Hilda van Suylenburg

Part 20

Chapter 204,077 wordsPublic domain

„Waarom niet?” zeide Corona treurig. „Je moet je nog verbazen dat die dingen niet meer voorkomen, als je denkt hoe zulke meisjes opgroeien in die slopjes tusschen de ellendigste voorbeelden, hoe jong ze de wereld ingaan en, als ze er aardig uit zien, hoeveel vijanden er aan alle kanten loeren. Een mooi arm meisje is immers vogelvrij verklaard! Elke gemeene kerel, die haar tegenkomt fluistert haar vuile, de verbeelding verhittende complimentjes toe, elke dandy vindt het hoogst natuurlijk om brutaal tegen haar te lachen en wie beschermt haar tegen de genotzucht van den eersten den besten? Iedereen vindt dat het ’n jong mensch toekomt om zich te „amuseeren”, en wie denkt aan de meisjes die daarbij te gronde gaan? Wie wreekt ze als ze bedrogen zijn? Ze moeten maar voor zich zelf zorgen en het zijn nog kinderen!”

„Ja, ze moeten maar voor zich zelf zorgen, dat spreekt van zelf. Juffrouw Roerade kan al der negen kinders niet aan ’n touwtje hoûen en haar meidenwaschjes er nog bij doen. Maar van Marietje had ik het nooit gedacht, zoo’n stil net meisje altijd?”

Marijken slofte weg, haar hoofd in een onafgebroken schuddende beweging; dat was zoo hare wijze om ontroering en medelijden te betuigen.

Mat zette Corona zich toen neer in de oude armstoel. Het was kwart over éenen, dus vóór zij moest uitrijden, nog bijna een uur om wat te rusten, misschien wel ’n oogenblik te slapen.

Maar nauwelijks had ze de oogen gesloten of Marijken kwam weer binnen, zorg en meewarigheid in elken rimpel van haar oude gezicht; zij legde een brief op haar schoot met buitenlandsche zegels. Och, die brieven uit den vreemde, ze kende ze al en wist heel goed hoeveel ontroering en verdriet ze gewoonlijk brachten. Zoo graag had ze dokter nou dit éene rustuurtje gelaten, maar een van deze brieven achterhouden zou ze toch nooit hebben gedurfd.

Maar ’t was alsof bij ’t zien van die hand Corona’s vermoeidheid in eens was verdwenen. In een oogwenk zat ze recht en veerkrachtig overeind, de oogen klaar wakker en opende haastig het couvert.

Het was een brief van Frank uit Parijs, haar meldende dat hij onverwachts uit Amerika de prachtigste aanbiedingen had ontvangen om daar met zijn gezelschap een aantal voorstellingen te komen geven. „Financieel,” schreef hij, „zijn de condities zoo schitterend dat wij er niet over kunnen denken om te weigeren, en daarbij kan ik niet ontkennen dat het mij machtig aantrekt om op deze wijze het reusachtige jonge land te leeren kennen met zijn nieuwe organisaties en nieuwe typen. Wat wij hier van de Amerikanen zien zijn dikwijls blufferige, ongemanierde parvenus, of armzalige reisgezelschappen, die als voortgejaagde troepen onze musea, paleizen en kerken doorrennen, maar in het land van Emerson moet veel aantrekkelijks en belangrijks zijn, dat ik graag zou willen leeren kennen.

