# Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart

## Part 1

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/historie-van-mejuffrouw-sara-burgerhart-10400/index.md

HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART

door

BETJE WOLFF en AAGJE DEKEN

MET INLEIDING VAN EN VERKORT DOOR J.B. MEERKERK

[Illustratie: Betje Wolff en Aagje Deken.

Natuur plaatst onzen geest als 't waare in 't aangezicht; Zy doet der menschen ziel meest door zyne oogen spreken; Wie onze werken leest herkent dra ook zeer ligt Uyt beider Beeltenis, wie BEKKER zy, wie DEKEN.

Prent van A. Cardon naar teekening van W. Neering.]

INLEIDING.

Vóór ELISABETH WOLFF-BEKKER (1738—-1804) is in het buitenland zoo-nu-en-dan wel notitie genomen van onze litteraire kunst--gezwegen natuurlijk van de latinisten uit den renaissancetijd;--en LAROUSSE kent naast REMBRANDT tegenwoordig ook VONDEL--doch eigenlijk tellen we pas eenigszins mee in den vreemde na SARA BURGERHART, dat in het Fransch werd vertaald--waar de Schrijfster niets mee ingenomen was. Ze meende dat haar boek eigenlijk niet te vertalen was en alleen verstaanbaar voor Hollanders. En ze had daarin volkomen gelijk, ook naar het oordeel van BUSKEN HUET, die o.a. schreef:--"om die kunst te waardeeren moet men van de natie zijn."

Gaat er bij elke vertaling van een goed boek iets moois verloren, zeer stellig, meen ik, moet dit het geval zijn met de uitstekende werken van BETJE WOLFF. Ze zijn zoo door-en-door Hollandsch, als de _Camera Obscura_ b.v., als héélvéél van _Multatuli_, dat vreemdelingen er gewoonlijk onverschillig voor blijven, inzonderheid als niet de intrigue van den roman op zichzelf belangstelling wekt, als wederom bij BETJE.

Ik spreek hier alleen van BETJE WOLFF, echter zonder haar vriendin AAGJE DEKEN (1741-1804) tot bloot belangstellende te willen verkleinen. Er is over het al of niet samenwerken heelveel getwist; ikevenwel meen dat AAGJE veel meer is geweest dan toeschouwster, al laat ik die kwestie hier rusten en noem ik alleen BETJE'S naam.

Wie zich nu tot het lezen zet van _Sara Burgerhart_, moet zich tenminste eenigermate een voorstelling maken van den tijd waarin het boek werd geschreven (1782). Wij zijn te allen tijde een volk van theologen geweest, is er terecht gezegd, en dat zijn we gebleven; dat waren we vooral nog in BETJE'S dagen. Doch toen inzonderheid was het geloof verstelseld en verdogmatiseerd, het leven was verdord in den godsdienst, veruiterlijkt, en de nieuwe denkbeelden waren nog verward: 't was vóór 't réveil, waarvan DA COSTA de dichter werd, en de _Aufklärung_, wier profeet KINKER worden zou, schemerde nauwelijks. BILDERDIJK vervroegrijpte pas.

LOCKE (1632-1704) en de oudere DESCARTES vooral (1596-1650) hadden invloed gehad; BOILEAU (1630-1711) en VOLTAIRE (1694—1778) waren veel gelezen; ROUSSEAU (1712—-1778) was aan 't woord: _Nouvelle Héloise_, _Julie_, _Emile_, _Contrat Social_ behoorden tot de in zekere kringen populaire lectuur--en tot die kringen behoorde ELISABETH WOLFF. Er bestaat een portret van haar als jong meisje met POPE'S beroemd boek: _Essay on Man_ in haar hand. Dat lierdicht verscheen in 1733.

FIELDING (1707—-1754) beroemd door zijn _Tom Jones_ en _Richardson_ (1689—-1761) waren vertaald... Ja, véél werd er vertaald; het was zelfs een bijzonderheid dat er een roman verscheen die niet was vertaald. _Niet vertaalt_ liet BETJE dan ook op het titelblad drukken. De VAN KWASTAMA'S en dergelijken--en hun aantal was talrijk--lazen nooit Hollandsch; dat achtten ze als wijlen BARLAEUS een boerentaal, ongeschikt voor fijnere geesten.

