Part 8
--Gawein! klaagde Mordret. Het is Didoneel, die mij verleidde; al sedert tien jaren verleidde hij mij damoselen te schaken te zijner wille en ze te voeren binnen de Amoreuse-Garde, dat is de burcht ver van hier, ver van Logres, en van al deze koninkrijken, en waar wij de jonkvrouwen heimelijk gevangen hielden en vele andere ridderen kwamen daar ook jolijt drijven en zondig solaes en vele ridders vermoordden wij en vele jonkvrouwen teffens en hare broederen mede en magen, die haar zoeken kwamen! Gawein, o mijn Gawein, heb erbarmen en bid voor mij: sedert tien jaren waren wij schakers en moordenaren en wij waren niet weerd te zitten met u allen om Tafel-Ronde! Geroofd hebben wij wat wij konden en van wien wij konden! Maar menegertiere stonde is berouw over mij gekomen en heb ik willen wenden op den wege des kwaads, maar ik was zwak voor Didoneel, die mij verleidde!
Toen sprak Gawein tot de jonkvrouw:
--Edele jonkver, laat mij eene bede doen, met uwe genade?
--Mijn heere! riep de jonkvrouw; bede en doe mij niet: beveel mij: ik ben uw dienstwijf!
--Zoo bidde ik u, welschoone jonkver, dat gij alle misdaden dezen twee ridderen vergevet. Door uwe vergiffenis en gebeden zal het Didoneel, die daar dood ligt, bet worden in de pijn van de Helle en zult Mordret wellicht gij verlossen van vele vlammen van Vagevure....
--Mijn edele heer en beschermer, wees des gewes: die bede wil ik u toestaan en vergeven alle de misdaden, die mij deden deze roode, stervende en gondere zwarte, doode ridder. God vergeve u, roode ridder, alle zonde en dezen nood, waarin gij mij bracht!
Mordret stamelde:
--Dank, dank, edele jonkver!
En zijn hoofd viel op de knie van Gawein, die, bij hem geknield, hem gebeurd had in zijn armen.
Toen liep de jonkvrouw in hare gescheurde kleêren en met hare verwarde vlechten langs haar bloedend gelaat en hare bloedende borst naar Didoneel en zij knielde bij hem neêr en bad.
--Gawein! Gawein! klaagde steeds Mordret. Zult gij voor mij bidden ook? En mij begraven op een kerkhof?
--Ja, ik, Mordret! beloofde Gawein.
En ter zelfder stonde snikte Mordret zijn laatsten adem uit.
Toen seinde Gawein den doode en zich en stond op en naderde de jonkvrouw.
--Jonkvrouwe, zeide Gawein; uw beide belagers zijn dood. En als ik u te huis in uw kasteel gebracht heb, wensch ik hen te begraven.
--Welzoete heere! zeide de jonkvrouw. Dit foreest is mij bekend. Voor wij komen aan den burcht van mijn vader, slaat een zijweg links naar een kapelle en daar woont een oude paap bij en vóor gij mij te huis voert, zullen wij den zwarte en den roode begraven.
--Dat zij zoo, jonkver! zeide Gawein.
Toen zag hij om naar de paarden. Zij liepen daar alle vier te grazen de grashalmen, als ware hunnen berijders niets gebeurd en Gawein greep bij de teugels zijn jongen Gringolet en het paard van Mordret; de jonkvrouw greep haar eigen en Didoneels ros, hoewel het steigerde.
En Gawein nam in zijn armen het lijk van Mordret. Hij nam het als ware het een kind en legde op den rug den dooden ridder over diens zaâl. Hij nam toen het lijk van Didoneel en legde dat over diens ros heen, dat hij bedaarde. En de jonkver en Gawein stegen op. Gawein geleidde het ros van Didoneel en de jonkvrouw geleidde Mordrets ros. En zij reden het foreest binnen en zwegen. Zij reden stapvoets en zwijgend en de weg was lang en wendde eindeloos zich door het woud. Eerst ruischelde nog de beek en zongen de vogelen luide, maar toen de schemering zonk, zwegen de vogelen en de bron van het water ontwelde te ver om aan den weg haar geruisch te doen zingen. En de schaduwen zonken door het foreest en weefden de komende duisternis.