Maar Corona, mijn liefste, éen groote zorg vervult mij bij al deze plannen en zooals in al mijn oogenblikken van leed en onrust kom ik tot je om raad en dezen keer zelfs om hulp, Corona, om groote krachtige hulp. Zul je mij die kunnen geven? en is het niet al te zelfzuchtig van mij je dezen dienst te vragen? Luister, mijn lieveling, en oordeel. Zooals ik je dikwijls gezegd heb, staat mijn troepje in alle opzichten moreel zeer hoog en uit den aard der zaak, dat wij trachten niet het publiek te dienen of ons eigen succes, maar alleen onze strenge en naijverige godin: de kunst, heb ik vrijwel mijn ideaal bereikt om een klein troepje te vereenigen van werkelijk beschaafde hooggestemde menschen. Toch zijn er nog altijd een paar bij, en zij ook zullen den Amerikaanschen tocht meemaken, die ik voor mijn kleine Rosa op dezen, voor indrukken zoo uiterst gevoeligen leeftijd, een ongewenscht gezelschap vind. Daarbij zijn de vermoeienissen van zulk een reis ook niet gering voor ’n klein meisje, zoodat ik besloten heb, hoeveel het mij ook kosten zal, mijn kindje niet mee te nemen. Of Eva mee zal gaan, weet ik nog niet. Zij schijnt er erg op gesteld te zijn om den tocht mee te maken, maar dit is zeker, dat ik, als zij achter blijft, Rosa toch in geen geval bij haar zou kunnen laten. Het kind is nu tien jaar, en bijzonder voor haar leeftijd ontwikkeld en het wordt hoog tijd dat ik haar aan den moederlijken invloed onttrek. O! Corona, wij hebben zelden over deze dingen gesproken. Om sterk te kunnen zijn is het soms beter ons leed niet te veel uit te spreken, maar bitterheid overstroomt mijn hart, als ik deze vrouw samen zie met mijn kind.

Liefste, van den beginne af aan is de opvoeding allertreurigst geweest. Ik zelf had geen tijd om er mij veel mee bezig te houden en Eva? .... Om er mee te pronken, om het op te smukken, als zij er visites en boodschappen mee gaat doen, is haar geen moeite of kosten te veel. Heele dagen zit zij er voor te naaien, hardnekkig, koortsig, tot haar zenuwen zoo kapot zijn, dat zij er iedereen onder laat lijden! Maar terwijl loopt het kind verwaarloosd en eenzaam rond! Om er op haar jour mee te poseeren als mooi jong moedertje is het kind haar lief, maar als er zich amusantere occupaties voordoen, wordt het dadelijk naar de bonne gestuurd. Enfin, je kent het type, je moet er velen zoo kennen, die haar moederschap opvatten als middel om haar tijd aan te vullen en haar ijdelheid te streelen en niet als een doel, waarvoor zij al haar krachten willen inspannen.

Meermalen heb ik getracht Eva’s belangstelling voor de eigenlijke opvoeding te wekken, maar „zieleontwikkeling”, „karaktervorming”, zijn woorden zonder eenige beteekenis voor haar. Ik heb haar een paar maal een mooi stuk van Fröbel voorgelezen, haar boeken gegeven, hopende haar een beetje tot nadenken, althans tot belangstelling te brengen, maar zij begon te huilen en zeide dat ik onvrouwelijke dingen van haar eischte. Zat zij niet uren lang te naaien omdat het mij niet conveniëerde het goed buitenshuis te laten maken en zij toch uit liefde wou zorgen dat haar kind er netjes uitzag? Maar dikke vervelende boeken lezen kon niemand van haar vergen, dat was goed voor mannen en geleerde professors, de vrouw moest voor de kleeren en het huishoûen zorgen en dat deed ze immers, wat kon ik dan toch meer van haar vergen?

Toen begreep ik, Corona, dat wij elkander nooit konden begrijpen. Het eenige wat zulke „lieve vrouwtjes” voor haar kinderen kunnen doen is voor kleeren en voedsel zorgen, en dat natuurlijk heel onhygiënisch, en dan een beetje brommen als zij lastig zijn. Het was immers ook onzinnig van mij nog te hopen dat mijn kindvrouw mijn kindje zou kunnen opvoeden tot een vrouw?

