Het zwevende schaakbord

Part 17

Chapter 17 3,786 words Public domain Markdown

De baroenen verdedigden hunne koninklijke jonkvrouw maar zij waren radeloos om de overmoedigheid van Ysabele...

Toen doemde echter Gawein in hun midden...

En het duurde niet meer dan twee, drie blikken-der-oogen...

Gawein stortte zich op de klomp der drie strijdende ridders en hunne paarden. Hij hieuw den eenen Noordhumberlander af den kop, die vloog ver weg, als een waardelooze bal...

Hij stak met zijn speer den andere dwars door het lijf...

Maar ontving te gelijker tijd van dien doodelijk getroffene een speersteek zelve, vlak onder zijn hart, tusschen de maliën door zijner cotte...

Hij gevoelde een hevige pijn en den schok en vloeien het bloed als uit Onzen Lieven Heeren eigene wonde, die de speer van Longinus Hem aandeed ten Kruize...

Maar te zelfden tijd wierp Gawein zich af en ontzette Gwinebant, rukte hem op en zag, dat zijn gezel bloedde...

HOOFDSTUK XXXIII

Gwinebants helm was gekloofd en de stroom bloed vloeide er langs; maar hij stond, nog niet bezwijmd, tusschen de baroenen van Endi.

Maar Gawein wierp zich haastig op Gringolet--meerdere Noordhumberlanders stortten toe...

Was victorië ook reeds geroepen daar ginds door Lancelot, hier was de verwarring nog woelende om der Noordhumberlanders nieuwe hoop en verwachting... Zelfs Clarioen, de Koning, was ginds staande in de vlucht gebleven, riep luide, wie hem de princes toe zoû voeren, die zoû ontvangen de helft zijns koninkrijks!--en er was in het rond heviger strijd weêr ontvlamd...

Terwijl alle de Ronde-Tafel-ridderen aandraafden tot soccoers, tot soccoers!

Nu riep Gawein, omringd van de baroenen van Endi, hen toe hem Gwinebant, gewond en bezwijmende, op zijn knie te beuren.

De baroenen beurden Gwinebant op Gaweins rechterknie omhoog en hij wierp zijn nu geheel bezwij menden gezel dwars op het voorarsoen, vóór zich heen.

Maar Ysabele, na kreet van smart, was van haar paard gegleden en toe gëijld, niets achtende dan Gwinebant, dien zij stervende meende...

O, zij was zoo wit en broos als een bloem, die dadelijk vertrapt zoû worden, tusschen zoo vele woelende orsen, getrokken zwaarden, gerichte, gekruiste speren.

Maar zoodra zij de vier, vijf passen genaderd was, die haar nog scheidden van Gwinebant en Gawein, trok Gawein haar omhoog...

Op zijn slinke knie, waar langs Gwinebants hoofd hing.

--Ysabele! riep Gawein. Neem Gwinebants hoofd in uw schoot!

En te gelijker tijd omarmde hij tot steun de princes in zijn linkerarm, het schild voor haar en Gwinebant in de lengte.

En het zwaard hoog geheven in de rechtervuist; gebeurde dit niet alles zoo snel als het niet is te zeggen of te zingen door vinder of minstreel?

--Naar Camelot! riep Gawein den baroenen toe, die stegen weêr op en het was een hevig gevecht tusschen de baroenen en hunne schildknapen met de Noordhumberlanders.

De baroenen en de toegeschoten acht Ronde-Tafel-ridders omringden Gawein ter bescherming, terwijl hij dwars door de woeling draafde naar Camelot.

Daarheen was over de vlakte de weg schoon geveegd.

De Noordhumberlanders vluchtten nu allen en overal weg...

Ook Clarioen meende niet goed te doen zoo lange te toeven, daar zijne ridders hem toch niet Ysabele hadden geschaakt... Geheel Noordhumberland vluchtte...

