Het zwevende schaakbord

Part 16

Chapter 16 3,943 words Public domain Markdown

--Gwinebant! riep zij. Wat klaagt gij? En wat snikt gij, mijn Gwinebant, als die gone, die geen raad meer en weet? Is het, omdat Gawein mij zal huwen in steê van den Koning Clarioen? Maar hadt gij mij dan liever Clarioens wijf gezien, wijf van dien ouden schalk met de Schandekarre? Gwinebant, mijn lieve, lieve Gwinebant, dien ik zoo minne, dat ik u iedere nacht droom in mijne droomen, wilt gij dan niet gelooven, bij mijne trouwe, dat het best is, dat ik Gawein huw? Zekerlijk, hadde ik dien Clarioen gehuwd, ik hadde Gawein en u, mijn zoete Gwinebant, mede genomen naar Noordhumberland, als mijne twee ridderen... Maar nu ik niet Clarioen huwe, maar Gawein zelven, nu klinkt het toch als een klokke klaar, dat ik u, Gwinebant, als mijn ridder zal nemen. En dat gij mijn amijs zult wezen, zoo als Lancelot is de amijs van koninginne Guenever, die schoone!

--O Ysabele! Edoch Ysabele! riep Gwinebant en wrong de armen tegen de roode-rozenstruiken. Gij en weet niet wat een amijs is!

--En weet ik niet wat een amijs is? glimlachte Ysabele. Ik weet harde wel wat een amijs is en Gwinebant mag niet ijverzuchtig zijn van Gawein, want Ysabele heeft Gwinebant toch altijd het meeste lief, maar toren en verdriet wil zij Gawein nimmer doen, die zouden hem wel den dood kunnen brengen, die hem nimmer nog dreigde van battalgië of Aventure...

En zij sloeg hare armen om Gwinebants ronden knapenhals en kuste hem, lang, zoo dat, dronken, Gwinebant niet meer wist hoe te denken en hoe te doen in zoo moeilijke kwestië-van-minne, waarover in hof-van-minne wel lang dispuut zoû te houden zijn, tusschen hoofsche ridders en edelvrouwen.

Gawein, dien dag daarop, ook verward door Vrouwe Venus en haren zoon, zocht--toen hij in den burchthof, waar de ridders hulde hadden gedaan aan Koning Assentijn, die zat onder de linde--Gwinebant. Die liep met Lancelot, wien hij zijn hartsverdriet had toe vertrouwd. En justement wilde Gawein, hoewel hij des woords niet heel zeker was, vrijelijk vragen aan Gwinebant, of hij Ysabele minde en hoe en of Ysabele die gone was, wie hij reeds lang zoo trouwe was, dat hij met Lancelot samen hem, Gawein, had kunnen verlossen uit de Valleie der Ontrouwe Ridders... Maar op dit oogenblik, terwijl wemelde de burchthof van de baroenen en ridders en edelvrouwen, ratelde hoog in de lucht een razend gesnor aan en zagen allen een wijd-uit blauw gevleugelden fenixvogel aanzweven over de bosschen, over de vlakte, toen cirkelen boven den burcht, om in snelle zweefvlucht te dalen op het ronde en open plein. Allen liepen toe met juichen en jubelen om Merlijn te verwellekomen; haastig stapte hij uit; jong was hij nog, nu, tegen den noen en vol jeugdigen zwier groette hij den Koning Assentijn, zeide hem van Koning Arturs liefde maar riep dadelijk daarop:

--Wellieve heer en en zoete gezellen en valiante wiganten! U allen ook breng ik, als aan den Koning hier, liefde van onzen Koning Artur, maar lace, wees des gewes: allergrootst dangier dreigt Camelot en ik roep u allen toe: òp, tot soccoers!

Heftige ontroering doorvoer de tien ridders van Tafel-Ronde en met de baroenen van Endi drongen zij om Merlijn, terwijl de Koning Assentijn beval de mede ontroerde schoothondjes, die begonnen te keffen, zwijgen te doen: tal van pagiën grepen de keffertjes in de armen en spoedden er ijlings meê heen.

