Hilda van Suylenburg

Part 18

Chapter 184,072 wordsPublic domain

„O, maar zóo moet je de zaak niet voorstellen!” riep de oude mevrouw levendig. „De vraag is niet of het voor rijke meisjes een geluk zou zijn om droge kantoorbaantjes te gaan bekleeden, ofschoon, ik voor mij geloof, dat het voor de zenuwen van onze jonge dames heel best zou zijn, als zij eenige uren van den dag vast werk hadden, op ’n kantoor, in de keuken, op school, op ’n atelier, in ’n ziekenhuis of waar dan ook. Maar wij hadden het nu over die ontelbare massa vrouwen, die ongefortuneerd zijn, zooals juffrouw Wendelings, wier aantal door den druk der tijden voorloopig nog enorm zal toenemen, en die aan meer en aan betere betrekkingen moeten geholpen worden. Stel nu bijvoorbeeld de freule Hilda verloor haar fortuin, wat makkelijk zou kunnen tegenwoordig met al die geldcrisissen niet waar? zou je haar dan niet veel liever klerk of ambtenaar zien worden met ’n fatsoenlijk tractement en vrije avonden dan juffrouw van gezelschap of bonne, het eenige wat nu voor haar open zou staan, en wat zeker in acht van de tien gevallen een heel onderdrukt droevig leven beteekent? Maar weet je wat Moisette?” En ineens ontrimpelde zich de stroeve trek in haar gezicht, ze lachte, weer in een goed humeur gebracht door het grapje, dat haar zoo juist inviel.—„Al degenen die nu tegen ons streven zijn, om de vrouw aan betere werkkringen te helpen, moesten eigenlijk gedwongen worden om ’n fonds bijeen te brengen, waaruit alle onvermogende vrouwen konden putten om werkeloos als de leliën des velds voort te leven! Zou je dat geen prachtig idee vinden, zoo’n fonds? Moreel zijn jullie er toe verplicht, hoor, als je het verdienen van de vrouw zoo af keurt! Want of jullie ’t nou goed vindt of niet, om te leven, al is ze ook nog zoo’n ideaal wezen, moet elke vrouw heel gewoon eten, om te kunnen eten moet er geld zijn, en om geld te krijgen moet er verdiend worden, mijn waarde, dat is onverbiddelijke logica! nou, wat denk je van zoo’n fonds?”

Toen Hilda de kamer was uitgeslopen, bleef ze een oogenblik besluiteloos in den gang staan. Wat moest ze doen? Het was nog te vroeg om naar huis te gaan; ze was pas aan het uitzoeken begonnen! Maar als ze naar de bibliotheek ging zou ze er misschien Bernard vinden en hij zou denken dat ze voor hem kwam .... Toen werd er een deur geopend, achter in de gang en met een plotselinge angst, dat men haar daar betrappen zou, alsof ze stond te luisteren, vloog ze de trap op, naar boven, naar de bibliotheek, die ze tot hare groote geruststelling leeg vond.

„O! wat een trouble en gezeur allemaal!”

Met een langen zucht wierp ze zich in een der armstoelen, maar ze was te opgewonden om te kunnen blijven zitten, en een paar keer ging ze de kamer op en neer, langs de boekenrijen, werktuigelijk de titels der banden lezend, zonder iets van den zin te begrijpen. Het boek waarin mevrouw Cranz had zitten lezen,—een engelsche brochure die veel opgang had gemaakt over den arbeid van fabrieksinspectrices,—lag geopend op de tafel. Hilda nam het op, en bleef er een poosje in kijken, maar toen ze op het einde der pagina was gekomen, merkte ze dat ze geen woord had begrepen.

