# Het zwevende schaakbord

## Part 15

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/het-zwevende-schaakbord-14850/index.md

De tien ridders, op hunne steigerende rossen, wierpen zich over de vlakte, ongeduldig; zij hoorden niet meer. Hun metalen gerammel van rusting en wapenen klaterde en ratelde op in den overdadigen zonneschijn. Zij waren prachtig, alle tien dravende, hunne zilververguld glinsterende, metalen silhouetten op de forsche, zware, omhoesde rossen krachtig duidelijk in het trillende, neêr vloeiende licht van den noen. Rondom hun weg stormende vaart golfden de schapen, schreeuwden de herders en scheerden de verschrikte zwaluwen....

* * * * *

Toen onstuimig de tien ridders van Tafel-Ronde, na een hevigen rit over vlakten, door bosschen, tusschen moerassen, langs wegen en langs omwegen, aanstormden over heide en weide en den koningsburcht van Endi kregen in het gezicht, zagen zij, werkelijk, als de herders hen hadden doen denken, een schouwspel, dat hen verbaasde. Want een ontzaglijk heir lag gelegerd wijd rondom den burcht heen; de groote tenten en pauwillioenen waren in dichte massa op geslagen; er waren groene, blauwe, en roode, en de gouden arenden van Noordhumberland blikkerden op alle de tentepunten tegen het groen van de bosschen of tegen het blauw van de lucht. En toen de ridders zagen het heir, zoo groot, zoo breed, zoo lang rondom den burcht van Koning Assentijn gelegerd, begrepen zij, dat zij, tièn ende niet meer ende niet minder, het Groote Aventuur moesten bestaan: het Groote Aventuur den burcht te ontzetten, omdat Koning Assentijn toch bevriend was met Koning Artur van Logres, omdat 's Konings Assentijns kleindochter, de princesse Ysabele--al wisten zij haar ook verloofd aan dien zelfden Clarioen, die het Rijk van Endi was binnen gevallen--de geliefde was van Gawein of van Gwinebant: daar waren zij onder malkanderen niet zeker van maar zij wilden het uit hoofschheid niet vragen, noch aan Gwinebant, noch aan Gawein. Zij wisten alleen, dat zij tegen een geheel leger strijden zouden, zij met hun tienen slechts, als echte wiganten, die zij waren. Nu ja, nu zij beter schouwden omrond, handen voor oogen, want de ventaliën nog opgeslagen, zagen zij wel over weide en heide, langs omwegen en wegen, tusschen moerassen, door bosschen en over vlakten, aanstormen alle de onderhoorigen van Endi, kleinere vazallen en serven: zij kwamen hun heer ontzetten maar de tien wiganten lachten er om tegen elkaâr, want ter nauwer nood zouden die dorpers en kaerelen, velen slechts gewapend met houweelen, spaden, schoppen en stokken, de krijgsknechten bezig kunnen houden van Clarioen! Zij beloofden malkanderen dus, onze ridders, met manwaarhede ende op handslag, te strijden voor Koning Assentijn en voor de princesse Ysabele, hoewel Sagremort even nog riep:

--Maar wil zij nog koninginne van Noordhumberland worden of wil zij het niet meer: dat is de vrage......

Waarop Acglovael schaterde, Ywein iets stotterde, terwijl Gawein zeide:

--Mijne lieve gezellen, mart nog een wijle... Ziet, ik heb het Zwevende Scaec gegrepen, ik heb de queste voltooid! Ik en durf niet met dit kostbare pand in mijn artsoentassche ten strijde tijgen. Laat mij het hier, bij dezen eik, begraven en sneef ik in de battalgië, zoo zal wie van u negenen gespaard blijft, bij den rijken God van Hemelrijk het Scaec uit delven en het met mijne trouwe en minne brengen den Koning Artur...

