Het zwevende schaakbord

Part 7

Chapter 7 3,883 words Public domain Markdown

--Wij festoyierden te zamen en hij was zoo hoofsch....

--Wij hebben toren, zeide Lancelot; niet zoo hoofsch te zijn als onze gezel, welschoone jonkvrouwen, maar hij is immer de hoofschte van ons allen....

--Wij dringen niet aan, glimlachte Ydeleine.

--Wij willen u beiden geen vernoye doen, glimlachte Belleflore.

--Onze vader zeide ons: gaat tot de ridderen naar antieke zede om gastvrijheid hun verder te bieden.

--Wij gingen met ons gebloemt en muzijk, als onze vader ons beval, voor hij slapen ging.

--Maar wij zullen geerne de muziek hooren, jonkvrouwen! riep Gwinebant. Niet waar, Lancelot?

--Geerne zullen wij de muzijk hooren, jonkvrouwen! zeide, bijna zoo hoofsch als Gawein, Lancelot.

--Zoo rust uit op uwe bedden, ridderen! noodden de beide jonkvrouwen.

De ridders legden zich neêr. De kemenade donkerde, met wat maneschijn, blauwig aan de kleurige ruiten bleekend. En Belleflore tokte aan haar luit en Ydeleine vlijde met den strijkstaaf over de vijf glasreine koorden van haar psalterion. En zij zongen, beiden, met zachte stemmen, om beurten en te zamen:

Lancelot! Droom ju zoete lot! Droom ju Koninginne! Gwinebant! Lieve knape, schoon wigant Droom ju zoete minne!

--Ysabele.... murmelde Gwinebant, de oogen toe, half reeds in slaap.

Maar de ronde bogepoort opende zich geluidloos, de twee jonkvrouwen trokken zich in den kaarsenschijn tusschen de rozenslingers terug; de poort schoof toe....

En de beide trouwe ridders sliepen en droomden, terwijl bleekte aan de kleurige ruiten de blauwe maan....

* * * * *

Den volgenden morgen, na oorlof van Koning Ban en de beide princessen te hebben genomen, reden de beide ridders verder en nu zeker van hun weg, want Belleflore en Ydeleine, die wel van Morgueine wisten, hadden hun gezegd welken weg te nemen was naar de Vallei der Ontrouwe Ridderen. En zonder verder aventuur reden zij enkele morgenuren en het was niet meer dan een genoegelijken rit.

--Wel anders dan destijds, Gwinebant, zei Lancelot; toen bij iederen tred Aventure zich voor deed.

--Draken, zekerlijk, ontmoetten wij nimmer, maar zoo als ik u, Lancelot, met Gawein eenmaal verlost heb uit den Dale van den dollen Dans, zoo ga ik toch heden Gawein verlossen met u, Lancelot, uit de Valleie der Ontrouwe Ridderen. En is het Scaec zelve niet Aventure, al weten wij dat het door Merlijns toovermacht is gedaan? zei Gwinebant.

--Hij geloofde! zei Lancelot. Hij geloofde als Koning Artur geloofde! Wat was Gawein schoon en jong, toen hij opstond en zeide, dat hij de queste volbrengen wilde! Gwinebant, met u is Gawein de jongste en schoonste ons aller, enkel omdat hij geloofde!

--Maar gij, Lancelot, zijt de trouwste!

--Gawein is de hoofschte.

--Wie de hoofschte is, kan moeilijk de trouwste zijn, Lancelot, want hij mint te veel naar alle zijden uit. Zeg, wie van ons is de ridderlijkste?

--Gawein.

--Hij en is niet de vroomste.... Hij en biecht soms niet in jaren. En hij laat zich verlokken door Morgueine en vergeet alles van het Zwevende Scaec... Lancelot, zeg mij, wellieve gezel, ben ik ridderlijk?

--Gewes, gij, Gwinebant.

