ik zeer ongelukkig zyn.
_Juffrouw Buigzaam_. (_Haar boek toedoende_.) Misnoegt? Hier uit moet ik opmaken, of, dat gy my voor zeer grillig houdt, en dat hoop ik nooit te verdienen; of, dat gy meent, my eenige reden daar toe gegeven te hebben.
_Ik_. Zo ik u van grilligheid verdagt hield, dan zou uw misnoegen my niet ter harte gaan; dewyl ik begryp, dat de capritieuse vrouwen geen meer achting verdienen dan capritieuse mannen.
_Juffrouw Buigzaam_. En doet het u waarlyk leet, dat ik niet zo gemeenzaam met u ben als van te voren?
_Ik_. Ja, zeker; maar dat gy my dit vraagt, treft my niet minder. Gy weet dan nog niet, hoe hoog ik u acht; of hoe hartlyk ik u bemin; en hoe zal ik u daar ooit van kunnen overtuigen? (_Ik had tranen in myne oogen_.)
_Juffrouw Buigzaam_. _Als_ gy my in dat licht beschouwt, dat ik waarlyk uwe achting niet onwaardig ben, waarom maakt gy dan zo weinig gebruik van myne oprechte vermaningen?
_Ik_. _Als_, zegt gy met nadruk!
_Juffrouw Buigzaam_. Is het zo niet? Kom aan, wy zitten hier nu onder vier oogen. Laat ik eens met u praten: wilt gy?
_Ik_. Niets zal my aangenamer zyn. Maar zeker, zyt gy t' onvreden?
_Juffrouw Buigzaam_. Ja! en nog meer verdrietig: ik heb u te lief, om niet beide te zyn.
_Ik_. Wees nu alles wat gy maar wilt, indien gy my maar lief hebt: Mag ik u echter vragen, wat u hier toe beweegt?
_Juffrouw Buigzaam_. Uwe eigene onvoorzichtigheid.
_Ik_. (_Ik werd ongemakkelyk, en zy zag het óók_.) Myne eigene onvoorzichtigheid!