En dikwijls kwam de gedachte bij mij op dat ik Rosa weg moest zenden uit mijn treurig wuft interieur, maar ik had er de kracht niet toe, zij was mijn eenige lichtstraal, maar ik weet nu dat het onvergefelijke zwakheid was. Zondag was ik met haar gaan wandelen, het kinderfiguurtje, och arme, uitgedoscht als een miniatuur modedame. Zij zag er aardig uit, maar toen ik haar omhelsde, voelde ik hoe het teere lichaam was ingeprangd in een baleinen harnas en ongeduldig weerde zij mij af, zij die zoo dol van me houdt, uit angst dat ik haar kantjes zou kreukelen. Arm martelaresje, physiek en moreel van de moederlijke ijdelheid. Maar wij gingen uit, Corona liefste, en op eens, met wanhoop vervulde het mij, toen ik zag hoe het kleine ding de hulde der voorbijgangers gretig opving. Wij kwamen een troepje studenten tegen in den tuin van het Luxembourg, die erg naar ’t kleine mooie dametje keken, en ik zag hoe Rosa glimlachte zonder reden, en hoe er in haar oogen een uitdrukking kwam van huichelachtige onschuld toen ze naar me opkeek en onverschillige dingen vroeg en terwijl onophoudelijk den indruk gadesloeg, dien ze op de voorbijgangers maakte. O! mijn liefste, het was een uur van namelooze bitterheid. Ik kan er niet aan denken dat mijn dochter het evenbeeld van haar moeder zou kunnen worden. En daarom kom ik tot je, Corona, je smeekend om je over mijn kind te ontfermen. Neem ze tot je en red haar! O! lieveling, jij kunt het, onder jouw leiding kan alles nog goed met haar worden.

Soms als ik aan Rosa’s toekomst denk, droom ik er van dat zij misschien eenmaal mijn voetsporen drukken zal, dat zij, als mevrouw Tachilde, zal worden een groote kunstenares en dat zij mijn werk zal vervolgen om het tooneel te verheffen. Onze kunst heeft het zoo heel noodig dat zich waarachtig edele, hoog ontwikkelde menschen aan haar wijden, om een einde te maken aan het rijk van zooveel onzer tegenwoordige actrices, wier kleermaker en verfkwast soms meer tot haar succes bijdragen dan hare talenten. En ik geloof zeker dat er ’n tragedienne in het meisje zit, maar liefste, vóór alles wil ik dat mijn kind een goed mensch wordt! en ik weet nu, dat zij dat hier nooit worden zou.

O! de bitterheid, Corona, om hopeloos aan een vrouw verbonden te zijn, die de ziel van mijn kind vergiftigt, en haar, de heerlijke vrouw te moeten missen, die ons beiden gelukkig zou kunnen maken. Maar tenminste, erbarm je over het jonge leven, Corona, voor mij zelve smeek ik je niet meer, ik heb leeren eerbiedigen je inzichten, al kan ik ze niet deelen, maar voor Rosa wil ik bidden! geef haar de weldaad van je nabijheid en je liefde! Niemand dan jij kunt haar maken tot de sterke hooge vrouw die eenmaal mijn werk moet voortzetten! Mag ik op je toestemming hopen, Corona? ik kan er niet aan twijfelen, al weet ik ook hoeveel storing het in je drukke leven geven zal!...................... .......................................”

Corona zat lang bewegingloos, stil turend op den brief, dien zij niet meer las.

Zijn woorden van teederheid voor het kindje, waarvan hij maar zelden gesproken had, zijn toekomstdroomen, zijn angsten en zorgen voor de kleine dierbare ziel, waren heel nieuw voor haar. Niet de kunstenaar die werkt en zoekt, niet de denker die haar iets van zijn gedachtenleven komt zeggen, niet de geliefde, die haar zijn arme woorden van wanhoop en hartstocht zendt, geen van die allen, die zij zoo goed kende, sprak uit het blad dat zij vasthield, alleen de vader! En die nieuwe persoonlijkheid vervulde haar met vreemde ontroering.