Maar Gawein, in razenden draf op Gringolet, dien hij bijna alleen met den druk zijner knieën dwong en die nauw tikte met de hoeven den grond, naderde Camelot, waar de eerste ophaalbrug omneêr knarste aan de zware ketenen...

Steeds lag bij Gawein Gwinebant vóor over op het breede zaâl; steeds hield Gawein Ysabele omarmd op zijn slinke knie; welke andere ridder van Kerstenhede had dit fayt zoo kunnen volvoeren!

Ysabele had den stukkenden helm van Gwinebant ontgespt, in haar schoot, weg de stukken des helms geslingerd en haars liefs gewonde, blonde, ooggelokene hoofd bloedde rood in hare blanke handekens en over heur wit sammeten kleed...

Zoo, de baroenen om hen, de acht Tafel-Ronde-ridders rondom hen, als een wijde kring van bescherming en Koning Assentijn tusschen zijn lijfwacht volgende, draafde Gawein de eerste brug over van Camelot.

Gejuich riep hem toe van wallen en tinnen en torens...

En de vrouwen op den hoogsten torentrans, rondom Guenever, galmden het blijde heil!

In hield Gawein den draf en reed de volgende brug nu over...

Alle de bruggen, die neder vielen, de een na de ander, reed hij over: hij reed het burchtplein nu op...

Op den drempel der opene burchtpoort was Koning Artur, krank en gesteund door zijne pagiën, verschenen.

Rondom Gawein, te paard nog met zijn zwaren, dubbelen last, verdrongen zich de haastig afgestegen baroenen en de acht wiganten.

Zij beurden eerst Gwinebant, bezwijmd, af...

En legden hem onder de koningslinde over de treden van 's Konings zetel.

Zij tilden toen Ysabele af...

En hare handen en hare witte schoot waren rood van bloed.

Toen, te paard nog, sloeg Gawein zijne ventalië op...

En snakte naar den hemel, om lucht.

Zij zagen allen, dat hij doodsbleek was.

--Gawein! riep Ysabele, heffende hare geheel roode handekens. Mijn Gawein, dien ik zoo minne, zijt gij gewond?!

Gawein, los latende zwaard en schild, voelde onder zijn hart, waar het door de maliën bloedde...

En Ysabele begreep, dat hare handen en schoot rood waren van het bloed van Gwinebant en van Gawein beiden.

--Gawein en Gwinebant zijn beiden gewond! riepen de ridders tot den Koning Artur.

--Maar Camelot is ontzet!

--Noordhumberland is op de vlucht!

Het snorde boven Camelot; de fenix vloog aan.

--Legt Gawein en Gwinebant dadelijk op het wonderbed! riep Merlijn, nog in de lucht, en daalde in het vergier.

Terwijl Guenever, met hare vrouwen, van den toren gedaald, naar buiten stortte......

En Lancelot ziende, uit riep:

--Lancelot! Lancelot! Zijt gij behouden?!

En zij kuste en omarmde Lancelot en Koning Artur, zoo krank, deed of hij niet zag.

--Legt eerst Gwinebant, beval zacht Gawein. Ik volg hem stappans......

Op zijn bevel tilden dadelijk drie, vier ridders Gwinebant op en droegen hem binnen, naar het wonderbed, waar hij in één dag zoû genezen.

--In éen dag, o zoete Ysabele! verzekerde koninginne Guenever, hare armen om de princes, die zij ontroerd zag en wier minne zij ried.

Gawein, nauw geholpen door zijne gezellen, was uit het zadel gegleden.

Hoe bleek zag hij en hoe rood van bloed droop zijne cotte, hoewel hij zoo recht stond, als of niets met hem geschied was.

--Gawein! riep Keye, die kluchtig hinkende aankwam. Gij zijt gewond! Maar gij allen, ridderen, ziet gij dan niet, heer Koning, ziet gij dan niet, dat Gawein is gewond......?

De Koning Assentijn, met zijn lijfwacht, was binnen gereden.