--Ik ben de zwakste, want ik ben de krankste. Om Vrouwe Venus' wille, Lancelot, ben ik krank. Ik denk immer aan mijne Ysabele. Ik droom immer van mijne Ysabele. Lace, zij is zoo verre....

--Gij en zijt niet zwak, Gwinebant, zoo gij mint met sterke trouwe. Gij en zijt niet krank, Gwinebant, zoo gij verhoogt in blijde gezondheid van minne. Gij bloeit boven ons allen als een roze, Gwinebant. En uw stemme klatert als van een nachtegaal....

Zoo troostte Lancelot Gwinebant en Gwinebant voelde zich eigenlijk ook niet ziek en zwak; hij voelde zich integendeel gezond en sterk, maar zeer in de macht van Vrouwe Venus en hij droomde iedere nacht van Ysabele....

Zoo als zij droomde van hem, iedere nacht....

* * * * *

--Lancelot! Lancelot! Zie, riep Gwinebant.

Zij waren uit een dicht foreest gekomen op een breede vallei, waarheen geleidden verschillende gladde wegen, geëigend voor tooverwagens, die, door wonderolie en geheimzinnig enghien bewogen, het snelst over gladde wegen vliegen. In het midden van de vallei was als een paradijs, omheind met hooge, roode rozenheggen en een wolk van geur woei den ridders te gemoet. En toen zij beiden aan de zuilenpoort stille stonden, trok Lancelot zijn zwaard en Gwinebant trok het zijne. Maar hij zeide:

--Slaat gij de poorten, Lancelot, want mijne trouwe is niet en beproefd.

Lancelots trouw was beproefd, sinds meer dan tien lange jaren. En hij sloeg met zijn zwaard een kruis tegen de poort. De goud gesmede hekken sprongen open, als op wonderveeren. En de ridders reden binnen.

--Gawein! Gawein! riepen zij luide. Wij komen u verlossen, Gawein!

Er was een groot rumoer tusschen de prayeelen en de pauwillioenen, tusschen de peper-, anijs- en gingebareboomen. Vlakkige leoparden en witte herten, getemd, vloden tusschen de amandelen, pumegernaten en notemuscaten en een menigte ridderen drong zich baan tusschen een menigte dansende feeën. Onder haar schitterde Morgueine. Zij lachte luide, haar arm nog om den hals van Gawein, die, als uit een droom ontwakende, naast haar lag op een ivoren bedde vol rozen.

--Twee trouwe ridderen zijn gekomen! schaterlachte Morgueine. Riveel heeft uit en solaes van verscheidenheden! Maar, vreest niet, mijn lieve ridderen! Na Dollen Dans en Ontrouw-valleie vindt Morgueine u morgen nieuwe fantazijë uit!

Plotseling donderde het vervaarlijk en een zwarte wolk veronzichtbaarde geheel de vallei. Het riep en schreeuwde door elkaâr van ridderlijke mannestemmen; het krijschte door elkaâr, als van verschrikte vogelen, van weg vliedende feeën.

--Gawein! riepen Lancelot en Gwinebant.

Zij hadden Gawein gegrepen en hij liet zich mede voeren. Maar in de pikduisterte was niets te onderscheiden en de honderd-negen-en-veertig ontrouwe ridders bonsden tegen malkanderen, zochten verschrikt uitweg en vloekten en riepen aan:

--Bij Sint Michiel! Bij Sint Jan! Bij den rijken God van Hemelrijk! Alzoo helpe mij Sinte Marië's Kind!

Toen klaarde wederom de dag. Maar de toovervallei was niet meer dan een kale hei geworden en over de vale vlakte, in de donkere floersen van nevel, die optrokken, liepen dom verdwaasd door elkaâr honderd-negen-en-veertig ontrouwe ridderen. Over den weg snorde een tooverwagen weg. Dat was Morgueine: zij schaterlachte nog na, terwijl zij zich spoedde naar haar slot aan zee.

Nu drongen alle de ridders om Lancelot en Gwinebant, die hielden Gawein in hun midden en hunne paarden aan den toom.

