Het zwevende schaakbord

Part 2

Chapter 2 3,813 words Public domain Markdown

--Veronveiligde een draak nooit ende nie meer de immer onveilige foreesten van Logres?

--Nooit ende nie, ai, nooit ende nie!

--Zweefde nooit meer een bloedige Speer, een heilige Vaas, een betooverd Scaec het geluchte door om een hoofschen ridder ter queste te nooden?

--Geen Speer! Geen Vaze! Geen Scaec zelfs, mijn prins! En mijne Ysabele, o lace, zij stierf!

--Ik wacht! Ik wacht! klaagt de Koning.

En het oude hoofd knikt in zijn wippenden baard op zijn hermelijnen mantelkraag.

De koninginne, Guenever, nadert hem liefdevol.

--Oûvadertje, zegt jolijselijk de "fonteyne aller schoonhede" en hare stem is als het murmelen van zangerig water, terwijl zij haar gemaal de blanke handekens legt over de princelijke schouders van even motputterig hermelijn. Oûvadertje, troost u van daag zoo geen Aventuur zich kondt. Zie, de dag is zalig vroô van zonneschijn; de appelbloesems zijn blijde van wondere belofte; menigertier vogelijn kwinkeleert er bijna zoo zuiverlijk als de gulden vogelen, die Merlijn mij zingen doet op de twijgkens van den tooverboom in mijn Vergier der Vreugde en ik wil, dat gij de zoo zoete lente ademt, in steê van hier steeds te beiden aan deze Ronde Tafel, tot Aventuur zich meldt! Oûvadertje, bij mijne rechte trouwe, sta op en kom mede spanseeren met Guenever, die u lief heeft en met Lancelot, die ook zoo veel van u houdt!

En de koningin, ter eene, Lancelot ter andere zijde buigen zich over 's Konings schouderen. De Koning schouwt van den een naar de ander. Zij zijn beiden zoo schoon en van liefde stralend. Hij, zoo blond en zoo sterk; zij, zoo blond ook en zoo bevallig! Hij, zoo breed in zijn geluw-en-zwart fulpen surcoet, die zoo nauw om zijn heldhaftige ridderlijf spant; zij, zoo smal in heur nauwe slope van goudsindaal, door de smalle bandekens hermelijn omzoomd, terwijl heur haar als gouden draad schittert tusschen de mazen van het ronde net, dat de roode robijnen bezetten en dan met vier robijn-doorvlochten vlechten over hare maagdjonge schouders en borstekens. En de Koning, verheugd over hun tweeër schoonheid, staat op, getroost en zegt:

--Zelfs al kondt zich geen Aventure, een dag is schoon, als Lente en Liefde heerschen.

Gawein, gerezen, volgt, weemoedig om zijne Ysabele, die stierf, den Koning, die zich verwijdert, een arm zoowel om Guenever als om Lancelot... volgt vol gepeize en weemoed om het Aventuur, dat zich beiden laat, tien lange jaren, lace....

En gondere tien andere ridders, luid gapende, rekken zich nu, breed van armbeweeg, in hun zetels om Ronde Tafel van jaspis en staan dan, van verveling vervaarlijk, op, 's Konings handslag op de Tafel na doende, tot de rammelende echo's elkander op een rijtje naloopen langs den wand van de rijk gepinghierde, ronde zaal....

HOOFDSTUK II

Zij droegen, de tien Ronde-Tafelridders--even als Gawein, die, den Koning gelijk, verlangt naar Aventure--en als Lancelot, die nooit naar iets anders dan naar Guenever verlangt--mooie, sonore namen van Keltischen klank. Bohort, dat was de reus met de basstem en Ywein, dat was de tenorelijke stotteraar en naast hen wil ik roemen Acglovael en Sagremort, Gwinebant en Galehot, Didoneel en Mordret, Hestor en Meleagant. En als zij elkander eens riepen of noemden, deze ridders met de sonore namen:

--Hei, Galehot! Ha, Gwinebant! Hoor bij Gode doch, Sagremort! Held Acglovael! Welkom Meleagant en gij, valiante Hestor! Didoneel en Mordret, dat u God moge eeren! Ywein gij en gij, Bohort, o wigant!