Zij stegen allen af; zij hielpen allen met de zwaarden een kuil te graven; Gawein legde er het Scaec met de stukken in, breidde er varenbladeren over; zij wierpen de kuil weêr vol zand; zij zwoeren er boven hun riddereed bij de kruizen hunner zwaardgevesten; zij zaten op en sloegen de ventaliën omneêr. En toen, met éen kreet, stormden zij los in de richting, waar het vijandelijke leger lag voor de hoofdpoort van den burcht, in het gezicht van den burchthof met de koningslinde, waaronder Koning Assentijn gewoon was te zitten. Op alle de wallen van den burcht, bij de poorten en de opgetrokkene ophaalbruggen wemelden de ijzeren krijgsknechten, afwachtende den aanval en de baroenen van Endi herkenden van af de barbekanen de tien Tafel-Ronde-ridders, die aan kwamen stormen, zoo als zijzelven de baroenen herkenden en hen toe wuifden en schreeuwden moed te houden; uit het grootste boograam zagen de tien gezellen den Koning Assentijn spieden, terwijl zijne edelheeren hem weêrhielden zich verder in het gezicht te wagen, in het bereik van vijandelijke werpspies of pijl. Maar boven op de hoogste tinnen zagen de tien, en Gwinebant en Gawein het eerst, wuiven iets wits: het was de wijle van Ysabele; het was Ysabele tusschen den drom der edelvrouwen en dienaressen; het waren alle de vrouwen van Endi, die daar boven de belegering aan zagen, den strijd zouden durven aanzien en terwijl hare eigene kreten slechts zwak den tien ridders toe klonken, nu die bewogen de speren tot groet en tot bemoediging, weêrschetterde fel het gekef der tallooze schoothondjes, die de edelvrouwen mede op dien hoogsten toren hadden genomen, in hare armen, aan hare boezems, in hare schootplooien van klêederen van sindaal en siglatoene, de blaffende hondekopjes duidelijk te onderscheiden met felle oogjes en tallooze, zich heesch blaffende zwart open keeltjes en over alle die vrouwen en hondjes wapperde wijd-uit de groen-geluw-roode vaan van Endi......

Maar in het kamp van Clarioen, Koning van Noordhumberland, die booze was, dat zijn ridder Lionel van de Schandekar bevrijd, de Kar zelve onttooverd was, en die booze was, dat de Koning Assentijn hem door boodschappers plotseling geweigerd had zijne kleindochter, de schoone Ysabele, tot vrouw en tot koninginne--waren de tien Ronde-Tafel-ridderen gezien!

HOOFDSTUK XXIX

Toen ging het er op los. De baroenen van Noordhumberland, die in hunne tenten nog rustiglijk zaten te schaakspelen, maar gewapend, wierpen zich op de rossen en reden de tien ridders te moet, terwijl reeds ontbrand was strijd tusschen dorpers en serven, wijd rondom den belegerden burcht. Maar Gawein ordineerde Bohort, Hestor, Meleagant en Galehot en Lancelot ordineerde Sagremort, Ywein, Acglovael en Gwinebant en zij weêrstonden den plotsen drang van zoo vele Noordhumberlandsche baroenen. Bij Sint Michiel, wat waren daar goede zwaarden! En wat waren daar blikkerende helmen ende bliksemende glaviën ende wimpelende ponioenen geluw, keel, sinopel ende zilver, schitterend fel op elkaâr en tegen elkaâr! En wat waren daar groote en sterke rossen: wel vijfduizend en meer waren er om de bedrongene wiganten heen! Maar eer deze tien zich zullen laten onterven des blijden levens, zullen zij menigen man doen sneven, wees des gewes, gij allen, die dit lezen gaat! Hoe begeerig zijn zij van elke zijde malkanderen op den velde te ontlijven! Halsbergen ziet men ontmaliën en de schilden kwartieren! Bij Sint Jan, daar gaat men houwen ende kerven; menig stout man moet er sterven, die dorst genaken speerpunt of zwaardslag van een onzer tien! Ridderlijke prouaetse doen zij er met hunne klaar gebruneerde zwaarden, die zwaaien maar en die houwen maar en wie of het is--Gwinebant zoo jong en zoo minziek; Acglovael, die altijd maar schatert; Ywein, die al houwende niet stottert meer; Sagremort, die niet meer weifelt of twijfelt, terwijl Lancelot hen aanvuurt ende ordineert--zij houwen de koppen en armen af en die vallen er links en rechts, hier een kop, daar een arm, bij Sint Michiel, wat armen en koppen! En ook de reus Bohort, die niet meer dènkt aan Amoreuse-Garde, en Hestor, die heelemaal niet modest meer is, en Meleagant, die nog dapperder wordt naarmate hij kleiner is dan zijn tegenstander, en Galehot, die steeds gracieuselijk glimlachen blijft, onzichtbaar die glimlach achter zijne ventalië, zwaaien de zwaarden, klaar gebruneerd ende frotsieren ze met der vijanden schilden en de Noordhumberlandsche koppen vliegen links en rechts en de Noordhumberlandsche armen vallen, her en der! Maar Gawein, die is als een lioen! Gawein, die doet als de liebaert! Gawein, die slaat de Noordhumberlanders ter middele in twee; mannen en paarden verslaat hij en velt ze over hoop! Nooit zag wie ook zulk een geloop en hoorde wie ook zulk geschal en zulk geschetter en zulk gekletter en zulk geklank! Als de zeis maait de halmen, zoo maait Gaweins zwaard de gehelmde hoofden en ontzet is wie het ook ziet! Met vingeren wijzen allen naar hem, naar Gawein, den koene, die, zwaard vlug in scheede, de Noordhumberlanders met de speren dwars door de lijven steekt en ze dan hoog uit den zadele licht en uit werpt, links, rechts, over den grond!

