Part 9
--Eilace, wellieve heere Gawein! Tooverscaec zoekt gij bij mij? Maar weet gij dan niet, dat alle toovermacht ontzonk aan Koning Wonder? Dat mijn Wonderland geen Wonder en meer is? Neen, dit Scaec hier is een gewone scaec en ik en zoû geen tooverscaec meer kunnen scheppen en beheerschen! Wat ik kende, is de oude tooverië en, ai mij, de nieuwe toovenaars hebben, wat zij noemen de moderne magië uit gevonden! Weet gij, Merlijn, bij uwen Koning Artur, die is de moderne tooveraar! Ik, lace, en weet niets van zijne conste, die zijn met natuurkrachten bereid, mij en mijnen gelijken nimmer bekend. Merlijn, die verjeugdigt zich, al is hij zoo oud als ik! En dat drukt op knoppen of draait aan sturen en dat vliegt door het geluchte of verlicht geheele burchten of doorschicht geheele foreesten en donkere wolkstapelingen en dat is Wonder, werkelijk Wonder, mijn wellieve Gawein, onbegrijpelijk met mijn armen geeste! En wat ik nog wist te maken: tooverbedden, waarin gewonde ridder genas, wonderboomen van rooden goud, waarop de vogelkijns zingende vlerken uitslaan--ik zeg u in gemoede: dat gebeurde door mannen-met-blaasbalgen, die onder een duwiere den hollen boom wind toe joegen en zoo de vogelkijns zingen deden--dat maakt Merlijn, met Zwevende Scaecken, nu veel beter dan ik; dat is hèm kinderspel, spelleconstjes, aardigheidjes, meer niet: vooral een Zwevende Scaec--des ben ik overtuigd--zal hij nu ook veel beter vermogen te maken dan ik het ooit vermocht! Gawein, lieve Gawein, ziet gij dan niet, dat ik krank ben van mijne onkunde geworden, dat ik in troostelooze moede ben, trots al mijn hof, dat jolijt drijft om mij rond, om mij vergeten te doen? Gawein, lace Gawein, ziet gij dan niet, dat de oude Koning Mirakel sterft, omdat de nieuwe mirakelen door de geluchten zweven en wij, o wacharme, hen niet en weten?
Toen knielde op nieuw Gawein bij den zieken Koning en hij zeide:
--Mijn wellieve heere Koning Wonder, zoo ik niet en vroeg of gij krank waart, zijt des gewes! liet ik dit na uit bescheidenheid. Laat mij u wenschen beterschap toe en zeggen wat mijn gedachte is. Merlijn is een knappe tooveraar maar hij is alleenlijk jong in den morgen en oud in de nacht en als hij eens des avonds sterft, zal dit zijn omdat zijn tooverconste overheerscht wordt door die natuurkracht. Maar het Wonder, dat Wonder was, zal het blijven als wij het Wonder voelen in ons harte als ik het voel, o mijn heere! die het Zwevende Scaec dit maal toch niet vind tusschen u en uw prins staan....
De zieke Koning richtte zich half op, verrast. Hij glimlachte en zag Gawein in diens groote, bruine oogen. Hij legde zijne handen op Gaweins schouders. Hij zeide niets maar hij was geroerd en toen hij daarna zijn blik weidde over zijne baroenen en hunne edelvrouwen--wijven en dochteren--zag hij onder den glimlach van hun hoofsche doen den Twijfel en het Ongeloof schemeren en had er Gawein liever om.
* * * * *
Al was Koning Mirakel van Wonderland krank en droef te moede omdat hij geen modern toovenaar was, aan zijn hof heerschte nog vele vreugde, waar niemand zich scheen aan te trekken, dat de Koning zulke vernoye had en pijn van zwaarmoedigheid. En nu de blijde bellen sprenkelden heldere klanken tot nooden aan den disch, voerden edelknapen Gawein en zijn Amadijs naar een kemenade, waar zij zich zouden verkleeden. De knapen brachten de feestkleederen, zoo als die steeds in alle burchten klaar lagen voor ridderen, die aan kwamen dolen en wie hen vergezelden en boden hunne diensten aan. Maar Gawein, denkende aan Amadijs, die eigenlijk Alliene was, verzekerde hun, dat hij genoeg had aan zijns eigenen schildknapen hulp, en hij bleef met Alliene, liever, met Amadijs alleen.
