Part 14
Zekerlijk, hij was nu weêr op weg naar het Scaec. Hij had den weg gekozen en seinde zich... Hij zoû het zoeken, hij zoû het vinden en grijpen! Maar hiervan werd hij zich wel bewust: zoo Koning Artur hem booze bleef omdat hij niet het Scaec vond en bracht, zoû hij harde veel toren hebben in zijn harte, dat loyaal blijven den Koning zoû, vol riddertrouw en liefde van baroen en vazal... Maar zoo Ysabele hem niet meer zoû minnen, minnen zoo als Vrouwe Venus hèm minnen had doen Ysabele, zoû hij sterven. Hij had velen bemind van de edelvrouwen en van de jonkvrouwen in de kasteelen, die de dolende ridders aan het einde van den dage tegen komen om gastvrijheid voor de nacht te vragen; hij had rondom zijne eerste Ysabele, zijn zoete wijf, velen bemind met de minne, die Vrouwe Venus geeft voor een oogenblik--zoo als de roze bloeit, een dag of één nacht of enkele uren--en hij had zijne eerste Ysabele zelve jaren bemind, maar zijne tweede beminde hij tot den dood... Een ridder-van-aventure moge vierwerf twintig man aan twaalver poorten elk telken male verslaan, als het Vrouwe Venus' wille is, kan hij beminnen tot den dood... Sterven van minne kan alles wat mint: de dag sterft om de zon, die van hem scheidt; de roos om den nachtegaal, dien zij meende, dat tot haar zong; de maagd om den man en ook de man kan sterven om de maagd. Maar hij zal het nooit zeggen, de man, de ridder, de ridder-van-aventure, die nooit vreesde van Aventure en van Wonder; hij zal het nooit zeggen maar de vinders zeggen het later, de vinders, die de jeesten boeken van heldenfeit en van liefde en ze dan voor zingen bij het begeleidende spel der veêlers, in de lange avonden, des winters vooral, aan de ooren der ontroerde vrouwen... En der ontroerde mannen ook, maar die zeggen en toonen hunne ontroering niet... Zeker, de ridders sterven van liefde soms... Gawein wist niet dadelijk welke ridders reeds van liefde waren gestorven; hij heugde het zich niet uit de jeesten, was ze zeker vergeten maar zeker, er waren er, die van liefde waren gestorven... Niet op hun bedde, als de bleeke jonkvers, maar op het slagveld en in de battalgiën, als de helden, sterk van arm nog en onweêrstaanbaar van zwaardzwaai tot het einde toe, maar met de barst in het hart, waaruit bloedde het leven, te gelijk, dat het bloed uit de wonde bloedde...
Maar Gawein behoefde niet aan dien weemoed zich over te geven, want Ysabele beminde Gawein, o zoete joye! en zelfs al huwde zij een ouden Koning, zoû zij hem beminnen, de nog zuivere en van onschuld zoete, als Guenever Lancelot beminde!
En de zon straalde in Gaweins ziel terug, als een groote glans in een spiegel...
Langzaam stapte Gringolet, de jonge hengst, over de krakende takken, die lagen verwaaid over den weg. En het was stil in het woud als in de tijden, toen de witte priesters, de Druïden en de witte priesteressen hier hunne geheimenissen hadden gevierd in de groote bladertempels, waarvan de eikenstammen de zuilen waren. Zelfs de vogelen zwegen. Geen Aventuur wachtte op aan de wending des wegs en hoe ook spiedde Gawein, het Scaec zweefde niet op... Dralende rit te ros door het maar even ritselende woud, schijnbaar doellooze doling des ridders door het maar even doorruischte, schaduwvolle geheimenis,--meer beloofde deze dag niet te brengen. En Gawein, toch tevreden en zoet gelukkig, de gedachte maar even doorrild door dien toch niet te verdrijven weemoed, die als een schaduw ligt ter zijde van het allergrootste geluk, ademde op, zuchtte op, glimlachte op, zocht het Scaec, dacht en droomde Ysabele, Ysabele altijd en haar droombeeld blankte daar ginds voor hem uit als een zoet vizioen...