--Ziet gij dan niet allen, riep Keye voort; dat Gawein is gewond, zwaarder dan is Gwinebant? Legt hem dadelijk naast Gwinebant in het wonderbed of zijn leven rint hem weg uit den lijve!

De gezellen, één oogenblik, meenden, dat Keye spotte als altijd.

Maar hij spotte niet.

En Merlijn, van uit het vergier, zag--en hij ontzette er om, dat Gawein, staande zoo recht, maar zóo bleek reeds, als veeg was des stervens......

En dat zelfs het wonderbed niet meer van noô was.

Maar Gawein, recht naast zijn ros, had uit de diepe arsoentasch een vierkant ding genomen, dat was omwikkeld in een lange, witte reep van sindaal...

De beide Koningen begroetten elkander, Guenever neeg voor Assentijn en terwijl allen zeer bezorgd om Gawein henen drongen--de Koningen en de vorstinnen, de ridders en de baroenen--naderde Gawein zijn heer, Koning Artur, die, krank, was neêr gezegen, in den zetel, onder de linde.

En Gawein knielde op de trede.

En hij zeide met vaste stem, die van heel ver scheen te komen:

--Mijn wellieve Heere, mijn Oom, mijn hooge Koning van Logres! Ik, uw ridder Gawein, dien gij wel dulddet aan uwe Tafel-Ronde, waar wij immer geloofden in Wonder en dat het eenmaal wederomme zoû keeren, waar wij immer geloofden in Aventure, dat is vië van dolenden ridder der Kestenhede...... zie: hier brenge ik u dit Zwevende Scaec! Ik vond het en ving het voor u en ik wond er de mouwe om van Ysabele, de schoone, die ik minne...... Mèt het Scaec, o mijn Koning, voer ik tot Camelot Ysabele, zoo als ik...... Destijds!...... eene Ysabele, wacharme, en een zwevende Scaec tot Camelot ook voerde. Toen was het zóo...... nu is het anders: nu is het beter misschien en grooter Wonder en edeler Aventure! Want nu, met Ysabele en met het Scaec, bracht ik ook mijn gezel, Gwinebant, en mocht hem van den doode redden......

Gawein bood Koning Artur het Scaec in de handen, uit de los gewondene mouwe...

Toen gevoelden de gezellen hoe lief zij Gawein allen hadden en hoe prachtig hij was, omdat hij aan Wonder geloofde...

Maar tevens gevoelden zij een vreemde wroeging...

En zij wisten eigenlijk geen van allen waarom...

Maar Merlijn, die ook de wroeging zich in zijn menschenhart bewust werd, wist, daar ginds, ver, toe ziende uit het vergier, wèl waarom zij elkander allen aanzagen met een schakeling van blikken, die nog niet geheel begrepen...

--Het wordt alles zoo als het wordt, dacht Merlijn, om zich te verontschuldigen. Ook zonder mij en zonder dat ik Zwevende Scaeken zend...

Koning Artur had, met van geluk bevende handen, uit de handen van geknielden Gawein, het Zwevende Schaakbord ontvangen: de gouden en zilveren stukken, voor het einde des spels, stonden op de juweelen velden juist zoo als zij stonden, toen het Scaec weg was gezweefd.........

HOOFDSTUK XXXIV

Mijn lieve neve! zeide Koning Artur ontroerd; mijn valiante wigant, ik danke u voor zoo harde schoon volbrachte queste, niet minder schoone, dan wij Destijds volbrachten en al bleken Didoneel en Mordret, ach wi, ach wacharme, ook twee feloenen...

De Koning--hij had het Scaec aan de zorg aanbevolen zijner schatmeesters--wilde er aan toe voegen, dat hij de Tafel-Ronde, wat hij ook de laatste jaren geraden had van kritiek zijner ridderen, een uitstekende, ridderlijke instelling achtte en er niet aan dàcht die op te heffen...