Heele fragmenten van haar gesprek met Bertha kwamen haar telkens voor den geest, woordelijk en met een helderheid die haar buiten staat maakte iets anders in zich op te nemen. En telkens vond ze nieuwe argumenten tegen Bertha’s bezwaren en het maakte haar wanhopend dat zij daar straks niet aan gedacht had. „Arm schepseltje, wat zal ze nou gaan doen? Hoe kan Moisette toch zoo bekrompen zijn! Ik hoop dat mevrouw het hem es flink zegt ....” Maar toen kreeg ze toch weer medelijden met hem: misschien kon hij niet anders dan zoo denken. Er zijn planten die van zon en andere die van schaduw houden, misschien zijn er ook menschen die zich van zelf getrokken voelen tot het nieuwe licht, en anderen die liever leven in den schemer van verouderde gedachten.

Weer liep ze doelloos rond, heel zenuwachtig en stond voor het raam, in zich zelf brieven opstellend, die ze aan Bertha schrijven wou. Toen, in eens, hoorde ze in de stilte van de kamer het tergend rustige tikken van de pendule. Ze keek om, het moest wel ’n half uur zijn sinds ze hier wachtte! Maar de klok tikte onverschillig haar antwoord dat pas tien minuten waren voorbij gegaan.

Daar viel haar blik op de schrijftafel, waar postpapier gereed lag; bijna zonder te beseffen wat ze deed, ging ze er heen en schreef:

Lieve Corona!

Ken je de geschiedenis van Bertha Wendelings? Ik ben er dezen morgen zoozeer van vervuld, dat ik bij wijze van veiligheidsklep mijn emotie even praat, maar weet je wat me in dit gesprek telkens heeft gefrappeerd? Dat wij eigenlijk tegen twee stroomingen tegelijkertijd hebben te worstelen! Aan den eenen kant staan zij die ons inferieur rekenen aan den man, en bij elken stap ons toeroepen: „onvrouwelijk! want dit werk is te hoog voor u!” Aan den anderen kant staan onze vereerders, bij elk onzer bewegingen klagend: „onvrouwelijk! Gij staat te hoog voor dezen arbeid!” En het groote publiek schermt met de argumenten der beide partijen tegelijk! Maar beide deze stroomingen zullen we overwinnen, Cora, en dan zal de tijd dáár zijn dat we vrij en onbeperkt werkzaam zullen kunnen wezen op alle gebied, al naar onze individueele gaven en krachten! niet boven of onder den man, maar naast hem!

Adieu lieve, vergeef mijn slordig schrift.

Je Hilda.

Langzaam vouwde ze het briefje samen, toen de deur zachtjes geopend werd. Ze zag niet op, maar boog zich kleurend dieper over de enveloppe; ze voelde dat het Bernard zijn moest.

„O! Pardon, freule, ik wist niet .... ik stoor u toch niet?”

„Volstrekt niet, mijnheer Cranz, ik heb hier maar even gewacht, omdat uw mama iets met dominee Moisette te bespreken had.”

„Ja, zijn WelEerwaarde schijnt het vandaag erg verbruid te hebben!” zeide hij met een leelijken lach.

Hilda voelde het onedelmoedige, het leedvermaak dat in zijn woorden lag, en het ontstemde haar.

„Het is geen wonder,” zeide ze koel, „in dezen tijd, dat op alle gebied de nieuwe idees tegen de ouwe indruischen, dat men het niet altijd eens is, al is verder de sympathie ook nog zoo groot! Trouwens hun onderwerp is belangrijk genoeg om er ’n beetje over te discussieeren!”

„O ja, de emancipatie, nietwaar?”—Hij zeide het met zijn glimlach van voorname ironie, die haar zoo dikwijls had geërgerd.—„Ik was straks even in de kamer daarnaast en ik hoorde ze redeneeren, alsof hun leven er van afhing, over vrouwenarbeid en hongerloonen en ik weet al niet wat! Mijn God, freule, ik moet u bekennen, de vrouw zelf vind ik ’n heel belangrijk onderwerp van gesprek, dat blijft altijd hoogst interessant, al praat je er ook nog zooveel over! maar haar arbeid en rechten .... ik moet u zeggen .... dat lijkt me al heel weinig aantrekkelijk! Maar nou vindt u me zeker afschuwelijk ouderwetsch?”