--Weet, riep luide Merlijn; dat Clarioen van Noordhumberland vertoornd is op ons allen van Camelot, omdat gij, mijne gezellen, Endi hebt ontzet en wel groote mortorië hebt aangericht onder zijne wiganten! Weet, dat hij een machtig heir heeft verzameld na zijne nederlaag en met dien òp tijgt naar Camelot, om wraak te nemen op Koning Arture en dat onze heer mij zendt om u allen toe te roepen: mart niet maar òp, tot soccoers!

--Spoedt u, lieve heeren ridders! riep Assentijn. Spoedt u tot uw Koning, spoedt u tot Camelot en gij, mijn baroenen, spoedt u met zoo lieve vrienden mede: òp tot soccoers!

--Ik spoed mij met u allen! riep Lionel, de Noordhumberlander Karreridder. Want trouwe zwoer ik sedert aan Koning Assentijn! Òp, tot soccoers!

--Òp, tot soccoers! riep helle uit Ysabele; zij stortte tusschen de ridders en de baroenen in. Sedert Clarioen, die mij koninginne van Noordhumberland zou maken, zulk een oude schalk bleek, vol blaamweerdige bastaardieën, zult gij, alle mijne heeren ridderen en baroenen, hem bestrijden, ter eere van Logres, ter eere van Endi!

--Ter eere van Logres, ter eere van Endi! riepen alle de ridders met groot enthoeziasme....

Maar Gawein naderde Ysabele...

HOOFDSTUK XXXI

Ysabele! riep Gawein. Mijn Koning ga ik ontzetten, het Scaec zal ik hem brengen, want gevaen heb ik het en vast gebonden aan een draad; maar als ik terug kom... wilt gij, o zoete en schoone, dan de mijne zijn?

--Ja, ik, Gawein! riep Ysabele en zij rukte zich eene harer lange, witte mouwen af en bood die in vervoering Gawein.

Gawein nam de mouw, kuste die en snelde weg om zich te wapenen.

--Ysabele! riep Gwinebant. Gij zult Gaweins wijf zijn, maar ik, die u minne, zal sterven, in den oorlog voor Camelot, die vangt aan.

--Ik en wil niet, Gwinebant! riep Ysabele, die schoone; dat gij sterven zult! Gij zult leven en overwinnen, om mijne minne!

En Ysabele scheurde zich hare andere mouw af en bood die Gwinebant.

Hij kuste de mouw en snelde weg, om zich te wapenen.

In hevigst gedrang snelden alle de ridderen meê en riepen den garsoenen de rossen te zadelen.

Maar plotseling hielden zij stand.

Op den drempel van de poort was de oude Koning Assentijn verschenen, in volle wapenrusting.

Alle de ridders en de baroenen schrikten hevig.

Maar de Koning riep:

--Wiganten gij en baroenen! Mijn arm is oud en beeft maar mijn oude kop is nog harde abel! En ik zal uwe prouaetse leiden en ik zal uw heir ordineeren, om mijn vriend, Koning Assentijn van Logres, in zijn burcht van Camelot te ontzetten. Weet wel, dat ik het nimmer eens met hem was, zoo iederen dag te marren met noenmaal of vesper, tot Aventuur zich zoû voor doen. Maar niet is dit reden om te vergeten, dat vriendschap mij bindt aan hem en alles, dat zijns is: zijn rijk en zijne edele ridderen! Baroenen, gij en wiganten: òp, tot soccoers!

Een daverend gejuich ging door de dichte rijen; overal op tinnen en barbekanen verschenen de burchtgenooten om den Koning gewapend te zien.

--Op, tot soccoers! riep Ysabele, die schoone, weêr. Mijn heere Koning en Grootvader, zoo gij Zelve ten oorlog mede tijgt, trots uwe grauwe haren, zoo wil ik, uwe kleindochter, niet marren in dezen burcht en met u gaan en met mij zoo velen dezer edele vrouwen als maar meenen kracht te bezitten te aanzien het tornooi, dat is werkelijkheid!