De nacht zonk. Zij weefde hare stille blauwte tusschen de ijlere, zwarte takken en twijgen; zij stapelde hare stille zwartheid tusschen de dichtere en donkere stammen. Zij strekte haar valen schemer uit over den vergrauwenden weg, nauw begaanbaar voor het telkens in woekergewas zich verwarrende ros. En Gawein zag geen burcht en wist deze wegen ook weinig en heugde zich niet kasteel of kapelle of welke woning ook in deze contreien... Hij wist alleen de richting: Westwaarts was hij gereden, Westwaarts had hij gekozen, volgens ingeving van Sint Michiel, zijn weg, en hij wist alleen, dat een breede rivier daar wezen zoû, zoo hij zich heugde deze oorden van vroegere dwalingen... En werkelijk, daar blauwde in de nacht de vloed en verder op vloeide die, blanker, in de late maan, die rees, later, deez' nacht, dan zij gerezen was de nacht van gisteren toen Gawein Ysabele onder aan de burchtmuren gevonden had... En breed en kalm stroomde, bijkans zonder kabbelingen, de maannacht weêrspiegelende stroom en de witte glansen vloeiden van de lange rietstengelen af en versmolten dan in het glinstere water... Bekoord om zoo stille schoonheid, staarde Gawein, tusschen de telkens zijn blik brekende stammen en takken en zwarte sluiers wevende bladeren, de rivier toe, tot hij eensklaps verschrikte... Want over het water gleed als een witte vrouw weg, meê met den stroom, gleed zij, haar witte gewaad plakkende om hare leden, haar gouden haar plakkende om heur witte gelaat en schouders, als of de stroom zelve haar liefdevol het hoofd hield omvat en zoo mede sleepte in zachte maar sterke vaart... En toen Gawein haar zag, seinde hij zich en seinde hij een kruis naar de verdronkene toe... En steeg toen af, nam het paard bij den teugel en liep dichter toe naar den oever... En van af den oever herkende hij wie daar, dood, verdreef op den stadigen stroom... Het was Alliene, het was de jonkvrouw; het was Amadijs, het was zijn vergeten schildknaap en Gawein begreep alles en zijn geluk, dat zon in zijn hart was geweest dien dag, verzwijmde in eenen om de smart en het medelijden, die hij gevoelde, om den schrik, dat hij niet eerder begrepen had en zoo weinig van hoofschheid gepleegd had tegenover de ongelukkige maagd, die hij gered had maar niet bemind, en hij herinnerde zich het zwaard tusschen hen beiden in, in de leêge, onverschillige nachten... Maar hij herinnerde zich niet, dat die onverschilligheid juist eerbied was... Toen welde het in Gawein vol van wroeging en weemoed en van groote smart en hij waadde, zijn ros aan den toom, door het riet en trad in het water tot aan de borst, verder dan de stroom de drijvende mede voerde... En daar wachtte hij haar op. Het paard hinnikte luide de manenacht in, als begreep het van geschied onheil, en Gawein sidderde heel koud van groote droefheid en van berouw, eindeloos, als schenen om hem heen nacht, woud, water weemoed-stilte en verzwegene smarten. En toen, het paard achter zich, hinnikend weêr de nacht in en zich angstiglijk dringende tegen hem aan, greep Gawein Alliene in zijn armen--het riet brak om hem en ritselde--en zag haar, bleek hij, in het bleeke, natte, van gouden haar omplakte gelaat, waarin de oogen als door de watergeesten schenen toe gestreken. En hief haar gelaat toen hooger en kuste haar met zijn eersten kus op haar natten, dooden mond.
Het paard hinnikte heviger... En Gawein liet de doode toen zachtekens zijne armen uit glippen, zoo dat zij drijven bleef op den waterstroom en hij stuwde haar liefdevol zoo, dat zij, in het midden des strooms, verdreef... Daar zag hij haar na; zij dreef verder in den geheel nu gloeienden maneschijn en het scheen of er een glimlach was opgebloeid om den bleeken mond, die was opener geloken. En Gawein keek haar lange na en seinde zich en seinde een kruis toe naar de verder weg drijvende...
Zij dreef naar de wijde zee toe, die is het groote, weldadige, alruime graf, zoeter dat zilten graf dan welke aardsche kuil ook zoû wezen... En toen hij haar niet meer zag, zij verdrijvende als een zacht zilveren kabbeling, witte lijn, wèg met alle kabbelingen en verlijningen van het verdere water, steeg hij uit water en riet, druipende de zilveren stralen van zijne zilveren rusting. En zuchtte diep maar niet meer van geluk.
En hief, zuchtende, den arm en sloeg zich met de gemaliede vuist op het voorhoofd onder de opgeslagen ventalië... En knielde neêr en bad zijne orisone voor Alliene's ziele, die wellicht dezen oogenblik reeds, éven een donkere vogel, dompelde in vagevuursche wateren, om blànk en louter weêr op te zweven, terwijl haar lijf nog zelfs ter zeeë niet in was gespoeld en dáár nog dreef, dáár, in de verte...