Maar hij wilde Koning Assentijn, die zich na de eerste begroeting, zoo echt koninklijk bescheiden niet te zeer op den voorgrond had willen begeven, nu met eere overladen en riep:

--O mijn machtige Vriend en Koning van Endi, wat verheugt zich mijn harte, dat gij met uwe roze en kleindochter, de princesse Ysabele, binnen Camelots muren thans zijt gekomen, zoodat wij nauwer de banden mogen aanbinden van koninklijke vriendschap tusschen ons beiden en...

Toen Gawein, met een smartelijke vertrekking alle zijner trekken, zich heffende uit zijn knielende houding, ter zijde viel, zijn hand onder zijn hart.

--Hij is gewond! riepen allen. Gawein is gewond! Laten wij hem leggen, naast Gwinebant, op het wonderbed!

Gawein, echter, wendde zich pijnlijk om, over de trede van den koningszetel en hij weerde de gezellen af.

--Laat mij, mijne zoete gezellen! zeide Gawein. Ik voel, dat het te ver met mij is...

Neen, dat wilden zij geen van allen gelooven! Te ver, als het wonderbed, dat Merlijn zoo kunstig gewrocht had, daar boven stond in de kemenade! Te ver, als zij hem er nu dadelijk legden naast Gwinebant, die er reeds--zoo meldden drie, vier artsenij-meesteren--in gezonden tooverslaap lag en wiens wonde aan de slaap, onder de oogen van drie, vier andere artsenij-meesteren, die zijne genezing bespiedden, zichtbaar genas! Te ver... neen, het kon niet te ver zijn! riepen allen en allen Gawein toe en wilden hem beuren.

Maar hij weerde af, hij weerde af.

--Zoete vrienden, zeide zacht Gawein en hij zeide het zóo hoofsch als hij alles tot iedereen heel zijn leven gezegd had; laat mij u raden en gelooft mij, bij mijne trouwe in Paradijs. Het is te verre... Ik sterve... Mijn lieve heeren Koningen van Logres en van Endi, mijn oom Artur en gij, heer schoonvader, ik sterve... O wees des gewes... zoo ik voelde te kunnen genezen in het wonderbed, waarin Gwinebant ligt te genezen, ik en marde niet, want ik ben die gone...

Hij bezwijmde bijna...

En alle hunne angsten bogen zich over hem heen.

--Ik ben die gone, die wèl dat lieve, schoone leven minne...... Wonder, Aventure, battalgiën en...... schoone vrouwen: ik heb ze wellicht te lieve gehad...... Vrienden, ik en biechtte nooit! Vrienden, roept mij den huispaap...!

De huispaap trad voor.

--Ik biecht...... stamelde Gawein. Ik ben een slechte mensch gewezen...... Een zondaar...... Een feloenige ridder,.... Ik biecht..... Ik biecht alles.....

Hij stamelde aan het oor van den bij hem knielenden huispaap.

Rondom zijn stille biecht was nu het algemeen weegeklaag. Gawein...... hij stierf?! Zij wilden het niet gelooven. Zij vroegen het ongeloovig Merlijn en malkanderen: de twee Koningen vroegen het malkander en; Ysabele, met een snik, vroeg het Guenever:

--Sterft Gawein...?

En zij konden het geen van allen gelooven! Gawein, hij, die zoo sterk, zoo jong, zoo mannesterk, zoo mannejong hun in den strijd had toe gestraald, een aartsengel gelijk, Sint Michiel met den vlammenden brant gelijk... Gawein stierf......?

Maar Gawein riep, met veege stem:

--Ysabele...

Zij naderde, bevende als een windbewogene lelie, maar haar schoot overvlakt met bloed, hare bloedroode handekens gestrekt.

--Gawein, murmelde zij en knielde naast hem.