--Waart gij beiden trouw?

--Werkelijk trouw??

--Immer trouw???

Zoo verbaasden zich de honderd-negen-en-veertig.

--Zij heeft haar zoete spel met ons gedreven, zeide Gawein weêr. Wij waren allen die gonen, die ontrouwe waren.... En ziet, wij zijn allen ongewapend! Maar zij was Meesteresse ende Koninginne van Riveel en van Solaes!

--Gawein! zei Lancelot, en sloeg zijn gezel op den rechterschouder.

--Gawein! zei Gwinebant, en sloeg zijn gezel op den linkerschouder.

Gawein zag naar beiden om, ontwakende uit betoovering.

--Gawein, zei Lancelot. Herinner u van het Zwevende Scaec!

--Gawein, zei Gwinebant. Herinner u van het Zwevende Scaec!

--Ik zoû het zoeken, zeide Gawein, en streek zich met de hand over het voorhoofd. Maar Gringolette, mijn goede ors, stierf en ik liet mijn wapenen op haar graf....

--Morgueine ontwapende ons, riepen de ridderen. Waar zijn onze wapenen? Wie geeft ons onze wapenen!

--Blijven wij allen te zamen! riepen anderen. Ongewapend zullen wij sterker te zamen zijn dan gescheiden!

--Wat bedieden ongewapende ridderen in de landen onzer oude Koningen! riepen weêr anderen. Wij vermogen, ongewapend, niet één drakeserpent te dooden!

--Of eene damosele van een feloenigen ridder te redden! Want drakeserpenten zijn allen dood!

--Er zijn ook geen feloenige ridderen meer!

--Er rijden nooit geene belaagde damoselen meer rond op witte palafroeten in de foreesten!

Zij lachten allen in den nog bewolkten noen. Zij lachten luide en schor.

--Het Wonder! riep Gawein, geheel ontwaakt. Het Aventure, dat zich eindelijk meldde! O, ik geloof er aan! Gaan wij, mijn zoete gezellen, Lancelot en gij lieve knape, Gwinebant. Ik zal het achterhalen, het Zwevende Scaec!

En hij stortte, beide handen hoog, als zag hij het zweven, als wilde hij het grijpen, vooruit, terwijl de twee Trouwe Ridders, te paard, hem volgden en allen de anderen achter hen aan drongen in een wilde horde....

HOOFDSTUK XI

Buiten den ban der betooverde beemden, die weêr hun gewone aanzicht van heide hadden aangenomen, liepen de ongewapende ridderen aan achter Lancelot en Gwinebant, te paard, Gawein tusschen die beiden. En er was rumoer van beraadslaging, waarheen zij zich zouden richten; zoo ongewapend was, op des goeden Heeren wegen, het een ridder wel vreemd te moede en zij wilden allen weêr rusting en wapenen hebben en een ros daarbij, sedert Morgueine hen ontwapend had. Tot plotseling zij zagen uit de klaardere lucht, waar zij, sedert hunne betoovering hadden zien zweven verlerlei welluidende snaarinstrumenten, dalen halsbergen en maliëncotten, helmen en zwaarden, speren en schilden en zoo vele stukken van ridderlijke rusting verduisterden wederom den dag en de ridders, roepende van wonder, hieven er de handen heen en vingen op hier een zwaard, daar een helm, maar te gelijker tijd moesten zij zich hoeden en weren want de stukken vielen met een dichten regen den hemel uit, botsten rammelend op elkaâr, deden lichten donder rommelen door het geluchte, vol van metaalschel geluid. En de ridders grepen of kregen een slag op het hoofd van een zwaar neêr zijgend schild, ontweken den onwillekeurigen houw van eens makkers zwaard tot de stukken rusting en wapenen om hen heen op de heide lagen als een roestige rommel oud ijzer. En zij zochten koortsachtig uit, vonden wel eens hun zwaard, maar niet hun riem; pasten om beurt de helmen op, die zij gegrepen hadden, maar zochten wanhopig naar hun halsberg, tot zij het hinniken hoorden rondom en tal van strijdrossen zagen draven in het wilde omrond, hunne eigene rossen, maar velen nog met gewei zich op het hoofd verheffend en andere met vlakken over de huid verspreid, zoo dat zij begrepen, dat de vlakkige leoparden en de wonderwitte herten niet anders dan hunne eigene rossen waren geweest, zoo als de speeltuigen hunne betooverde wapenen.