...dan weêrdaverden langs de wanden der burchtzalen, verlucht met de tafereelen van dier ridders eigene heldendaden, de, niet minder dan de Keltische, oer-oude adelsnamen, sonoor-klinkende echo's en was het of lichte donderrommelingen elkander opvolgden onder de lage verwulfsels en langs de plomp breede pijlers.

Maar er was nog een andere ridder, die nooit aan zat en die heette alleen maar Keye. Keye... dat klonk niet sonoor tusschen de Keltisch sonore klanken; Keye, dat klonk geniepig, venijnig; dat was tusschen het dondergerommel als de steke van een wesp: Keye... Dààr, dààr heb je weêr een onzachte prik: Keye... Zoo héél even maar: Keye... Meer niet dan een muggesteek: Keye.... Welnu, toen de Koning, teerderlijk omhelsd houdende Guenever en Lancelot en gevolgd door den degelijken Gawein, zich verwijderde door het vergier, trad Keye van ter zijde op en gluurde schuin spottend, met kwaden scherts, naar de edele vier. Hij loenschte een weinig met één oog; hij hinkte een weinig met één been; zijn eene arm was, o een weinig maar! korter dan de andere. Hij had de zoogbroeder kunnen zijn van den Koning maar hij was het niet want zijne moeder had hem gespeend om Koning Artur te zoogen. Hij was echter tot drossaet benoemd en liep steeds met zijn sleutelbos aan zijn gordel. En was Artur een majesteitelijke Koning geworden, Keye, zonder ooit één heldendaad, zonder Aventure en zonder liefde, was geworden als een booze dwerg, als een nijdige gnoom en hij spotte, hij spotte altijd.

Zoo als hij ook nu spotte, achter de edele vier, knikkende met zijn grauw ruigen gnome-baardkop.

--Schouwt eens wat eensgezinde familie! God geve hun eere, o ridderen! Wie zijn die?? Vader met dochterlijn en schoonzoon, dacht mij?? Schildknaap er achter? O neen: het is, bij alle Engelen van den Trone, de wigantenrug van Gawein, die allerdapperste, ook voor de vrouwkens!! En het is, tusschen Guenevers vrouwruggetje en Lancelots mannerug, de roode mantelrug van onzen Koning! Ik herken niet zoo goed ruggen als gij zekerlijk wel doet, valiante ridderen, gij allen, op uwe beurt, allerdapperste, die steeds ruggen voor u uit zaagt vlieden!

En Keye lachte grinnikend en de ridders, nog na geeuwende en rekkende, zagen hem norsch van ter zijde aan.

Toen nam oude Keye twee ballen en speelde met zichzelven bal in het vergier en hinkende was hij lenig en loensch miste hij niet één van de twee, die hij beurtelings, en onder zijn arm door, op ving.

--Op een goeden dag, zoo helpe God, nek ik hem nog, zeide Bohort. Zoo, tusschen mijn vuisten: krkk!

En Bohort, met zijn reuzenvuisten, gebaarde of hij eene kele omspande en wurgde.

De tien ridders traden loomelijk de zaalpoort uit. Zij kwamen op het opene burchtplein en zetteden zich op de ronde bank, die stond onder een breedkruinigen kastanjelaar, vol van opgestokene bloesemkeersen. Zij zetten zich allen ter neêr, de machtige beenen wijd, met nu en dan nog eens een geeuw.

--Bi caritate, het wordt wel van groote noye tot Camelot! meende Galehot en gaapte: tien jaar geleden had hij drie draken verslagen en twee jonkvrouwen bevrijd uit betooverde kasteelen, maar als hij niet gaapte, glimlachte hij steeds gracielijk als men van de jonkvrouwen en draken sprak.

