Part 13
„Frank, zeg toch zulke dingen niet! Was dat niet juist het heerlijke in onze liefde, dat als we thuis kwamen, moe en ziek van al het wreede, lage, booze dat in de wereld is, we toch zeker wisten, dat er ergens op die wereld een mensch leefde, die in groote liefde aan ons dacht en in wien we gelooven konden met een vroom hoog opzien! Je weet niet hoe dikwijls me de gedachte getroost heeft, dat je groot en sterk waart! Als ik wist dat je die vrouw mishandelde zou ik rampzaliger zijn dan ik nog ooit geweest ben! Maar je meent het niet, je bent er niet toe in staat.”
„Misschien niet! Maar wat wil je dan toch in Godsnaam! Moeten we er ons maar kalmpjes bij neerleggen en ons prachtige geluk zoo lamlendig opgeven?”
„O! Frank!” riep ze in een korten, tranenloozen snik. „Je maakt het me zoo zwaar! Ja, we moeten geduld hebben. Die vrouw zal toch wel ééns toegeven. Daar kunnen allerlei omstandigheden komen,.... ik weet niet,.... je moet blijven aandringen, ze kan toch onmogelijk haar weigeren volhoûen....”
„Waarom niet? Ze kan ons geduld immers nog jarenlang tergen. En ik wil geen geduld meer hebben! Zie je dan niet dat het me krankzinnig maakt als ik zoo voort moet leven? O! je hebt misschien groot gelijk dat je weggaan valsch zou worden uitgelegd en dat het daardoor aan een boel vrouwen kwaad zou doen! Maar als je mij liefhadt zou je niet om al die vreemden geven. Wat kan haar ellende in vergelijking met de onze zijn? Cora, zoolang je je liefde niet boven dat alles stelt, geloof ik dat ze een leugen is.”
Zij kromp ineen, met een stijve beweging harer armen hem afwerend, toen hij hartstochtelijk zich over haar heen boog. Het was het groote gevaarlijke woord, dat sinds eeuwen vrouwen zwak heeft gemaakt. Want de vrouw die liefheeft kan beter alles verdragen, dan dat er getwijfeld wordt aan wat zij op dat oogenblik het sterkst, het heiligst in zich voelt. Op eens ging er brandende koortstgloed door haar lichaam, een krankzinnig verlangen om hem te toonen, dat zij hem wèl lief had:
„Frank!....”
Maar toen in eens, in een krampachtig samentrekken van haar wil, in het besef dat het uiterste moment dààr was en zwakheid niet zijn mocht, zeide ze met een vreemde stem, snijdend van ironie:
„Dat is een theaterphrase, Frank, waar de premier amoureux gewoon is de jeune première mee te vangen. Als je werkelijk aan mijn liefde twijfelt, ga dan maar weg.”
In een oogwenk lag hij geknield voor haar neer, haar handen bedekkend met kussen:
„Vergeef me, Cora! Maar het is zoo vreeselijk geen uitweg te vinden!”
„Vaarwel!” zeide zij zacht, nog bleeker wordend, terwijl zij langzaam opstond.
Verder spraken zij niet meer. Hij had haar in zijn armen genomen, en zij met een reine beweging van overgave had haar hoofdje tegen zijn borst gelegd, en een oogenblik schreiden zij zoo samen. Nog nooit als bij deze eerste omarming hadden zij zoo fel het peillooze wee van hun verlangen en eenzaam-zijn gevoeld en toch was er weelde in dit zwaar lijden samen. Toen nam hij haar hoofd voorzichtig tusschen zijn beide handen en kuste even het koude voorhoofd en was weggegaan vóór zij het vermoedde.
Den volgenden morgen al vroeg stond Marguérite van Arkel voor Corona’s bed.
„Wat is er Maggy? O! wee, heb ik me verslapen? Hoe laat is het al?” Zij schrok wakker, nog half bedwelmd door den zwaren morgenslaap, die volgt op een nacht van groote uitputting.
„Nee, rustig maar kindje, ’t is pas zes uur, en Marijken wou je juist gaan roepen. Maar ik kwam even naar je kijken. Ik heb vannacht zoo ontzettend met je mee geleden! Hoe is het gegaan Cora mia?”
Corona richtte zich half overeind, steunend op haar elleboog, en zag op tot Marguérite, de dof vermoeide oogen vol leedschaduwen. Toen zeide ze met vaag klanklooze stem als of ze met haar gedachten ver weg was: „Hoe het gegaan is, Maggy? Slecht, heel slecht, Maggy, heel slecht!”