--Ysabele, stamelde Gawein. Ziet gij... ik sterve. Langzaam, langzaam vloeit mij dat bloed uit het harte. Neen... laat mij hier sterven op de trede van mijns heeren Konings troon... Laat mij sterven in mijne cotte... Zoo is het mij beter dan op een bedde en voor het wonderbed, lace, is het te laat! Ysabele, mijne bruid gij, zeg mij alleenlijk eén ding! Ik heb somwijlen harde getwijfeld! Ik en wist menigerwerve niet... Ik dacht somwijlen... Ysabele, zeg mij nu, ééne male slechts, maar oprecht: hebt gij mij lief...? Of hadt gij Gwinebant, den lieven gezel... immer liever dan gij mij hadt...?

Ysabele, over Gawein heen, geknield, hare armen om zijn bruin lokkige hoofd, zijne wonde aan haar borst, zag hem lang in de bruine oogen aan, die nog nauwelijks braken.

En zij zeide:

--Gawein, mijn lieve Gawein, geloof mij in deze ure: ik heb u immer liever gehad... dan Gwinebant!

Zijne armen sloten zich om haar blonde hoofd, dat hij, liggende, drukte tegen zich aan... De avondschemering viel: overal ontgloeiden in den hof, aan de poorten, de toortsen en de lange stallichten. Overal knielden harentare de vrouwen, de ridders, de baroenen en baden. En op den drempel was Gwinebant verschenen, gesteund door de artsenij-meesteren. Genezen was hij nog niet, maar toen hij ontwaakt was, na eersten tooverslaap en gehoord had, dat Gawein stierf, was hij van het tooverbedde gerezen... En daar stond hij, op den drempel der poort......

En hoorde Ysabele's woord, dat zij herhaalde:

--Ik heb u, Gawein, immer liever gehad... dan Gwinebant!

--Gwinebant! fluisterde het hier en daar, verschrikt, omdat de nog niet genezen gewonde verscheen.

Ysabele, uit Gaweins armen, richtte het hoofd op. Zij zag Gwinebant recht in de oogen, die staarden uit zijn bleek gelaat. En zij glimlachte hem achter Gawein, die zalig de oogen sloot, smartelijk smeekende toe.

Gwinebant begreep. En zij begrepen allen. De huispaap begreep en, om haar logen, seinde hij, onzichtbaar voor Gawein, Ysabele over het hoofd...

En bad God van Hemelrijk, dat Hij vergeven zoude...

--Gawein! riep Gwinebant, bleek op den drempel.

--Gwinebant! riep Gawein stervende. Kom tot mij!

Gwinebant, gesteund, naderde. En hij knielde bij Gawein.

--Gij hebt mij gered, Gawein, zeide hij. En gij sterft van de wonde, die gij voor mij opvingt!

Maar Gawein, in beide armen, drukte tegen zich en zijn langzaam vloeiende bloed Ysabele en Gwinebant. Hij drukte hun beider hoofden tegen zijn borst, die heftig deinde. En zijne oogen zagen in de nacht op, naar de klare starren, die veropenbaarden aan stralenden hemel, hoog boven de walmende toortsen omher.

--Gwinebant! murmelde Gawein. Ysabele! O mijne beider minne! Gwinebant, Ysabele, mijne bruid, minde mij maar zij mint u ook, Gwinebant! Gwinebant, zoo het onzer Koningen wille is, ontvang, Gwinebant, Ysabele van mij, omdat ik stervende ben! Wees haar man, Gwinebant; Ysabele, gij, die ik min als ik geen vrouw minde, wees Gwinebant tot wijf! Ik sterve--al hadde ik langer nog wel, lace, leven willen--gelukkiglijk! Ik sterve gelukkiglijk... Ziet, ziet, vrienden allen: de Hemelen openen...! Het straalt, het straalt! Een heir van engelen met zilveren vlogelen vult den openen Trone! Mijn Koning Artur, zie! Ik zie Sint Michiel zelven, den heiligen Held! Zijn brant vlamt en hij verslaat Lucifer! En werpt hem uit den Trone! Mijn heilige Patroon, ik zie! Sint Michiel! Sint Michiel! Ik zie daar de hemelsche foreesten en zij zijn vol draken, die ik bestrijden ga! Sint Michiel: hij wenkt mij! Ik zie Zwevende Scaeken, zóo vele, en Bloedende Speren en ik zie... ik zie den Heiligen Graal, de stralende Schale vol des Heiligen Bloeds, dat is Licht! Sint Michiel, ik kom! Uw ridder, dien gij ontvaen wel wilt, zal zich van de zondige cotte om de zondige leden ontdoen en komen tot u op, om te stralen in de diamanten rusting, die gij mij biedt! Ysabele, die ik minne, vaar wel! Gwinebant, zoete knape, vaar wel! De engelen, zie, zij dalen omneder, om mijn ziele te ontvaen!