„U spreekt zeker liever over de toiletten en de chronique scandaleuse der dames? Dat kan ik me best begrijpen, dat is ook veel pikanter!” Ze zeide het scherp, even kleurend onder den prikkel van haar vinnigheid, waar ze zich half over schaamde, en half in genoot. Toen opstaande: „Maar wie weet hoe lang uw mama nog over die „weinig aantrekkelijke” kwesties zal blijven praten! Wilt u haar zeggen dat ik morgen terug zal komen, maar nu maar naar huis ben gegaan, omdat ik nog wat te doen had?”

„O! maar blijft u toch nog een oogenblikje!” zeide hij in eens heel zacht, met dien warmen vleiklank in zijn stem, die hij wist dat bekorend op vrouwenzenuwen werkte. „Mama zal wel zóó klaar zijn en ze zou ’t zeker naar vinden als ze u niet meer gezien had.”

Hij stond vlak voor haar nu, en zijn oogen zochten de hare. Al haar koelheid en scherpe woorden hadden nooit indruk op hem gemaakt; hij had ze eenvoudig voor één van die ondoorgrondelijke vrouwengrillen gehouden, waarmee je je hoofd maar niet te veel breken moet. Misschien ook was ze ’n beetje koket en wilde ze hem vóór de overgave nog even laten voelen, dat haar conquête zoo makkelijk niet was. „Jonge meisjes hebben dikwijls van die prikkelbaarheden en kunstjes! maar dat ze werkelijk iets tegen hem had, had ze hem geen minuut kunnen wijsmaken .... en toch ....”

Een wild verlangen kwam plotseling in hem op om het trotsche mondje met kussen te bedekken, om de hoog opgerichte houding van haar lichaam te breken in den druk van zijn armen, om haar week en schuchter te maken door de aanraking van zijn hartstocht. Hij wilde een einde maken aan de stil knagende onrust die hem niettegenstaande al zijn zelfvertrouwen toch onverwachts altijd weer bekroop. Waarom zou hij het haar nu ook niet zeggen? Ze waren alleen en ongestoord. Maar Hilda, als bij intuïtie, voelde hoe plotseling het begeeren in hem wakker werd. Een oogenblik vervulde het haar met verlammenden schrik, toen, met een lichte, schuwvogeltjes beweging gleed ze langs hem heen tot aan de deur.

„Nee, heusch, mijnheer Cranz, ’t is beter dat ik nou maar naar huis ga. Wilt u veel groeten aan mevrouw doen?”

Zonder hem aan te zien, gejaagd, en vóór hij iets kon antwoorden, holde ze de trap af, tot aan de voordeur. Maar buiten bleef ze een oogenblik staan, huiverend niettegenstaande de zomermiddaghitte, die in de straat was, haar verzengend tegemoet kwam. Het was even, of de opwinding haar de kracht tot gaan ontnomen had, maar de angst dat Bernard haar misschien zou nazien dreef haar toch dadelijk voort.

En thuiskomend wierp ze zich moe achterover op haar bed, inzinkend een oogenblik onder de reactie van dien langen morgen vol zenuwspanning, maar zonderling, toch was er iets als vroolijkheid in haar voelen. Voor het eerst sinds lang had ze met hartstocht ergens in belang gesteld, met warmte iets bestreden, iets verdedigd en de ongewone geestesinspanning had een trilling van levenslust in haar gewekt. Misschien was ze wat al te heftig geweest, maar evenwicht bewaren was ook zoo moeielijk .... De emoties met Cranz en Moisette waren ook wel pijnlijk geweest, maar nu ze Bernard’s declaratie had weten te voorkomen, zou ze hem immers verder ook wel op een afstand kunnen houden? En terwijl ze neerlag, heerlijk rustend, en de herinneringen van dien morgen aan haar voorbijtrokken, onder de ’n klein beetje romantische verlichting harer verbeelding, voelde ze op eenmaal hoe jong en krachtig ze was en dat ze veel met haar leven wilde doen. Een kleine prettige tinteling van energie werkte na uit de opwinding van haar gesprekken en ze glimlachte met gesloten oogen, blij in dit ontwakensgevoel na al die maanden van doelloos alledaagsch bestaan.