O! zijn kindje, zijn eigen geliefd kind bij zich te zullen ontvangen, het te zullen koesteren en opvoeden zoo als hij het begeerde! Een zachte vreugde ging op in haar borst, een stille jubel, alsof zij op dit oogenblik tot iets heerlijks was uitverkoren.

Zou nu niet tusschen haar en Frank een nog inniger band, met nog dieper, heiliger beteekenis ontstaan? Maar toch .... dit kind was niet van hem alleen .... en het beeld rees voor haar op dier onbekende vrouw, die hem jaren lang het leven had verbitterd, die tusschen hen stond met haar hardnekkig weigeren om hem zijn vrijheid weer te geven, wier wuftheid nu zelfs een gevaar voor haar dochter was, maar die toch, niettegenstaande dit alles, de moeder was van zijn kind!

Corona bukte zich en legde het hoofd voorover op de tafel. In lang niet was de wanhoop, het verlangen over haar gekomen met die intense macht, en zij huilde hartstochtelijk, het uitschreeuwend van tijd tot tijd met een wild gekreun, dat opsteeg uit de geheimzinnige diepten van haar liefdeleed, klanken als van een gewond dier.

Marijken, achter in de keuken hoorde het, en weifelend sloop ze naar voren, angstig luisterend aan de deur. Eindelijk, toen het binnen stiller werd stak ze voorzichtig het hoofd door een kiertje.

„Dokter, wat is er gebeurd? Heb je kwade tijding gehad?”

Corona zag op. „Nee Marijken, dank je wel. Ik heb heele goeie tijding zelfs. We krijgen ’n klein huisgenootje, je zult es zien hoe ons oudjes dat zal opfleuren. Het is niets, ik ben maar ’n beetje zenuwachtig,” en zij glimlachte onder het zachte snikken dat telkens nog haar borst doorschokte, zooals op het water na hevige deining nog lang driftige golfjes komen breken aan den kant.

Marijken trok zich terug, het rimpelige hoofd heftig schuddend. „Zij begreep er wel alles van!” maar Corona stond op en ging in de slaapkamer om haar brandend gezicht te wasschen. Zij voelde zich zoo doodelijk vermoeid door haar nachtwaak en de wilde ontroering van straks, maar over een paar minuten zou het rijtuig komen, en als altijd moest ze dan weer klaar zijn, volkomen zich zelf meester om haar zieken te helpen.

Hilda stond lusteloos droomend voor het raam, ze voelde zich nameloos gedesoeuvreerd; juist na de opeengestapelde emoties van eergisteren en de gedruktheid die daar gisteren op gevolgd was, scheen het leven haar vandaag zoo leeg en troosteloos. Zij had geweigerd om met haar tante en Corry naar de wedrennen bij Clingendaal te gaan. Een afleidinkje meer of minder kon haar onvoldaanheid immers toch niet genezen? en het zien halfdoodjagen van arme mooie paarden leek haar ook zoo’n barbaarsch amusement en de menschen die ze er ontmoet zou hebben, verveelden haar al, als ze er maar aan dacht.

„Hilda, mag ik even binnenkomen?” zeide Eugénie om het hoekje van de deur, maar Hilda hoorde niet en bleef roerloos aan het raam geleund.

Toen kwam Eugénie zachtjes binnen. Zij was nog in haar nachtjapon en het verkreukelde slappe linnen hing in slordige plooien om de magere leden. Zij zag oud en doodelijk bleek, de oogen droevig dof in de gezwollen roode randen, een beeld van te vroeg gestorven jeugd.

Bij de gespannen verhouding, die nu sinds Bernard’s komst tusschen haar en Hilda geheerscht had, was zij in lang niet in deze kamer geweest; met een verlegen zenuwlachje bleef zij midden in staan, even kuchend om Hilda’s aandacht te trekken, en toen deze zich plotseling omkeerde, wantrouwend met vragende oogen, lachte ze weer, de bovenlip optrekkend, de mondhoeken omlaag een akelig nerveuzen lach.