De Koning was het niet met Ysabele eens. Maar er was geen houden meer aan. Alle de ridders en baroenen juichten en het gejuich daverde tegen de ruige, rosse wanden des burchts. Vele edelvrouwen voegden zich bij Ysabele: zij zouden om den Koning en de princes, met de legertros, in de achterhoede blijven en der vrouwen aanwezigheid, om hun vorst heen, zou de ridderen van Endi en van Tafel-Ronde onoverwinbaar maken.

--Wapent u, vrienden! riep Merlijn, die reeds opsteeg in zijn fenix. Garsoenen, zadelt de rossen! Wapenknechten, grijpt de spiezen! De tijd dringt! Wel heb ik mijn gnomen bevolen met prikkelige tooverdraden, door het foreest gespannen, Clarioen tegen te houden, maar de tijd dringt, de tijd dringt! Ik ben, ofschoon toovenaar, maar die gone, die mensch is als gij!

Allen drongen den burcht in, om zich te wapenen. De garsoenen geleidden reeds, gezadeld, het prachtige strijdros des Konings voor...

* * * * *

Op den hoogsten toren van Camelots koningsburcht was de koninginne Guenever met hare vrouwen gestegen, in grootste wanhoop en radeloosheid.

Want het machtige heir van Koning Clarioen van Noordhumberland, die harde gram was op Koning Artur en op zijn eerste twaalftal Ronde-Tafel-ridderen, verscheen, reeds door vluchtende vazallen, dorpers, herders gekondigd, rings-om-rond aan den horizon, over de vlakte zichtbaar, voor zoo ver van den hoogen toren de oogen konden weiden ten Noorden en ten Westen beiden. En Guenever, tusschen hare vrouwen, wees met een wijden boog van haar bevenden lelievinger, de wijde schare, die, met een telkens opblikkeren van wapenen en schilden en helmen, waaraan de bleeke herfstzon sterren ontvonkte, daar, heel in de verte, overwaasd door verren mist en vochtigen najaarsnevel, verscheen. De zon streed met de nevels en misten en telkens vonkten die naderende sterren op en Guenever meende, zij hoorde reeds, angstig tusschen haar angstigen vrouwendrom, de hand aan het oor, het aandraven der vijandelijke ruiterijen...

Beneden lag de koning Artur ziek en Keye, de drossaet, hinkende, kwam hem juist den drank brengen, dien hij zelve bereid had, brommende op Guenever, dat zij haars gemaals ziekbed had verlaten, om naar boven den toren op te loopen. Hij spotte over de echtelijke trouwe van de "fonteyne aller schoonhede", die zeker boven uit zag naar Lancelot, haar amijs en waar hij bleef met de negen anderen--sinds Didoneel en Mordret twee feloenen waren gebleken, was, lace, het eerste twaalftal niet meer twaalf...--om Camelot, dat belegerd zoû worden, te ontzetten. En hijzelve, mank en scheel en steeds bitter om al wat het Lot hem niet had gegund--nooit Wonder, nooit Aventuur, noch wellicht Liefde zelfs, hem, Keye, den Spotter,--spotte zelfs nu en riep tot den kranken Koning, die zich kreunende hief van de sponde, om den drank te drinken:

--Drink, lieve heer Koning, drink wat uw drossaet u biedt om u genezen te doen want weldra nadert Aventure en Wonder: dat is Clarioens heirmacht en dat al moet gij toch gezond ontvangen, gezeten aan Tafele-Ronde, met uw twaalf nieuwe Tafel-Ronde-ridderen, nu de oude zoo lange marren! Drink, lieve heer Koning, drink!