Maar de jong moedige stemming van dit rustuur was niet bestand tegen de zenuwprikkelingen van den middag.

Eugénie verscheen aan de koffietafel, bleek, klagend over hoofdpijn, gewapend met een arsenaal dier wondende toespelingen, dier hatelijke allusies, die zij ook in de meest gewone gezegden wist te leggen, en die als giftige dolken sluipmoordend in het huisgezin den vrede en de vreugde verwoesten zonder zelfs hun slachtoffers gelegenheid te geven om zich in eerlijken kamp te verdedigen.

Na den lunch waren Hilda en Corry naar het strand gereden, waar zij mevrouw Vermaezen zouden vinden. Iedereen was er, en Rooselaar was hen komen aanspreken en Corry had zacht en teeder met hem gepraat, de naïeve blauwe oogen onschuldig tot hem opgeheven, het kindermondje glimlachend om elk zijner woorden. En Hilda had er bij gezeten in machtelooze drift om het verraad van dit blonde engelenkopje en de blindheid van dien man, en toen hij eindelijk was weggegaan had kort daarop von Görtzen zijn plaats ingenomen en was hetzelfde spel vertoond.

„Geloof je dat von Görtzen je vragen zal?” zeide Hilda onder het naar huis rijden.

„Nous verrons, nous verrons.” Corry lachte even, verwonderd over Hilda’s toon van ter verantwoording roepen. „Ik geloof het wel, maar men weet het eigenlijk nooit .... Ik had gedacht dat ie ’t al lang gedaan zou hebben.”

„Waarom ben je dan nog zoo lief tegen Rooselaar?”

„Wel, ten eerste, omdat ik hem heusch heel aardig vind, ten tweede omdat flirten altijd amusant is en ten derde .... In October word ik al vier en twintig. Als Görtzen me niet vraagt, dan neem ik Rooselaar. Ik bedank er voor om zooals Eus oud te worden en te zitten grienen, omdat ze zoo zachtjes aan het succes ziet verminderen, of in philantropie te gaan scharrelen, zooals Willy en Betsy en al die anderen.”

Corry lag makkelijk achterover in het rijtuig, en mooi kleurde het donkere goud van haar hoofd tegen het teer mauve van den parasol, dien ze achter zich hield. Heel stellig en eenvoudig had ze het gezegd, zooals iemand die vertelt langs welke route zij haar pleizierreisje zal nemen en met ’n zonderlingen, strak energieken blik, die vreemd stond in het kindergezicht, zag ze voor zich uit. Hilda bleef sprakeloos bij het kille cynisme uit die rose lipjes.

Zwijgend reden zij naar huis, en toen langzamerhand kwam de oplossing klaar voor Hilda’s oogen van het raadsel, waarover zij zoo dikwijls had nagedacht, waarom toch aan de vrouw zoo bitter in vroegere en latere tijden is verweten, dat haar wezen valsch en bedriegelijk is. Zij had er telkens van gelezen: kerkvaders en oude schrijvers, philosofen en philosoofjes hebben het elkander steeds nagezegd, tot in couranten-feuilletons vindt men er de echo van. Zij had er zich dikwijls over verwonderd, geërgerd; maar vanmiddag had ze het begrepen. Duizende kooplieden, bankiers, diplomaten, notarissen, makelaars, advocaten, politieke leiders en journalisten mogen dagelijks hun beroepsonwaarheden zeggen, alle Don Juans en avonturiers mogen de schandelijkste leugens gebruiken, hun bedrog heeft nooit heel het mannelijk geslacht als valsch verdacht gemaakt. Maar is het een mooi vrouwenmondje, vol zoete weeldewoordjes, en kinderlijke lachjes dat in bedrog en leugen heeft gesproken, dan ligt daarin iets zoo stuitends, zoo alle geloof in waarheid schokkends dat als van zelf de gedachte schijnt op te rijzen: zoo zullen zij wel allen zijn, alle vrouwen moeten valsch zijn, nu deze heeft kunnen bedriegen! Vele anders toch zoo scherpzinnige mannen hebben zich tot het onrecht van die uitspraak laten verleiden, ook al behoorden zij beter te hebben geweten, dat waarheid een groote en moeielijke deugd is, die alleen bij de edelsten van beiderlei geslacht kan gevonden worden! Maar zoo was het nu eenmaal en als straks von Görtzen zich gedeclareerd zou hebben en Rooselaar zou hebben begrepen hoe Corry met hem gespeeld had, dan zou ook hij weer alle vrouwen gaan aanklagen en haar allen verdenken en bitter over haar spreken om dit eéne mooie kind.