En toen, diep zuchtende weêr, steeg Gawein op en reed door en de donkere gevoelens waren niet van hem af, in de schaduwen van de nacht. Toen hij moede gleed van zijn moede ros en zij beiden zonken op het mos, onder de zwarte bladeren der boomen en sliepen, de ridder het onthelmde hoofd tegen de ademende flank van zijn paard, en hij droomde... van Ysabele.
HOOFDSTUK XXVII
Hoog reeds was gerezen de zon, toen Gawein ontwaakte, verbaasd, dat hij daar lag in het woud. Gringolet liep te grazen en rondom Gawein lagen in het gras het zadel, zijn helm, zwaard, schild, speer en maliehandschoenen. En toen hij zag, dat zijn ros er was en daar rustig te grazen liep, was hij blijde, Gawein en vergeleek den jongen hengst bij de verscheidene Gringolette, die ook nooit ware weg gedwaald, van haar heer, de lieve wrene, die hij, lace, had dood gezwommen...
Nu wilde hij meer ook niet marren en stond op en rukte zijne maliëncotte recht om de leden: ridder-van-aventure rust wel eens min te gemake dan hij doet in wonde-genezend wonderbed in gastvrijen burcht aan den weg... Hij wreef Gringolet de flanken en zaâlde het fluks en helmde zich en gereidde zich en zat op en reed verder toen door. Weemoed en geluk beiden wemelden door zijn ziel, die de morgeneenzaamheid zoet dronk, weemoed om Alliene, geluk om Ysabele, en hij dacht daartusschen door aan vele vrouwen en tusschen de vele vrouwen rees dan immer weêr de eene jonkvrouw: Ysabele...
En zij bleef alleen...
Wat de keuze van wegen en wendingen des wegs betrof, zoû hij zich vroom overgeven aan Sint Michiel, die hem wel leiden zoude als het was beschikt, dat hij het Scaec zoû vinden... Vaak was het reeds hem voor gezweefd, tot het in den burcht van Endi was omneêr gevallen, verdwenen... Wat zoo het in den burcht nog verstoken lag? Maar hij had, alleen en met Ysabele samen, gezocht in alle hagedochten en hoeken, achter alle deuren, in alle duwieren en hij meende wel: het Scaec was weêr weg gezweefd uit het kasteel... En hij zoû het weêr zoeken en hij zoû het eenmaal vinden en weêr de gunste winnen zijns Konings, Arture, naast de minne van zijne jonkvrouw: Ysabele...
In wisselende gepeizen Gawein, stapte het ros rustig door: de morgenzon verried de geheimenissen van het woud; reeds geelden de laagste bladeren en verguldden in nazomer-zonneschijn en de lucht verzichtbaarde heel blauw door de takken en er zweefden de gestapelde wolkgevaarten. Toen tusschen wat vogels, die tjilpten, eerst onhoorbaar bijna, dra duidelijker, het zacht gesnor weêrtrillerde en Gawein, als tartte het hem, ginds, héél hoog, tegen de blauwe lucht, tegen de blanke wolkbergen het Scaec zag zweven, een ruitachtigen vogel gelijk en het schitterde even op van de kostelijke stukken, die stonden steeds roereloos overeind. Het Scaec; het Scaec, dáar was het. Waar zoû het hem nu geleiden? In welken burcht, tot welk Aventuur? Het ging tegen den noen, en Gawein, nuchter reeds dag en nacht lang, voelde toch zijne krachten wassen als immer in hem zijne kracht wies tegen den noen.
O, tot alles was hij dezen dag voorbereid, trots weemoed en trots geluk; tot alles was hij bereid om het tartende Scaec eindelijk meester te worden! En voor het eerst sedert de nieuwe queste, sedert gisteren en dien dag van heden, spoorde Gawein Gringolet en draafde het den weg over, sprong het hoog over de hindernissen van omver gevallen boomen en reed het uit het woud op opener vlakte, met wazige heuveling toe glooiend den horizon ommerond, terwijl het Scaec, als een trillende leeuwerik, hoog, heel hoog, boven Gaweins hoofd bleef hangen... O, zoo Gringolet vleugelen hadde aangeschoten, hij zoû door de zomerluchten het Scaec na zweven, na zweven, tot hij het hàd in zijn greep! En Gawein, bijna onbewust zijn ros steigeren doend of het werkelijk de hooge lucht in konde zweven, staarde steeds verlangend naar het Scaec, trillende, trillerende, daar boven hem... Hij had een kreet als een knaap, die een vlinder wil grijpen; hij richtte, zonder het te weten wellicht, zijne opene maliënhand naar het onbereikbare, tartende, hoog daar in de lucht hangende glinsterding...
Tot plots het alleronverwachtste gebeurde...
Er knalde iets...
Vreemd geluid, vreemd toovergeluid in de eenzame wereld van heuvelen, vlakte, wolken en woud....