„Hoe bedoel je dat?” zeide Marguérite angstig.
„Het kon niet anders, het beslissende oogenblik was gekomen en we hebben een rampzalige explicatie gehad. Hij wou me mee nemen, en niettegenstaande alle conventies gelukkig zijn, en hij had gelijk! en ik wou niet met hem mee gaan en iedereen teleurstellen, en ik had ook gelijk! En van de twee heb ik helaas getriomfeerd?”
„Goddank!” zeide Marguérite.
Corona liet zich weer achterover vallen in bed in een beweging van moedeloosheid en bitter vroeg zij:
„Och, waarom? Niemand is onmisbaar!”
„Cora! Schaam je je niet! Jij hebt me zelf de les vol raadsels ingeprent, dat niemand onmisbaar is en dat toch ieder een zware verantwoordelijkheid is opgelegd. Heb je me niet dikwijls gezegd hoe je geloofde dat ieder van ons bewust of onbewust een partij in ’t groote wereldconcert heeft te vervullen, al was het ook maar eén enkele vioolstreek of paukenslag en dat ieder, die iets begrepen heeft van die taak van medespeler in het wonderbare geheel, en eerlijk zijn gewetensdrang volgt, die partij ook op zich zal nemen al zou het hem alles kosten!”
Een moe glimlachje schemerde even over Corona’s gezicht. Het was haar een vreemde satisfactie, Frank’s argument van gisterenavond nu zelf te gebruiken en weerlegd te worden met bijna haar eigen woorden. Toen zuchtte zij lang:
„Ik wou dat ik vandaag maar in bed kon blijven! Zoo den heelen dag, zonder denken, zonder bewust zijn, als of ik dood was. Het is alles zoo afgrijselijk! Toe laat me maar liggen, Maggy!”
Marguérite kende die oogenblikken, waarin het leven zoo zwaar is, dat het ons toeschijnt als of het boven onze krachten gaat om voor een nieuwen dag den smartelijken last weer op te nemen. Zij zette zich neer op den rand van het bed en streelde Corona’s hand.
„Liefste, hoe onverstandig van je! in bed te willen blijven, jij nog wel, die honderden door werken getroost en genezen hebt! Je hebt me verleden immers nog à propos van Mientje van Herkelens gezegd hoe het ongeluk voor zooveel vrouwen juist daarin ligt, dat zij al den tijd hebben om zich in haar leed te koesteren als ’t ware, en te verdiepen, te verdiepen, tot ze er in weg zinken en nooit meer naar de oppervlakte kunnen stijgen! Ik ben heel blij dat je vanmorgen plichten heb, die je wachten, en zieken die je genezen moet en een massa menschen waar je voor denken en handelen en leven moet!” Corona antwoordde niet, maar begon langzaam op te staan en zich te kleeden.
Een poosje zwegen zij. Marguérite was bij het raam gaan zitten op den eenigen stoel die er was, want het kamertje was klein en blijkbaar werd het alleen gebruikt om in den kortst mogelijken tijd door slaap en koud water de verbruikte krachten te herwinnen.
„Cora!” zeide Marguérite aarzelend. „Ik begrijp heel goed dat jullie erg ongelukkig bent, maar, misschien is het toch eigenlijk maar een wachttijd. Als Frank veel geld heeft verdiend, kan ie die vrouw misschien wel afkoopen, ik bedoel haar een groote som beloven als zij scheiden wil. En als zij maar ééns wil, zijn er wel middelen te vinden om een scheiding gedaan te krijgen!”
„Misschien wel,” zeide Corona mat, nog te veel geslagen om er in te gelooven. Toen legde ze op eens de kam neer en stond voor Maggy, de zwartzijden haren neerstroomend aan beide kanten van haar hoofd als nonnensluiers die het bleeke gezichtje nog witter maakten:
„Maggy, weet je wat ik daar denk?”
„Nee, wat dan?”
„Dit is de formule die we gezocht hebben voor vrouwenemancipatie: De vrouw hebbe het recht om mee te werken aan de wetten die eenmaal op haar leven en dat van haar zusters en dochters een beslissenden invloed kunnen uitoefenen!”
„De formule is niet goed,” zeide Marguérite. „Want ze geeft alleen maar ’n klein gedeelte van ons streven terug.”