--Smacht gij, Galehot, naar uw vierden drake? vroeg Gwinebant, jongste en schoonste van allen, neef der koninginne en zoo blond als zij: hij had, heél jong nog, achttien jaren, met Sagremort en Acglovael Lancelot eens verlost uit het Dal van den Dollen Dans, waar wie was binnen gedanst, bleef dansen tot hij dood viel.

--Neen ik! zeide Galehot. Bij Sint Jan, dat niet, Gwinebant. Een draak dooden, onder ons gezegd, is niet zoo roemrijk fayt van wapenen.

--Het gebeest spuwt tòch vier, God weet!? weifelde Sagremort, brauw gefronst.

--De reus, Sagremort, zei Galehot; dien gij te eenen werf hebt verslagen, was zekerlijk geweldiger tegenstander dan mijn drie draken waren.

--Bij den goeden dage! beäamde, klein maar dapper, Meleagant, die ook wel een paar draken gedood had. Galehot heeft wèl recht!

--Ik, zeide modestelijk Hestor; heb alleen en zonder bijstand tien keytieve ridderen den een na den ander in den zande doen bijten, eenige geschaakte damoselen bevrijd maar een draak en heb ik nie vernomen!

--Een drake is met één prikke te pointe in zijn buik al doodelijk gewond, kleineerde Galehot.

--Spuwt het gebeeste vlamende vier ofte en spuwt het dat niet? vroeg, brauwen gefronst, Sagremort. Dat is de vrage!

Galehot hief de breede schouderen hoog.

--Wen gij er tegen spuwt, schroeit zijn aâm zelfs niet! Dat is alleenlijk wat sulferachtig geblaas, dat stinkt.

Hierom schaterlachte Acglovael want hij schaterlachte veel, ook als het niet van pas kwam, en lachende nog, hoewel het onderwerp des gespreks heel ernstig was, zeide hij:

--Gij konst toch verstikken wen een drake blies en de luchte om u bedierf?

--Of het geheele foreest konde in barning geraken! verzekerde boos Didoneel. Alzoo helpe mij Sint Michiel!

--Of dat konde gaan aardbeven en tempeesten daarbij als het monster uit zijn spelonk kwam, beweerde ontstemd Mordret: Mordret en Didoneel, die wel draken hadden bekampt maar nooit ééne damosele bevrijd, vonden het voor hunne twijfelachtige glorieuzigheid niet aangenaam, dat Galehot zijn eigen heldendaden zoo verkleineerde....

Maar Galehot bleef de schouders halen.

--Ik herhaal, zeide hij; éene prik te pointe in zijne weeken buik en.... Is een drake eigenlijk wel een drake, Sagremort? Mijn draken en waren niet meer dan lezarden maar gevlerkt en zoó schadelijk niet!

--De onze waren draken! verdedigde zich Mordet.

En Dioneel zeide somber:

--En maakten wel degelijk groot dangier.

--Even veel dangier als die damoselen, die gij bevrijddet! riep Keye, knikkerende nu met de ballen.

--Gij zegt wel, Galehot! meende Sagremort en ontfronste de brauwen. Een draak bestond--misschien?--even min als een reus! Was de reus, dien ik velde, wel een reus? Of was hij niet dan vileinig ribaud, die een paar voet hooger was gewassen dan ik??

--Dddd...aar zijn wij het immm...ers al lll...àng over eens, kwam Ywein aan; dat reuzen ende ddd...raken niet en bb...estaan.

--En Wonder even min, zoo helpe mij Sinte Mariëns Kind! bevestigde Bohort wat ruw. Wat wij deden, was kinderespel. Wij telden niet meer dan twintig vroegzomeren, toen wij die aventuren volbrachten en groot jolijt dreven wen wij er een ridderlijk meende te hebben doorgemaakt maar eigenlijk was het mallen....