Ik noemde zooeven RICHARDSON den schepper van den modernen Engelschen roman, algemeen vermaard om zijn _Clarisse Harlowe_, _Pamela_ en _Grandisson_, lektuur tot in POTGIETER'S jeugd.

RICHARDSON is BETJE'S voorbeeld; van eigenlijk gezegde navolging mag misschien sprake zijn in BETJE'S laatste werk: _Cornelia Wildschut_; doch merkbaar is zijn voorbeeld overal. ROUSSEAU en RICHARDSON, die twee bewondert en vereert BETJE; maar toch weer niet zóó, of ze durft met den eerste in 't godsdienstige verschillen en door den laatste verliest ze haar in-hollandsch karakter niet: _zij wil Hollandsche karakters_ uitbeelden, _menschen zooals er bij ons leven_.

En ze slaagt uitstekend: _Blankaart_, _Edeling_, _Suzanna_, _Stijntje_ --enzoovoort zeg ik maar, om niet te reppen thans van tante _Martha de Harde_ en haar man, in _Willem Leevend_. En zooveel anderen, meesterlijke scheppingen.

Als we in ons letterkundig leven terugblikken, vinden we BREDERO (1585—-1618), COSTER (1579-1658), HOOFT (1581—-1647), men denke aan diens _Warenar_, ASSELIJN (1620—-1701), BERNAGIE (1656—-1699), VAN EFFEN (1684—-1735) en LANGENDIJK (1683—-1756), tot BETJE'S geestverwanten, en die lijn loopt door tot BEETS (1814—-1903), wiens realisme echter gepolitoerd is, tenminste overal een grondverfje heeft: het ruige is er af, tot zelfs in _Barend_, den tuinmansknecht,--en tot _Multatuli_, die heel hoog liep met _Blankaart_.

Zooals reeds vermeld is werd BETJE in 1738 geboren, te _Vlissingen_; zij was de dochter van JAN BEKKER en JOHANNA BONDRIE, een Vlaamsche. BETJE was van haar geboorte af teer en prikkelbaar--ze werd begaafd en hartstochtelijk; leergierig was ze en las vroeg boeken, die anderen pas veel later of nooit lezen.--Niet vrij te pleiten van zekere koketterie liet ze het zoover komen, dat een zekere GARGON haar kon ontvoeren; ze was toen pas zeventien jaar. Zij is er met den schrik afgekomen, _ongedeert_, zooals we van _Sara_ lezen, wie iets dergelijks overkomt. Opzettelijk historie heeft ze niet geschreven in _Sara_, maar ongetwijfeld is die _meneer_ R. wel een heugenis aan GARGON en SARA is niet vreemd aan BETJE.

Ze schrijft haar boek ook _ter waarschuwing_ voor jonge meisjes als Saartje; van _l'art pour l'art_ had ze geen idee; ze onderwijst altijd, 't zij ze romans schrijft, of in spectatoriale geschriften, als _De Grijsaard_, _De Denker_ of _De Borger_. Die weekblaadjes bleven na _van Effen_ geregeld, en telkens weer onder andere titels verschijnen.

Na dit voorval met GARGON had BETJE in Vlissingen en in het ouderlijk huis geen leven. Haar broer LAURENS--die iets had van broeder BENJAMIN --maakt haar 't leven zuur. Tijdelijk vindt ze een onderkomen bij den Amsterdamschen advocaat NOORDKERK, die haar wist te kalmeeren. Maar ze moest weer terug naar Vlissingen.

Het was een uitkomst voor haar, toen ze door dominee ADRIAAN WOLFF, met wien ze door haar geschriften kennis had gemaakt, altijd _schriftelijk_ alleen, ten huwelijk werd gevraagd. Dat ging vlug in zijn werk: den 9den October kwam WOLFF in Vlissingen, den 23sten ondertrouwden ze, (1759).

WOLFF was in 1707 geboren, dus 31 jaar ouder dan de vroolijke levenslustige BETJE. Hij was sinds 1730 dominee in de _Beemster_ en weduwnaar van WILHELMINE KAYZER; hij was een geleerd, zelfs dichterlijk, en een hoogstachtenswaardig man, met een ruime wereldbeschouwing.