Gawein bad Pater-Noster en Credo en beval de zielen der dooden aan Sint Michiel en de jonkvrouw bad telken en telken male Kyrië-Eleyson en "Amen" zei dan Gawein. En geen van beiden zeiden zij, dat zij zagen, hoe kaarsen schenen, bleek van vlamme, mede te zweven om het lijk heen van Mordret: zes dunne wastoortsen en hoe er, héél licht van geluid, gezongen mede met hen werd, alsof onzichtbare handen de lichten beurden, alsof onzichtbare kelen mede baden de gebeden voor de dooden. Maar achter vernam Gawein gebruis van bladeren en toen hij omzag, zag hij donkere gedaanten en hij heette de jonkvrouw vóor te rijden, met Mordrets lijk dwars over diens paard heen en de lichten en de stemmen rondom, die waren in de vallende nacht duidelijk te zien en te hooren: zacht engelengeluid en waskaarsengloor.
En weêr omziende herkende Gawein de, hem na kruipende, donkere gedaanten: zij sleepten zich ter sluiks over de ritselende bladeren, die reeds vielen in midzomer, maar zij dorsten niet nader sluipen en Gawein zag, dat zij haken in de klauwen hielden en hoornen droegen; zij slipten door het struweel ter zij van den weg; het waren duivelen en hunne staarten slingerden als van apen om hunne lijven of slierden over de ritselende bladeren en dan schoot een vuur uit hunne kelen en gloeiden als van wolven hunne demone-oogen en Gawein hoorde hen wel mompelen nù en murmureeren:
--Didoneel! Didoneel! Menig jaar hebt gij ons gediend, met Mordret. Nu zult gij het loon wel ontvangen. Wij zullen, wen wij uw ziele hebben, haar steken en slaan en harde pijne doen! Wij zullen spelen met uwe ziele! Wij zullen daar mede sollen als met een bal en uwe ziele werpen van de' een naar d'aâr! Didoneel! Didoneel! Geef ons uwe ziele, dat wij er ons jolijt mede drijven en riveel naar onzen aard!
Voór reed de jonkvrouw en zij bad, en om het lijk van Mordret, dat hing over het zadel des stappenden paards, gloorden in de nacht de zes bleeke, onzichtbaar gebeurde kaarsen en zongen met de jonkvrouw mede de onzichtbare engelen, zes.... Maar achter voerde Gawein Didoneels lijk mede op diens paard en de duivelen, al mompelende, slopen nader. Zij trokken aan de beenen van Didoneel en zij heschen zich op naar zijn hangende hoofd, waar, uit den mond, mede gekloofd, de ziel aarzelde uit te varen....
--Slechtaarden! riep Gawein. Pautenieren! Duvelsche broed! Gij zijt Didoneels ziele zoo fel, maar waart gij tot mij gekomen en niet tot hém, dien ik doodde, vóor hij biechten konde en Onzer Lieve Vrouwe om genade bidden, ik zoude, ging het mij te schade of te vrome, u doen weten wat mijn zwaard vermag! En zoo zal ik, in trouwe, ook heden doen!
En Gawein hief hoog zijn zwaard over Didoneels lichaam, zoo dat een kruis zich er boven teekende, bleek goud lichtende in schemering. Toen vloden de duivelen hunne vaart, Noord-Oost, Noord-West, met groot geschal en gekrijsch van open gespalkte, vuur spuwende tronies en lichtende oogen, die doofden....
En reden door de jonkvrouw en Gawein. Het was na middernacht, toen zij den zijweg insloegen en de kapel zagen liggen, in het late manelicht, nabij eene vlakte, waar zij de kruizen der graven blanken zagen. En zij stegen af en Gawein luidde er het klokje, dat aan de poort hing en het klonk door de nacht met de bede der dooden. Der engelen kaarsen waren gedoofd en hunne stemmen zongen niet meer en wellicht waren zij opgestegen eer de kapel was bereikt, in de ijle wolkjes, die zweefden, hoog in den ijlen maneschijn en staarden zij van daar naar omlaag. De paap kwam uit en vroeg wat de ridder begeerde en zeide Gawein:
--Vader, laat ons helpen ter aarde deze dooden twee; dat zoû zijn wel gedaan. En laat ons missen zingen.
--Wie zal mij dienen? vroeg de paap.
--Dat zal ik wezen, sprak Gawein. Ik kan wel lezen, zoo dul en ben ik niet, want in mijn kindsheid ging ik zeven jaren ter schole....