Met ’n bons trok Bernard Cranz de voordeur achter zich toe, peuterde aan zijn das, die van achteren wat tegen het boordje was opgeschoven en begon langzaam een van zijn lichtgele handschoenen aan te schuiven, terwijl hij opliep met zijn geforceerd lange stappen, te lang voor zijn beenen, waardoor bij elken pas zijn lichaam even naar voren knikte. Een paar huizen verder stond hij stil en keek om, naar den knecht, dien hij nog juist den anderen kant van de Javastraat op, en de hoek naar het Nassauplein zag om gaan. Hij glimlachte, wond even met de dikke blanke vingers zijn snor omhoog, en zag op zijn horloge, berekenend hoe lang het duren kon vóór hij antwoord zou hebben op dien brief, dien hij aan den knecht had meegegeven. Op zijn minst een uur, dacht hij, en ’t was nou half negen, en langzaam slenterde hij naar den Scheveningschen weg.

Toen, in eens, voelde hij een hand op zijn schouder:

„Wel Narretje, dat is ook niet van gisteren dat wij elkaar gezien hebben! Hoe staat het leven?”

„Gut Maarten! Ik wist waarachtig niet wie me daar bij dien ouwen schooljongensnaam riep! Hoe heb je dien nog onthoûen?”

Zij stonden voor elkaar, Maarten van Hervoren en Bernard en schudden elkaar hartelijk de hand.

„Natuurlijk, die ouwe namen en dingen vergeet je nooit. Op weg naar Scheveningen?”

„Nee, ik maak maar zoo’n loopje, ga mee naar de Promenade ’n pousse drinken, en vertel me waar je uithangt tegenwoordig.”

En onder het oploopen vertelden zij elkaar hun leven sinds den tijd dat zij elkaar gekend hadden op de schoolbanken en later in de vakanties thuis.

„En dus, je hebt voor goed je anker hier neergelegd?” zeide Bernard.

„O! dat weet ik nog niet. Misschien neem ik m’n wandelstaf nog wel weer es op. Maar op ’t oogenblik bevalt het me hier best. Weet je wat het is? Geld kun je hier niet maken, en de opvattingen zijn hier in ’t land dikwijls erg klein en bekrompen, maar je leeft hier in Europa toch intenser dan in de nieuwe landen. Ik ben den laatsten tijd vreeselijk veel belang gaan stellen in de groote puzzles van onze maatschappij.—Mijn moeder was er zoo mee vervuld en die laatste maanden met haar hebben er me eigenlijk de oogen voor geopend.—Natuurlijk in jonge landen heb je ook dezelfde vraagstukken min of meer; overal heb je partijgekibbel en is er eén gedeelte van de menschen dat vooruit wil, en den boel beter maken en een ander dat alles precies wil hoûen zooals ’t is. Maar hier in het ouwe Europa is alles zoo veel gecompliceerder en dus moeielijker interessanter, diepzinniger, schilderachtiger, als men ’t zoo mag uitdrukken. O! het passionneert me hier wezenlijk!”