De eerste huwelijksjaren waren echter niet gelukkig: Betje koketteerde wat met dominee AMIJS. Wolff leed, als altijd ouwe mannen van jonge vrouwtjes, aan jaloezie--en Betje maakte 't wel wat bont. Na 1770 echter wordt het beter: Betje wordt wat stemmiger, heeft haar verkeerdheid leeren inzien en leert haar man waardeeren. In 1772 treedt WOLFF zelfs openlijk op om zijn vrouw te verdedigen. En dat was noodig, want Betje had door haar vinnige en zeer vrijzinnige geschriften vrijwat vijanden en belasteraars.

Tot haar bestrijdsters behoorde ook AAGJE DEKEN, die zich zeer ongunstig over Betje had uitgelaten. Ze leerden elkaar kennen bij den Amsterdamschen fabrikant GRAVE, in 1776--en die persoonlijke kennismaking leidde tot ideale vriendschap--waar Betje zoo mee dweepte--vriendschap tot aan hun dood: 1804. Kort na elkaar overleden ze.

AAGJE was een boerenmeisje, opgevoed in het Weeshuis "De Oranje-appel" te Amsterdam. In 1767 was ze gezelschapsjuffrouw geworden bij de weduwe BOSCH, wier dochter MARIA dichteres was--en ziekelijk. Maria overleed echter al in 1773 en in 1775 gaf AAGJE hun werk uit onder den titel van _Stichtelijke Gedichten_. Aagje was zeer ernstig en deftig. Men zal haar in _Sara Burgerhart_ gemakkelijk herkennen in ANNA WILLIS.

In 1777 overleed dominee WOLFF, die in de Beemster zijn _aspergebedden had aangelegd_. De man was, als Dominee SMIT in _Sara Burgerhart_, veel te verdraagzaam en te ruim van blik om opgang te maken. En toen gingen BETJE en AAGJE samenwonen en samenwerken.

Eerst vestigden ze zich in _De Rijp_, waar ze woonden tot 1781; toen verhuisden ze naar _Beverwijk_, waar Aagje het buitentje _Lommerlust_ geërfd had. Tegenwoordig is dat de pastorie der R.C. kerk.

Daar hebben ze gewoond--_Sara Burgerhart_ is er geschreven in het beroemde Koepeltje--tot 1788. Toen kwamen de Pruisen in het land, bij welke gelegenheid BILDERDIJK zich verdienstelijk hoopte te maken, en de dames weken met tal van patriotten naar het buitenland, want ze waren patriotisch gezind.

Ze trokken naar Trévoux in Bourgondië en hebben daar gewoond tot (1795), toen het den patriotten beter ging. Intusschen waren ze wel wat genezen van hun vrijheidsroes: 't had maar weinig gescheeld, of BETJE zelf was op de guillotine terechtgesteld.--Ze vestigden zich in Den Haag en daar zijn ze blijven wonen. Ze hadden het maar armpjes: hun kapitaaltje hadden ze toevertrouwd aan een Haarlemsch notaris en die had het zoek gemaakt.--Ze moesten nu weer vertalen, dat "ze kikhalsden" schreef BETJE. Wel hielpen de oude vrienden haar: LOOSJES en VOLLENHOVEN; ze kregen nieuwe in VAN HALL en VAN DER PALM; ze raakten heel intiem met mevrouw OVERDORP—POST, ELISABETH-MARIA, maar ze waren erg "eergierig" en men moest het, als VAN HALL, heel kiesch aanleggen om hen te ondersteunen.

Ze werden ziekelijk: AAGJE leed aan jicht, BETJE aan kramp. De goeie tijden waren voorbij--voor _Willem Leevend_ hadden ze _6000 gld_. honorarium ontvangen; _Cornelia Wildschut_ bracht minder op.

De beteekenis dier vrouwen voor onze algemeene volksontwikkeling en ook voor onze letterkunde overschat men niet licht. Het is gemakkelijk aanmerkingen op de samenstelling van _Sara Burgerhart_ te maken; men moge den snoodaard _R_. wat al te tooneelsnood vinden; men brenge bedenkingen in tegen den _briefvorm_, toen in de mode, door RICHARDSON --en nog door mevrouw BOSBOOM—TOUSSAINT gebezigd in _Majoor Frans_ --maar onsterfelijk blijven _Saartje_, _Blankaart_ en de andere reeds aangeduiden--en nooit kan verdwijnen de geest van gezond menschenleven dien haar werken ademen.