Daar is niet tegen te strijden, tegen tien ridderen van Tafel-Ronde! Daar is niet tegen te asselgieren, dat ziet zelve de oude Koning, de kwade Koning, de slechte Koning, de Koning Clarioen van Noordhumberland, die er nog een schandekar voor zijn ridders op na hield; de Koning Clarioen van Noordhumberland, die meende, dat iedere ridder stond hem naar zijn leven en kroon; de Koning Clarioen van Noordhumberland, die wenschte een oir te verwekken bij de zoete princesse Endi's, Ysabele, die schoone! Neen, daar is niet tegen te strijden, zelfs niet met duizenden, want de tien Ronde-Tafel-ridderkoppen schitteren steeds goud-en-zilver gehelmd boven uit die allergruwbaarste mortorië en rondom hen zwieren de koppen de halzen af en vliegen de af gebouwene armen rondom! En het groene gras ligt bedauwd met het roode bloed en overal waar de tien komen te hoope, doen hunne tegenstanders een bittere joeste! Tot te wijken beginnen de duizenden, terug naar de pauwillioenen en tenten toe, tot de tenten bezwijken en neêr slaan als schepezeilen op woeste zee in stormgeweld, tot de booze Koning, Clarioen van Noordhumberland, vloekende Sint Jan en Maria's Kind, God van Hemelrijk, vloekende zoo, dat duivelen en demonen hem al in de gaten krijgen--zich hijscht op zijn zwaar gepantserde ros en, te midden zijner laatste baroenen en ridders en na gedrongen door geheel zijn verslagen legertros, het op een radeloos draven zet, het foreest door, het moeras door, de vlakte over, dravende, dravende, dravende voor zijn onzalig leven...

Dapperlijk hadden ook de baroenen van Endi en hebben de dorpers met hunne spaden en houweelen mede gevochten en de overwinning was--Sagremort twijfelde er niet aan!--ten jonste van die van Endi. Het was tegen het einde des dags; koperkleurig en rood zonk de zon, hare laatste schijnen geverfd als met bloed, als na stralende met de laatste schichtingen van het geweld der wapenen. Het veld lag bijna al te male bedekt met dooden en met paarden en de baroenen bevolen den dorpers die te ruimen: dat zoude wel dagen duren en nachten eer zoo vele verslagenen, ruiters en rossen, zouden zijn ter aarde besteld in het rond. De tien Ronde-Tafel-ridders verzamelden zich met de baroenen en reden den burcht te gemoet, van waar op de tinnen wuifden de edelvrouwen hare wijlen en keften de schoothondjes en justement toen de baroenen en ridders de eerste neer gelatenen ophaalbrug wilden over rijden, trad de huispaap uit met zes koorknaapskens; hij bracht op des Konings Assentijns bevel het Heilige Sacrament der Stervenden op het slagveld en bidden zoude hij voor alle zondige zielen, die daar in den schemeravond aarzelden de veege monden uit te gaan, omdat de felle duivelen met gloeiende oogen zekerlijk uit loerden in de vallende schaduwen, om hun spel met de arme zielen te drijven en met ze te sollen als met ballen.