--Met onszelven, viel Galehot in.

--En van alle mijne wonden, ging Bohort voort; heb ik zelfs geen lijkteeken over omdat ik in den Yvoren Bedde werd verpleegd, waar alle wonden in één nacht genezen.

Keye's spotlach grinnikte, oud, slecht en venijnig.

--En dus is dat Yvoren Bedde, waar alle wonden genezen, geen tooverbed? O, Bohort, gij werkelijke reus, je kop is groot als Goliaths maar je verstande is dorperlijk klein, wees des gewes, man!

--Ik ben die gone, die je om je kwade lachter nog eene werve verderven zal, heer Keye! dreigde Bohort en liep met beide vuisten open op Keye toe.

Maar Keye gebaarde of hevige vrees hem beving; hij veinsde te vluchten achter een boomstam, hoe oud hij ook was, vlug hinkende en riep:

--O, wat felle liebaert! O, wat vreeslijke lioen is los gelaten in dit vreêzaam vergier! Helpt mij, helpt mij, gij alle Heiligen van Paradise!

Een naderend gesnor snorkte aan door het blauwe geluchte.

--Dat is Merlijn! Dat is Merlijn! riepen door malkanderen de ridders met groot misbaar en Ywein riep:

--Ddd...dat is Merlijn!!

Acglovael schaterde, niet omdat Ywein stotterde, maar omdat hij wel heel veel schaterde en van pleizier....

En de ridders wezen malkanderen, nog in de verte, een wijd vliegenden vogel, die aanvloog, windesnel.

--Op zijn fenix, die ook geen Wonder is! grijnsde Keye den ridders toe. Maar die geene van gondere wiganten verstaat!

De ridders staarden verrukt omhoog. In der daad, daar zweefde een blauwe fenix aan, maar zijn vlucht verwekte vreemd rhythmisch geruisch en er snorde en snorkte iets geheimzinnigs in hem. Zijn smalle nek droeg een fantastischen vogelkop met pluimen en al zijn geveêrte geleek wel juweel, zoo schitterde en schakeerde het pauwachtig om hals en oogen, heel groot en de wijde wieken, waarop hij in cirkel dreef boven den burcht, schenen wel van blauwe zijde gestrekt. Het was de toovervogel van Merlijn, den toovenaar en Merlijn zelve bereed hem en zat in het gouden geveêrte van den hollen rug en richtte hem en wendde hem naar believen, tot het zwevende tooverdier met zwierige drijfvlucht in den ronde neêrdaalde in het vergier, op leêg grasplein en toen, trillende, stille stond.

Merlijn steeg af en naderde hoofsch groetend de ridders. Hij was van Arturs en Keye's leeftijd, maar omdat hij elken morgen baadde in zijne fonteine der Jouvence, zag hij er jonger uit dan alle die ridders en geleek meer een ondeugende jongeling met een baard.

--God van Hemelrijk geve u eere! riep hij luid, terwijl hij, pralende in gracielijke samaar van rood sindaal, zijn lokken zwart, zijne brauwen gelijk schorpioentjes opstekende hun scherpe tangetjes en zijn cierlijke baardje geknipt met felle punt, over het grasplein naderkwam. Ik ben gekomen om mijn Koning eere te doen, maar is hof dan al gehouden, dat ik u allen hier aantref in lediglijk vertier en lentegepeise?

--Wij spreken, zeide Sagremort en fronste de brauwen, wat hij steeds deed als hij twijfelde; of wonderen, reuzen, draken en heldenfayten bestaan, Merlijn!

--Het Scepticisme heeft jullie in de klauwen, o Sagremort! waarschuwde Merlijn.

--Het wie? Het wat?? vroeg Acglovael schaterlachende.

--Des Duivels zone, zeide Merlijn. Als jullie vertwijfelen aan jezelf, gaan jullie stappans na den doode Hellewaart!