--Ik en twijfel niet, heer ridder, zeide de paap, en zij legden de dooden op een baar, die daar stond voor het altaar en bedekten hen met het zwarte kleed en de jonkvrouw, die Alliene heette, stak de zes kaarsen aan, die waren gestoken in ijzeren luchters. En terwijl de paap over der doode ridders zielen de misse zong, diende hem Gawein als zijn koorknaap, gewillig en nederig en vroom, terwijl de jonkvrouw in gebed bleef verzonken. Maar toen de mis was gezongen, biechtte Gawein niet en hij had reeds niet in twaalf jaren gebiecht, want hij was alleen vroom op zijne wijze en daarom bad voor hem zijne moeder in Paradijs.... Gawein en de paap droegen toen de bare achter de kapel in het kerkhof en in den maneschijn dolf Gawein met zijn zwaard het graf, breed genoeg voor Didoneel en Mordret. Want de lijken mochten samen liggen, mochten de zielen ook gescheiden worden, zoo dadelijk Didoneels ziel mede met de duivelen moest ter Helle.... Dat Gawein vreesde, maar wel was hij te moede, omdat Alliene vergiffenis Didoneel had geschonken en voor hem bad en voor hem steeds nog bad, voor hem en voor Mordret.
Toen was het diep in de nacht en Gawein gaf penning den paap en steeg op. Hij tilde voor op zijn zaâl Alliene en zij lag uitgeput, oogen toe, tegen zijn borst, tegen den liebaert aan van zijn wapenrok. Hij had de drie andere paarden mede aan de teugels genomen en zij stapten mede aan, ter zijde en achteren.
En in de stille nacht ging Gringolet den weg, die geleidde tot Alliene's vaders burcht. Toen zij naderden, zag Gawein het vervallen slot, met den geknotten toren, zich weemoediglijk teekenen tegen bleeke nacht. En voelde hij, hij wist niet welk ongeluk huiveren boven den burcht. De valbrug over de gracht lag neêr, als ware het niet de moeite waard zoo vervallen armoede des nachts af te sluiten. De poort stond open. In den hof stond in een hoek eenig landbouwgereedschap bij een kar. Geen dienaar liep aan. De toren brokkelde toe naar de maan. Afgestegen, Alliene en Gawein, verontschuldigde zich de jonkvrouw.
--Wij en hebben niet dienaren, heer; onze huisman zorgt voor ons met zijn wijf en vader zal waarschijnlijk slapen.
Het was donker in de sombere gangen, die zweetten uit de kille vocht. Ter zijde lag een groote zaal in puin. Maar Alliene voerde den ridder in een overwulfde kemenade, waar zich in den manestraal, die bleek viel door het ronde raam, een bedde teekende, waarop scheen te slapen een grijsaard.
--Vader...! riep Alliene. Vader, waak op: ik ben terug bij u want deze hoofsche ridder redde uw kind van de kwade feloenen! Vader! Vader!! Waak op!
Toen roerloos de oude bleef liggen, naderde Alliene de sponde. Zij struikelde bijna over een zwaard, dat lag over den grond, en zij herinnerde zich, dat haar vader haar had willen verdedigen tegen Mordret en Didoneel toen zij haar wilden schaken.... Maar toen zij legde hare hand op haar vaders voorhoofd, waar langs de grauwe lokken lagen, voelde zij, dat het koud was.
Zij schrikte, legde haar oor tegen des ouden borst. Zij verhief zich.
--Hij is dood, zeide zij. God was zijn ziele genadig hem te laten sterven in zijn noode.
--Dood is hij? vroeg Gawein.
--Hij is dood, zeide zij.
Zij tastte in het duister, stak een kaars op en zette die bij den doode. Zij ging in haar eigen aangrenzend closet, stak een kaars op en zette die bij den doode. Gawein knielde neêr en zij ook en zoo baden zij beiden.
Toen Gawein teffens zijn oogen opsloeg, speurde hij in den laten maneschijn, in den hoek van het ruige, steenen vertrek in schaduw, die op lichtede, een gedaante, weg gedoken, als van een aap, met een staart, die uitkronkelde in een gaffel.... En herkende hij aan de horenen een duivel, die daar wachtte op zijn prooi....
--God, die voor ons geboren werdt.... begon te bidden Gawein.