Toen zag Gawein om zich rond en zeide en wees:
--Wellieve Amadijs, mijn schoone knape, zie deze kemenade; ik ken haar van Destijds en op dit tooverbedde heb ik geslapen, nadat ik met de draken gekampt had, de moederdrake en de vier felle serpentenjongen en in minder dan een nacht was ik genezen van mijne wonden. Maar sedert heeft Merlijn het geheim ontdekt tooverbedden te maken, waar de gewonde ridder in minder dan zes uren van zijne wonden geneest: zoo een hebben wij te Camelot en daarom is Koning Wonder onvroô te moede.
En Gawein toonde Amadijs het bedde. De vier pilaren van het ledekant waren van fijn, rood goud en de sponde was van gebeeldhouwd ivoor en op den hemel, waarvan de gordijnen van geel damast af vielen, zaten vier gouden engelen aan de vier hoeken en zongen, sedert de edelknapen de gasten hadden binnen geleid.
--De engelen zingen niet zuiver meer, zeide Gawein. Bet is het, dat wij ze doen zwijgen. Hij poogde den knop te draaien, die een der engelen kon doen zwijgen en met een knars zweeg de engel ook stil; toen deed Gawein zwijgen de andere drie.
--Wat er zingt bij Merlijn in zijn burcht, zeide Gawein; zingt uit groote, gouden kelken en dunkt mij schooner van klank. Maar ik heug mij: toen ik tien jaren geleden deze engelen hoorde zingen voor de eerste male, vond ik hunne melodië wel uitermate schoon....
Gawein begon zich te ontgespen.
En hij duldde nu, hoffelijk zich verontschuldigend, dat Amadijs hem hielp, want moeilijk was het wel en hijzelve ontgespte daarna Amadijs. En zij wieschen zich in het bronzen bekken, waarin het water, te pointe koud, te pointe heet, reeds gegoten was en verkleedden zich toen voor het maal met de kleederen, die de edelknapen hadden klaar gelegd. Gawein kleedde zich in een surcoet van roode zijde, die was met hermelijn omzoomd en zijne hozen waren wit en zijne schoenen waren rood wederom, met rooden goud bedropen en hij stond in zijn feestgewaad zóó ernstig en beminnelijk, met het lange, bruine haar, dat glansde als van een vrouw en golvend om zijn breeden nek viel, tot Amadijs ontroerde, terwijl hij--maar Amadijs was Alliene--zich kleedde in bliaut van witte zijde, met sabelbont omzoomd en in roode hozen met wederom witte schoenen, lang van toot, de kort geknipte, geluwe lokken om het even weemoediglijk aanschijn niet minder gouddraadblond dan koninginne Guenevers vlechten. En toen wederom de blijde bellen sprenkelden de klanken tot nooden aan den disch, gingen zij beiden de kemenade uit en in de gangen en gaanderijen verdrongen zich, maar hoofsch, de baroenen en hunne vrouwen en dochteren. In de groote zaal--rijk de wanden gepinghierd met tafereelen uit Koning Wonders eigene tooverjaren--waren de vele tafelen over de schragen gelegd; 's Konings eigene tafel was van rooden goud en de anderen waren van ivoor en kostbare ammelakens werden er over gespreid.
De Koning zoû zich zetten op een zetel, die vroeger ongenaakbaar was voor bliksem en donder en waarin hij ook onaantastbaar was gebleken voor elken vijandigen aanval, maar hij bekende nu zijn gast, strompelend aan diens arm, den prins Alidrisonder ter andere zijde, dat hij niet gaarne meer tijdens tempeest of overrompeling in den zetel ware gebleven.... De toovermacht ervan was versleten, meende de Koning Wonder en schudde bezwaarlijk zijn grauwe lokkenhoofd. Maar Alidrisonder, jeugdig, lachte en meende, dat er eigenlijk geen toovermachten bestonden en dat het alles was werktuigkunde en clerkeconste: zingende engelen, bedde van hygiëne en zetels, onaantastbaar voor bliksemflits of voor donderkeil. Wat de Koning boos deed worden, wankel op zijne zieke beenen aan den arm van zijn lieven gast, heere Gawein, zoo dat Gawein hem verzekeren moest, dat Alidrisonders oordeel dat was van jeugdigen overmoed en dat het Wonder der wondermeesters en des Konings van Wonderland meer was van heilige scienscië dan clerkeconste en wetenschap-van-enghiene waren.... Om welke troostende verzekering Koning Mirakel zeer dankbaar was toen hij Gawein noodde naast hem te zitten op den tooverzetel en met hem te tasten uit één bord van rooden goud en met hem te drinken uit één beker van rooden goud. De stopen van goud stonden her en der op de tafelen voor de gasten gevuld met clareit en met hypocras en met gekruide malvezijen; nappen stonden er menigertiere van goud en zilver en zuiver kristal in vele vormen van sierlijkheid en de edelknapen gingen rond, met, hoog geheven, de zware schalen, waarop de pauwen lagen, staart ontplooid, of dampend, thijm-doorgeurd venizoen, afgewisseld met jong, malsch tam: over de tafelen lagen de kersen geschikt, voor fraaiïgheid en voor snoeperij....