„Zoo, ben jij ook al beet gepakt? ’t Is net ’n aanstekelijke ziekte tegenwoordig, dat geleuter over sociale vragen! En nou zit je natuurlijk tot over de ooren in enquêtes, werkstakingen, vrouwenemancipatie, kiesrecht, arbeiderswoningen, anarchisme, socialisme, gemeenschapskunst, vredebonden, godsdienstcongressen, vrije liefde, vegetarisme en god-weet-wat!”

Bernard had het heel uit de hoogte gezegd, op elk woord drukkend, met een kleinen ironischen klemtoon, die tergend werd bij de lange opsomming, en sterker uitdrukte dan eenig betoog, dat hij, als ontwikkeld man, op de hoogte van zijn tijd, de namen der kwesties kende, maar tegenover al de vragen zelf, volkomen onverschillig stond.

Maar Hervoren scheen het niet te merken.

„Waarachtig zit ik er tot over de ooren in! Ik ben er als een razende Roland op afgestormd en nou sleept het me van zelf mee! Het zijn allemaal zulke ontzettend lastige problemen, en de strijd zal hoe langer hoe heftiger worden. We gaan geweldige tijden tegemoet ....”

„Geloof je?”

„Ik ben er zeker van! Maar waar zit jij tegenwoordig?”

„In Londen, secretaris bij de legatie, en ik kan het er best uithoûen! Verleden nog die gloeiende feesten van ’t huwelijk van prinses Mary mee gemaakt, prachtig en ....” Maar ineens hield hij op, onder een zonderling sterken aandrang plotseling om te spreken over dien brief waar hij den knecht juist mee had weggestuurd en waarop hij straks het antwoord zou ontvangen. Het was als een dringende behoefte op eens, die moest worden bevredigd; hij kon er niet meer van zwijgen. „En waarom eigenlijk ook? Wat kwam het er op aan of Maarten, zoo’n ouwe kennis, het ’n beetje eerder dan de anderen wist?”

„En je mag me bijna feliciteeren ook, want ik ben op het punt om le saut périlleux te doen, de groote stap in ’t gevreesde bootje!”

„Jij? .... wel, wel!”

„Ja, vindt je ’t niet verdienstelijk van me dat ik een meisje ga gelukkig maken?”

„Ik vind het .... enorm verbazend. ’k Moet zeggen, ik dacht niet dat je ’t ooit zoover zoudt brengen!”

„Wel, waarom niet? Je moet er toch éens toe komen. Maar waarom vindt je dat zoo verbazend?”

Er was iets in Hervoren’s koel ironische verwondering dat hem hinderde.

„Ik ben pas voor zaken van de fabriek in Parijs geweest en daar hebben ze me juist nog stukjes van je verteld die .... nou, niet precies lieten denken dat je trouwplannen had!”

„Van wie heb je dat gehoord?”

„Wel van van Praege, daar was je immers mee? en in Parijs van d’Aréchal en du Plessiz en al de anderen ....”

Cranz lachte met een paar leelijke grimassen, half spottend, half verlegen.

„Nou ja, iedereen heeft wel es iets op z’n kerfstok, en toen kende ik haar ook nog niet; ik ben over Parijs hierheen gekomen.”

„Heeft ze ouders?”

„Om naar me te informeeren?” spotte Cranz, inwendig kwaad, omdat hij achter Maarten’s woorden afkeuring voelde. „Nee, ze heeft geen ouders meer en haar oom zal blij zijn dat ie ze met goed fatsoen kwijt raakt ....”