De duivel, in de schaduw, die voor het oog van Gawein oplichtede, loste zich als schaduw op in den maneschijn. Maar voor hij geheel verdwenen was, hoorde Gawein hem mompelen, als nachtwind door dorre bladeren heen:
--Wij zullen u wachten, Gawein.... Gij en biecht nimmer, Gawein.... Gij zijt boordevol zonde en moorden pleegt gij wat gij vermoogt. Twee moorden placht gij heden.... Wij zullen u wachten, Gawein en wen gij gestorven zijt, met uwe ziele sollen, als met een bal, als met een bal....
--God, die voor ons geboren werdt.... herhaalde Gawein. Vergeef zijne zonde den zondaar....
--Amen, bad Alliene.
--En laat uwe engelen zijne ziele voeren ten Trone....
--Amen, bad Alliene.
--In glorië van uw Paradijs....
HOOFDSTUK XIII
Twee dagen later reed een ridder het woud uit en hem ter zijde een jeugdige edelknaap. Het was Gawein en het was Alliene. Zij hadden den vader ter aarde besteld en de paap was de mis komen lezen. De huisman en zijn vrouw hadden voor spijs gezorgd en drank en Gawein had hun de paarden van Morgret en Didoneel geschonken tot delging van schuld, die Alliene's vader aan hen liet na beschreven. En de jonkvrouw, in de rusting haars jeugdigen broeders, kortelings verslagen, volgde den ridder, die haar beschermd en gered had. Want zij had niets meer en niemand ter wereld en zij verliet den vervallen burcht, die brokkelde over haar hoofd.
Zij reden zwijgend en Gawein dacht na, in den klaren morgen, die zoo vreemd welfde den openbaren hemel boven hen na de treurenissen, die waren geweest. Dat wat rondom Gawein de Ridders van Tafel-Ronde zoo dikwijls hadden betwijfeld, dat was gekomen en had hem omringd en zoû hem weder omringen. Het Scaec, dat was aan komen zweven; de berg, die zich ontsloten had; Morgueine, die hem na Gringolette's dood in een tooverwagen, die van zelve ijlde, gevoerd had in de Valleie der Ontrouwe Ridderen, waar speelinstrument zweefde in de lucht en waaruit twee liefdegetrouwe gezellen hem waren komen verlossen....
Was het niet alles Wonder en Aventure geweest? Was Wonder het niet geweest, dat harnas en wapenen uit het geluchte hem waren gevallen en dat een jong Gringolet hem hinnikend toe was geloopen? Was Aventuur het toen niet geweest, dat Alliene hij uit het geweld had bevrijd van fellen Didoneel en Mordret? O, de bittere verrassing van dat Aventure! Nu breidde de wereld weêr nieuw maar vol verborgenheden van Toekomst zich rondom hem uit met den nieuwen dag en....
--Schouw toe, heere! riep Alliene plots naast hem.
Hij zag òp, volgend de wijzing van heur gemalieden vinger. En hij zag voor zich hoog, tusschen de witte wolkjes, dan lager, dalende als met vogelvluchtgril, het Scaec, het Zwevende Scaec. Bijna als een leeuwerik vloog het nu òp, òp, òp, met korte schokjes, verloor zich tusschen de wolkjes, schoot weêr uit, daalde, daalde, steeg, òp, òp, òp.... En het schitterde met de juweelen velden en de enkele glinsterende stukken, door toover, wankelden niet maar bleven recht op, gouden en zilveren gensters....
--Het verschijnt voor mij, zeide Gawein, terwijl hij ruimer ademde; omdat ik het achterhalen moet. Ik meende het in Koning Wonders burcht te zullen vinden, waar ik het Destijds vond maar Aventure voerde mij verre voorbij het slot van koning Mirakel! Zoo moet het ook geschieden in queste; zoo is het immer geschied: nimmer is Heilige Speer of Heilige Graal of Zwevende Scaec dadelijk gevonden door dolenden ridder; jaren lang doolde ridder in queste, voordat hij vond Heilige Graal, Heilige Speer of Zwevende Scaec.... Het Wonder is de werkelijkheid, het Aventuur is het leven van iederen dag voor dolenden ridder en zoo niet het Aventuur hem tegen hield dadelijk het doel te bereiken, zoû hij nimmer verlossen belaagde onschuld en zoude trouw-aan-liefde nimmer verklaren openlijk voor héél de wereld, als zij deed toen Lancelot mij verloste....
En Gawein spoorde zijn paard en Alliene spoorde het hare tot vluggeren draf, om het Scaec niet uit het oog te verliezen.... Tot het Scaec, ergens, achter de kartelende lijn van geboomte, pijlrecht neêr daalde en verdween.