En gouden engelen, in de hoeken der zale, staken trompetten en zongen....
HOOFDSTUK XV
Toen zeide de Koning Wonder tot zijn hoogen gast:
--Heere, zijt te gemake, ik bid u zeer daaromme en neem van wat u gevalt.
Waarop Gawein antwoordde als het behoorde:
--Hier is, hooge vorst, genoeg van alle zaken: niet gebreekt mij, wil mij gelooven; ik ben harde wel te gemake.
Er zaten aan de andere tafelen de baroenen des Wonderrijks: er waren hertogen en graven bij en eene hertogin schertste met Amadijs, dien zij bekoorlijk vond, zoo jong en ernstig en zoo lieflijk bijna als een jonkvrouw.... En Gawein, omziende aan des Konings zijde, verwonderde zich wel, vreemd te moede, want al twijfelden alle die gonen, die daar zaten en aten, aan het Wonder, waarvan hun heer de Koning was, er was geen droefenis om hen: zij lachten en dronken en dreven jolijt ende riveel, en Gawein, in zijn geheimste ziel, meende: als het Wonder niet bestond, of niet van machte meer ware, zoû het geheele Rijk toch weldra vergaan!? Zoo als hij meende, dat het Land van Logres, Koning Arturs rijk, lace, vergaan kon, als ten slotte geen Aventure zich meldde en hij zelve niet slagen zoû in de queste.... Maar zulke gedachten schenen niet om te gaan in dier edelen en schooner vrouwen testoyierende hoofden en Gawein, ernstig, verwonderde zeer en plotseling scheen het hem toe, dat twee gevleugelde geniï met omgekeerde, brandende fakkelen, zweefden tusschen de appele-boomen, zichtbaar door de bogen der zale en toen binnen zweefden over de zorgelooze gasten in de burchtzale van den Mirakele....
Maar tal van knapen staken tal van toortijtsen en stallichten aan op gouden kandelaren en zij gingen om met bekkens van goud en kannen van goud en schonken het geurige water en boden de dwale om zich de vingers te drogen. Maar den Koning was het hoofd op de borst gezonken; hij sliep, moede en uitgeput, want hij wist het nieuwe Wonder niet meer en Gawein begreep, dat hij het Zwevende Scaec dit maal niet bij Koning Wonder vinden zoû.
Toen het feestmaal ten einde was, gingen de gasten zich divertieren in de vergieren in amoereuzelijke vië ende jolijt en zag Amadijs, dat Gawein zich verloor met de edelvrouw van het leliewitte schoothondje, tusschen de boomstammen door der bongerds, in de welwillende schaduwen, die als donker fulpen pauwillioenen waren....
Amadijs bespeurde het met een schok zijns harten en vluchtte toen voor de hertogin, die hem naderde met een bescheiden geruisch van haar kleed van sindaal. En hij vluchtte naar de kemenade en legde zich, alleen, op het wonderbed, dat vroeger de gewonde ridders genas in vier-en-twintig uren. Maar dat nu van weinig waarde geworden was, want zelfs na zes-en-dertig uren slapens genazen er lijfsgevaarlijke wonden niet te allen deele. En Amadijs legde er zich ruggelings alleene op en omdat hij alleene was, en alleene bleef, nam hij Gaweins breed zwaard-in-scheede, drukte dat tegen de borst en bedacht of het wonderbed nog kracht genoeg in had om van minne te doen genezen, die stak met pijlen van pijne....
* * * * *
Den volgenden morgen namen Gawein en Amadijs, gewapend, afscheid van Koning Wonder en van zijn jolijselijk hof. Wonder omhelsde Gawein zeer innig en zeide, dat het zeker de laatste male was, dat hij den dapperen wigant zoû hebben aanschouwd want dat hij zich sterven gevoelde, omdat, lace, het nieuwe Wonder niet meer was van zijn weten.
