Het zwevende schaakbord

Part 6

Chapter 6 3,952 words Public domain Markdown

Toen de dag doorbrak, rees hij en trok zijn zwaard uit de aarde. En begon hij met zijn zwaard om Gringolette heen vier diepe vorens te trekken. En de aarde uit te graven onder haar doode lijf en haar graf te delven. En arbeidde hij, een serf gelijk. Hij dolf en dolf, met zwaard en met handen en lanzamerhand zonk het lijk weg in de aarde. Het laatst bedekte hij het hoofd met het zand en hij torste van den rivierboord de zware steenen naar boven en stapelde ze over het graf. Toen, legde hij zijn schild, waarop de gouden liebaertkop, over de steenen. En stak zijn zwaard wederom in den grond, ter plaatse, waar het zijn kruis zoû richten bij het hoofd van Gringolette. En hij plantte ter zijde van het graf diep zijn speer en zette daarop zijn helm en hij legde de maliënhandschoenen er bij. En toen ging hij, na een laatste teeken des Kruizes over wat hij achter liet, blootshoofds, de lokken, die glansden als die van een vrouw, vallende tot over zijn halsberg, ongewapend en langzaam den weg op. De nieuwe zon straalde over de wereld uit, de zwarte vogelen waren verdwenen en een leeuwerik twetterde hooger en hooger de eindeloos doorzichtige lucht in.

Maar onverschillig ging Gawein. Naar Camelot terug keeren wilde hij niet; zoo hij zonder wapenen, zonder Gringolette, zonder het Scaec zoû komen, zoû zeker Keye spot met hem drijven. Den weg op naar den burcht van Mirakele ging hij maar eigenlijk zonder te weten waarom, omdat hij zeer twijfelde of dit tweede Scaec hij vinden zoû bij den Wonderkoning. En, in zijn maliëncotte, ging hij, wel vreemd doelloos een ridder, zoo ongehelmd en zwaardloos en paardloos, langs den weg, die leidde in het Wonderland. Tot hij achter zich hoorde een fel getoeter als van schelle trompetten. En omziende zag hij een tooverwagen, die naderde, naderde bliksemsnel, raderende in een wolk van zongoud-doorpoeierde stof en hoog in den wagen stond een vrouw. Zij richtte met de eene hand heur wagen door een horizontaal cirkelend stuur en in de ander hield zij een staf, waarmede zij scheen aan te geven de wendingen, die de wagen moest nemen evenwijdig aan de wendingen van den weg. Als een wapperende wolk omringde haar heur doorzichtig scharlaken mantel, die omviel haar uit haar schitterende helmkroon over de schubben van haar kuras. En zij was heel schoon in de blauwzwarte haren, die haar trotsch gelaat omzwierden.

Toen hare trompetten, die ter zij van den wagen hunne gouden monden vooruit staken, hadden getoeterd ter waarschuwing en Gawein zich had omgewend om te zien, vertraagde zij den gang van haar tooverwagen. En stond toen stil, met een ruk, terwijl een blauwige nevel en een vreemd zoete zwijmelgeur haar wagen omdampte. Gawein verwonderde zich, maar toen hij Merlijns zuster herkende, Morgueine, de fee, groette hij haar hoofsch met hoofd en met hand. En zij ook herkende hem en riep:

--Gawein, groote wigant en Vader van Aventure, wat tref u ik hier op den eenzamen weg en zonder helm, zwaard, speer, schild ende ors?

--Morgueine, antwoordde Gawein. Mijn zoete ors, Gringolette, stierf en mijn schild beschermt haar graf; op mijn speer staat mijn helm haar ter zijde en bevat eene laatste gedachte van minne aan haar en het zwaard, dat aan heur hoofdeinde steekt in den grond en met zijn kruis haar bewaakt, zal zich heffen in mijn ijzeren handschoen, zoo mensch of dier haar gesteente schendt, zoo helpe mij Marië's Kind, Jezus Kerst van Nazarene!

--En waar gaat gij henen, Gawein, alleen en loopende blootshoofds in het stof van den langen weg, geen ridder gelijk maar een banneling, die niet weet waar zijne schreden hem voeren?

--Lace, Morgueine, weet ik waar henen ik ga? Zal ik tot Camelot keeren om Keye, voor wien ik vrees, zijn schere met mij drijven te doen? Ik ga, ik ga, ik en weet niet waar henen; ik ga, ik ga voor mij uit!

--Zoo stijg in, valiante ridder, noodde Morgueine; en ik zal u voeren naar mijne Valleie, die is vol jolijt en solaes van riveel en amoers!

--Morgueine, wederstreefde Gawein. Wat wilt gij mij mede voeren naar uwe tooverlandouwen, naar het Dal van den dollen Dans, waar wie binnen treedt, danst tot hij dood valt en waar uit ik Lancelot, die zonder arg was binnen gedoold, heb moeten verlossen van den dood, dien gij hem aan wildet doen, mijn edelen gezel, dien ik min!

--Gawein, glimlachte zoet Morgueine. Ik en voer u niet naar dat dolle dal: ik voer u naar wel andere beemde, vol vië van vreugde en zaligheden waar in de wijde valleien, tusschen prayeelen en pauwillioenen vol schaduw en zoete rust, staan de wonderbare boomen van peper, anijs en gingebare, vijgen en notemuscaten, pumegernaten en amandelen! Wij zullen er in mijne foreesten de witte herten jagen en de vlakkige leoparden en wen wij terug van de jacht komen, zullen wij hippocras drinken en clareit en avondmalen met pauwbraad en pasteien! Harpe en psaltherion zullen voor ons spelen van zelve: ik heb een orgel, dat zweeft in het geluchte en zingt dan uit alle zijne zilveren pijpen, die klinken zuiverder dan goudene, bij mijne rechte trouwe! En wij zullen de gnomen om ons dansen zien en de elfen om ons zingen hooren, met hooge stemmekens, die trilleren als zilveren klokskens! Op het meer, dat is doorzichtig als glas, zullen wij spelevaren op een vlot met tal van toortijtsen om ons rond en wij zullen zweven op glanzende muzijk tot aan de maan.... Komt gij niet mede, o Gawein?

Gawein, moedeloos, glimlachte en stapte in. De wagen begon te snorren, bewoog rukkende vooruit en snelde weg, voorbij Koning Mirakels burcht, voor dat Gawein het zich bewust was. Hij zat aan Morgueine's voeten en voelde zich mede voeren in duizelingwekkende vaart.

--Deze is de wagen, zeide Morgueine; van mijn broeder, Merlijn. Maar ik loof deze enghiene niet harde, want door de lucht en kan ik er niet mede varen en Merlijn houdt zijn fenix-vogel voor zich! En als mijne diengeesten mij niet in de verborgene bronnen onder den grond weten te vinden de geurige oliën, waarmede de wagen bewogen wordt--want hij gaat niet van zèlve, Gawein, maar door middel van geheime beweegkracht en wonderoliën--dan kan niets zoo zware enghien voor uit drijven, al is de weg ook nog zoo glad!

Maar de wonderolie en de geheime beweegkracht schenen niet te faelgieren, want de wagen vloog, vloog voort als een vogel.. Hier wist Gawein nauwelijks waar hij was, in welk rijk, want het was niet Logres en het waren niet de landen der omringende koningen. De boomen hadden wonder kronkelende takken; aan de twijgen, tusschen de groote bladeren, hingen de roode, lange en de ronde, goudgele vruchten; een sneeuwwitte hinde ijlde plots over den weg en verdween tusschen de warreling van bloesemende, blanke amandelstruiken en ooftzware granaatappelboomen en plotseling zag Gawein voor zich uit strekken de toovervallei en klonk de zoete muziek uit de van zelf spelende instrumenten, die zweefden, even vaag zilver of nauwelijks elpenbeenblank, tusschen zwoele wolkjes, in blauwe zomerluchten boven.

--O, Wonder! zeide Gawein. Hoè spelen die speeltuigen van zelve, Morgueine?

Morgueine schaterde, terwijl de wagen met forschen ruk stil stond, zoo dat Gawein bijna er uit viel....

--Niet anders dan door tooverconste, Gawein, zeide zij; wees des gewes....

Zij stegen uit. En aan de hand voerde Morgueine Gawein binnen de tooverpoort van de Vallei der Ontrouwe Ridders, waaruit een ridder, die ooit ontrouw geweest was aan zijne geliefde, alleen verlost kon worden door een ridder, die nooit ontrouw geweest was....

HOOFDSTUK IX

Gedurende een maand reeds had Koning Artur, hadden de ridders te Camelot niets vernomen van Gawein, die ter queste getogen was en hoewel een maand niet bizonder lang is om een Zwevend Schaakbord te vangen, begon Koning Artur, begonnen de ridders ongerust te worden en fluisterden de laatsten onder elkaâr wat er toch met Gawein had kunnen gebeuren...? Tevens was het vreemd, dat Didoneel en Mordret des avonds dikwijls afwezig waren, voor welke afwezigheid zij niet bizonder aanneembare redenen konden opgeven, terwijl daarbij nog kwam, dat Merlijn gedurende een maand zich niet op Camelot had laten zien. Het waren alle dingen, die een onaangename stemming opriepen te Camelot, waarvan alleen, naar het scheen, Lancelot en Guenever zich weinig schenen aan te trekken. Tot eindelijk Merlijn, op een goeden dag, heel vroeg tegen priemtijd, op zijn fenix aan kwam vliegen en, afgestegen, met vragen door de ridders werd bestormd. Wist hij niet waar Gawein was en waar was hij zelve zoo lang geweest?

--Waar ik zoo lange geweest ben? antwoordde Merlijn. Maar mijn dappere wiganten, ik ben niet als gij lieden, die hier tot Camelot reeds sedert tien jaren respijt neemt van uwe heldendaden en rustiglijk afwacht tot Aventure zich meldt! Ik ben, het is waar, een tooveraar, maar ik ben tevens een chemicus, en een fyzicus, een mechanicus, een naturalist, een man van occulte sciencië en ik heb veel te werken, ik heb werkelijk veel te werken! Denkt gij, dat ik maar iederen dag hier tot Camelot kan komen klapaaien en maar niets doen en zitten te bepeizen van Wondere ofte van geen Wondere? Ik heb dezer dagen doorgrond of ik niet de sprakebloemen, die de gesprekken tusschen Morgueine en mij opvangen en terug kaatsen, draadloos kan inrichten.

--Draadloos? schaterde Acglovael het uit.

Merlijn zag den te pas of te onpas schaterenden ridder aan en haalde zijne schouders op.

--Ja, draadloos, zeide hij, droog. Nu hebben wij er metalen draden voor noodig, die spannen mijn gnomen mij onder de aarde, weet gij, Acglovael. Draadloos zoude veel simpeler zijn. Maar omdat Morgueine deze maand nimmer in haar slot aan zee was, nam mij het werk veel tijds en nu eerst ben ik er achteren gekomen waar zij zich divertiert en dat is in de Valleie der Ontrouwe Ridderen en daar drijft zij jolijt met honderd-vijftig Ontrouwen....

--Honderd-vijftig? weifelde Sagremort.

--Honddd...erd-vijftig? stotterde Ywein verbaasd.

--Min noch meere, verzekerde Merlijn. En de honderd-vijftigste is... Gawein.

--Gawein?? riepen Hestor en Meleagant.

Galehot glimlachte omdat hij al lang geraden had, waar Gawein zoo lange toefde. En toen Lancelot en Gwinebant aan kwamen wandelen, beider arm om malkanders schouderen, lichtte Galehot hen in:

--Gawein divertiert zich met Morgueine in de Valleie der Ontrouwe Ridderen....

En Merlijn vertelde van den dood van Gringolette, het goede ros, en hoe Morgueine hem eindelijk door een sprakebloeme had gemeld, dat Gawein haar honderd-vijftigste Ontrouwe was.

--Als de Koning dàt hoort...! zeide Lancelot ontsteld.

--Alleen een ridder, trouw aan zijne minne, kan Gawein verlossen! zeide Gwinebant.

--Zoo ga gij, Gwinebant, zeide Merlijn. Gij dròomt zelfs niet van andere jonkver dan van Ysabele, Assentijns kleindochter.

--Gwinebant lieft niet lange genoeg! Hij en is niet genoeg beproefd! riepen Meleagant en Hestor.

--Twijfelt gij aan mijne trouwe? riep Gwinebant, de klare stem klaterend van verontwaardiging.

--Wie van u is dan trouw? vroeg Merlijn, die het wel wist.

Zij waren het op één na van allen geen. En zij glimlachten tegen malkanderen en schokten de schouders en zij wisten van malkanderen, dat als zij ééne jonkver hadden bemind, zij er ook eene andere hadden bemind. Gwinebant, die was nog een knape... al telde hij maar drie, vier jaren minder dan zij.

--Lancelot, antwoordde toen Hestor en hij antwoordde zeer modestelijk, alsof hij aan zich zelven niet dacht.

--Ja. Llll...Lancelot! beäamde Ywein.

--Lancelot! riepen de anderen.

Lancelot stond, als wilde hij zich verontschuldigen, de oogen neêr, het gebaar vaag weêrgevend zijn onmacht ontrouw te zijn. Toen zeide hij vast en sloeg de oogen op:

--Ik ben trouw!

--Gij zijt trouw, Lancelot! riepen zij allen. Bij Sint Michiel!

--Zoo zal het aan u zijn... begon Merlijn.

--Aan u! vielen zij allen in.

--Het zal aan mij zijn, beäamde Lancelot. Ik zal den Koning vragen verlof Gawein te verlossen...

--Neen, dat niet vragen! riepen zij allen. De Koning weet niet....

--Dat Gawein....

--Toeft in de Valleie der Ontrouwe Ridderen! riepen Sagremort, Acglovael en de anderen.

--Waar zijn toch Mordret en Didoneel? dacht Galehot.

--Ik zal, hernam Lancelot; den Koning verlof vragen Gawein... te zoeken!

--Te zoeken, ja justement!

--Ik zal u helpen, Lancelot! riep Merlijn. Werkelijk, mijn zuster Morgueine drijft ergerlijk spel in hare Valleie....

--Honddd...erd-vijftig! verontwaardigde zich Ywein.

Een zware bel slingerde zijn metalen roep. Het was het teeken, dat Koning Artur afdaalde ter Ronde Zale en zijn troonzetel in zoû nemen aan de Tafel Ronde. En reeds verscheen hij, geleid door Guenever, en drie pagiën beurden zijn mottigen mantel. En de ridderen, een voor een, naderden hun leenheer en vorst en bogen voor hem de knie....

Met dezen noen togen Lancelot en Gwinebant, na verlof van den Koning te hebben gekregen, er te paard op uit om Gawein te zoeken. Merlijn had het betreurd hen niet dadelijk te kunnen helpen, omdat hij juist zijn tooverwagen ter beschikking van Morgueine had gesteld: anders hadden de beide ridders er een toer meê kunnen maken tot aan de Valleie van de Ontrouwe Ridders.... Maar toch, ze hadden geen van beiden met de enghiene kunnen omgaan--zeide Merlijn--en den wagen kunnen sturen en Merlijn zelve had het dien dag te druk met de draadlooze theorië te vervolmaken. Zoo dat zij met hun beiden te paard gingen, de vlakte over in zonneschijn en om den wonderberg heen, want die ontsloot zich niet voor de ridders. Zoo dat zij langs de rivier reden; breed was de rivier als een zee; soms draafden zij, soms stapten zij.... Gwinebant keek telkens op, of hij het Scaec niet en zag, maar er was geen Scaec te zien; trouwens, het zoû ook niet altijd de lucht doorzweven en misschien nu reeds rustig wachten ter plaatse waar Merlijn het heen zoû zenden, opdat Gawein het vinden zoû na Aventure, groot en klein. En plotseling zagen de ridders, ter zij van den weg, een graf van steenen gestapeld en zij ontroerden hevig, want zij herkenden helm en zwaard en schild en speer van hun makker Gawein en zij begrepen, dat hij ongewapend Morgueine in de Vallei was gevolgd. Zij waagden echter zwaard noch helm noch speer noch schild van Gawein mede te nemen en weg van het graf, dat zij begrepen te zijn van Gringolette, die bezweken was van het zwemmen. En zij maakten zich beiden het teeken des Kruizes en passeerden het graf, front makende op hunne paarden omdat Gringolette bijna menschelijk verstand had gehad en zekerlijk nu hare ziel weidde in de hemelsche weiden, die voor de poort zich strekken, waar Sint Peter waakt, met de Sleutelen, en waar alle goede paarden, in den strijd verslagen of anderzins omgekomen, naleven een lief leven van vrede, en klaver en haver.... En zij reden steeds verder en het werd reeds avond en zij ontmoetten den herder, die terug keerde met zijne kudde en hij groette hen beleefdelijk--hij was zoo gewend ridders te treffen te paard of feeën in tooverwagens, zeide hij--en hij vertelde hen ook van Gringolette's dood: dat was nu al meer dan een maand geleden! Sedert had hij dien edelen baroen niet meer terug gezien.... Maar het graf, daar van konden de edele baroenen zeker zijn, zoû door niemand worden geschonden: daar waren de ridderlijke wapenen en het schild en de helm en de handschoenen borg voor, zeide de herder. Van de Valleie wist hij niets, maar hij meende, de baroenen moesten maar altijd recht-uit rijden, den Burcht van Koning Mirakel voorbij en dan links: daar waren weder andere wonderlanden: o, er waren er hier zoo vele, aan deze zijde van de rivier. Zoo dat, met het vallen van den avond, de ridders nog immer reden, nu stapvoets en dan weêr in draf, tot zij begrepen verdwaald te zijn door dien linkschen weg. Hunne paarden waren wel moede en Gwinebant zeide, ongeduldig:

--Waarom zendt Merlijn ons ook niet een teeken, dat wij in de nacht niet en verdwalen...!

--Hij is bezig met de draadlooze theorië, verontschuldigde mild Lancelot; maar mij ware het ook bekwaam zoo wij hier een burcht zagen, om gastvrijheid te vragen....

--Zoo wij terug gingen tot Koning Mirakel...? aarzelde Gwinebant.

--Wij gaan nimmermeer terug, Gwinebant, wen wij eene queste doen, zeide streng Lancelot.

En Gwinebant bloosde als een maagd en hij zeide, nederig:

--Gij hebt wel recht, Lancelot; zoo vergeve mij Sinte Marië, onze Lieve Vrouwe aller Genade.... Wij gaan nimmermeer terug.

En zij stapten voort in de nacht, die gezonken was. Het land aan de kant van den weg strekte zich eindeloos en verlaten uit onder den schijn van de starren, die weefden een zilveren mist. Aan den anderen kant van de rivier waren de kimmen niet te zien en het water was zoo breed als een zee....

--O zie! zeide Gwinebant en hij seinde zich vol vromen huiver.

--Ik zie! Ik zie! zeide Lancelot en ook hij bekruiste zich.

De beide ridderen hielden de paarden in. Zij zagen ademloos toe. Over de zee-breede rivier vlogen tal van zwarte vogelen. Het waren geen raven, het waren geen kraaien; het schenen meer zwarte duiven. En zij vlogen in zwierende kringen en dan, plotseling, als in wanhoop, dompelden zij in de even zilveren wateren onder. En vlogen weêr op, maar zoo blank als versche sneeuw en zij verloren zich in de nacht....

--Het zijn de zielen van Vagevure, zeide Lancelot, en seinde zich weêr.

--Die zich louteren in de loutere wateren, zeide Gwinebant en bekruiste zich als Lancelot had gedaan.

--Wij zijn op de heilige Landouwen gedoold, zeide Lancelot en hij schouwde om zich rond. Dit is niet Logres meer.

--En zelfs niet meer Wonderland van ouden Mirakele!

--En noch tooverland van Morgueine en van Merlijn....

--Zullen zij gered worden voor Paradijs, o Lancelot? vroeg Gwinebant huiverig. Merlijn en Morgueine?

--Ja, zij, zeide Lancelot. Zij en zijn niet booze.

--Neen, niet booze....

--Zij zijn alleenlijk te welwetend van de dingen boven en onder de aarde.

--Alleenlijk te welwetend... herhaalde Gwinebant.

--Maar aan het einde zullen zij worden gered.... Bidden wij voor hen, Gwinebant.

De ridders stegen af. Zij bonden de paarden aan hunne in het gras gestoken zwaarden. Zij knielden naast malkanderen aan den rand van het zee-breede water en begonnen hunne orisone te zeggen.

Vóór hunne blikken, daar ginds, in de wijde, zilveren nacht, vlogen de zwarte vogelen aan, doken onder, en stegen sneeuwblank, druipelend van de droppen, op, tusschen de sterren....

En Lancelot en Gwinebant baden voor Morgueine en voor Merlijn, dat zij aan het Einde zouden worden gered.

--Zoo zullen zij, bad Lancelot; als zwarte vogelen aan vliegen komen, o God van Hemelrijk, over uwe loutere wateren....

--Zoo zullen zij, bad Gwinebant; als witte vogelen uit vliegen komen, o God van Hemelrijk, uit uwe loutere wateren....

--Amen, baden zij beiden en seinden zich.

En zij stegen weêr op en reden voort, terwijl zij uit de lucht de witte duiven, heel zacht, meenden te hooren zingen:

--Kyrië Eleïson! Kyrië Eleïson!

Maar zij waren te vroom, de beide ridders, om op te zien. En zij reden voort, steeds voort, niet wetende waarheen en vertrouwende, dat zij wel door bewaarengelen zouden worden begeleid, zoo niet dadelijk aan het einddoel der queste, dan toch tot Aventure....

--Zoo als in het Leven, zeide Lancelot wijsgeerig.

--In het Leven? vroeg Gwinebant, als een knaap.

--Waar het Aventuur is het Goede en het Kwade, als in de queste, zeide Lancelot.

--Is dat waar? vroeg Gwinebant.

En hij voegde er aan toe:

--Lancelot, gij waart immer trouw aan uwe zoete minne, mijn moeie Guenever?

--Ik ben een groot zondaar, zeide Lancelot; maar in mijne zonde was ik altijd trouw.

--Ik zal ook altijd trouw blijven, zei Gwinebant; maar gij waart alreede trouw lange, lange, verledene jaren.

--Ik ben een groot zondaar, zeide Lancelot; maar ik kan niet anders, zoo helpe mij God. Mijn trouwe is mijne groote zonde.

--Wij zullen Gawein zekerlijk vinden, zei Gwinebant. Want wij zijn beiden trouwe....

--Maar zondig ik alleen, zei Lancelot en seinde Zich drie malen.

Toen bekruisde zich drie malen Gwinebant, hoewel hij noch zich, noch Lancelot zeer zondig vond.