--Zij zullen zich weldra wapenen en hunne orsen berijden, zeide Gawein; maar ik, die mij na Gringolette's dood zelven ontwapende, weet niet waar wapen en ors te vinden.

Juist toen hij dit zeide, zag Gawein voor zich neder dalen, zilver en goud blinkende, maliëncotte en helm, zwaard en schild en speer, en metalen handschoenen daarbij. Hij wist niet, dat Merlijn hem deze onmisbare stukken uit den hemel deed vallen maar Lancelot en Gwinebant begrepen het en zagen elkander met blik van verstandhouding aan. Alleen Merlijn wist het gunstige Wonder te doen gebeuren, vermoedelijk door clerkeconste en het Aventuur voor te bereiden, maar het Wonder was eigenlijk geen Wonder en het Aventuur zou eigenlijk geen Aventuur zijn. Het was heel eenvoudig, dat wapenen uit den hemel regenden, even eenvoudig als dat zij het Verleden zagen opdoemen op Merlijns witten tooverwand, of dat Merlijn sprak tot Morgueine door eene sprakebloeme heen van parelmoer, of dat Gwinebant droomde van zoete Ysabele....

En Lancelot en Gwinebant seinden zich alleen, om zich vooruit te behoeden voor wat er euvels mocht schuilen in dit eenvoudige Wonder maar zij zagen vol liefde en eerbied naar Gawein, die zich niet seinde maar blijde de stukken opving. En zij stegen af en hielpen hun gezel zich te rusten en zich te wapenen en toen zij gereed waren, hinnikte het vlak bij en zij zagen een ros en het geleek zeer op Gringolette, hoewel het niet Gringolette was. Maar Gawein verheugde zich zeer, en liep op het ros toe en greep het bij den teugel, want het was getuigd en gezadeld, en Lancelot en Gwinebant begrepen wederom zeer goed, dat het een ros was, dat Merlijn aan Gawein zond en er eigenlijk niets vreemds aan was, dat, nu Gringolette dood was, Gawein, door Merlijns clerkeconste, een ander ros erlangde. Het was een zeer schoon ros, een jeugdige hengst, ijzerschimmel krachtig breed van borst, verstandig en menschelijk van blik, fijn en sterk van beenen en het hinnikte blijde Gawein tegen of het hem reeds lange kende. En Gawein zelve voelde wel het vreemde Wonder om zich heen gebeuren, omdat eigenlijk alles Wonder was en Aventuur; Zwevende Scaec, feeën, tooverwagens, uit den hemel vallende rustingen en Leven en Dood. Gawein nu was op gestegen tusschen Lancelot en Gwinebant. Terwijl alle de andere ridders, met dankbetuiging naar de twee Trouwen, die hen hadden verlost, nog een enkelen keer elkanders helmen wisselden en zwaarden en weg reden, ijlings verschillende kanten uit. Zij reden her en der, zij reden harentare, terug naar de verschillende oude Koningen, wier baroenen zij waren; over weg en heide, over vlakte en vallei scheerden zij zich weg op hunne ijlende paarden en de drie gezellen van Tafel-Ronde zagen hen rondom aan de kimmen verdwijnen....

Toen zeide Lancelot:

--"Wellieve Gawein, wij hebben u verlost en gij zijt gewapend. Wat denkt gij? Zullen wij u laten op Aventure gaan en zoeken naar het Zwevende Scaec?"