Maar de oude, zieke Koning, op den elleboog leunende en drinkende de schaal uit, kreunde:

--Keye, dat gij toch ontberen wilde van zoo kwade scherne te drijven met uwen armen Koning Artur, die hier ligt krank van weemoed om de dagen van Destijds, toen zoo vaak, voor noen of voor vespermale ridderlijk Aventuur zich kondde! Zwevende Scaec of Bloedende Speer; Ridder op Kar, die verlost moest worden of belaagde damosele! Ach wi, ach wacharme, Keye, terwijl mijn eerste twaalftal--ach wi, ach wacharme, sedert Mordret en Didoneel feloenen bleken, moet ik wel zeggen: tiental--zoo lang toeft te keeren tot Camelot en ik van berouwe smacht, dat ik Gawein gedrongen heb te gaan op queste van een tweede Scaec, dat wellicht een onzalig duvelsche Scaec blijkt en hem tot verderf zal brengen!

Maar Keye hoorde al niet meer; hij luisterde aan de wenteltrap naar de kreten der angstige vrouwen boven en hij meende, naderde vernietiging voor Camelot en dood voor alle burchtzaten, bij God van Hemelrijk, hij zou niet dat onridderlijke leven betreuren maar het gaarne verwisselen voor goede plaatse in Paradijs, waar hij zeker seneschalk zoû worden bij een der heiligen, Sint Michiel, Sint Jan, als vergoeding voor alles wat hem op aarde onthouden was.

Intusschen stonden de twaalf nieuwe Tafel-Ronde-ridders bij de poorten en op de barbekanen in volle rusting op wacht, te midden van duizenden wapenknechten, die zich schaarden over de wallen om Camelot te verdedigen. Hunne namen klonken met sonore, Keltische klanken; hunne zielen waren nog meer van twijfel vervuld aan Wonder en Aventuur dan der tien eerste ridderen zielen, maar zij waren, wees des gewes, o lezer, valiante wiganten en onoverwinlijke lioenen en zij zouden Camelot en den Koning, Arture, en hunne zoete vrouwe, de koninginne Guenever, verdedigen, tot den lesten droppel bloede, die vloeide...

En de wijde, halve kring van Koning Clarioens machtige heir naderde en naderde dichter, nu het tegen den noen ging en Guenever, op den toren, tusschen hare vrouwen, op de knieën gezonken, luide bad tot Sinte Marië's Kind, God van Hemelrijke ende tot Sint Michiel om haar te hulpe te komen. Dat de twaalf nieuwe ridders wel hoorden en dat hen nu niet zoo zeer aangenaam stemde, want zij gevoelden zich te kort gedaan in haar vertrouwen... Het geen zij haar echter wederom vergaven omdat zij vooral naar Lancelot verlangde, dien zij in dagen en weken niet meer had gezien...

Maar plotseling snorde er door de herfstlucht, die opgoudde, snorde er boven de foreesten, die koper en purper gloeiden van het vallende herfstgeblaârte, het welbekend gebrom aan, dat zoo wel kleintjes rommelde in Zwevende Scaec als machtiger drommelde in Vliegende Fenix, en Guenever zag Merlijn aan komen zweven; hij zweefde rond hoog boven haar hoofd en riep haar toe:

--Mijne schoone koninginne, zeg mij: wilt gij, dat ik dale, als een zwaluw, op de tinne van uw toren? Ik zoude u dan, o Guenever, mede kunnen voeren naar mijn kasteel, waar gij veilig zoudt wezen voor Noordhumberland, maar ik zegge u zonder sparen: Lancelot en Gawein en de anderen en Koning Assentijn mede met machtige heirmacht ijlen door de foreesten en over de vlakten toe om Camelot te ontzetten en zelfs vergezelt de princes het heir, Ysabele, die schoone, tusschen alle hare vrouwen, te peerd, alsof het de jachte maar gold! Zeg mij, wilt gij, dat ik dale?

--Nadert Lancelot? riep Guenever in hooge vervoering. En naderen Gawein en de anderen? Nadert zelfs Koning Assentijn en nadert zelfs de princesse Ysabele? En zoude Guenever versagen? Neen, Merlijn, zij en versaagt niet meer, nu Lancelot haar ontzetten komt! Te Camelot, wees des gewes, blijft Guenever!