En toen de baroenen en ridders den paap eerbiedig lieten uit gaan met de zes knaapskens, die al van vigeliën zongen, bekruisten zich de dappere wiganten en reden toen binnen, alle de bruggen over, alle de poorten binnen en zij werden met groot gejuich ontvangen op het burchtplein; daar viel al de nacht maar het was er licht van de vele toortijtsen en de koning Assentijn stond er onder de linde op zijn troon en ontving met open armen Gawein; dien drukte hij aan zijn hart en hij zeide, dat alles vergeten was van vroeger, alle wrok en nagepeize, over de eerste Ysabele, die Gawein had ontvoerd en over de vierwerf twintig man, die hij Destijds aan elk der twaalf poorten verslagen had. En ook Lancelot omarmde de Koning en ook Gwinebant en ook Sagremort en ook Acglovael... wat zal ik het maken zoo lange? Hij omhelsde alle de tien ridders, de valiante Tafelgezellen van Koning Arture, die hem tot soccoers waren gekomen en hij was blijde zijne goede baroenen terug te zien, die knielden voor hem neêr op een knie en hij prees ze om hunne vele koene fayten van heldewapenen. En toen trad tusschen de edelvrouwen--maar de Koning had streng bevolen alle de schoothondjes op te sluiten, om het plechtige instant niet te storen--Ysabele naar buiten: zij was--meende Gawein en Gwinebant meende het ook--in haar witte kleed van sindaal met hare gouddraad-gelijke vlechten, een engel gelijk, zoo blank en zoo glanzend in dien den walm uitstralenden gelen gloed der toortijtsen en zij bedankte de ridders ook met hare eigene zoete sprake en toen zij bogen voor haar, ontroerde het in ieders binnenborst, omdat zij gevoelden gezworenen ridderplicht wel te zijn na gekomen en, met Sinte Marië's hulpe, zoo zoete princesse te hebben verlost met, te gelijker tijd, zoo vele bekoorlijke edelvrouwen...

De ridders en baroenen, die gewond waren--want zekerlijk, er waren er wel, die een schram of een buil hadden opgeloopen--er werden er zelfs van het slagveld binnen gedragen--gingen bij drieën en vieren in het wonderbed liggen: dat was, al was het door Merlijn niet gewrocht, een werkelijk harde goed wonderbed--in iederen burcht stond immers dezer dagen zoo een wonderbed als Destijds alleen bij Koning Mirakel stond. En na één of twee of drie uren--dat hing van de wonden af--zouden zij zijn genezen... Maar intusschen hadden om den Koning en de schoone Ysabele de tien Ronde-Tafel-ridderen en de baroenen en de edelvrouwen gegeten en gedronken, tam ende venizoen, clareyt ende pigment-wijn en de vinder, met zijn veêler, had dadelijk den veldslag bezongen. Niemand hoorde er echter veel naar; het was laat in de nacht en de ridders waren wel moê van den strijd en de Koning ook, maar de princes Ysabele niet, want toen de baroenen en edelvrouwen, na groet voor den Koning, de zale waren uit getogen om ter ruste te gaan, nam Ysabele haar grootvader bij een punt van zijn hermelijnen kraag en zeide, haar hoofdje oprichtende, en de tien wiganten hoorden het wel:

--Mijn wellieve Grootvader en machtige Prins! Dat is nu alles harde wel; wij van Endi hebben gezegevierd en die van Noordhumberland zijn zonder twijfel verslagen. Maar nu wij booze zijn met dien schalk van een Clarioen en die schalk van een Clarioen booze is met ons van Endi... welken Koning, bij hare trouwe, zal Ysabele huwen, mijn wellieve Grootvader en machtige Prins??

--Zoet kleindochterlijn, zeide Assentijn een weinig verstoord, terwijl Ysabele's hoofdje zich streelde tegen den watten, witten baard van den Koning; wees des gewes: uw huwelijk zal eene zake zijn van groote internatie-lijke politiek en ik en waag dat zoo niet voetstoots beslissen maar... zelfs zoo gij geen Koning en huwt, mijne roze, zult gij wel eenmaal koninginne wezen over Endi als ik ter eeuwige ruste ben: zoo wees zonder zorg en gaan wij ter ruste... En praten wij morgen daar nog wel van...

Toen, omdat de Koning Assentijn lang en harde wijd gaapte na zoo vermoeienden dag van vele beroeringen om beleg en krijgskans en ongedacht snelle ontzetting zijns burchts tegen zonsondergang, neeg Ysabele voor haar grootvader, die haar kustte op het voorhoofd, neeg zij, als een lelie, voor de tien wiganten, die hoofsch haar groeteden en zij fluisterde tot Gawein en tot Gwinebant, met een zoeten blik tot elk:

--Hoe het ook loope, mijne lieve wiganten, welken Koning Ysabele ook huwe en waar zij ook koninginne worde, twee ridderen als gij zullen haar immer welkom wezen, zoo gij haar hoofschelijk trouw blijft...

Na een uur sliepen allen in den kasteele.