„Hilda, ik wou je even komen vragen .... je hoeft me niets voor te jokken, want ik moet het nou toch gauw hooren, maar is het waar dat Cranz je gevraagd heeft?”

Hilda kwam een stap nader; een stille blijdschap zwol op in haar hart. Dit was het oogenblik van weerwraak, dat voelde ze, voor al de hatelijkheden der laatste weken. En ze was blij, in eens, want ze wist dat ze edelmoedig zou zijn en er ligt verteedering en weelde in het edelmoedig zich voelen. Kleine zielen zijn scherp en genieten zich in leedvermaak in de ure van genoegdoening, maar Hilda zeide zacht:

„Waarom zou ik jokken, Eus? Ja zeker, Cranz heeft me gevraagd, maar ik heb hem bedankt.”

„Waarom?”

„Dat weet je wel, omdat ik hem niet liefheb.”

„Dat is geen reden.”

„Voor mij wel!” Hilda zeide het in een ootmoedig gefluister, het schandegevoel van de vorige dagen schrijnde nog in haar ziel.

Maar Eugénie, in een plotseling ineenzinken van al haar trots, wierp zich hartstochtelijk in haar armen.

„O! Hildy vergeef me! ik had altijd gedacht .... kun je me vergeven? .... Ik ben ook zoo slecht! O! Je weet het niet! En ik ben zoo blij nou, O! God, Hilda, O! vergeef me maar! Ik zal nooit meer zoo akelig tegen je zijn! Maar ik ben zoo .... blij, misschien komt alles nou nog terecht ....”

Hilda voelde het uitgeteerde lichaam in haar armen zenuwschokken, en ze zag neer op de gebogen snikkende gestalte en voelde zich akelig koud omdat ze niets wist te zeggen, omdat zij niet kon sympathiseeren met die droefheid en zij leed onder haar kou.

Eindelijk onbeholpen, zich vreeselijk prozaisch vindend, omdat ze in dit oogenblik van verzoening niets beters vond, zeide ze zacht: „Toe Eus, ga je aankleeden, je zult kou vatten, alles is nou immers weer goed?”

Maar Eugénie schudde het hoofd. „Nee, ga daar even zitten, ik moet met je praten.” En zij knielde neer naast Hilda en zachtjes in een eentonig gefluister begon ze te vertellen van haar wanhoop en hoe ze altijd op dit huwelijk met Cranz gerekend had, hoe het eigenlijk al door de families was afgesproken toen zij nog kinderen waren, hoe men haar altijd met hem geplaagd had, tot haar verbeelding geheel met hem vervuld was geworden, hoe ze altijd was blijven hopen, ook toen zij ouder werden, en Bernard zich maar steeds niet declareerde, hoe ze geleden had onder de vernedering van dit wachten, hoe ze toen Hilda had gehaat, meenend dat zij hem tot zich wilde trekken, en eindelijk hoe haar leven was geworden één foltering van jalouzie en van tobben, tobben, tobben over de toekomst die ze voor zich zag, hopeloos dor en eenzaam.

„En als ik dan den heelen nacht gehuild had met allerlei akelige droomen er tusschen in, en den volgenden morgen dol van de hoofdpijn was, kwam de dokter en zei: „Niets dan zenuwen freule, mevrouw u moet de freule maar veel afleiding geven.” Veel afleiding! Alsof afleiding nog mogelijk is in een leven waarvan de eenige bezigheid juist is afleiding zoeken! Weet je Hilda, ik heb er den laatsten tijd dikwijls aan gedacht hoe onrechtvaardig het is, dat wij meisjes, als we verdriet hebben, zoo weinig kunnen doen om ons zelf te vergeten als we geen afleiding meer kunnen vinden in toilet en handwerkjes en uitgaan.”

„Ja!” zeide Hilda bitter, „het lijkt zoo veel poëtischer en „vrouwelijker” om te zitten treuren op ’n chaise longue in ’n elegant boudoir dan om werk te zoeken in de groote maatschappij, maar dat zou wèl zoo goed voor ons zijn!”