En Gawein sprak hem troost toe, zoo als hij vermocht.
Toen reden ridder en schildknaap--maar weet wel, die was Alliene, o lezer!--de rivier langs; zij verdwaalden en Gawein, die bespiedde of niet wederom Aventuur hem zoû ontmoeten, zeide:
--Mijn welschoone knape, Amadijs, Aventuur ontmoet niet meer iederen dag van zijn queste den dolenden ridder, schijnt het; vermoedelijk is het beducht geworden telken male zich te openbaren op dezen gladden weg, dien ik meer dan een maand geleden ben afgëijld in Morgueine's tooverwagen. Geerne echter hadde ik ontmoet een ridder, niet al te feloenig en dien ik, om welke reden ook, had moeten bekampen en dan had overwonnen maar niet verslagen, want ik had hem geerne gezonden op eerewoord naar mijn Konings Arturs hove, naar Camelot, opdat hij zoude melden van Didoneel en van Mordret, want hun dood ligt mij zwaar op het harte. Nu weet, lace, de Koning, nog niet en ietwat van deze droeve Aventure! En uzelve, zoo jong en teeder, wage ik niet te vragen alleen te gaan tot Camelot en ook vreeze ik des Konings gramschap voor u, zoo gij hem meldt, dat twee zijner dierbaarste ridderen keytieven waren, verholen voor aller oogen en nu dood liggen, begraven op kerkhove bij de kapelle. Daarom, laten wij samen dolen; allicht zweeft het Scaec weêr op, in het gelucht, gelijk een leeuwrik, en licht ons voor, waar wij het vangen kunnen....
En zij doolden door het woud, samen. Het woud werd ontzaglijk wijd, de zware eikenboomen stonden er reusachtig met eeuwoude stammen en knoestig verwrongen tronken en lieten door hunne zware bladerenweefsels nauwelijks lichtschijn door van den dag. Tegen den noen groeiden Gawein zijne heldenkrachten, zoo als het hem steeds gewoon was en hij was bereid voor alle Aventuur, maar er bood zich hem niets aan. Het woud scheen verlaten van dieren en menschen en draken en ridders, van vogelen zelfs in de takken. En een huiveringwekkende beklemming hing onder de boomen, die reeds de eerste bladeren deden vallen met ritselingen, die Amadijs schrikken deden hoewel hij zich had voorgenomen met mannemoed alles door te maken wat hem aan de zijde Gaweins zoude overkomen kunnen. Woud was dit zeker, in vroegere eeuwen gewijd aan payeinsche godheid en door de priesters van toen en de priesteressen, die er met het sikkelmes misteltak en maretwijg sneden, met menschelijke offers geëerediend op de groote, vierkante steenen, zich hier en daar, door vreemd, onkerstelijk inschrift overgroefd, verduidelijkend in sombere schaduw en geheimzinnigheid. Tot als een groote vlinder, laag over den grond, die geen weg meer teekende, het Scaec, het juweelene Scaec, met de enkele stukken en den schaakmat bedreigden koning voort fladderde, verdween tusschen het lage hout, weêr te voorschijn zweefde en tusschen de boomstammen als een uitweg zocht....
Gawein en Amadijs wezen het beiden elkaâr en nu het wederom verschenen was, rees in Gawein het goede vertrouwen en volgde hij het Scaec, zoo vlug Gringolet het vermocht maar het fladderde boomstammen om, verdween telkens, dwarrelde weder te voorschijn, met een duidelijk waarneembaar gebruis als van een grooten hommel, een brommende paardevlieg.... Het scheen zijn achtervolger te tarten; buiten het woud, dat plotseling eindigde op ruime weiden, vol plassen, die reeds rossigden in de dalende zon, wiekte het hooger de lucht in, lokte ridder en knaap, de gloor-overspeelde moerassen over: daar zouden in de nacht de euvele geesten zweven tusschen misten en nevelen heen....
Tot het plots in een rechte vaart, een pijl gelijk, schoot door de lucht en de ruiters hunne rossen aanzetten ten draf.
--Ik en weet niet, zeide Gawein; waar wij herberg zullen ontmoeten voor deze nacht. Maar wij kunnen ons dat Scaec niet en laten ontgaan, wellieve knape!