"Dat zij zoo, mijne dappere vrienden, antwoordde Gawein. Gaat beiden, met mijn grooten dank. Gaat terug tot Camelot en zegt daar, dat gij Gawein verlost hebt uit Morgueine's tooveriën en dat hij op weg tijgt naar het Zwevende Scaec.... Het gaat tegen den noen en gij weet: tegen den noen groeien mij mijne krachten; toen mij in mijne eerste kindsheid de heremiet doopte en mijne toekomst las, voorspelde hij reeds, dat immer tegen den noen mij mijne krachten groeien zouden. Het is voor mij een jonstig oogenblik om te slagen in queste en Aventure: gaat, gaat, mijne lieve vrienden!"

Toen, te paard blijvende, omhelsden elkaâr de drie ridders, voor zoo verre het mogelijk was elkander te omhelzen, te paard en gewapend. Het was ook meer een symbool van omhelzing maar het was genoeg om van elkander afscheid te nemen in broederlijke liefde, al steigerden even de paarden en al schuurden de maliën tegen elkander, al klonken de schilden schel tegen elkaar. En reden Lancelot en Gwinebant den weg, dien zij meenden, dat ten spoedigste leidde naar Camelot....

Gawein, een pooze, marde. Toen bedacht hij zich, dat de burcht van Koning Mirakel op den weg lag, dien hij met Morgueine in den tooverwagen had afgeijld en besloot hij dien weg terug te gaan....

Terug gaan, op den weg der queste, het was nooit goed. Vooruit, vooruit moest de dolende ridder.... Terug gaan, het was een teeken van zwakheid en onmacht.... Maar, bedacht Gawein, ook kon het een boete zijn en om boete ging hij terug. Trouwens, waarheen zou hij vooruit zijn nieuwen, jongen Gringolei moeten richten? Bij Koning Mirakel had hij Destijds het eerste Scaec getroffen, bij Koning Mirakel alleen kon hij vermoeden ditmaal het Scaec weêr te treffen! Waar anders? Hij keek naar de luchten, spiedde uit; hij zag niet meer het Scaec.... Zekerlijk, bij Koning Mirakele was het neêr gedaald.

En hij reed terug, in rustigen draf. Zoû Aventure zich melden op zijn terugweg? Hij twijfelde er aan, het geen hij betreurde, want hij voelde groeien zijne krachten en het ging meer en meer tegen den noen aan. Tot hij plotseling opschrikte. Daar ginder zag hij iets, dat hij in jaren niet meer had gezien! Gingen dan de dingen van Destijds zich herhalen?! Eerst het Scaec en nu, o rouwe, o schande, o oneere! Daar ginds, waar de weg in woud zich verloor, zag hij twee ridderen te paard, een rooden en een zwarten. En tusschen hen beiden voerden de ridders eene jonkvrouw, te paard ook. Zij was gekleed in groenen sindale; twee zilverblonde vlechten vielen haar tot op het artsoen van het gereide, maar de beide slechte ridders trokken haar ruw aan de vlechten, hadden haar de kleederen gescheurd van den lijve en sloegen haar met twee geesels, van riemen, over borst en aangezicht, zoodat zij bloedde. En zij riep luide, hare smart uitklagende en kermende:

--Wacharme, o Sinte Marië, komt mij dan geen ènkele ridder, met zijne deugd, verdedigen van deze kwade feloenen, die nie ridderschap betrachtten!

En hare armen gebonden op haar rug en ter nauwer nood zich houdende, gezeten op haar palafroet, wankelde zij in het gereide en gilden hare kreten het woud uit over weg en tot hemel.

Gawein, van verre, zag het. De twee ridderen kende hij niet: zij waren geheel onherkenbaar in hunne zwarte en roode rusting, met gesloten vizier en Gawein, na zijn vizier te hebben neêr gelaten, ijlde op jongen Gringolet vooruit. En van verre reeds riep hij met zware, dreigende stem:

--Heeren ridderen, merkt! Het is dòrperheid, weet dat wel, en onzede, al wat gij deze damosele doet! Gij zoudt des ontberen, bij Sint Michiel, waart gij vroed! Al hadde die jonkver misdaan, hoofschelijk zoude men haar behandelen, want daar ligt luttel eere aan, zoo fel een schoone en zwakke vrouwe te slaan!