„Dat is ook zoo, maar mij dunkt dat dit toch wel, voor de menschheid, één van de groote weldaden er van zal zijn! Als je wist in hoeveel huishoudens ik kom, onder alle standen, waar betere echtscheidingswetten, een redding van zedelijkheid en waardigheid zouden zijn geweest, als je al het leed kondt zien, al de zonde, zooals ik ze van nabij heb gezien, voortkomende uit dat onverbreekbaar saamverbonden zijn van twee levende elementen, die niet meer door den tooverband van affectie zijn vereenigd, dan zou je ook zeggen ..... enfin, en dan nog al de andere verouderde wetten, die betrekking hebben op onzen rechtstoestand ..... Geloof je niet, dat, als er vrouwen-kiezers, vrouwen-afgevaardigden waren, die hadden zien lijden of zelf hadden geleden, zooals ik het heb gezien en gedaan, er heel wat flinker zou worden aangepakt om de toestanden te verbeteren?”
„Natuurlijk,” zeide Marguérite, glimlachend, „ik geloof zelfs dat als de wetgevers bijvoorbeeld alleen uit vrouwen bestonden, er veel te gauw aangepakt zou worden. In de meesten van ons zit iets van de Hollandsche huisvrouw, die, als ze wat stof op een meubel ziet, en zoo gauw geen stofdoek bij de hand heeft, haar zakdoek of schort zal gebruiken, gehoorzaam aan het instinkt om elke onreinheid onmiddellijk te verwijderen. Moreel zouden wij dat ook doen en onder onze absolute heerschappij zou dus de wereld zelfs misschien veel te hard vooruitloopen, bijna op hol gaan.”
„Maar daarom ook is immers een bestuur bestaande alleen uit vrouwen of alleen uit mannen, altijd nadeelig voor de gemeenschap!” zeide Corona. „Physiek zijn man en vrouw twee equivalente deelen van het menschtype, nietwaar? Zij zijn precies gelijk, de een kan zonder de andere niet voortbrengen, alleen door hun vereeniging blijft het ras in stand en is er een toekomst mogelijk. En die zelfde wet geldt ook, moet gelden in de moreele en maatschappelijke verhoudingen. Alles wat tot stand komt door samenwerking van mannen en vrouwen moet noodwendig vruchtbaarder, rechtvaardiger, evenwichtiger zijn, dan wat een van de beide geslachten alleen heeft gedaan.”
„Getuige ons wetboek!” riep Marguérite. „Maar er is immers ’n commissie bezig geweest het te herzien, nietwaar?”
„Ja, een commissie! ....” antwoordde Corona met voor het eerst iets als een lach. „In 1880 is die aangesteld, maar ik hoor dat die herziening niet veel verbetering behelst en wanneer zal dat ontwerp eindelijk es in behandeling komen?”
Beiden zwegen een lange poos, terwijl Marguérite zich in stilte verheugde dat zij gekomen was, en Corona had kunnen opwekken uit haar eerste diepe neerslachtigheid. Zoodra zij zich maar weer kon verdiepen in die vragen, waaraan zij haar leven gewijd had, zou ze weer meester zijn over haar eigen leed. Niets is zoo machtig om eigen smart op den achtergrond te dringen als het zich hartstochtelijk absorbeeren in een groot algemeen belang. Het werkt als een hefboom, ons oprichtend uit de diepten van zelfmedelijden en zelfzuchtig neerzitten. Dankbaar zag Marguérite hoe langzamerhand onder het voortdenken, Corona’s loome lusteloosheid verdween en de oude rustige veerkracht in hare bewegingen terugkeerde.
„Weet je wel Maggy,” zeide Corona eindelijk, „dat over vijftig jaar de heele wereld zal lachen om al dit geschrijf en gepraat voor en tegen de vrouwenemancipatie. Het jongere geslacht zal er niets meer van begrijpen, en het zal er om lachen, zooals wij nou zoûen lachen als er brochures en boeken vol werden geschreven om te bewijzen dat ’n huisgezin waar een lieve intelligente moeder de zorgen voor haar kinderen met den vader deelt, oneindig completer, gelukkiger moet zijn dan eén waar zoo’n moeder ontbreekt. En dan te denken dat het nog zooveel moeite kost om de menschen te laten begrijpen, dat het in het groote huishouden van den staat of van de gemeente precies hetzelfde is!”
Corona was klaar en samen, de armen om elkaar heengestrengeld, terwijl Marguérite, die zooveel kleiner was, haar hoofd op Corona’s schouder liet rusten, daalden zij de trappen af naar de smalle ontbijtkamer beneden.