--Bij Sint Michiel, mijne schoone jonkver! riep Gawein. Vooruit in de richting waar het verdween!
En zij draafden dwars door het foreest, waar het Scaec scheen neder gevallen. Een serpent, een drake, meende Gawein kon plots, zekerlijk, voor hem doemen in de verwarring der takken en twijgen, die dikwerf den weg hun versperden of tusschen het door één gestrengeld struweel, waartusschen strompelden de gespoorde rossen. Maar geen serpent doemde op en de beide ruiters vervolgden hun weg, tot zij door moeras, waar, pluime-bloeiende, het riet uit stak, de rivier bereikten, de zelfde, die Gawein met Gringolette was op gezwommen. En aan de rivier verrees de burcht van den Koning Mirakel, die heerschte over Wonderland, dat lag daar tusschen den Wonderstroom en de Vagevuursche wateren en de lucht was er anders dan in de gewone, omringende luchten, ook al werden die dikwijls doorstroomd met de ademen der Wonderlandsche winden. Het was eigenlijk alles Wonder, Land van Logres en alle de andere koninkrijken van oude koningen daar om heen, waar over tooverstaf voerde Koning Mirakel of Merlijn en Morgueine of wie er nog verder in stilte heerschte over elementen in aarde, lucht, water, vuur: over gnomen en sylfen, nixen en salamanders. Deze burcht echter, bedacht Gawein, had hem Destijds, toen hij den eersten keer er het Scaec kwam zoeken en het er ook werkelijk gevonden had, toe geschenen als een burcht van koper, als een burcht van gloeiend brons, als een burcht van goud, en nu scheen het Gawein toe, dat de burcht gebouwd was van steen, van roode, rossige steen als andere koningsburchten in de omringende landen, rooder alleen, rossiger.... Goud, neen, het was geen goud.... Hoe vreemd, dat het geen goud meer was.... Maar dáár, voor hem, was de poort, die hij Destijds ook was binnen gereden. Zwijgend wees hij Alliene met zijn speer mede binnen te rijden. De poort gaf toegang tot een hagedochte en dat hagedochte geleidde onder de rivier tot in den burcht. De ruiters reden beiden het sombere hagedochte binnen; daar duisterde de dag en boven hunne hoofden hoorde zij den snellen stroom van het diepe water, dat raasde vervaarlijk als een waterval.
--Heer, zeide Alliene zacht en treurig; geloof mij nu wel, bij Sinte Marië, dat ik uw dienstknape ben zoo niet uw dienstwijf, dat gij niet en wenschtet en gij niet meer een jonkvrouw in mij ziet maar alleenlijk een garsoen. En dat, zoo ik sterven kan voor u, door u te beschutten met mijn lijf en leven, ik beiden niet en sparen zal.
Zoo sprak Alliene maar zij zeide niet alles in volle waarheid was zij gevoelde in heur hart voor den ridder, groot van prise, die vol edelen moed haar had beschermd en verlost van twee booze feloenen. Zij zeide niet de groote minne, die vrouwe Venus in haar voor Gawein had ontstoken: voor den edele, den sterke, den hoofsche, die met haar gebeden had tijdens de nachtwake bij den dooden vader, die haar om hare heilige smart had geëerbiedigd als de Maagd zelve, in de eenzaamheid der brokkelende burchtzalen. Want Gawein, anders gemakkelijk en veelvuldig in liefde, niet trouw ooit aan Ysabele, Assentijns dochter, gebleven, had van geen liefde betuigd aan Alliene, die hij in rouwe en in smart had bijgestaan, volgens ridderlijken plicht en eed.
--Zoo zij het, Alliene en, naar mijnen waan meen ik, dat het best zal zijn u, bloeme boven alle knechten en edelknapen, voortaan te noemen Amadijs en u ridderschap te beloven op lateren dag, aan mijn Konings Arturs hove....
En er was scherts in zijn woord en toch ernst, nu hij Alliene vergund had hem te vergezellen in de rusting haars broeders, omdat zij geheel alleen ter wereld verlaten was. Nu waren zij het hagedochte uit gereden, zonder dat toover-enghien hen verhinderd had, want de torenwachters hadden Gawein herkend en lieten hem vrij binnen rijden met den knaap, die hem ter zijde reed.