En droomde Ysabele van Gwinebant.

En droomde Gwinebant van Ysabele.

Maar Gawein, plotseling, werd wakker...

En hij zag uit het raam...

Hij zag over het nog lijk-bezaaide slagveld... Wijd lag het daar tusschen burcht en foreest... En het was of hij witte nevelen zag dalen... En wemelend weêr stijgen...

Of hij gloeiende oogen uit schaduwen zag loeren. En weder dooven...

Als van sluipende demonen......

Het was of hij engelen, heel zacht, vigeliën hoorde zingen voor de vele dooden...

En hij wist niet meer of hij gelukkig was of ongelukkig, omdat hij Ysabele's blik benijdde naar Gwinebant, den welschoonen knape, van wien hij ijverzuchtig werd...

HOOFDSTUK XXX

Dien volgenden dag, voor dage ende dauwe, stond Gawein op, aan het begravene Scaec gedachtig, verliet den burcht, terwijl de schildwachten met eere hem de poorten door lieten, en kwam buiten, op den weg en op de vlakte, waar de slag was geleverd. En hij zag reeds de dorpers bezig met de verslagenen te begraven; voor velen hadden zij reeds een kerkhof gemaakt, op de heide en tusschen de plassen, die moerassig daar lagen aan den rand van het foreest. En toen hij de gravers zoo bezig zag, vreesde hij voor het Scaec, dat zij misschien op zouden graven en denken een schat, en betreurde hij het niet gisteren reeds, trots het late uur, te hebben gehaald. Maar de gedachte troostte hem, dat het toch niet weg zweven konde, omdat het toch harde te-broken was. Hij liep langs het veld, tusschen vlakte en woud en stelde zich dra gerust: waar hij met de gezellen was afgestapt en het Scaec had begraven, was niet gestreden geworden en hij vond den eikenboom aan welks voet hij het Scaec bedolven had onder de aarde. Hij dolf met den dolk den grond weêr op en werkelijk, daar lag het Scaec, maar, o wonder, zoodra Gawein het ontdekte van de aarde, die het bedekte, verhief het zich... de stukken voegden zich met tooverië ter plaatse, waar zij hadden gestaan sedert Koning Artur er de onvoleindigde partij had gespeeld en het Scaec, dat scheen door de gnomen met wel goede reparatie te zijn hersteld, verhief zich, een vogel, zoo luchtig, gelijk. En Gawein schrikte hevig, bevreesd, dat het hem ontsnappen zoû en in zijn schrik sloeg hij beide handen uit en greep er naar... vlak voor zijn oogen... greep er naar als hij naar een vlinder gegrepen zoû hebben. Maar het Scaec zweefde luchtig weg, om Gaweins hoofd, als plaagde het behaagziekjes hem en bleef toen boven hem brommen met zijn stadig gesnor als van een grooten hommel. Toen sloeg Gawein wederom de twee handen omhoog en hij greep nu het Scaec... En de gedachte schoot door hem, dat het zich wel lièt vangen, want dat het best tijd hadde gehad hoog weg te zweven, zoo het gewild had. Hoe dan ook, Gawein had weêr het Scaec; het brommelde en trilde in zijne handen, terwijl hij er henen keek en zich verwonderde hoe het weêr heel scheen: een harde schoone Scaec was het toch met de juweelen velden van agaath en chalcedoon en met de gouden en zilveren, zoo cierlijk gedrevene stukken! Hoe blijde was Gawein het eindelijk te hebben, het eindelijk naar Koning Artur te kunnen brengen! Niet lange zoû hij marren te Endi, bedacht Gawein, terwijl hij met groote schreden burchtwaarts keerde: zoo spoedig mogelijk zoû hij keeren tot Camelot maar het liefst zoû hij keeren met het Scaec èn met Ysabele, als zijne zoete bruid! Zoo als hij tien jaren geleden ook tot Camelot gekeerd was, met Scaec en Jonkvrouwe beiden, lace, zijne eerste Ysabele, die verscheiden was met Sinte Marië's gratië...

En binnen komende, tusschen de wachten, poorten door, bruggen over en eindelijk weêr in zijn kemenade terug, meende hij, het zoete Geluk lachte hem toe, het naderde hem: Koning Assentijn was hem nu wèl te moede, wrokte niet langer den bevrijder, die hij geworden was na eenmaal de belager en schaker te zijn geweest en dit maal zoû Ysabele hem wel met grootvaders wille vergezellen en zoo zij koninginne wilde wezen, voor zij nog heerschte over Endi, welnu, bij Sint Michiel, een koninkrijk zoû hij veroveren haar, al zoude het zijn bij Paris of zelfs bij Rome!