Toen schreeuwden de roode en de zwarte door elkaâr woedend Gawein tegen:

--Om u, dorper en curliaen, of gij ridder zijt of niet, zal zij niet worden gespaard! Om u meer toren te doen hebben, zullen wij haar doen meer lachter dan ooit te voren! En wilt gij nog een woord toe spreken, dan zullen wij u met onze speren averrecht van uw orse steken!

--Heeren ridderen, riep Gawein. Staakt gij mij van mijn ors, wel, zoo ware ik te voet! Maar te peerd of te voet, weest daar vroed van, zal ik de jonkvrouwe, die gij mishandelt, beschermen en haar toren minderen, ook al zet ik er het leven voren! Doet mij echter een bede, ridderen, voor uwe edelheden en voor Gode en voor aller ridderen eere ende laat àf die damosele zoo fel te schoffieren!

--Maak, dat gij henen komt en vliedt! riepen de ridders en zij sloegen de jonkvrouw met hunne geesels, zoodat zij gilde naar den wijden hemel toe. Of, bij al dat God geleesten mag, deze zal uw doemsdag worden! Wat hebben wij met uwe sermoenen van noode?

--Laat die jonkvrouw met goede! riep Gawein, van woede buiten zichzelven. Of wacht u jegen mijn speer!

En hij reed, als een afgeschoten pijl zoo snel, op de ridders toe, speer gestrekt.

De roode en de zwarte scheidden zich; zij lieten de jonkvrouwe, die hare gebonden handen zelfs ten hemel niet kon strekken, alleen te paard op den weg staan; de roode reed op Gawein toe, de zwarte ontweek diens speerstoot en draafde de vlakte over, ter achterzijde Gaweins, maar vóór hij Gawein van daar had kunnen bestoken, stiet Gawein den roode ter zij van zijn schild bliksemsnel door wapenrusting en maliëncotte in de ribben onder het hart, zoodat Gaweins speer brak en met het trensoen bleef steken in 's rooden ridders lijf. Hij slaakte een verscheurenden kreet en tuimelde af van zijn paard.

Toen wendde Gawein woedend zijn jongen Gringolet. En hij rende, de wigant, zwaard uit scheede getrokken, op den zwarten ridder in; hij sloeg den zwarte diens speer in tweeën, en toen deze zijn glavië trok, gevoelde Gawein al zijn noenkracht in zich groeien, sloeg hij hem met één slag het zware, zwarte schild uit den arm, zoodat het kletterend rolde over den grond. En de zwarte, den linkerarm gebroken door Gaweins slag tegen het schild, poogde vloekend van pijn en van woede, met één vuist zijne glavië te heffen, toen reeds Gaweins zwaard, hoog in beide vuisten verheven, den zwarte kliefde over den helm heen, dwars door den zwarten helm heen, waarvan de zwarte diamanten rechts en links sprongen dwars over des zwarten hoofd, zoodat de hersens uitvloeiden, als een witte etter-en-bloed en de zwarte achterover viel van zijn paard. Toen steeg Gawein af en hij naderde de jonkvrouw, tilde haar af en begon haar het koord van hare polsen los te binden.

--Dank heb, ridder! riep zij juichende en weenende te eenen stond. Gij hebt mij wel gewroken jegen den rooden en den zwarten ridder! Ik wil uw dienstwijf zijn en blijven tot het einde van mijne dagen!

En zij wierp zich neêr aan Gaweins knieën en kuste hem de maliën her en der.

--Wie zijt gij, schoone jonkvrouwe, en hoe komt gij in zoo groote rouwe? vroeg Gawein, terwijl hij de jonkvrouw oprichtte en nauwelijks merkte dat ter zijde, de roode ridder kermende te sterven lag.