Het was de houding die kostschoolmeisjes zoo gaarne aannemen, een houding van teederheid en vertrouwen, waarbij gewichtige kleine geheimen zoo makkelijk worden uitgesproken; en Cora en Maggy, van af die eerste tijden van haar vriendschap, toen zij zooveel jonger waren en deze omstrengeling voor haar weinig expansieve naturen een groote liefkoozing beteekende, hadden zich aangewend om dikwijls zoo te loopen. Iets van veiligheid en troost lag er in, om steunend op elkaar, zoo samen voort te gaan.
Ottilie van Heemeren lag uitgestrekt op de rustbank in haar boudoir en telde de geschilderde bladeren van den rand van het plafond. Het regende dien morgen, zoodat zij haar plan had moeten opgeven om naar het strand te gaan, waar zij wist dat zij van Smaarth zou ontmoeten. Een oogenblik richtte zij zich op: Zou ze toch maar gaan? Met den dikken wollen regenmantel? Zij zag naar de lucht, een vale hemel vol grijze waterdampen, waaruit het eindeloos scheen te zullen neerstroomen; zelfs de bontvroolijke kamer, met al haar weeldegeschitter, zag er kil uit op dit oogenblik, en zuchtend liet zij zich weer neervallen. Zij trachtte zich nu het strand voor te stellen, zooals het er uit moest zien, de effen geelgrijze lucht en daaronder het woelende water, koud, grijs met zwarte strepen, en hier en daar een witte schuimkop, die schuim, die in de zon zoo lachend kon schitteren en dansen, maar bij zulk weer angstig opfladderde als voortgejaagde schimmen. De natkoude wind en de druipende stoelen op hoopen bijeen gezet en hier en daar ’n badgast, die door de uiterste verveling gedreven of door aandoenlijke gehoorzaamheid aan het woord van den dokter, om toch zooveel mogelijk van de zeelucht te profiteeren, zich onder oude verschoten mantels en sjaals heeft bedolven, en verkleumd en verwonderd den voorbijganger aanstaart. Huiverend rekte ze zich uit op de sofa: „’n mooie plaats om te flirten, zoo’n druipnat strand! Misschien is van Smaarth ook wel zoo wijs geweest om niet te gaan! Maar hij zal het niet hebben durven laten om de mogelijkheid dat het weer opklaarde, en ik toch nog kwam. Poor fool! pauvre petiot: onder zulk weer samen alleen op het strand zou toch wel wat heel compromettant zijn geweest! Als ie dat niet begrepen heeft moet ie voor z’n straf ook maar ’n paar natte uurtjes op de uitkijk staan!”
Zij glimlachte, het wreede sfinxenlachje. De dwaze figuur van dien wachtenden minnaar onder een parapluie verdreef een oogenblik de drukkende verveling. Toen begon ze weer onwillekeurig de bladeren op het plafond te tellen: dertien, veertien, vijftien! Maar waar moest dat romannetje met Johnie nou toch eigenlijk op uit loopen? „Soms geloof ik, dat het hem ernst begint te worden. Wat heeft ie zacht krulhaar en vreemde oogen! Dat is zijn charme, geloof ik, die donkere, vreemde oogen.”
Zij stond op en liep doelloos door de kamer, de handen op den rug. „Zou het dan eeuwig blijven regenen? O! dat gevoel van namelooze verveling! Zij nam haar boek op, dat half opengesneden was: „Mensonges” van Bourget. Maar dadelijk legde ze het weer neer. Er was iets in de volkomen, en toch bijna onbewuste demoralisatie dier Susanne Moraine, dat haar dien morgen ondragelijk was. De beschrijving der verfijnde dierlijkheid, van het als ’t ware spelend neerzinken dezer vrouw, tot de uiterste depravatie, maakte haar zenuwachtig. Er spatten vonken uit, verlichtend dingen in haar eigen leven, die zij liever in donker liet. En weer liet ze zich achterover vallen op de rustbank. Het was de gewone geschiedenis: door lusteloosheid kwam ze tot nietsdoen en door nietsdoen werd de lusteloosheid hoe langer hoe drukkender. En wat zou ze ook doen? Een oogenblik nog kwamen er een paar grappige gedachten, zooals door regenwolken een valsch waterzonnetje breekt; maar voor wie gewend zijn met haar geest te schitteren in een kring van vleiende bewondering, is er weinig aantrekkelijks in om geestige dingen te bedenken