Een juichende roep van bijval donderde op naar de koningin: het waren de twaalf nieuwe ridders, die haar toe juichten, ook al bevroedden zij, dat Guenever Lancelot alleen meer vertrouwde dan hen twaalven! Maar zij juichten desniettemin want vonden het wel vol lof, dat Guenever niet vluchtte op de fenix....

--Maar wellicht, riep Guenever; o Merlijn, wil de Koning op de fenix vlieden?

--Zoo vraag het snel! riep Merlijn, rond cirkelend boven de hoofden der vrouwen, waarvan er wel eene enkele had meê willen gaan, al ware het alleen maar om den aanstaanden strijd van uit de wolken te aanschouwen.

--Keye! riep Guenever tot Keye, onder aan de wenteltrap.

--Heer Keye! Heer Keye! riepen de vrouwen.

Keye riep vragende wat er was.

--Vraag den Koning, riep Guenever; of hij Camelot wil ontvlieden op Merlijns blauwen fenixvogel....

De vrouwen luisterden aan de trap.

Maar weldra riep mopperend Keye terug:

--De Koning en wil niet, Guenever! Hij is bang duizelig te worden zoo hoog met de fenix te vliegen maar hij en is niet bang in zijn burcht te midden van zijne ridderen en beidende de ridderen, die komen!

De vrouwen riepen het Merlijn toe naar boven....

En riepen het den ridders en wapenknechten toe naar beneden.

En een donderend gejuich klonk rondomme.

--Zoo ga ik! riep Merlijn en hevig snorde de fenix en ontslaakte een azurigen damp van vreemd zoete roken. Van nut en noode ben ik niet meer in dezen oogenblik maar ik keere, zoodra ik het wezen kan. Goeden moed, o koninginne! Goeden moed, mijn valiante, nieuwe ridderen! Goeden moed, allen!

En Merlijn snorrende en te mid van azuren dampwolken, die zijn enghien ontblies van voren en slaakte van achteren, uit vogelekop en staart, steeg hoog, hoog de gouden herfstlucht in....

De vrouwen zagen om en op en om zich rond.

--Ziet!! wees Guenever plots naar het foreest, waar het zich tusschen de vallende bladeren verklaarde in opener verschieten en windenden weg. O ziet, daar naderen zij! Daar nadert mijn Lancelot!!

HOOFDSTUK XXXII

En werkelijk, daar naderde groot stampeide van rossen en geblikker van wapenen en geschitterstarrel van schilden en daar naderden de tien wiganten, die schenen wel een drom van ridders, zoo zwaar en breed vertoonden zij zich op hunne zware en breed omhoesde rossen.... Gawein, Lancelot, Gwinebant.... Bohort, Hestor, Meleagant.... Acglovael, Ywein, Sagremort en Galehot en achter hen, tusschen zijn baroenen, naderde oude Assentijn, ontzagwekkend de grijsaard te paard en daar achter naderde het leger en de vele vlaggen en wimpels aan de ponioensperen fladderden. Maar ook over de vlakte was de halve cirkel van Clarioens heirmacht genaderd, klaarblijkelijk met het doel Camelot te omsingelen, maar het was niet van de torens te onderscheiden wie de grootste heirmacht wel was: die van Clarioen, die van Assentijn: vóor den laatste waren de tien wiganten zelven alleen al gelijk aan een machtig heir, dat dreunde aan over den weg.