„Werk?” vroeg Eugénie met haar cynischen zenuwlach, „wat zouden wij kunnen doen? We zijn immers nergens toe in staat of het moest zijn zoo’n beetje philantropie, maar ik hou niet van vieze menschen! O! het heerlijkste zou maar wezen om zoo als Corry en Valérie en Betty te zijn, die nemen het leven zoo als het komt, die kennen geen getob en onvoldaanheid ....”

„Maar dat is juist het ergste! die kennen geen onvoldaanheid, maar daarom zullen zij ook nooit zoeken naar iets hoogers!”—een plotseling enthousiasme klonk in Hilda’s stem—„naar een doel, naar iets enfin, dat het leven waard maakt om geleefd te worden ....”

Eugénie lachte weer haar bitter, ongeloovig, lachje. „Wat voor doel meen je eigenlijk?”

En toen Hilda, diep in gedachten, niet antwoordde, vroeg ze na een lange poos: „Hildy, zeg es eerlijk, geloof je dat er nog hoop voor me is dat Bernard nog ....”

Hilda stond op, gejaagd. Nog onder den indruk van haar zwakheid, „haar val”, van den vorigen avond had ze geduldig met veel belangstelling naar Eugénie’s lange confessie geluisterd. Het had haar telkens getroffen, hoe zij beiden, op verschillende wijzen waren gedemoraliseerd geworden door haar doellooze leven, met niets dan een huwelijk tot uitkomst. Vol medelijden had zij toen plotseling begrepen hoe Eugénie’s bestaan er geheel door verwoest was; daardoor alleen! Want dat zij waarlijk Bernard liefhad, Hilda had het nooit geloofd en ze wist nu zeker van neen. Niet een ongelukkige liefde had het arme schepseltje gebroken, ofschoon zij het zich zelf nu wel inbeeldde. Wat zij zoo bitter betreurde was het huwelijk, de goede positie, de negatieve satisfactie om niet ongetrouwd te blijven, vooral het lang verbeidde, beloofde land, waarop heel haar opvoeding was gericht geweest. De man, hoewel hij haar sympathiek kon zijn, kwam daarbij toch in de tweede plaats.

Hilda had groot medelijden gevoeld, maar nu, dit hardnekkig, onzinnig blijven hopen niettegenstaande zij wist dat hij eene andere liefhad, plotseling prikkelde het haar tot drift.

Een paar maal ging ze de kamer op en neer, zoekend naar zachte woorden, maar in eens bleef ze voor haar staan en eigenlijk vóór ze het zelf wist, had ze het gezegd, koud, verpletterend: „neen!”

Eugénie kromp in een, heel even, maar ze huilde niet, zooals Hilda verwacht had, en ze bleef zitten op den grond waar ze straks bij Hilda geknield had en staarde lang voor zich uit, heel bleek, met moeë oogen en ging toen eindelijk zachtjes en zwijgend de kamer uit.

Hilda was te kort geleden haar eigen worstelperiode ingetreden om zich lang te verdiepen in Eugénie’s klagelijken toestand, maar toch voelde ze er de terugwerking van en het maakte haar lusteloosheid nog grooter.

Vreeselijk terneer gedrukt zette ze zich op den rand van haar bed en een lange rij van vage mistroostige gedachten begon zich te ontspinnen, van onduidelijke plannen om naar vrienden in Amerika te gaan, of om diacones te worden, ofschoon ze voelde dat ze er de ware roeping voor miste, allerlei phantastische plannen, die ze eén voor eén zuchtend verwierp, tot ze eindelijk ziek was van verveling en weltschmertz.

Toen kwam Corona; met haar lichten vrouwenstap was ze onhoorbaar de trap opgekomen en op eens stond ze voor haar, de kamer vullend met een atmosfeer van moreele kracht en goedheid, die vreemd verkwikkend op Hilda inwerkte na haar week gepeins.