--Maar Mordret en Didoneel twijfelen niet, o Merlijn! grinnikte Keye, van achter een dikken boomstam. En zullen toch niet ten Hemel gaan!

Didoneel en Mordret hoorden hem niet; zij waren te zamen in geheimvol fluistergesprek. Waarover? Dat wil ik u nog niet zeggen....

--Ik twijfel niet heelemaal, zei Sagremort; maar ik weifel veel, Merlijn. Zeg mij, Merlijn, is je vliegende vogel werkelijk een vogel van tooverië? En al die schoone beziensweerdigheden in je burcht, is dat tooverië? En magië? Als gij met een van zelven snellenden wagen over den gladden wege vaart, is dat werkelijk dan magië?

--Het is alles magië en tooverië, Sagremort! verzekerde Merlijn. Zoo goed als de Wonderboom, dien ik der koninginne gemaakt heb en op welks gulden twijgkens duizend vogelkens kwinkeleeren, en het Yvoren Bedde, dat ik ook maakte en waarin uw aller wonden genezen.... Het is alles tooverië, Sagremort!

Keye, om den azuur gewiekten fenixvogel, die stond op het grasplein, hinkte, oplettende, en telkens luid lachende rond om het enghien.

--Tooverië! riep Keye. Tooverië! Staal is de vogel en zijde, juweel is zijn kop en zijne oogen zijn diamant en hij snort en snorkt als hij oprijst, wen Merlijn hem drijft het geluchte in! Hij snort en snorkt door tooverië! En wie er aan twijfelt, gaat Hellewaart!

--Merlijn! vroeg Bohort. Waarom sinds tien jaren en meer, kondde geen Aventuur zich aan?

--Is het omdat wij twijfelen? Omdat wij weifelen met Sagremort? Omdat wij geen lijkteeken overhielden van alle onze verledene wonden?? drongen om Merlijn de ridders.

--Wacharme! Mocht wederomme Aventuur zich melden, om ons van dit gepeize te redden!

--Om ons te redden van deze vernoye!

--Ook al geloofden wij niet aan den Aventure! zoo riepen om beurten Sagremort en Acglovael, Hestor en Meleagant, Galehot en Ywein en Bohort. Maar Gwinebant, de schoone knape, der koninginne neef, riep niet mede maar hield Mordret en Didoneel in het oog, wat of die toch smoezelden zoo met elkaar.

--Hoort! fluisterde tot de ridders Merlijn heel Zacht--om Keye, die steeds nieuwsgierig, rondom den fenix, hinkte. Ik kan met magië wel een Aventuur bereiden of liever een Aventuur herhalen zich doen, omdat eigenlijk alles in dit leven zich herhaalt maar telkens anders en dat noemen wij evolutië....

--Welk Aventuur?? drongen de ridders rondom Merlijn.

--Eén, fluisterde Merlijn geheimzinner, vinger omhoog; dat alléén Gawein volbrengen kan en herhalen, omdat hij gelooft en smacht!

--Hij was nooit trouw aan zijn vrouw! zei Galehot; maar trouw bleef hij aan Wonderwet!

--Hij beminde vele vrouwen, fluisterden de ridderen onder elkaâr; maar boven haar allen: Het Aventuur!

--Gawein zal het Wonder en Aventuur dan gebeuren! fluisterde Merlijn. Gawein zal het zich konden. Wat het zal zijn? Ik denk: een Zwevende Scaec, als het de laatste male reeds was. Komt, lieve vrienden, deze nacht in mijn burcht, om ons te beraden!

De ridders beloofden het, blij om de samenzwering. Zij beloofden malkanderen op handslag geheim te houden, dat Merlijn het te gebeuren Aventuur zoû bereiden.

Keye, met zijn bos sleutels, hinkte weg, om bevel voor het noenmaal te geven en Merlijn riep tot Mordret en Didoneel:

--Didoneel en Mordret, komt gij ook in mijn burcht deez' nacht?