Maar nu zagen, waar de weg uit het foreest langs de vlakte geleidde, de beide legers elkander, en die van Clarioen begrepen, dat van omsingelen geen sprake meer zijn zoû, want met oorlogszuchtige kreten wierpen de tien wiganten zich over de vlakte, vóor den burcht en zij schenen wel tien ijzeren paardmenschen, vast aan hun ros, de ventaliën neêr en de strijd, in éen wenk, was begonnen! Gode, wat waren daar goede zwaarden ende glaviën ende sterke helmen ende stalen hoeden ende ponioenen, geluw, zilver, sinopel, keel en lazuur. En wat waren daar groote ende sterke orsen: er waren er wel vijfduizend aan den eenen en vijfduizend aan den anderen kant en eer er een zoû in den zande bijten, zoû hijzelve wel menigen man doen sneven! Begeerig aan beide zijden waren zij hevig malkanderen te ontlijven op den velde des slags en zij vergaderden te zaâm met geweld. Gode, wat hieuwen de zwaarden daar door de suizende lucht, die rilde er van, en wat knarsten tegen malkanderen en kraakten de boomzware speren: menige wigant viel daar dood. En Gawein stak hier en daar en overal met zijn speer de lichamen door en wierp hen uit het zadel, hier een ridder, daar een ridder, allen ridders van Noordhumberland: ze vlogen over het slagveld heen rechts en links van hun rossen, die draafden dan dol over hen heen of vielen, doorstoken ook, hinnikende te hoop. Aan beide zijden trokken zwaarden wie wel konden strijden en het was een houwen en steken: menig stout man moest er sterven. Ridderlijke prouaeste vertoonden daar alle de tien wiganten: de koppen vlogen links en rechts met der zwaarden slag van Lancelot en van Gwinebant, van Bohort en van Sagremort... wat zal ik de anderen noemen, wat hielp het of ik het maakte lang! Niemand sloeg er minder koppen af dan een ander, maar wellicht sloeg Gawein toch nog de meeste koppen af, die vlogen rondom hem als met een rond cirkelend rad van koppen, van uitbloedende koppen en de armen vielen en de beenen vielen, allen van de wiganten van den Koning Clarioen. En honderden wezen naar Gawein met de vingers en riepen over het slagveld, zoo wel van de eene als van de andere zijde:

--Ziet hèm daar! Ziet hèm daar! Ziet hèm daar: Gawein! Geen stoutere en is hier verre noch na!

Te midden van zijner baroenen wacht zag de Koning Clarioen van Noordhumberland naar de gruwbare mortorië. Maar ook op den weg, die wendde uit het woud, zag Koning Assentijn naar de allervreeslijkste sconfilture der Noordhumberlanders en ordineerde hij als een abel veldheer zijn dappere Endi'sche baroenen. En naast hem, op haar palafroet, te midden veler onversaagde edelvrouwen op palafroeten, zag Ysabele, de schoone, naar de allerverschrikkelijkste battalgië. Daar zag men halsbergen ontmaelgieren, helmen doorhouwen, schilden kwartieren, ridders lichten aan speren uit zadels, koppen door het geluchte zwieren met de roode fonteinen van stralen bloed! En Ysabele, zij volgde met den blik hier Gawein en daar Gwinebant, hier Gwinebant en daar Gawein en zij had tevens, op den hoogsten torentrans, Guenever ontdekt, de zoete Guenever, wie Lancelot jaren lang trouw was en die jaren lang Lancelot trouw was; Guenever, van wie zij gelezen had in de schoone jeesten der vinders. En nu zij alles met eigen oogen in werkelijkheid zag, wat zij eerst nog slechts had gelezen en hooren zingen, vond zij het wel veel bloed, o harde veel bloed, maar zij versaagde niet, zij, de princes van Endi, geboortig uit het bloed van zoo vele strijdbare helden en koningen, en daarbij juichte zij uitermate, dat Gwinebant zoo valiant was en dat Gawein onoverwinnelijk scheen... Tot zij plots, ter zij van de vlakte, Gwinebant, afgeraakt van zijne gezellen, zag in strijd met vijf, niet minder dan vijf, Noordhumberlander baroenen, die hieuwen hier en hieuwen daar en Gwinebant, knellend zijn ros tusschen de knieën, verdedigde zich hier, verweerde zich daar, onder zijn schild, achter zijn schild, dat wendde vlug daar en hier, terwijl hij tevens stak hier met zijn speer, hieuw daar met zijn zwaard, als of hij tien handen hadde gehad, want Ysabele begreep van zoo verre niet hoe hij het deed! Zij wees hem aan haar grootvader en onderwijl klopte van beroering en ontroering heur hartje. Eén tegen vijf, één tegen vijf, dacht zij, hijgende op haar paard, nu bleek van angst, dan rood van trots. Kwam niemand der anderen hem dan te hulpe? Zoude hij wel kunnen verwinnen? Twee Noordhumberlander koppen zag zij reeds vliegen het geluchte door, den eenen links, rechts den anderen, tot plotseling zij slaakte een kreet als ware zij zelve gewond... Want Gwinebants ros onder hem steigerde en zonk toen ter zijde in een, doorboord en hijzelve, met schild en speer en zwaard niet dadelijk zich kunnende bevrijden uit het gereide, geplet zijn voet in den beugel onder het paard en achterover gezwikt in het zaâl tegen het achterarsoen, scheen een oogenblik machteloos en in doodsgevaar, hoe hij zich ook nog verweerde, achter zijn schild. Rtts.... daar stak hij zijn speer een derden Noordhumberlander dwars door het lijf en die zonk, maar Gwinebants zwaard ontgleed hem en wederom gaf Ysabele een kreet...