Langzaam opende Gawein zijne armen...

En liet hij Gwinebant en Ysabele los.

Zijn stervende oogen zagen verheerlijkt in der blikken breking omhoog, waar in glorie de Hemelen openden...

Rondom in de nacht, in den walm der winddoorwaaide toortsevlammen over het buchtplein, knielden allen neêr.

Vigeliën klonken:

--God van Hemelrijk, die voor ons geboren werdt...

* * * * *

Die volgende maanden werd er groote rouwe gedreven te Camelot om Gawein, die was--meenden allen nu--de allerdapperste ridder geweest van Tafel-Ronde en hij rustte in het grafgewelf onder de burchtkapel. Maar zijne ziele, daar waren allen ook zeker van, hadden de engelen mede gevoerd in Paradijs, naar Sint Michiel... En Koning Artur was zeer krank, dat was van ouderdom en van weemoed om Wonder en Avontuur, want hij begreep wel, dat zijne ridders er niet harde aan geloofden. Gawein was de laatste geweest, die er aan had geloofd, en de nieuwe ridders, hoewel zij valiante wiganten waren gebleken in de leste verdediging van Camelot, geloofden er heelemaal niet aan en meenden--had Koning Artur gehoord--dat alle Aventuur en daarmede samenhangende krijg van de oude Koningen onderling van geen belang meer was in de Nieuwe Wereld. En zij meenden, oorlog moest er komen met Parijs of met Keulen, om Logres en de andere koninkrijken van Brittannië tot bloei te brengen. Die moderne inzichten deden Koning Artur harde pijn in zijn oud koningsharte, vooral omdat hij wederom alleen met de nieuwe ridders was. Want de negen eersten: Lancelot, Gwinebant, Sagremort; Bohort, Ywein, Acglovael; Galehot, Hestor, Meleagant, waren te zamen, tot boete, naar Rome vertrokken als pelegrijnen; hunne zielen waren harde bezwaard om de meer of minder kwade scherts, dien zij met het door Merlijn gezonden Scaec jegens hun lieven gezel Gawein hadden bedreven. Zij hadden gemeend, Merlijn had hen ook wel mogen verzellen, maar Merlijn, die een toovenaar was, hoewel geen kwade, zeide, hij ging niet naar Rome en boete had hij niet te doen: geleid had hij alleen de dingen, die zonder hem toch zouden gebeurd zijn, volgens de wille der Almacht en der Tronen en Hiërarchieën... Goed begrepen de ridders niet wat Merlijn bedoelde met die opsomming der hemelsche machten, maar zij baden voor hem onder weg en in Rome... De Koning Artur, alle die lange maanden, zat, uit rouwe, niet aan de Tafel-Ronde, ook om de nieuwe ridders, wier twijfel en tegenzin hij had opgemerkt, niet te dwingen tegen hun ongeloof in: dat deed hem echter harde pijn en gaarne had hij wel eens alleen aan de jaspis-tafel gezeten maar liet dat na om Guenever, die melodie-vol hem zeide, dat het, nu hij krank was, zeer kwade was voor de gezondheid en ook voor de maag: de "fonteyne aller schoonhede" geleidde Koning Artur dan zoetkens van daar...