Zij rusten in vrede op het kerkhof "Ter Navolging", bij Scheveningen.

* * * * *

SARA BURGERHART is niet alleen als roman bedoeld, 't is een _tendenz- werk_--theologisch, paedagogisch, politiek zelfs en _apologisch_. Daardoor is 't voor leerlingen inzonderheid te lang en te langdradig. Eerst wanneer men er toe komt de 18de eeuw te bestudeeren, _ons_ leven onder den invloed van den vreemde, dan wordt het _heele_ boek hoogst belangwekkend. Misschien komen er velen toe het dan in zijn geheel te herlezen. In deze uitgave wilden we behouden, behalve wat vanzelf bleef, den _roman_ en _het karakteristiek Hollandsche_. Het zou ons bijzonder aangenaam zijn als we daarin waren geslaagd.

Voornaamste Werken.

Van BETJE alleen:

Bespiegelingen over den staat der Rechtheid, den val en den gevallen mensch, (1765). Walcheren in 4 zangen, (1769). Onveranderlijke Santhortsche Geloofsbelijdenis, en De Menuet en de Domineespruik, (1774). _Die Menuet werd zelfs door hel volk gezongen als een kermisliedje_. Mengelpoëzie. (1785).

Van AAGJE en BETJE samen:

Historie van juffr. Sara Burgerhart, (1782). Historie van den heer Willem Leevend, (1784). Brieven van Abrah. Blankaart, (1788). Dichterlijke wandelingen door Bourgondië, (1789). Historie van Cornelia Wildschut, (1796).

J. B. MEERKERK. _Zwolle_, April '19.

EERSTE BRIEF.

DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.

PARYS.

_Lieve jonge juffrouw!_

Nu ja, ik heb beide uwe Brieven ontfangen, maar, wat hamer, meent gy, dat ik tyd heb om u zo _cito_, per post, (zoo 't u blieft,) te antwoorden; en dat wel zo dikwyls, als myne Pupil goedvindt om my met een hoope wisjewasjes aan 't hoofd te lellen? Zie, ik ben maar een Vryer, (een _Oude_ Vryer, zo je wilt;) ik weet echter, hoe die Nufjes van halfwassen Vrouwen bestaan. Van daag willen zy zus, morgen willen zy zó. Wel nu, wat zal ik u antwoorden? Weet ik, in hoe ver gy gelyk hebt? Niet, Saar lief, dat ik u in staat ken om my te pieren, zo wat op myn mouw te spelden, gelyk men zegt: Neen, gy waart altoos een oprecht kind; maar gy zyt jong, gy hebt het maar gansch niet naar uw zin: reden genoeg, om zulke droevige dingen aan my te schryven.