--Wij zullen komen, Merlijn!! stemden haastig de twee ridders toe, opschrikkend uit heimelijk tweegesprek.

--En gij, Gwinebant? vroeg Merlijn.

Gwinebant was jonger dan de anderen: over de schouderen was hij breed, den neus had hij schoon en recht, voorhoofd breed en glad, oogen grauw en wenkbrauwen bruin, haar had hij krisp en blond, hals sneeuwwit en rond, zijne lieren bloeiden als rozen, een kuiltje lachte in zijn kin, om het middel was hij smal: zoo was hij volmaakt naar alle leden.

Hij beloofde Merlijn te komen maar zijn peinzen was noch bij het aanstaand Aventuur noch bij Didoneel en Mordret, want hij minde een verre jonkvrouw....

En als hij, zoo als nu, de koninginne, zijne moei, zag dwalen door het vergier, immer met Lancelot, dien zij minde en wien zij trouw was als hij haar, zuchtte Gwinebant van onvoldaan verlangen, vooral als hare wijle woei op den wind en zij zekerlijk malkanderen kusten, onder de stuivende appelebloesems....

En dan dacht hij aan de jonkvrouw, die hij minde, aan Ysabele, de schoone, princesse van Endi en Koning Assentijns kleindochter... Ysabele, die hij niet wist hoe te winnen omdat hij te schuchter was, al was hij neve van koninginne Guenever....

--Gwinebant, welschoone knape, dien ik krank van minne raad, wilt gij Lancelot, dien ik niet storen wil, nu dat de koninginne en hij met malkanderen drijven zoo amoreuselijk dat groote solaes, die zoete melodië in het appelbloesemend vergier, kond doen, dat ik ook hem beid in mijn burcht, deez' nacht, om te beraden van nieuwe dingen?

Gwinebant beloofde het.

--Ja, ik Merlijn....

En zuchtte diep want smachtte, naar Ysabele....