Maar toen geprikkeld door Maarten’s kille zwijgen, dat hem ergerde omdat het in de plaats kwam van de gewone nieuwsgierige sympathie waarmee men onder oude kennissen elkaars avonturen behoort aan te hooren, begon hij opeens wat door te slaan:

„Nee, ik hoef niet bang te zijn dat iemand zich zal vermoeien om achter mijn geheimpjes te komen, en als zij zelf ooit iets van die geschiedenissen te weten kwam—maar vrouwen komen nooit achter zulke dingen—dan is het nog niks! Je weet niet wat wij zondaars ’n boel vóór hebben bij de dames boven de brave jongetjes. Als je ze maar kunt wijsmaken dat je eerst in de macht van de zonde verstrikt was, maar door haar invloed den weg naar den hemel hebt gevonden—en dat gelooven ze allemaal dadelijk—dan vergeven ze je alles. Dat is de eenvoudige reden dat je zoo dikwijls de grootste losbollen met de ernstigste meisjes ziet trouwen en dat je de strengste matrones haar mannen, die ’t zoo nauw niet nemen met de huwelijkstrouw, altijd weer in genade ziet aannemen. Als je ze maar telkens handig genoeg kunt inprenten dat je verloren gaat als ze je laten loopen, kun je bij de vrouwtjes vergiffenis krijgen voor alles en au fond hebben ze nog ’n speciaal zwakje voor le pauvre pécheur! Dat is het duiveltje van de reddende-engeltje-spelen-ijdelheid, voor ons ’n patente bondgenoot.”

Maarten liep zwijgend voort, zenuwachtig op zijn snor bijtend, en met zijn gewone tic, als hij nadacht, zijn rechter oog uitwrijvend. Toen vroeg hij onverschillig beleefd:

„En wie is het meisje, dat je op die manier gelukkig wilt gaan maken?”

„Freule van Suylenburg, die bij de van Starren’s in huis is.”

Maarten zag in eens op zijn horloge, haastig, en bleef staan aan ’t hek van de Promenade:

„Sinds wanneer ben je dan eigenlijk geëngageerd?”

„Ik ben nog niet geëngageerd, kerel. Ik wacht vanavond pas haar antwoord.”

„En ben je daar zoo zeker van?”

„Ik heb straks, toen ik den brief wegzond geprobeerd om heel angstig te voelen, en ik weet wel dat ik nou bleek en van onrust bevend moest rondloopen, maar ik kan het niet helpen, ik voel me erg akelig en onpoëtisch bedaard. Ik begrijp niet waarom ze me niet zou aannemen?”

„Baron Cranz van Rozenhagen is geen partij die men zoo maar afslaat, nietwaar?”

„Nou ja, entre nous, er zijn er wel slechtere, en of ze nou erg dol op me is, weet ik niet, daar kun je met die lieve welopgevoede huichelaarstertjes nooit achter komen: die ze het liefst behandelen, hoûen ze soms voor de gek en soms zijn ze stug tegen dengeen waar ze ’t mee meenen, maar de liefde zal later wel komen, dat komt wel terecht, en wat voor reden zou ze eigenlijk hebben, om me te bedanken? Maar hoe staat het met jou? Heb jij nog geen brave plannen?”

„O!—Nee!” Maarten zei het heftig, met een verren strakken blik, die zijn lichte oogen bijna zwart maakte, doordat alleen de pupil tusschen de toegeknepen oogleden zichtbaar was—„maar als ik ooit trouw, verzeker ik je dat ik geen vrouw ga zoeken onder de freuletjes, die op ’n goeie partij zitten te wachten! Ik denk dat ik nog es zoo’n arm naaistertje zal nemen, dat jaar in jaar uit heldhaftig liever voor bloedgeld zit te pikken dan zich makkelijk te laten onderhoûen door den een of den ander.”

„Allemachtig, wat ’n rooie illusies! Nou ieder zijn smaak! Maar ga toch zitten. Wat wil je hebben? ....”

„Dank je, ’t spijt me, maar ik moet je in de steek laten; ik had bijna vergeten dat ik straks iemand moest gaan spreken. Bonjour, tot plezier. Daar is net de tram.”

En Hervoren holde de trapjes van de Promenade af en sprong met een behendige beweging van zijn lang lenig lichaam op de voorbijkomende tram en Cranz, vóór hij het goed besefte, zag hem op de platform achter het traliehek wegglijden en verdwijnen in de groene, donkere massa van den weg.