Indien ik niet in dit verbruide Land, daar niemand my en ik niemand, dan zeer gebrekkig, verstaan kan, buiten de Familie, waar mede ik myne zaken heb aftedoen, en daar ik wel zakken vol complimenten, doch geen geld krygen kan, nog vooreerst diende te blijven, en te Amsteldam kon komen, of ik die Russische winkel by Tante eens zoude komen opschudden! Wêe, zo gy my gefopt hadt! maar wêe ook het oud Wyf, indien zy myne Pupil, de dochter myns waardsten Vriends, kwalyk behandelde! Maak van myn vertrouwen geen misbruik, maar uwe Tante verdient niet de Zuster uwer brave Moeder te zijn; op myn eer, dat verdient zij niet! Zy is een geveinsde inhalige Feeks; en ik kan het nog niet in den kop krygen, door wat middel zy uwe zalige Moeder heeft weten te bewegen, om u, haar eenig, haar tedergelieft kind, by haar te betrouwen. Voor honderd halve ryertjes[1] moest gy het beter hebben; (uwe kleding betaal ik immers nog byzonder[2]). En krabt zy die echter niet zo vrekkig naar zich, als of zy arm en gy haar wild vreemt waart. Zo gy kunt, hou het uit; ik zal er u te liever om hebben, kind; en ik zal my tegen u niet laten innemen. Nu, zy schryft my ook nooit. Mooglyk acht zy my die eer onwaardig. Alles heeft zyn reden, meisje; zie, ik heb Tante, als zy het al te erg maakte, zo wel eens doen zien, dat haar manier van doen zeer dikwyls verbaast verre afweek van hare wyze van zeggen, en breden ophef, als of zy, ten minsten, eene heilige van den eersten rang ware. Gy hebt zulke brave ouders in 't graf; draag u toch wèl, kind. Ik beken, zo eene behandeling is haast niet om te verdragen; zo zy het al te erg maakt, en gy beter kunt te recht komen, ik guarandeer uw kostgeld; mids dat de Lieden onbesproken en hupsche menschen zyn. --Doe deezen stap echter niet, dan in den dringentsten nood, of wy zullen geen Vrienden blyven; ik kan niet toestaan, dat gy u zelf zoudt benadeelen; daar heb ik u veels te lief toe. Ja, wat ik zeggen wou? Ik heb hier eene menigte muziek voor u gekogt, en die zal ik u met een los adres[3], als ik goederen afzend, toeschikken. Zy geven hier voor dat de Compositie heerlyk is: ik vergeet al myn kunst met die druktens; maar ik heb zo graag, dat zoete meisjes zich wel diverteeren; en gy zyt toch een muziekgekje. Ik denk wel om u, en kan dikwyls wenschen, dat ik u hier had. Hier, Saartje, zoude uwe geestige hekelzucht stoffe vinden, al hoorde en zaagt gy niets dan dien nimmer stillen zwerm van Gouwe torren, en Zomerkapelletjes; want zo noem ik dat lastig beslissent wel opgepronkt Jan hagel, dat men _Petits maîtres_ hiet: Ik ben zoo bang voor zó een rekeltje, als gy voor een Aap; zy noemen my hier: _le gros Hollandais_; wat beduidt dit Kind? mooglyk nietmetal.

Binnen zes maanden denk ik thuis te zyn. Wat lange brief is dit? nu gy yder een niet; maar toch, ik schryf niet graag Brieven.--Vaarwel, leef vrolyk, wees gegroet van

_Uwen toegenegen Voogd_,

ABRAHAM BLANKAART.

Noten:

[1] Rijer = 14 gulden. [2] Afzonderlijk. [3] Apart pakje.

TWEEDE BRIEF.--Aletta de Brunier heeft Saartje gezien als een "kwakerinnetje", in den winkel van Mad(elle) G. Dat is te gek, schrijft ze aan Saartje, met wie ze vroeger heeft school gegaan, en ze stelt haar voor bij háár te komen wonen, en pension bij de wed(e) Spilgoed-Buigzaam--daar hebben ze 't best. Er wonen nog twee dames.

DERDE BRIEF.

MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.

_Ge-eerde Heer, zeer ge-achte Voogd!_

Dat was een blyde Postdag voor my. Een Brief van myn geëerden Voogd. Waarlyk, ik heb geschreit, ziende hoe veel belang gy in my naamt: doch dat zes maanden uit blyven! daar lag al myn vreugd in 't voetzant. Wel, myn allerliefste Voogd, ik kan het hier geen zes weken langer uithouden; zo als ik ook evenwel behandelt word, maar ik kan 't niet half schryven; zo gy, myn Heer, hier waart, gy zoudt het my toestaan. Och, zo waar, ik heb u geen één jokkentje, hoe klein ook, op den mouw gespelt. Foei, myn Heer, zou ik liegen? dan was ik een zeer slegt meisje, en verdiende dat gy my bekeeft. Ik ben niet alleen de slavin van Tantes grillen, maar ik word ook geringeloort door eene oude lelyke zotte meid, die, om Tante te behagen, my dol maakt.

De Juffrouw, daar ik gaarne by zoude inwonen, is de ongelukkige weduw van een fatsoenlyk man, die niet dan ordentelyke Dames logeert. Een myner oude schoolmakkertjes is daar reeds eenigen tyd geweest, en pryst de Juffrouw heel zeer. Daar zyn nog twee andere Dames ook.

Vry, vrolyk en onbeknort te leven, dit is myn eenig oogmerk; en is dat berispelijk? By Tante kan ik niet blyven, zo ik my niet tot huichlary wil verlagen, eene ondeugd, die allerafschuwlykst voor my is; en waar aan ik my zeker nooit zal te buitengaan.

Ik beveel my in uwe gunst. Ik zal my in allen opzichte altoos zo pogen te gedragen, dat gy voldaan zyt, maar by Tante kan ik niet blyven: Laat my toe, dit nogmaal te zeggen.

Wat ben ik blyde met de my toegezegde Muziek! ik zing al in voorraad[1]. ô! Wat zal die fraai zyn: mooglyk is er wel van Rousseau's[2] Compositie by? duizendmaal dank. Ik hoop al die stukken u eens, onder het rooken van een Pypje, voor te spelen. Maar, denk eens aan, myn Heer Blankaart, daar wil Tante niet hebben dat ik speel, dan naar ouwe lollige zeuzeryën [3]; en lieve Heer, ik speel evenwel zo graag en ik heb zulke mooije Cantata's. Mag ik u bidden, myn Heer, zendt het pakje aan Tantes huis niet; het ging wis en waarlyk op 't vuur; ik zal hier een adresje insluiten. Ik bidde den goeden Hemel alle daag voor u, en dat ik u gezond en vrolyk moge weder zien, my zelf gelukkig rekenende van te zyn,

_Uwe liefhebbende Pupil en Dienares_,

SARA BURGERHART.

Adres: _Chez Mademoiselle G----, Marchande sur le_ ----.

Noten:

[1] Bij voorbaat. [2] Wolffje dweept met Jean Jacques. [3] Zeurige deunen.

VIERDE BRIEF.

MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLES.

_Ge-eerde vriendin!_

Hield ik my niet verzekert, dat uw hart veel beter gestelt was, dan dat van wylen den Heer Achitofel[1], (trotscher gedagtenis), die zich, om dat men zynen raad verwierp, maar zo eens, met een gaauwigheid, handigies ging opknopen, ik zou zeker by u niet om raad komen, want ik zeg u in voorraad, dat ik niet van mening ben dien te volgen; ten ware hy, onverhoopt, met myn reeds genomen besluit overeenstemde.

En nu, myne zeer statige, zeer hoogwaardige Vriendin, zult gy my vragen: "waarom, indien dit zo is, of ik dan uwen raad verzoek"? Dat zal ik u zeggen, Naatje. Ik schryf aan u, om myn hart te ontlasten; om u in staat te stellen van te kunnen oordelen over myn lastig lot, op dat gy, den stap dien ik ga doen, al niet goedkeurende, dien echter zoudt kunnen inschikken. Een stap mooglyk, onvoorzichtig; doch voor my nodig. Gy hebt al myn vertrouwen, om dat gy alle myne achting hebt, en elk die u acht is zeker niet verachtelyk, om dat gy zulk een fraai karakter hebt, enz. Ik moet kort zyn. Maar by Tante heb ik het zo slegt, dat ik er niet langer blyven kan of wil. Raad my dit niet af. 't Is wel waar, Naatje, dat gy zo wel veel wyzer als veel ouder zyt dan ik; maar gy zyt echter niet wyzer dan Salomon, de wyze Koning Salomon zou ik denken, ende wat zegt zyne Philosophische Majesteit ergens? "Het is beter te wonen aan de zyde des Daks, dan by eene kyvende "Huisvrouw". Hoe kan ik nu langer wonen by eene Tante, die, schynt het, eene belofte gedaan heeft, om my zo veel bitterheid aan te doen, als Vrekheid en Dweepery maar immer kunnen opbaggeren.... Daar schreeuwt zy alweer haar keel uit het lid. "Ja Tante, ik kom." Eerst echter deezen agter 't slot. Zo dra ik kan zal ik een tweeden Brief beginnen, ik moet u eindelyk voldoen omtrent zaken, my, vóór ik u kende, ontmoet. Vaarwel, myne waarde.

S.B.

Noot:

[1] 2 Sam. XV, 12 vv. 2 Sam. XVI, 23. — Vert. Kuenen c.s.

VYFDE BRIEF.

DE ZELFDE. Ten vervolge.

Ik moest mynen vorigen brief, die hier nevens gaat, zo schielyk afbreken, om dat Tante my riep, schoon zy my niets te zeggen hadt, en slegts beval, by haar te zitten: Onze gromparty sla ik maar over, om dat ik u nu eens ernstig moet schryven.