in eenzaamheid. Weer daalde verveling op haar neer, grijze, oneindige, en juist haar intellectueele gaven en de bloeiende gezondheid van haar jong lichaam, maakten die nog gevaarlijker, omdat zij de doffe uren opvulden met hartstochtelijke verlangens naar leven en genieten, zooals zij nog nooit geleefd en genoten had. Dat genieten, zooals zij het zich nu voorstelde, alleen korte oogenblikken kan geven van koortsigen gelukswaan, zonder bevrediging, zonder verzadiging zelfs, waarna het ontwaken komt vol desillusie-bitterheid, en dat levensvoldaanheid alleen wordt geboren uit ernstig arbeiden voor iets dat ons lief is, dat ons met bezieling vervult, waren waarheden, die niet in het bereik lagen dier jonge vrouw, nog in den bacchantenroes harer ijdelheid. Als madame Bovary, en al hare zusters over de geheele aarde, een druk vroolijk huishouden van tien kinderen hadden gehad, of zich aan de zieken van haar man hadden gewijd, of uit armoede hadden moeten les geven aan de dorpsschool, zouden zij hoogst waarschijnlijk niet gezondigd hebben. Eerst een gewone meisjesopvoeding, waarbij, door het stelselmatig eenzijdig ontwikkelen van het gevoelsleven alleen, het natuurlijk evenwicht wordt verbroken tusschen verbeelding en logisch beschouwen, daarna een bestaan zonder doel, zonder werk, waarop de volwassen levenskrachten kunnen worden geconcentreerd, is het wonder dat zoovele vrouwen de holheid van haar bestaan trachten op te vullen met de prikkelende emoties van ongeoorloofde verhoudingen?
Een half uur lag Ottilie stil achterover, terwijl de gedachten kwamen en gingen, vluchtig en toch duidelijk zooals in droomen, over briefjes die zij schrijven moest, over een gebroken armband, over vleiwoorden, die men haar gezegd had, over van Smaarth, over het nieuw zijden kleed, blauw met Brusselsche kanten, voor Valérie Vermaezen’s bruiloft, over een zelfmoord in de courant, over Rooselaar’s hardnekkige blindheid om niet te zien dat Corry met hem speelde, allemaal onderwerpen geschikt om met kennissen uren lang te bepraten, maar armzalig gezelschap op een regenmorgen, alleen. Soms met een loomen armbeweging nam zij een bonbon van het tafeltje naast haar, fondants met liqueur er in. Het was verbazend hoeveel zij den laatsten tijd daarvan gebruikt had. Maar dit voorjaar, nu de maalstroom van amusementen wat bedaard was, waren er zooveel van die leege uren, en telkens als ze zich verveelde kreeg ze zoo’n flauw hongergevoel, waartegen de liqueur-bonbons moesten helpen.
Eindelijk werd er gebeld. Zij luisterde met kinderachtig verlangen. Zou het maar een leverancier zijn? of ’n afleiding, ’n briefje, ’n visite? Met een gevoel van bevrijding sprong ze op, toen Gladys van Praege en haar beide kinderen even daarna binnen kwamen.
„Hoe gezellig, dat je de kinderen hebt meegebracht! kom je ’n beetje rustig praten? Dag broertje! Hé, wat ’n frissche wangen!”
De kleine Hajo liet zich gewillig kussen en ging naast haar op de sofa zitten, vertrouwelijk spelend met de ringen van haar linker hand. Kleine Mary stond schuw naast haar moeder en keek scherp onderzoekend naar Ottilies zware zwarte haar.
„Hoe vreeselijk toevallig, dat je vanmorgen juist aankomt?
Ik had je net ’n briefje willen schrijven of je vanavond met je man kwam theedrinken?”
„Mogen we liever een andere avond? Vanmiddag krijg ik juist m’n zuster uit Amerika te logeeren, je weet wel Maud, de oudste, en zoo’n eerste avond zoûen we liever stil samen thuis blijven, dat begrijp je wel, nietwaar?”
„Natuurlijk. Maar hoe heerlijk voor je. Je hebt haar zeker in lang niet gezien?”
„Nee, niet sinds m’n huwelijk. Ze kon nooit overkomen omdat haar betrekking zoo druk is. Je weet ze is eerste geneesheer aan ’t groote hospitaal van Washington. Maar nou heeft ze ’n jaar verlof gevraagd om een beetje op rust te komen en wat van Europa te zien en ze zal nou bij me blijven tot .... de kinderen ’n nieuw broertje of zusje hebben gekregen ....”