Gawein en Alliene reden door opene poort bij poort over brug en brug den burchthof binnen; garsoenen schoten toe, hielden de rossen vast; de ruiters stegen af....
En zij zagen in den hof, onder den lindeboom, den ouden Koning Mirakel liggen op een rustbank.
En zijn zoon Alidrisonder zat naast hem.
En zij speelden schaak....
Rondom in den hof, onder rood gouden appels, die hingen zwaar in de appelaren, zwoel van geur en gestoofd door midzomerzon, zaten of vermeiden zich de ridders en edelvrouwen van het hof.
De jeugdigen sloegen er den bal; anderen speelden het werptafelspel en dobbelden er met de steenen....
Een edelman, in kostbaar gewaad van siglatoene, liet op zijn vuist zijn valk bewonderen aan eene edelvrouw, die in heur schoot haar leliewitte, zijdeharige hondje koesterde en hoofsch gesprek ging om, terwijl zachte melodië van knapestemmen weêrklonk bij viool, luit, psaltherion en cither.
En toen de garsoenen Gawein en Alliene--zij heette nu Amadijs, o lezer, wees des gewes!--den hof binnen leidden, zagen allen toe en stond dadelijk op de prins Alidrisonder en beide handen uit gestoken, riep hij blij:
--God van Hemelrijk geve u goed geval en al dat gij begeert, o zoete vriend Gawein, mede met den welschoonen knape-van-wapenen, die u verzelt! Wellekom in onzen burcht en duld, dat onze garsoenen u beiden sporen afdoen en glaviën ontgorden!
En tot zijn vader, die, krank, zich slechts even uit zijne kussens richtte, riep Alidrisonder:
--Hooge vader, mijn edele heere, hier is tot ons gekomen de bloem boven alle ridderen, dat is Gawein, van Koning Arturs Tafel-Ronde!
HOOFDSTUK XIV
En Gawein liep op den kranken Koning toe en knielde hoofsch voor hem en kuste zijn hand, terwijl alle de baroenen van den lande en alle die edele vrouwen, die zich daar in den hof vermeiden, Gawein bezagen en bewonderden en opstonden om hem te begroeten.
--Mijn heere Gawein! zeide Koning Mirakel. Uw gelijke is er geen van deugden onder den Trone! Hoe vroô ben ik u weder te zien na zoo vele jaren! Herkend heb ik u dadelijk! Herinnert gij u, dat gij hier tusschen mij en mijn zoon vondt staan het tooverschaakspel, dat in Camelot was binnen gevlogen en dat gij harde begeerdet en dat ik het u gaf, toen gij mij na vele Aventure kwaamt brengen het Zwaard met de Ringen, dat gij van Koning Amoraen kreegt, omdat gij hem beloofdet de schoone Ysabele tot hem te brengen, Koning Assentijns dochter! Lace, hoe vele jaren is dat alles her! Amoraen was gestorven, toen gij hem Ysabele kwaamt brengen in smartelijke trouwe om uw eed want gij hadt haar zelve lief gekregen en zij u, maar toen hadt gij zoowel uw zoete wijf als het Scaec gevonden en uw geluk met beiden!
--Mijne heere Koning van Wonderland, antwoordde Gawein, die naast des Konings bedde zich had gezet. Ik herinner mij van alle deze dingen en heb smarte u te zeggen, dat mijne minne en geluk ten einde kwamen, want Ysabele, lace, zij stierf....
Er was groote rouwbedrijvinge rond om Gawein toen hij dit zeide; de Koning nam hem eene hand en Alidrisonder de andere en de edelvrouw met het schoothondje, dat zij los had gelaten en dat kefte in haar gewaad verward, trad nader vooruit, want zij vond Gawein een verleidelijken ridder, vooral nu zij wist, dat hij weduwnaar was en een der groote baroenen van Koning Artur.
Toen Gawein bedankt had voor zoo algemeene deelneming in zijn verlies, hernam hij:
--Mijn heere Koning, dat ik heden voor u waag te verschijnen is om geen andere reden dan dat ik wederom op queste ben van een Zwevende Tooverscaec en dat ik dit dacht bij u te vinden, maar het Scaec, dat ik op deze tafel zie en waaraan gij speeldet met uwen zoon den prins, dien ik bemin, wellieven Alidrisonder, is niet het Scaec, dat in vroegzomer binnen zweefde in de Ronde Zale van Camelot.
Toen sloeg de oude Koning Mirakel de trillende armen op. En hij weeklaagde: