Part 3
Maar al rees er ook wel in de foreesten van het Land van Logres, tusschen de vele burchten, een burcht op, waar schoone en slechte vrouwen tusschen feloenige ridderen de goede ridders belaagden en binnen lokten, de elf makkers dezen avond--vergeet niet hunne sonore namen, die immers zijn Lancelot, Bohort en Ywein, Mordret en Didoneel, Hestor, Meleagant en Acglovael, Sagremort, Galehot en Gwinebant!--reden rustig stapvoets, gewapend als steeds maar aan Aventuur niet geloovig, de zwarte, donkere wegen langs, die zij zoo goed kenden, om dan in eens tusschen het ijlere, doorzichtige loover uit te komen op vlakte of viersprong, waar de witte maan over vloeide als loome melk tegen der boomschaduwen zwarten inkt. Zoo liebaert noch drake school in dat zwarte of plots dreigend uitschoot over dat wit, het geheimenis weefde er wel door de geluidlooze stilte of zweefde den ridders voor door den val van het manelicht en geleidde de zwijgende ruiters naar den burcht van Merlijn. Slechts brieschte nu en dan een ros en kraakte het kreupelhout onder zijn ijzeren hoef....
En plotseling, op wijdener opene vlakte, rees de burcht vreemd op, zoo geheel anders dan Camelot en niet Romaansch en niet middeneeuwsch romantisch maar meer verrassend Oostersch grillig, met blankere muren, spitsere torens, flamboyant en Gothiesch reeds, ongemeen nog deze wereldfantazie, in een wijden, witten rozentuin vol reuzekelken, die stoomden-uit wolkjes van zichtbaar wit neveligen geur en geen gracht of wal beschermde het, in de maan als een diamant schitterend, slot. Zoo scheen het wel een kasteel van blanke tooverië, dat niemand ooit zoude naderen dan wie wist welkom te zijn en niet plots doorschokt te worden met den tooverschok, dien veroorzaakten de geheimzinnige, metalen draden, tusschen de rozen verborgen en die doodden wien hunne hevigheid voer door het heftig doortrilde lijf....
Zekerlijk zag Merlijn, zagen zijne trawanten reeds van verre door tooverkijkers van kristal of diamant den stoet naderen, want plotseling schitterde, bij wijze van welkomstgroet, geheel het slot om poorten en ramen en torentinnen van licht, heller dan starrenschijn en de grootste poort week open om een verschiet van diepsten gloed....
--Ik dacht wel, dat het Wònder is, zeide Hestor verblind; waarmede Merlijn zijn kasteel zoo doet gloeien!
--En tooverië, zeide Meleagant; waarmede hij zonder sparen doodt wie zich verwart in zijne felle draden, die liggen verholen tusschen de rozen, serpenten gelijk.
--Vroô ben ik, dat hij ons vroed maakte van zulke booze hinderlage en dat wij weten den weg tusschen de zoete rozen, lachte Acglovael.
--Rechts af ter poortewaart, mijn lieve gezellen! waarschuwde Lancelot.
--Het is diablerië, die niet en door riddermoed noch kracht ware te overwinnen! bromde Bohort, onder den indruk.
--Het is dia...dia...dia...bbblerië! was Ywein het eens.
En desniettemin is Merlijn de magiër vol goede prise! loofde de schoone Gwinebant met zijn stem, die was als een nachtegaal klaar.
--Zouden al zijne treken wel diablerië zijn? twijfelde, brauwfronsende, Sagremort. Of tooverië zelfs? Of alleenlijk maar...?
--Wat, Sagremort? drongen op hunne rossen de ridders om den twijfelaar rond. Bij caritate, wàt Sagremort?
--Clerkekonste, die hij weet in praktijk te brengen! Hij leest véél in heel dikke boeken!
--En al ware het al clerkekonste, die hij weet in praktijk te brengen, zoude dat dan niet diablerië ook zijn?
--En tooverië? riepen Mordet en Didoneel, om wat mede te zeggen, want zij waren in eindeloos tweegesprek, fluisterend en de andere ridders letten hen op: Gwinebants donkere oogen begluurden hen fèl.
--Gij zegt wel, bij Sint Michiel! gaf Sagremort zich wel weêr gewonnen maar dacht toch na, brauwen fronsende en ontfronsende.
Maar de ridders waren tusschen de rozen, die hoog stengelden en wijd bloeiden en zichtbaar welriekende stoofden, gereden tot op een voorplein; er stonden op voetstukken marmeren figuren in het rond, voorstellende de helden, die gestreden hadden voor en in Troye, waarvan de blinde Homeros gezongen heeft en de goden en godinnen, die hen beschermden en er stonden ook Aeneas en vrouw Dido, van wie een zekere Vergilius eens dichtte in de Latijnsche sprake--de clerken en de trouvère's dichtten die dichters wel na, en zongen hen na op de lange schemeravonden in de kasteelen. En de beelden waren zoo schoon, dat de ridders zich verbaasden, iedere maal, dat zij ze zagen.... Tal van garsoenen schoten toe, terwijl de ridderen afstapten en grepen bij de teugels de rossen; een seneschalk naderde met een stoet van dienaren, en toen de elf ridderen binnen traden, doofde plots, voor de poort nog zich sloot, al de illumineering van het slot. En verbaasden de ridders steeds om de prachtige inkomst van breede, marmeren trappen, met de blanke goden- en heldenfiguren ter weêrszijden bezet en dan die felle gloed, die straalde òp voor hun blik en doofde dadelijk weêr achter hun tred. Hoe Merlijn toch meester was over licht en donker! bepeinsden zij allen nu wel en zij stegen de treden op en Merlijn heette hen wellekom boven aan de trap en zij vonden, hij was zoo jong niet meer als dien morgen vlak na zijn Jouvence-bad; hij had een goediger gelaat, meer gerimpeld en onder zijn puntdiadeem scheen zijn haar even gegrijsd en zijn gestalte boog even, gebrokener, in zijn stijf van gesteente, scharlaken, wijde magiërsamaar. Zijne wellieve gasten voerde hij naar een groote zale, die was van zuilen zoo schoon en doorzichtig als nergens in Land van Logres een burchtzaal, en de ridders, vol tuitinge van love, verbaasden.
Toen zeide Merlijn:
--Ik heet u, lieve gezellen, wel dank, dat gij gekomen zijt om samen te rade te gaan over wat wij bedochten om uit deze vernoie te raken van aventuurloosheid, die vooral onzen beminden Prins en Gawein zoo bedrukt en smachten doet. Ik heb bedacht te hunner weldade een Zwevend Scaec Camelot binnen te laten vliegen, als tien jaren geleden geschiedde, en zoo gij wilt, zult gij allen mij trouw zijn en niet verraden, nu ik u in mijn vertrouwen neem, want ik heb u allen van noode. En om u wederom goed en duidelijk te doen heugen van zoo lang verledene maar voor Gawein glorievolle Aventure, wil ik u de Verledenheid voor tooveren opdat gij u allen ziet in de dagen van weleer, toen gij twintig vroegzomeren teldet en zoo frissche knapen waart, allen vol vertrouwen in Aventuren en Wonder en Heldenfayten....
En hij wees den elf ridderen elf wijde zetels aan. Zij zetten zich en Meleagant vroeg:
--Zien wij de Verledenheid wellicht in een grooten smaragd?
--Neen wij, zeide Merlijn. Salomo zag het Verleden in een grooten, ronden smaragd, die zijn magische spiegel was; ik toon u dat eenvoudiger op dezen witten wand.
En hij toonde vóór de ridders een witten wand, die was gelijst in gouden, vlammend geloover en de wand was een vierkant amelaken gelijk, gespannen strak en ontvankelijk voor alle des Verledens beeltenis.
--Tooverië? Of geen tooverië? vraagde zich Sagremort af. Dat is de vrage!
--Tooverië! Tooverië! verzekerde Merlijn.
En met eenen doofde de zale van alle lichten en straalde alleen aan de overzijde des witten wands een geheimvollen lichtbundel uit met felle stralen: er snorde en draaide iets onzichtbaars, en....
De ridders, plots, zagen in trillend beeld op den witten wand ontrollen het Verleden zelve, hun eigen Verleden! Zij schrikten heftig op. Te twijfelen voor Sagremort, niet-te-weten voor Galehot was ondoenlijk, om dit sobere feit.... Aan den smaragd van Salomo hadden zij misschien nooit één van allen geloofd; aan Merlijns blanken tooverwand, waarover het Verleden óp trilde, moesten zij wel gelooven! Want zij zagen zich allen, maar tien jaren jonger, zitten in de Ronde-Tafelzaal, rondom de Tafel-Ronde! De Koning, zoo krachtig en fier nog, vergeleken bij den weemoedigen grijsaard, die hij nu was.... Gawein, reeds ernstig, maar even jeugdig als zij allen toen waren geweest.... Gwinebant, bijna een knape, van achttien lentes nauwelijks. En de stoel aan 's Konings rechterzijde leêg, als dien morgen, want Lancelot met de jeugdige Guenever, wandelde de bloesemende vergieren door, soms teederlijk door opgewaaide wijle omwoeld.
--O Wonder! O Wonder!! riepen zij allen. O tooverië! Diablerië! Hoe doèt gij het, zeg toch, Merlijn? Ons eigen Verleden, wij zien het voor ons! Het en is niet te gelooven en wij zien het...! Toen... op het triltafereel over den wand zweefde uit de lentewolken een Schaakbord binnen en het zette zich, als een vogel licht, voór Koning Artur en de ridders zagen zich allen even ontstellen maar niet lange omdat destijds zeer vaak vreemd Aventuur zich meldde. En zij zagen den Koning spelen met den onzichtbaren tegenspeler en toen het Schaakbord zich weêr verheffen, weg zweven en verdwijnen in het geluchte....
--O Wonder! O Wonder!! herhaalden zij allen.
Ja, zoo was het eenmaal geweest! Zoo en niet anders! Tien jaren her, tien jaren her!!
En een huivering, koud, doorvloot hunne elftal heldenzielen, terwijl zij in den donker Merlijn zagen uit stralen, steeds zichtbaarder, maar steeds ouder ook, met een grauwen baard, die scheen te groeien....
HOOFDSTUK IV
In het zaalgedeemster zagen de ridders op den strak witten wand voor zich, als op een levend schilderij, tusschen de al flamboyant Gothische krullen der omlijsting--stijl der toekomst nog vreemd aan hun aesthetisch bewustzijn--het laatste Aventuur herleven, het Aventuur van Gawein, het Aventuur van het Zwevende Schaakbord, dat Gawein den Koning gezocht had en gevonden na moeitevolle queste. Ja, nu waren zij er zeker van, dat Merlijn het Verleden op nieuw kon doen zichtbaar zijn, precieselijk als het geschied was: zij zagen, als het geschied was, zich allen zitten blijven, om de Ronde Tafel, toen de Koning rondom vroeg wie hem het Schaakbord zoude zoeken; zij zagen toen Gawein rijzen, zich wapenen, te paard stijgen op zijn goed ros Gringolette, dat nu nog wel op stal stond, maar oud en weinig meer wrochte; zij zagen hun gezel zich in het foreest verliezen en stand houden voor een berg, die hem den weg versperde; zij zagen den berg, met tooverië, zich openen en Gawein verslinden en toen plots, zagen zij Gawein in fellen strijd met den draak, terwijl hem de draak in zijn staart omkronkelde! Dat wat zij zelven sedert jaren niet meer hadden gezien noch gedaan, een drààk en eens ridders strijd met dien zagen zij nu, gezeten in hunne wijde zetels en het was als een schouwspel ten vermake! En zij waren allen zeer verbaasd en versaagd en verwonderden zich, tot Merlijn eensklaps zeide, terwijl het licht in de zale als uit groote edelsteenen, jochanten en karbonkelen, straalde overal uit den wand:
--Verder, mijn valiante wiganten en lieve gezellen, kan mijn conste u niet toonen het Aventuur van der Aventuren Vader. Mijn diengeesten vermochten alleen nog Gaweins strijd met het serpent te fixeeren in hunne enghienen, die het Verleden opzuigen en bewaren voor immer. Maar wat gij zaagt, is genoeg en zal u herinneren doen hoe het Scaec binnen kwam zweven, hoe gij allen weifeldet en zoo, zeg ik u, zal op nieuw, nu Pinksteren nadert, een Scaec op Pinksteren-dage binnen zweven en zult gij op nieuw, zoo gij mij en Gawein te wille wilt zijn en den Koning voor sombere geesteskrankte bewaren, aarzelen op te staan om de queste te volbrengen. Dan zal, als hij reeds deed, Gawein zich verheffen; dan zal hij ten tweeden male....
Op dit oogenblik weêrklonk een trillende zilveren bel boven een groote lelie van parelmoêr en Merlijn zeide:
--Vergeeft mij, mijn makkeren en jont mij, dat ik even spreek met mijne zuster, die is de fee Morgueine en zij is vèrre, in haren burcht en belt mij op!
De ridders verbaasden zeer, maar Merlijn naderde het toover-enghien der groote parelmoêren lelie, en hij riep door de bloem heen:
--Hallo!... Wellieve zuster Morgueine, zijt gij daar? Ja... ja, zeker... Volgeerne zal ik u morgen mijn tooverwagen zenden, die van zelve gaat, zonder peerdegespan en gij zult zekerlijk er meerder jolijt mede drijven op de gladde wegen, die uw slot omgeven aan den zoom van de zee, dan ik, die midden in deze foreesten van Logres toch geen nut van mijn schoonen wagen heb! Zonder meswende, wellieve zuster, ik zal u den wagen zenden en gij zult ondervinden hoe ruischloos hij vaart!
De ridders waren opgetogen en verzamelden zich rondom Merlijn, die zich afwendde van de groote, parelmoêren lelie.
--Wat! riepen door elkaâr Sagremort en Acglovael, Bohort, Hestor en Meleagant. Bij Sint Jan! Bij Sint Michiel! Bij Maria's Kind, den rijken Gode van Hemelrijke! Hebt gij met uwe zuster gesproken, Morgueine, die zoo verre woont aan de zee??
--En waarom en zoude ik niet, wellieve gezellen, mijn gevoeg hebben aan mijne tooverlelië? antwoordde Merlijn, en zij zagen nu allen, dat hij geheel veranderd was en verouderd en voor hen stond als een oude man, als een eerwaardige grijsaard met zilvergrijze lokken, zilvergrijzen baard. Heeft mijne zuster niet ook in haar slot een dergelike tooverlelië--eene sprakebloem heeten wij de schoone kelke--, waarin zij met mij spreekt en waarin zij mij spreken hoort?
--Mm...Mm...Mmm...et wie, vroeg Ywein; zijt gij nog meer verbonden, Merlijn, door dergelijke sprakeblom?
--Met niemand meer, Ywein, verzekerde Merlijn; want alleen grootste tooverconste kan deze aansluiting van slot tot slot bewerkstelligen en met Camelot, lace, zoude het niet en mogelijk zijn omdat onzes Heeren Konings burcht een huis is naar al te oude zede en costume gebouwd, en niet abel voor onze laatste uitpeizinge van tooverië. En nu, mijn ridderen, peis ik in mijn moed, dat gij slapen moet gaan en zoete droomen hebben, die ik u zenden zal, om morgen, met Pinksterendage, voorbereid te zijn op het Aventuur van Gawein, dat zich herhalen gaat ten gerieve van onzen held en ter liefde voor onzen Koning, die smacht....
De ridderen namen van hun gastheer oorlof met hoofsche manieren; de wijde deuren openden en over de trappen, in eenen, straalden de lichten op, die schenen te schijnen en te dooven naar mate Merlijn maar zijn hand bracht aan een knop van jochant, die hier en daar aan den wand zich bijna verborg tusschen het nieuw Gothische geflamboyeer van goudene krullen.... Tot Galehot, die hem had bespied, achter de anderen aan loopende, nauwelijks toen de seneschalk, naar Merlijns voorbeeld, achter de trap neer tredende ridderen het licht had doen tanen, zijn hand bracht aan den jochanten knop, dien hij vond en... het juist gedoofde licht weer op deed stralen!
--God zij gebenedijd, mijn makkers! riep Galehot. Schouwt eens! Ook ik ben toovenaar en laat het licht zijn naar mijn wille!!
De andere ridders wendden zich, zagen het stralen waar zij juist achter zich het hadden voelen dooven en verschrikten hevig. En Bohort riep:
--Ik bid Gode om zijne genade, wellieve Galehot!! Draken heb ik verslagen, ik en weet niet meer hoe vele, maar vaar heb ik, trots mijn ridderschap, voor deze duivelsche gloeilampen; hoe hebt gij ze op doen glanzen??
--Zoo ende niet anders! riep Galehot en deed wederom een lamp aan den wand opstralen, die juist de seneschalk had gebluscht en hij lachte, de ridder Galehot. Maar de andere ridders, en zelfs Acglovael, lachten niet en drongen angstig Galehot niet met die tooverenghiene zijn spel te drijven....
Niet alle ridders echter waren de trap afgegaan om naar Camelot terug te keeren. Toen Merlijn terug in de zaal keerde, na den vertrekkenden uitgeleide te hebben gedaan, vond hij Gwinebant, den neef der koninginne, misnoegd zitten in een zetel en Lancelot bezorgd voor hem staan.
--Wat is er, wellieve vrienden? vroeg Merlijn; en waarom volgt gij niet alle de anderen van Tafel-Ronde?
--Krank is Gwinebant, peis ik, Merlijn, zeide Lancelot, die zijn hand op des jongelings smal voorhoofd legde. Zijne slapen kloppen met hamerslagen en zie zelve hoe bleek zijn lieren zijn. Kunt gij hem niet genezen, Merlijn, gij, die toch alle tooverconsten weet en ook die van kruiden en heilzame bloem?
Merlijn zag een pooze op den schoonen Gwinebant neer. En toen zeide hij:
--Voorwaar, mijn lieve Lancelot, deze knape, die bloeit anders een roze gelijk, boven alle zijne gezellen van Tafel-Ronde, kwijnt den lesten tijd, als een gebrokene lelie.... Bij mijne trouwe, niet moeilijk is het te raden wat hem scheelt. Hij drijft rouwe, onze lieve Gwinebant, om liefdes wille, wees des ghewes! Gwinebant, is dat niet zoo?
--Het is zoo, Merlijn, antwoordde Gwinebant en kwijnende vielen zijn anders zoo krachtige armen langs zijn slank jonge leden. Sedert ik, maanden geleden, bij het leste tornooi Ysabele gezien heb, de schoone dochter van Koning Assentijn van Endi, heeft Liefde mijn zinnen gevangen en vervult mijn geest geen andere gepeize dan die aan de jonkvrouw. Want de jonkvrouwe Ysabele heeft meer schoonheden te haren deele dan Venus heeft, de godinne, die over de Minne gebod voert; Ysabele is schooner dan Helena van Sparta of Ysaude van Ierland, die zoo ongelukkiglijk Tristan minde; ja, Ysabele is schooner, vergeef mij, o wellieve Lancelot, dat ik dit zegge, dan onze beroemde koninginne Guenever en wen ik u beiden spanseeren zie door de bloesemende vergieren, dan weet ik wel, dat Ysabele verre Guenever overtreft in menigertiere schoonheden, maar ai mij, wacharme, dan sterft mij ook het harte in mijn borst omdat ik van vlammen verteer en niet weet hoe ik mijn brandenden dorst zal drenken!
En minnekranke Gwinebant, gezeten, legde zijn kloppend hoofd tegen Lancelots hart als om troost bij een vriend te zoeken, toen Merlijn--wat was hij oud, nu dat het over middernacht was!--vinger tegen voorhoofd uitriep:
--Ysabele! Ysabele, Assentijns kleindochter!! Maar wellieve vrienden, ik had nog niet aan haar gepeisd in mijn moed maar wij hebben haar harde noodig voor ons Aventure, dat zich na tien jaren herhalen gaat! Want vond Gawein niet Assentijns dochter, Ysabele eveneens geheeten, in den Burcht van Endi, waar het eerste Scaec werkelijk binnen dreef door het opene venster en nam hij haar niet en mede en huwde hij haar niet aan onzes Konings hove en stierf zij niet in kinderbedde! Arme Gawein: ontrouw was hij haar dikwijls al minde hij haar, zijn Ysabele, zijn lieve wijf, vol van deugden! En eene kleindochter heeft Assentijn, ik weet het, van zijn zoon, die omkwam in den strijd tegen Rome en zij is geheeten als hare moei was: Ysabele! Ysabele, de tweede Ysabele, zij zal haren oom, Gawein, ontvangen te Endi als eenmaal hare moeie het deed!
Gwinebant was opgesprongen, in groote verwarring.
--Wat meent gij, Merlijn? En wat wenscht gij met al uwe achtergedochten en toovergepeize?
--Niet anders, o wellieve Gwinebant, dan uw liefde te dienen, zoete knape! Lancelot, ga terug tot Camelot, en laat mij Gwinebant. En gij, Gwinebant, vertrouw Merlijn, die nie een kwade toovenaar en was, en stijg deze nacht nog mede op mijn fenix.... Zoo voer ik u tot Ysabele!
De jonge ridder gaf een kreet van geluk.
--Tot Ysabele! Tot Ysabele! riep hij uit.
Een pooze later reed Lancelot, alleen, in de nacht, terug naar Camelot. Dat hij zoû binnen komen door alle de poorten, die Keye zorgvuldig gesloten, had, beloofde hem Merlijn, zoo als hij het den anderen ridders beloofd had.
En stegen, op de fenix, die Merlijn stuurde, Gwinebant en de toovenaar op. De jonge ridder zat achter zijn stuurder en verbaasde zich. De schitterend pauwevervig geschakeerde vogel, met recht gestreken wieken, azuur in den maneschijn, zweefde hooger en hooger op en uit zijne diamanten oogen schoten twee bundels felle lichtstralen, die verlichtten den weg door de lucht en de boomkruinen van het nachtelijk foreest. En tusschen hemel en aarde, tusschen bosch en sterren, voerde Merlijn Gwinebant naar zijn liefde. Van gelukzaligheid glimlachte, open zijn zacht hijgenden mond, Gwinebant, de sterren toe of de zwarte bladerenzee, beneden even gekabbeld de golven.... Hoe zij zweefden, hoe de fenix zweefde! Hoe zij vlogen, hoe de fenix vloog! O tooverië, o heerlijke tooverië van vliegen en zweven, de luchten door, de zomernacht door, over de wereld, tusschen sterren en bosschen! Tot ginds, afgeteekend tegen de klare nacht, de zware burchtsilhouet rees van het slot van Assentijn, Gaweins schoonvader--lace, Ysabele, zijne dochter en Gaweins lieve vrouwe, zij was verscheiden van deze aarde! Maar Ysabele, de jonge maagd, en Assentijns kleindochter, die Gwinebant zoo beminde, zij leefde, dààr in dat slot....!
De fenix cirkelde boven het slot: de vogel, nu geruischloos en onzichtbaar, door kunst van Merlijn, Merlijn zelve en Gwinebant onzichtbaar.... Er was een aanzwellend gesuis rondom in de lucht als van vele vluchtige en luchtige vleugelen: een gesuizel, tevens aanzwellende, als van honderden stemmen....
--O Merlijn...! begon Gwinebant.
Maar het scheen, dat hij zwijmde, achter Merlijns rug.
--Mijn zoete trawanten! fluisterde naar de lucht, links en rechts, Merlijn. Mijn trouwe dienaren uit de lucht! Mijn blijde sylfen: hierheen, hierheen op uw lichte vlinderwieken!! Neemt den jongen ridder hier bachten mij in uwe armen en geeft zijn lijflijk huls aan mijne gnomen in het foreest, ter bewakinge, aan mijn goede gnomen, dat zij hem houden in zoete vaak en voert gij zelve, o sylfen! zijne ziele van liefde met u tot in Ysabele's droom! Komt! Komt! Neemt hem en voert hem met u!
Er was even een manestraal door de wolk, die veronzichtbaarde de fenix, Merlijn, Gwinebant.... En in den manestraal verduidelijkte voor duizenden geestesoogen, die van boven neêr zagen, het blauwe tooverenghien, het zwevende fenixdier... verduidelijkten even tal van zilverige sylfewieken, die waren als van waterjofferen en libellen, doorschijnende glas, dooraderde vlies: de wolk van sylfen, die droegen het bezwijmde lijf van Gwinebant, zacht dalende, dalende laag.... Verduidelijkten zij daarna zilveriger, in stralender lijnen, toen zij, opstijgende uit het duistere foreest, Gwinebants astrale lijf hieven omhoog in hare armen, in hare handen, liggende levenloos de schoone jongelingvorm in hare stijging.
--Weeft den droom van hier naar daar, van daar naar hier! fluisterde bevelend Merlijn en wees van slot naar bosch, van bosch naar slot.
Als met een wijd geweven spinnerag zilverden de ijle draden van slot naar bosch, van bosch naar slot terwijl Merlijn, onzichtbaar, op den beweegloos zwevende fenix, zijn staf hoog, staande, verroerloosde...
En het droomeweb, het ijle spinnerag weefde voort, weefde voort, tusschen aarde en hemel, tusschen ridder en maagd....
HOOFDSTUK V