HOOFDSTUK X

In de nacht reden de ridders langzaam aan, zooals ridders-van-aventuren, die geen burcht tegen komen om te overnachten, in alle ridderromans, in de nacht, door rijden. Maar Merlijn was, hoewel niet alwetend, toch veelwetende door wat hem zijn sylfen en gnomen vertelden, en wist Lancelot en Gwinebant met dwarrelende vuurvliegjes en dwalende dwaallichtjes juist te houden op den rechten weg, waar de burcht rees van den een of anderen ouden koning, die niet was Mirakel, noch Assentijn, noch Artur. Lancelot en Gwinebant werden door den ouden koning Ban, die wel van de Tafel-Ronde gehoord had, in nachtjapon slaperig en ietwat brommerig ontvangen, maar toen geleid naar een kemenade, waar garsoenen hen van rusting en wapenen ontdeden--wees des ghewes, gij, o lezer, dat de rossen reeds goed werden verzorgd en geroskamd stonden voor volle ruif. Waarna de knapen de ridders aankleedden in surcoet en hozen en hun water en dwale boden, om zich te wasschen, als hooge lieden plegen. Toen geleidden de knapen de ridders naar een groote zaal, waar de tafelen op de schragen waren gelegd en het amelaken was uitgespreid en deden zij zich te goede aan venizoen en dronken zij oude clareit naar genoegen. En toen de knapen hen na het maal wederom met tortijtsen geleidden naar hun porprijs, strekten zij Zich spoediglijk uit op de bedden en dachten te slapen tot dageraad toe. Maar een zachte muziek klonk en plots schoof weg de muur in een wijden boog in den wand en twee jonkvrouwen, uitermate schoon, verschenen, glimlachende, omringd van vele brandende keersen en witte rozenkransen en luit en psalterion ter hand.

--O, zie dan toch, Lancelot! riep Gwinebant, en richtte zich van zijn bedde. Twee schoone Sinte Ceciliën naderden ons door de muren!

Ook Lancelot was opgerezen en de twee ridders, schoon als de jonkvrouwen, blond als de jonkvrouwen zij beiden, Lancelot zoo ernstig voor zijne dertig jaren, Gwinebant een jongeling nog voor zijn acht-en-twintig, zagen verrast de beide speelsters naderen. Maar dezen legden hare speeltuigen neder en traden uit den boog, die zich sloot.

--Wellekom, heer ridder, zeide de een en zeide de andere.

--Wellekom, gij beide schoone bezoeksters, zeide Lancelot en zeide Gwinebant na en Lancelot vroeg:

--Twi doet gij ons deze groote eer, jonkvrouwen, met muzijk en gebloemt te verschijnen in ons closet?

--Sinte Cecilië gelijk, voltooide Gwinebant, die zijne vergelijking wel goed vond.

--Heiligen en zijn wij niet, zeide de eene jonkvrouw, met een lachje naar Gwinebant. Wij zijn zusteren, de beide dochteren van onzen vader, den Koning Ban en ik ben Ydeleine.

--En ik ben Belleflore, zeide de andere; en wij komen u vragen, o ridderen, of gij genegen zijt de zoete melodië te drijven, met ons, deze nacht. Wij bidden het u met hoofschheden....

--Wij bedanken u beiden met hoofschheden, Belleflore ende Ydeleine, zei Lancelot, voor zelfs Gwinebant een woord had kunnen zeggen; maar weet wel, dat wij die gonen zijn, die morgen onzen gezel, heer Gawein, moeten verlossen uit de Valleie der Ontrouwe Ridderen en wij dat alleenlijk zullen vermogen zoo wij zelven trouwe blijven aan onze minnekijns... Wij verontschuldigen ons dus harde.

--Harde, herhaalde Gwinebant met een zekeren spijt, ook al vergat hij nooit Ysabele.

--Gawein! riepen de beide jonkvrouwen uit. Maar is hij ook niet van Tafel-Ronde?

--Gewes en zeker, bij Sint Michiel! riep Gwinebant.

--Bij Sinte Marië, Koninginne van Hemelrijk, voegde waardig Lancelot er aan toe.

--Wij kennen hem, zeide Ydeleine schalk.

--Wij kennen hem beiden, zeide Belleflore nog schalker.

--Was hij hier gisteren? riep heftig Lancelot, om te weten.

--Dezen dag nog? riep Gwinebant na.

--Niet gisteren....

--En niet dezen dage, zeiden de zusters.

--Maar een jaar her.... zei Ydeleine.

--Ja, een jaar her, zei Belleflore. Hij kwam en was moede des dwalens en rustte uit en hij at met ons en wij dreven jolijt....