Zoodat haar grootvader haar zeggen moest, dat een princes, die mede te wijch toog, zich niet door hare aandoeningen mocht laten bemeesteren.

Zij bleef dus een oogenblik bleek, recht op haar ros, sidderende van ingetoomde ontroeringen, toen zij zag, dat de twee overblijvende Noordhumberlanders zich wierpen op Gwinebant, zijn schild slechts tusschen hen en hem, want niet kon hij richten zijn speer meer.

En, trots grootvaders verbod, gaf Ysabele een derden kreet, nu eer van woede dan smart en zeker zijnde, dat Gwinebant daar sneven zoû, bijna vlak voor hare oogen, spoorde zij plots, voor wie ook het haar verhinderen konde, haar palafroet en wierp zich...

Eén angstkreet slaakten de vrouwen...

...Met een sprong van het paard over den hoogeren weg af, op de lagere vlakte!

De Koning Assentijn huilde nu zelve een wanhoopgil uit, toen hij zijne Ysabele zag, te ijlende paard, midden in het gruwzame strijdgewoel...

De baroenen zijner wacht volgden radeloos hunne princes...

--Victorie! riep ginds Lancelot.

Want de ridders van Noordhumberland, om hun Koning Clarioen, weken en namen de vlucht, zoo als dien keer voor den burcht van Endi.

--Victorie! riepen Bohort, Sagremort, Ywein... wat zal ik de anderen nog noemen!

Maar Gawein riep niet meê van victorië.

Hij had daar ginds, ter zijde der vlakte, bespeurd de princes, te midden harer radelooze baroenen.

Hij bespeurde tevens een Tafel-Ronde-ridder, die over zijn stervende ros lag en twee aanvalleren boven zich... een klomp van knarsend en rammelend en frotsierend metaal.

Hij herkènde den Tafel-Ronde-ridder!

--Gwinebant!

En hij spoorde ruw Gringolet...

En met de knieën alleen sturende zijn ros, hoog op gericht zijn zwaar geharnaste lijf, speer met slinke gericht, schild over schouder aan riem en zwaard in rechte reeds zwaaiend, ontzettend, als Sint Michiel zelve zoo schoon en stralend, Gawein een aartsengel gelijk, draafde hij aan tot soccoers...

* * * * *

Gawein draafde aan tot soccoers...

Maar te gelijker tijd werd zijn blik geketend door de princes op palafroet...

Zij draafde heftig naar Gwinebant, te midden van hare baroenen, alsof zij mede aankwam tot soccoers, Ysabele, de schoone...

En Gawein onstelde hevig, toen hij zijn bruid daar zag te midden van groot dangier...

Want vele Noordhumberlanders, die nog toefden te vlieden, verzamelden zich, zoodra zij de princes op het slagveld zagen en wilden rondom haar heen...