Amadijs--maar hij was Alliene, zijt des gewes, o lezer!--draafde zijn heer achterna; na een geheelen dag rusteloos dolen door woud en over weide was hij hongerig en moede, als de jonkvrouw, die hij was, wel zeker zijn mocht, maar een zoet geluk was er tevens pijnlijk wrang in zijn ziel om den rit, den dravenden ridder achterna, die reed het Zwevende Scaec achterna....
* * * * *
Plotseling herkende Gawein de landstreek, die hij door draafde.
Hier was hij geweest, jaren her!
Tien jaren her en daar, in de richting, die het Zwevende Scaec had verkozen en waarhenen het fladderde, hoog in de lucht, om zich plotseling te laten recht neêr zinken, in een glinsterende spiraal, rees de reusachtige burcht Endi van Koning Assentijn!
Daarheen was jaren her, was Destijds Gawein gereden om Ysabele te winnen, des Konings dochter....
Maar niet voor zich....
Om haar te winnen voor minnezieken Koning Amoraen, die hem het Zwaard met de Twee Ringen zoude afstaan....
Indien hij de jonkvrouw hem bracht.
Dat was het Tooverzwaard met de Twee Ringen, waarvoor hij eindelijk bij Koning Wondere had kunnen inruilen het Scaec van Destijds.... Maar omdat Amoraen was gestorven van verlangen, voór Gawein hem de jonkvrouw bracht, had Gawein Ysabele, die hij zoo lief had gekregen, voor zich behouden en haar mede met het Scaec naar Camelot gevoerd.
Lace, zij was gestorven!
En alle Gaweins herinneringen beroerden hem hevig....
Toen hij landstreek en burcht herkende!
* * * * *
Het Scaec was midden tusschen tallooze torens van den burcht neêr gezonken, spiralende glinstering.
En Gawein, intoomende zijn Gringolet, zoodat Amadijs dadelijk hem ter zijde was, werd zich bewust het zelfde kasteel binnen te moeten dringen, dat hij Destijds met zoo vele moeite was binnen gedrongen....
Destijds!!
Om de jonkvrouwe....
Nu om het Zwevende Scaec zelve....
En tal van muren en grachten met tal van poorten omringden den dreigenden reuzenburcht, dien het ziedende water omgaf....
En hij herinnerde zich: Destijds had hij aan iedere poort en bij iedere gracht moeten verslaan, hij alleen aanzienlijke heirmacht van gewapende mannen, vóór hij, zegevierende, was binnen gedrongen!
Het Aventuur herhaalde zich!
Hoe anders het zich ook herhaalde....
Maar toen haalde Gawein ruim adem en juichte in zijn gemoed en gevoelde zich getroost, dat de nieuwe queste niet, als Destijds, was aangevangen met den strijd tegen een draak, nu weêr wel voor hem doemde de zware riddertaak.
Alleen een wel versterkten koningburcht in te nemen!
Alleen eene geheele bezetting te verslaan!
Want zeker zoû de burcht niet minder waakvol verdedigd zijn dan Destijds....
Toen Gawein er zijne Ysabele gevonden had....
Zie, daar dampte reeds de altijd ziedende rivier en wie er in verdronk, verbrandde even eens....
Twaalf muren omringden den burcht en tusschen iedere twee muren groefde een diepe gracht en ziedende wateren omringden het al.
Was Koning Assentijn niet de zwaarmoedigste, somberste, oude Koning der oude Koningen, die in deze landen van Brittannië en Wallis over hunne koninkrijken schepters hieven?
Was het niet bekend, dat Koning Assentijn niet gaf om Aventure?
Toch zoû Aventure den burcht van Endi nu naderen, want alleen, alleen zoû Gawein wederomme en ten tweedenmale Assentijns burcht moeten nemen: Amadijs zoû hem van nut en noode niet en zijn....
En hij zeide tot zijn schildknaap:
--Wellieve knape, aanzie! Dezen burcht, waar binnen het Scaec verzonk, als ik denk, moet ik winnen om mijn queste tot goeden einde te brengen en moet ik alleenlijk winnen, o Amadijs, als ik reeds deed, tien jaren, her: Destijds! En nu bidde ik u, op hoofschheid: zeg mij, zoudt gij niet, nu zich zoo groote Aventure en gevaarlijk dangier mij voor doet, voor uwe vrouwelijkheid minder gevaarlijk kiezen en mijn boodschapper willen zijn naar Camelot, naar mijn Koning Arturs hove, om te melden van Mordret en van Didoneel, wier dood mij zwaar op het harte weegt. Want mijn moed is wel droeve om beider lot en omdat ik twee ridders van Tafel-Ronde versloeg en mijnen heere nog niet kondschap zond van zoo allersmartelijkste dingen! Zeker, de weg is lang, maar goede ontmoeting bereidt de Hemel zoo wel voor als kwalijke en eenmaal te Camelot, als des Konings gramschap om mij over uw zoete hoofd is gegaan, zal mijn heere en de koningin gewes den kondschapper eere doen.