Gebleven tot Camelot waren Koning Assentijn en Ysabele, tot troost van Koning Artur...

HOOFDSTUK XXXV

Oorlog dreigde er niet meer met Noordhumberland; tweemalen was Clarioen nu verslagen en hij zoû niet durven meer, zelfs al waren de negen wiganten tot penitentië Rome-waarts. En de winterdagen sleepten eentoniglijk voort; de sneeuw lag over de bladerlooze foreesten en zoomde met breed dons de barbekanen van Camelot, de tinnen en torens en bijna nimmer klonk het hoorngeschal der wachters: geen ridder trok deze landen door; de Noordewind blies om den burcht; de korte dagen deden dra in de namiddagen de weemoedigheden dwalen langs de donkere hoeken der kemenaden en omdat Koning Artur krank lag, waren zorg en droeve nagepeize niet te verdrijven van daar. En terwijl Koning Assentijn zat naast het bedde van Koning Artur en hem troostte met te herinneren aan het glorieuze Destijds, toen iederen dag, bijna! zich Aventure had voor gedaan--wel dagen van vermoeienisse vele, meende Assentijn, die nooit met de Tafel-Ronde gedweept had--zochten Guenever en Ysabele elkaâr. De jonkvrouw was blijde de zoete koninginne, van wie zij in trouwen Lancelots jeeste zoo veel gelezen had, nu te zien met eigene oogen en te beminnen als eene koninginne van minne en zij bekende zelve Gwinebant te minnen, altijd bemind te hebben en te hebben gelogen tot Gawein toen hij stervende lag, onder de koningslinde. En hoewel Guenever haar troostte, dat zij gelogen had uit caritate en hoewel de huispaap hare biechten hoorde en haar de heilige absolutië schonk, wilde Ysabele meer boeten dan alleen iederen dag aan Gaweins sepulker in het grafgewelf onder de kapelle te bidden voor zijne ziele en voor haar eigene vergeving en toog zij ter beêvaart, met de koninginne samen, die meende, een beêvaart was, om zoo trouwe, echtbreukige minne tot Lancelot, die zelve ter beêvaart was, beter dan nooit berouwe te toonen. Zoo dat langs de sneeuwige wegen, met hare edelvrouwen, koningin en princes barrevoets en in witte pij en de lange, wind verflakkerende keersen ter hand, en met ridders en wapenknechten ter begeleiding voor en achter, de beêvaaart volbrachten, drie dagen lang van kapelle tot kapelle; zij kwamen ook ter kapelle, waar, achter op den hove, Didoneel en Mordret door Gawein lagen begraven en zij baden voor hun beider zielen. Zij baden veel gebeds en zij deden veel goeds en zij schonken overal hare gaven maar zij waren wel blijde toen zij terug kwamen tot Camelot en zich warmen konden bij de groote vlammende vuren de verkleumde handekens en de verkleumde voetekens. En elkander vertellen van haar beider minne met minder wroeging, nu zij drie dagen in de sneeuw ter pelgrimagië waren geweest.

Maar somwijlen riep Assentijn Guenever aan het ziekbed des Konings; die wilde zelve niet, dat Guenever immer daar toefde maar nu hij zelve zich sterven voelde, van dag tot dag, legde hij, als zij knielde bij hem, zijn groote, aderige hand over haar gouddraad-blonde hoofd en zeide haar, zij was toch altijd liefdevol voor hem geweest, als een dochterlijn en dat zij, nu hij haar verlaten ging, als koninginne van Logres zoû heerschen en dat hij haar ried, spoedig na zijn dood, zich een gemaal te kiezen: Lancelot ried hij haar aan. En zij weende zeer, hare tranen vloeiden over 's Konings handen en 's Konings kus zegende haar voorhoofd van zoete en trouwe zondaresse...