„O! .... zoo, zoo .... wel .... dat is heerlijk voor je! Is je zuster al in Engeland?” Een nuance van ironie lag in Ottilie’s stem.
„Ja gisteren heb ik ’n telegram uit Liverpool gekregen, en vanmiddag wacht ik haar hier.”
„En wat zegt je man er van dat je nog zoo’n derde lastpostje gaat krijgen?”
Gladys kleurde even, met een flauwen glimlach; zonder te antwoorden zag zij het raam uit.
„We zijn geen laspossen van mama!” zeide kleine Hajo, haar strak aanziende, ernstig, met ronde verwonderde kinderoogen. „We zijn mama’s Arlis en papa’s laspossen.”
„Mama’s Darlings, meent ie zeker,” legde Gladys uit en weer steeg langs het doorzichtige teint een roode gloedgolf. „En papa noemt ze misschien wel es lastpostjes voor de grap.”
Ottilie lachte. Zij begreep er alles van. Den vorigen avond was van Praege op het Kurhaus bij hen komen zitten; zij hadden zich uitstekend samen geamuseerd, en zij kon het niet helpen, zij lachte, zij vond er iets belachelijks in, dat dat naïeve schepseltje daar nog zat te probeeren om de hoe langer hoe duidelijker wordende scheuren te bedekken van de bouwvallen van haar huisgeluk.
En terwijl Gladys, in de blijheid van haar zusterweerzien voortsprak, levendiger dan gewoonlijk, zat Ottilie met haar raadselglimlach en koude oogen, en nam het blonde kopje in koele analyse op, zich afvragend, waarom zulk een bekoorlijk vrouwtje, dat zooveel bewonderaars kon krijgen als ze wilde, haar man bleef voorspreken en treurend bij de kinderen thuis zat, in plaats van zich van haar kant ook te amuseeren.
Hoe dat amuseer-leven haar zelf juist nog een oogenblik te voren tot vervelingswanhoop had gebracht scheen ze zich niet meer te herinneren, en zoo als allen, die gewend zijn weinig na te denken en naar een enkel individu een tallooze massa te beoordeelen, trok ze in stilte haar conclusie: „Wat zijn die Amerikaansche vrouwen toch onnoozel!”
Gladys stond op. „Nou kinderen, nog gauw ’n boodschap in de Pooten en dan naar huis.”
„Mag ik dit boek nog even uitzien?” zeide Mary. Zij was verdiept in Flora’s Feast van Crane en haar kleine feeënziel scheen geboeid door den feeëndans der bloemen. Een vreemd teer kind was Mary met intuïtief begrijpen van dingen, veel te zwaar voor haar klein-kinderziel van zeven jaren, die zich schuw droef soms kromde onder het gewicht van haar voelen. Gladys was dikwijls angstig over haar; er was een uitdrukking in de donkere grootdroomende kinderoogen, die haar ’s nachts kon doen opstaan om te zien of alles wèl was in het witte ledikantje en nooit zonder een gevoel van dankbaarheid zag ze haar lachen en spelen als een gewoon kind.
„Het regent zoo, laat ze maar hier tot je terugkomt, en haal ze dan even aan, je moet toch hier voorbij,” zeide Ottilie.
„Maar zullen ze ’t je niet lastig maken, die kleine kleuters? Wou je erg graag blijven, Mary?”
„O ja, mama, kijk es hoe prachtig! die man schenkt vlammen van de eene tulp in de andere; zeker bloemenvuur dat niet verbrandt, en ziet u es hier, dat engeltje met vleugels van crocusbloemen, dat een zonnestraal opvangt in een crocuskelkje!”
„Prachtig!” zeide Gladys, zich tot haar bukkend met die teere volle belangstelling, waarmede zij alles van haar kinderen tegemoet kwam. „Nou maar tot straks dan; zul je heel zoet zijn broertje?”
„Broer, kom ook es kijken,” riep Mary opgetogen bij een nieuwe bloem.
Maar de kleine jongen, door al het bonte speelgoed, dat hem tegenflonkerde in de tallooze luxevoorwerpjes, opgewonden, stapte rond op zijn kleine stevige beenen, de handjes voorzichtig opgeborgen in zijn zakken, de oogen vol schroomvallige begeerlijkheid.
„Kom es hier!” riep Ottilie, „kijk es wat ik hier heb!” En terwijl zij zich lachend in een laag satijnen fauteuiltje liet zakken, hield zij hem een van die karikatuurachtige Japansch-porceleinen poppen tegen, die met hun hoofd kunnen knikken en de tong uitsteken.