En het glansde in zijn wiganteziel van zaligheid, terwijl hij het Scaec neêr zette op de tafel en den vinger ophief, als dreigde hij het, mocht het aan wegzweven denken.

Maar rustig bleef het staan en het schitterde in een zonnestraal en het was zóó schoon... Wat was alleen die knop, die ter zijde uitstak als een witte jochant? Gawein tastte aan den knop, werd zich bewust, dat het juweelen knopje kon draaien.... hij draaide er aan en wond en wond op, nieuwgierig en plots.... zie!... daar verhief zich het Scaec in de kamer en zweefde! Gawein stortte naar het opene venster, sloot het haastig, bevreesd, dat weg zoude zweven dat duvelsche Scaec en te gelijker tijd zag hij beneden, langs de gracht, langs de zonnebloemen, in den stralenden zonneschijn, wandelen zijde aan zijde, hand aan hand, Ysabele en Gwinebant! Hij vergat er om het Scaec, dat trilde snorrende tegen de zoldering... Nu sloot hij spoedig het raam en herinnerde zich spottende Keye's raad: bind er een draad omme, Gawein, zoo gij het vangt...! En Gawein, werkelijk, zocht een stevigen draad en bond dien om het Scaec, tusschen de stukken door en bond het Scaec vast aan een luchterring in den muur en rondom de tafel en het stond na trillende nog, zoo gebonden, stil. Nu opende weêr Gawein het venster, zag uit: Ysabele en Gwinebant zag hij niet meer... En hij zette zich, hoofd in hand, elleboog op knie en dacht na en herinnerde zich: Ysabele had toch hem verzekerd, hèm had zij lief met zoete minne en niet Lancelot en niet Gwinebant... Hèm had zij lief... Hem zoû zij haar ridder hebben gekozen, wellicht wel mèt Gwinebant... als zij Koning Clarioen had getrouwd... Maar nu zij Koning Clarioen niet trouwen zoû... hoe had zij nu Gwinebant lief? Liever dan zij Gawein lief had? Het duizelde van denken in Gaweins arme hoofd en hij voelde zich o zoo naijverig worden van Gwinebant, dien hij toch zoo minde, den schoonen knape, jongsten aller ridderen van Tafel-Ronde, Gwinebant, die hem zoo trouwe--maar aan Ysabele?--verlost had uit de Valleie der Ontrouwe Ridderen; Gwinebant, dien hij op zijne beurt verlost had van de Schandekarre; Gwinebant, dien hij gunde van al zoet geluks. Wel, zoo hij, Gawein, nu zoete Ysabele's gemaal ooit werd--Koning Assentijn kòn hare hand niet weigeren den valianten bevrijder van Endi--zoû hij, Gawein, dan dulden, dat zij Gwinebant tot ridder er bij koos? Gawein schudde woest het hoofd van neen en hij wrong de handen en wist niet meer, in de overpeinzingen, die Vrouwe Venus kweekt in hoofd en hart der arme stervelingen, om hen te plagen en waartegen geen heilige, zelfs Sint Michiel niet iets weet te doen.

Koning Assentijn vierde die maand met groote feesten de tien dappere ridders van Tafel-Ronde en toen hij vroeg aan Gawein wat hij hem geven konde om zijn dank en aller dank van die van Endi hem te betuigen, aarzelde Gawein niet langer en vroeg hij, blozende maar luid-op, trots alle de moeilijke overpeinzingen, die hem hadden bedrongen, om Ysabele.

En Koning Assentijn stond Ysabele toe als bruid aan haar oom, Gawein.

--Bij Rome of Parijs, o Ysabele, mijne schoone, zal ik u koninkrijken winnen! juichte Gawein.

Ysabele legde zoet lachende, de ronde scheelen neêr geslagen, haar wit handekijn in Gaweins ridderlijke palm en er was gezang van knapen om hen heen en zoet luidende muziek van snaren.

Maar Gwinebant, dien avond, bij de roode-rozenstruiken klaagde tegen de starren zijn wanhoop uit als een nachtegaal, die van liefde zal sterven. Ysabele, die hem had zien verwijderen uit de burchtzale, zoo bleek en bedroefd, was hem na geslopen en zij naderde, wit als een engel, in den nieuwen maneschijn.