--Mijn zoete heere, zeide Amadijs; doen zal ik als gij beveelt en gaan kond doen den Koning Artur van den dood mijner belageren; trotseeren wil ik zijn gramschap maar liever ware het mij u te beschutten alhier in den strijd en voor u te sterven zoo ik vermocht....
Nauw had Amadijs zoo gesproken of....
HOOFDSTUK XVI
Tot groote verwondering van Gawein en zijn schildknaap beiden, staken vier torenwachters op de vier hoogste torens hunne koperen, schelle horens en staken op alle andere torens de wachters de hunne! Zoo dat het koperen rumoer vervulde den hemel, die te avonden aanving en Gawein meende, dat dadelijk de strijd beginnen zoude en de gewapenden buiten de eerste poort zouden treden in fellen aanval om te verslaan wie waagde Koning Assentijn te belagen.... Maar hoe groeide niet Gaweins verbazing toen wel de dubbele poort breed opende maar op de brug over de eerste gracht des Konings drossaet verscheen met hoofschen groet tusschen tal van lijfstaffieren en zeide tot Gawein:
--Heer ridder, mijn Koning zendt wie hem gekond wordt door zijner torenwachters geschal als ridder van prise met schildknape zijnen koninklijken groet ende bidt u binnen te rijden en biedt u beiden gastvrijheid aan.
Hoofsch antwoordde verrast Gawein en reed met Amadijs binnen over de brug en zij reden de twaalf poorten door en de elf bruggen over en in den wijden burchthof naderden hen garsoenen; zij stegen af en de garsoenen ontgespten hun sporen en ontgordden hun de zwaarden en de drossaet noodde hen den burcht in. Voor zoo zeer hoofsche ontvangst in het slot, dat hij Destijds had ingenomen, hij strijdende alleen tegen honderden mannen, meende Gawein niet minder hoofsch te zijn door nog, vòòr hem name en rang werd gevraagd, te verklaren wie hij was en van waar hij kwam. En hij zeide:
--Mijn wellieve heere drossaet, ik dank u voor zoo beminnelijke noodiginge en joyeuselijke innekomst nu deemster zich breidt over woud en weide en dolende ridder met zijn knape herberg zochten, harentare, voor geheel de nacht zich spreidt. Maar voor gij mij verder voert den koning Assentijn te moet, bidde ik, dat gij mij meldet: ik ben Gawein van Koning Arturs Tafel-Ronde ridder; ik ben Gawein, des Konings Assentijns schoonzone eenmaal, voor mijn schoone wijf, Ysabele, des Konings dochtere, stierf; ik ben Gawein, eenmaal des Konings Assentijns vijand en zijner dochtere schaker.... Ik ben Gawein en deze hier is Amadijs, mijn knape-van-wapenen.
De drossaet zeide, dat hij Gawein en Amadijs melden ging. In de groote zale, slechts met enkele stallichten op luchters aan den muur verlicht, wachtte Gawein en wachtte Amadijs, beiden, ongewapend. Toen passen buiten weêrklonken, deuren werden geöpend en binnen trad de Koning, Assentijn, met enkelen zijner baroenen en pagiën. Hij was groot en somber; onder zijn kroon hingen de grauwe lokken om zijn gerimpeld gelaat en het trof Gawein, dat zijn roode mantel en hermelijnen kraag motputterig waren en wel gesleten, zoo als die van Koning Artur zelven. En het trof Gawein ook wel, dat er zoo vele oude Koningen heerschten alom in het rond, in deze landen, die de zee in het rond alomme omspoelde, zoo heel veel oude Koningen.... Gawein groette eerbiedig zijn schoonvader maar deze bleef recht, fronsende, voor hem staan, doorpriemende hem met nog vurige, booze oogen, fronsend de zware brauwen. En zeide toen eindelijk:
--Mijn here schoonzoon tegen wille en dank, mij heeft wonder wat zaken gij zoekt en twi gij tot Endi dus zijt gekomen? Komt gij om te jagen of te josteeren, komt gij aventure zoeken en begeert gij goed of kwaad?