--Mijn vader was ridder en goedman en wel geboren van den lande! riep de jonkvrouw. Maar hij is onder gegaan van goede en ligt nu in zware armoede! Hij is krank en kan rijden noch gaan, noch zelfs over zijne voeten staan! Luttel vrienden zijn hem gebleven en luttel dienaren! Wacharme, edele ridder, heden kwamen de roode en de zwarte binnen onze veste, die is harde vervallen en te-broken en voor de oogen van mijn vader grepen zij mij aan en maakten mij beiden tot hunne amië! Toen wierpen zij mij op dit peerd, dat mijn eigen is en schaakten mij met hen mede, om mij mede te voeren naar den burcht, o wellieve heer ridder, waar menigertiere slechte ridder zijn spel drijft met de damoselen, die zij schaken!

--Gawein! Gawein! riep de roode ridder. Kom mij te hulpe, mij en mijne ziele! Ik sterve!

Gawein schrikte op: het was of hij nu eerst herkende des rooden ridders stem. Hij snelde toe waar de roode ridder lag, sloeg op diens vizier en riep uit:

--Mordret! Mordret! Zijt gij dat!? Mijn gezelle van Tafel-Ronde?!

--Lace, ik!! riep Mordret. O, help mij, Gawein, help mijn ziele en mij!

Maar Gawein stortte toe op den zwarten ridder, die, den schedel gekloofd, lag in het stof van den weg. En zoodra hij diens zwarte vizier opsloeg, riep hij uit:

--Didoneel! Didoneel! Ik herken hem, ook al kloofde ik hem! Didoneel! O, jonkvrouwe, van Tafel-Ronde was Didoneel ook mijn gezelle, als mij Mordret was! Barmhartige God van Hemelrijk, ik versloeg heden twee mijner gezellen en ridderen van mijnen Koning Artur van den Lande van Logres en zij waren feloenen en meineedig aan eede van ridderschap!

En toen barstte Gawein uit in snik van groote smarte en wierp de armen ten hemel, terwijl hem de jonkvrouw in medesmart omhelsde en, op den grond stervende, riep Mordret:

--Gawein! Gawein! Help mij en mijne ziele!!

HOOFDSTUK XII

Maar Gawein knielde neêr naast Mordret, die kreunende lag in het stof; hij trok hem voorzichtig het trensoen uit de wonde en legde er een talisman over, zoodat het bloed niet meer vloeide....

--Gawein! kreunde Mordret. Ik bidde genade! Ik heb van mijne misdaden penitencië ontvangen, die mij te zwaar zal worden! Ik zal sterven, door uw hand. Voor menig jaar heb ik al den dood verdiend en nu zal hij komen!

De jonkvrouw, op Gaweins teeken, had den zwaren helm van Mordret genomen en die vol water gevuld, aan de beek, die stroomde, uit bemost rotsblok te voorschijn. En zij laafde Mordret en zij wiesch hem er mede het aanzicht, terwijl antwoordde Gawein:

--Mordret, mijn gezelle van Tafel-Ronde, Didoneel is dood en spreken kan hij niet meer van zijn zonde, maar gij kunt spreken nog: zoo laat het u berouwen, bid ik u en roep Onzer Lieve Vrouwe genade opdat het aan uwe ziele goeden raad moge worden....

--Gawein! kreunde steeds Mordret; waande ik er mede te genade te komen, dan zoude ik geerne van mijne misdaden te biechten gaan, maar ik heb er zoo vele gedaan, dat nauwlijks mijne ziele meer raad weet!

--Vriend, zeide Gawein goedertieren; al der wereld misdaad is weinig voor Gods genade: God, die voor ons geboren wierd, ontving voor ons de bittere wonden en mag u van uwe zonde quiten: zeg ze al uit en uit en laat den Grooten Duivel uit de Helle u niet pakken, dat bidde ik u!