„Wel klein meisje, wat zit je daar? Verzen aan ’t maken of aan ’t treuren over de zonden der menschheid? Schaam je je niet ’n klein beetje, op een dag dat de zon zoo mooi schijnt en dat er zooveel goeds in de wereld te doen is?”

Hilda stond op en trachtte vroolijk te zien, maar op eens, juist toen ze zich voelde lachen, kwam er een droefheid over haar, die ze niet meester was. Zij sloeg beide armen om Corona’s hals en bleef even tegen haar aanliggen, terwijl een paar groote tranen langzaam opwelden en toen zwaar neervielen als eerste groote druppels van een onweersbui.

„Wat is er kindje, verdriet?”

„Nee Corona, eigenlijk niet; ik geloof dat ik maar ’n beetje uit m’n humeur ben.”

„Dat bestaat niet, Hildy. Dat is ’n woord zonder zin. Als je je naar voelt is er òf een physieke reden, en dan zal ik als doktores met je spreken, òf een moreele reden en die moeten we dan zien weg te ruimen. Wat is het, denk je?”

Hilda zuchtte. „Het is moreel, denk ik,” zeide ze aarzelend. „Het is omdat ik wee ben van me zelf en m’n tegenwoordig leven. Ik word er slecht en zwak door; ik weet zeker dat mijn vader, als ie zien kon hoe ik nou leef, meer als ’n kapel eigenlijk dan als een mensch, diep bedroefd zou zijn. Hij heeft me zoo heel anders opgevoed, en ik heb het altijd in me gevoeld het verlangen, om mijn leven te gebruiken, om er iets moois van te maken, en ik weet niet hoe ik dat hier bereiken kan.”

„Is dat alles?” zeide Corona.

Hilda knikte, en ging voort, blij in woorden te kunnen brengen wat ze al zoo lang gevoeld had en sinds eergisterenavond in bange klaarheid had begrepen.

„Ik walg van me zelf en van al de anderen. Kun je me niet helpen, om hier weg te komen? Al de meisjes haast, die ik ken, zijn òf zenuwziek van verveling en teleurstelling en onbevredigde verlangens, òf ze hebben geen vermoeden zelfs hoe leeg en armzalig, eigenlijk onwaardig haar leven is. Het maakt me wanhopend, Corona, dat alles bij te wonen en mee te maken. Ik ben nu twee en twintig, mij dunkt dat het kinderleven nou uit moet zijn. Ik wil nu een vrouw zijn, Corona, een mensch, een willend, levend, werkend mensch. Kun je me niet helpen?”

Hijgend, in volle jonge opwinding, terwijl het bloed in donkeren gloed langs haar slapen opbruischte, stond ze voor Corona, die met een blijen lach geluisterd had. Elk van Hilda’s woorden had een vreugdetrilling in haar hart gewekt.

„Ja zeker wil ik je helpen. Ik wachtte al lang dat je het me vragen zou.”

„Hoe meen je dat?”

Corona nam haar handje en streelde het. „Dacht je dat ik niet dadelijk begrepen had dat jij je tenminste niet rustig zoudt neerleggen en vrede vinden bij het gewone meisjesbestaan? Ik heb het dadelijk gevoeld, toen ik je zag, maar ik moest wachten tot je uit je eigen ontwaakte. O! de maatschappij is zoo arm, zoo slecht, zoo leelijk! Ze heeft zoo hoog noodig menschen die zich met volle liefde aan haar wijden, op welke manier dan ook, en ik heb altijd gehoopt en geloofd dat jij tot het kleine leger zoudt willen behooren van hen die hun hartebloed geven om de wereld ’n klein beetje mooier en beter te maken. Is het niet zoo?”

Hilda beefde van opwinding, Corona’s blijde emotie ging in eens in haar over en opgezweept door jong genereus enthousiasme, was het haar of er plotseling een stroom van kracht door haar heen ging.

„Wat moet ik doen?” zeide ze fluisterend.