HOOFDSTUK III

Die nacht was de Koning van weemoed moê en had zich vroeg te ruste begeven hoewel de maan licht aan den hemel stond en bosch en burcht zoo zwart en romantisch Romaansch tegen die klaarte zich teekenden, dat schoener nacht zich niet denken liet. Door de duistere schaduwen en blauwwitten lichtval in de schuimblank bloesemende vergieren wandelden Lancelot en Guenever, of zaten op de marmeren bank en hare wijle, als witte nevel, waar maan door scheen, sluierde om beider hoofden hun staâgen kus. Gawein ook was ter ruste getogen, maar Keye, de drossaet, hoorde in de nacht vreemd rumoer, onderdrukt, en zag uit, uit zijn rond raamke, hoog in den burcht, zijn neus plat tegen de kleurige ruitkens. Hij zag ter andere zijde des burchts de kemenade der koninginne verlicht met een geligen schijn van toortsen en meende, dat zij niet sliep en Lancelot evenmin, maar dat was bekender zake, waarom Keye niet zoû geven een aas! Doch, om het rumoer spiedde hij uit in den binnenhof en werkelijk, in het schuin vallen van maan en van schaduw, die verdeelden den hof tusschen haar beiden met één lange streep dwars over de muren en torens en pavement, zag hij de achterhand van een ros, dat, getuigd, een garsoen bij den teugel hield.... En zag hij Lancelot uitkomen de poort van den toren van Guenevers porprijs, zag hij de gelige toortsen dooven en vernam toen meerder paardgetrap en, bij alle engelen van den Trone! zag hij de geschaduwde of even maan-opgelichte ridderen, te peerd, den cour uit rijden, dien hij zelve had doen sluiten. Lancelot, opgestegen, voegde zich in hun midden en zij reden, als schimmen, altemaal weg.... Hij kon ze niet volgen meer, maar waar gingen zij henen? Hij verbaasde; hij stond versaagd en verwonderd; hij verstond niet, dat in de nacht alle Koning Arturs ridderen van Tafel-Ronde--want dat Gawein hun ontbrak, had hij niet bespied--Camelot zouden verlaten om wie weet waar heen te gaan?! En furieus, dat zij de dichte poorten wisten door te komen, alle de dichte poorten zekerlijk, die naar alle de bruggen van de elf grachten toegang gaven, nam hij zijn zwaren bos sleutels, dien, om niet te rammelen en den Koning te wekken, hij wikkelde in een slip van zijn mantel, verliet zijn closet en hinkte, een licht in de hand, van schoentip op schoentip, de sombere, zwijgende gangen van den donkeren burcht door. Daalde de smalle trappen af, opende zachtkens de hoofddeur, keek om en om en uit en uit, spiedde éenoogig in duister, hoedde voor maan zich ter eene en sloop in de schaduw ter andere zijde, naar de poort, om te zien of zij toe was.... Werkelijk, zij was gesloten en toen hij haar nu zelve geopend had en uitgekeken naar de tweede poort aan de andere zijde van de eerste gracht--een brug er over, die opgehaald was, bevond hij, dat, werkelijk de tweede poort ook gesloten was...! Zoo vermoedelijk zouden àlle poorten wel gesloten weêr zijn na der ridders geheimvolle uitvaart en Keye verwonderde zich.... Hoe, bij den rijken God van Hemelrijk! hadden zij zich alle de verschillende sleutels na laten bootsen?? En plòts begreep hij: het was Merlijn! Het was het Wonder, dat zij wel eens betwijfelden omdat zij moê waren des tien jaren wachtens op Aventuur, maar dat er toch was, vooral in Merlijns euvele wetenschap! De poorten wederom gesloten, hinkte, schuin oogend met één oog, Keye terug, boos en bang, zich nijdig vragend wat het er toe deed zoo vele poorten elken avond met vele sleutels te doen sluiten als toch Merlijn met tooverkunst... en met Wonder...! Hij rilde nu van vreeze. Waar waren zij heen, die keytivige feloenen, die booze ribauden? Denken kon hij zich niet anders dan dat zij waren te Merline-waart maar waarom en wat speelde hun door de zinnen? Hij sloop weêr terug in den burcht, sluitende iedere poort achter zich met licht getinkel der sleutels, toen zijn zoekende hand zich verwarde in den bos en hij er zocht in zijn mantelslip, het lichtje telkens neêr zettende op het pavement en dan weêr moeizaam het beurend, in vreemd gespook van geschaduw, tot hij eindelijk, hinkend en boos, de nauwe gang zich terug af sleepte waar der ridderen kemenaden uit kwamen.... Tot hij plots hoorde in Gaweins closet als den diepen zucht van een, die slaapt en zich ommewendt in zijn slaap.... Hij dus niet? Was Gawein niet mede? Waren alle de anderen wel mede?? En Keye sloop terug en hij luisterde aan deze deur, aan die deur, hij ging ter andere zijde, hij legde oor en oog tegen de kier en hij besloot, dat alle de anderen waren mede getogen want er was niet het minste geruchte, noch van Bohorts reuzegesnork, noch van schoonen Gwinebants murmelen in liefdedroom noch van wat ook, dat hem denken kon doen, dat Ywein de stotteraar, Sagremort de twijfelaar, Acglovael de lachebek, Meleagant en Hestor of Mordret en Didoneel--die beide schalken, die nooit een damosel hadden gewroken!--zich te ruste hadden gelegd. Ook Galehot niet, die zijn draken tot groote kikvorschen kleineerde? Neen, ook hij niet.... De kameren, nu Keye spiedde, voelden ledig aan, ja wàren ledig.... En Keye ging terug naar eigen kamerkijn en hij dacht:

--Wat zweren zij samen, die kwade jongens? Of in welk kwalijk huis gaan zij zich divertieren....??

* * * * *