Myn waarde Vader, weet gy, was Jan Burgerhart; hy negotieerde in de Thee; zyn handel was voordeelig. Myne lieve Moeder was, zo als men dat noemt, een bestorven meisje[1]. Zy hadt een stuiver goeds, en trouwde zeer jong. My, het eenig kind, voedde men op als een meisje, dat van eene goede familie is, en geld te wagten heeft, door brave Ouders opgevoed wordt. Gy kent myn aandoenlyk hart; gy weet hoe vatbaar het is voor de minste blyken van genegenheid; oordeel dan hoe ik deeze myne dierbare Ouders eerde en beminde. Ouders! dat is toch een zielroerent woord, Naatje, en kost my meermaal eene stille traan. Myne Ouders waren gelukkig met elkander. Hun karakter was voor elkander berekent. Meer zeg ik niet. Wie spreekt ooit dan met achting van myne zalige Ouders? och, yder een!... Gy weet het. Hoe aangenaam was ons zeer geregelt huishouden! Myne Ouders lazen veel, en zagen deeze zucht in my met goedkeuring. Nog zie ik hen in onzen tuin, op de bank zitten, als Vader zyn pypje van rust, zo als hy het noemde, rookte, en Moeder hem iets voorlas, terwyl ik op des goedaartigen mans knie zat te luisteren, of te spelen. Nog zie ik, hoe hy my, gevolgt door myne glimlachende Moeder, in huis draagt. ô! Dat waren gouden dagen; waren het niet?

Myne Moeder hadt eene Zuster, die veel ouder was, en waar by ik nu inwoon. Die Zuster vondt maar gansch niet billyk, dat Saartje vóór haar ten huwelyk verzogt wierd, en kyk, de Juffrouw was magtig gestelt op het _Decorum_[2]; dat was het maar: zy meende ook zeer wel te weten, dat zy zo wel veel meer verdiensten, als jaren telde, dan myne Moeder. Doch, of het spel sprak, daar kwamen geene Liefhebbers. Indien onze Vriendin hadt kunnen bewogen worden, om eene _aanpryzende_ VOORREDE voor Tante te schryven, mooglyk zou men haar gezogt hebben. Hoe 't zy--(verschoon dien inval!) zy begreep, (Tante heeft ook haare invallen, Naatje), dat er geen beter party voor haar opzat, dan zich te voegen by die Lieden, die wy _fynen_, en die zich zelf _vroomen_ noemen. Veele deezer menschen, ik spreek van de besten uit de zôô, meenden dat haar grimmige uitkyk, haar grommig voorkomen, haar nutteloze berisping, de zoete vrugtjes waren van eene naauw-gezette godsvrugt. Die goede Slooven dagten, dat Tante los was van de Waereld, om dat de wyze schikkingen der Voorzienigheid nooit de eer hadden van haar Wel Edele te voldoen. Hoe zeer zy ook de Fyne uithing, zy beviel evenwel méér aan de Zusjes, dan aan de Broedertjes: men moet bekennen, dat Juffrouw Hofland juist niet heel oogelyk is.

Met myn zesde jaar hield ik al meê Oeffening by Tante. De Vriendjes hadden veel met my op. Men zag wat goeds in my. Ik hield ook veel van Tantes Oeffening; want, met myn zak en peperhuizen vol Lekkers, kwam ik altoos thuis, zie daar de genoegzame rede. Hoe zeit Wolff[3], de _ratio sufficiens der dingen?_

Zoo veele middelen bleven niet ongezegent. Ik verlangde altoos naar Tantes oeffendag. Wat zal ik meer zeggen? Gy kent my: medelydent, meêgaande, en zoo voords. Toen kon ik al geene droefheid zien zonder ook te kryten; en er werdt ook meest altyd eens geweent, (waarom weet Joost; want me dunkt, dat zy het nog al zoo taamlyk wél hadden). Deze weekheid behaagde. Myne Tante zelf, of schoon ik hare gehate Zusters dochtertje was, kreeg my, op hare wys, recht lief. Zy mydde ons huis niet meer, om dat ik meê oeffening hield, en meê huilde.