Er knalde iets, vermoedelijk aan het Scaec...
En uit het Scaec, ter zijde, ontplofte een blauwe damp, dadelijk verijlende in de blauwere lucht...
En toen, o wonder, als ware aan het Scaec iets gebroken, viel het, snel, wirrelende sneller en sneller uit de lucht en Gawein, openmonds van verbazing, zag het neêr vallen midden in de vlakte, in het ruige gras!
Hij reed er met razende vaart heen, vreezende, dat het hem ontsnappen weêr zoû, maar toen hij de plek, waar het viel, had bereikt, vond hij het liggen tusschen de halmen.
Hij was zoo verbaasd, dat hij niet aanstonds af steeg en greep.
Maar toen wierp hij zich af uit het zaâl, greep het Scaec...
De stukken rolden door malkanderen heen, hoewel zij toch aan het bord bleven hangen.
Het spel was in de war: aan metalen draadjes slingerden de stukken over het bord.
Het gouden koninkje zelf--Artur na gebootst, sierlijk gedreven beeldje--was los geraakt en Gawein raapte het op uit het gras en bezag het...
Hij had het Scaec!
Maar de partij was niet meer uit te spelen...
Hij had het Scaec... maar het bord met de juweelen velden was gebroken. Gawein bekeek het nieuwsgierig.
Het had, naar het scheen, een dubbelen bodem... Die was gebarsten... En in de holte van dien dubbelen bodem ontdekte Gawein een vreemd, klein, sierlijk enghien, zoo ingewikkeld, dat het hem wel een raadsel scheen: het waren heel kleine radertjes, met tal van ijzeren draadjes over en weêr verbonden en alle die fijne draadjes lagen door elkaâr gesprongen, verwrongen, verkronkeld tot een hopeloos verward klein kluwentje en Gawein schudde zijn hoofd en haalde onwetend, hij zelve verward in alle zijn denken van Wonder en Aventuur, de schouders op. Hij keek er maar in en tastte met blooten vinger voorzichtig aan de metalen draadjes en aan de radertjes maar begreep er niets van: alleen begreep hij, dat tooverië en wonderlijke enghiene, groot of klein, wel heel veel met malkanderen, zoo niet alles, te maken hadden. Maar één ding wist hij zeker, hij hàd het Scaec, ook al was het gebroken. Het zag er zelfs zoo uit, als of het nimmer meer weg kon zweven, als of het niet zweven meer kon. En zorgvuldig voegde hij de, aan de metalen draadjes hangende, stukken bij elkaâr en borg schaakbord en stukken in de tasch, die in zijn voorsten zadelboog was. Het schaakbord kon er niet heelemaal in: het stak er met den bovenkant uit. Wat leek het een mizerabel Tooverschaakbord, zoo als het daar, op geborgen, uit de zadelboogtasch stak! En Gawein, terwijl hij op steeg en langzaam stappende weg reed van daar, was vol gedachten... Wat zoû zijn Koning hem zeggen, zoo hij te Camelot terug kwam, met het stukkende Schaakbord, dat niet zweefde meer en waarop geen partij meer was uit te spelen! Zoo dat de Koning, zoo hij wederom had gedroomd, vreeze kon voor het verlies zijner krone koesteren! Het deed Gawein heel veel leed, dat hij dit Scaec niet als het eerste terug bracht, ongerept en nog tooverkrachtig... Ja, er waren tusschen hemel en aarde meer vreemde dingen dan een dolende ridder vermoeden kon! En Gawein, moede des denkens, schudde zijn hoofd en haalde zijn schouders op... En dwaalde als de hengst wilde, het woud weder in...
Plotseling zag hij op. Was hij op weg naar Camelot? Om Koning Artur het Scaec te brengen...? Hij dacht niet, dat deze weg naar Camelot voer... En, waarom wist hij niet goed, maar vermoedelijk, omdat de voltooiïng van deze queste hem zich onbehagelijk deed gevoelen in zijn riddergemoed en hem afleidde van zijn geluk om Ysabele, vond hij in eens alle deze dingen van groote vernooye: deze foreesten, die zoo op elkander geleken, dat een dolende ridder er immer verdwaalde; deze wegen, die alleen gemaakt schenen om dolende ridders, nog meer dan hun roeping reeds was, te doen verdwalen; dat Aventuur, dat wel bekroond scheen met uitslag maar zoo twijfelachtig, omdat het Scaec waarlijk voor niets meer deugde... En booze op zichzelf en op alles en niet heel vroom aan Sint Michiel, met iets als een vloek binnensmonds, keek Gawein alle richtingen uit, meende, hij moest nu Zuidwaarts rijden, was werkelijk van niets meer zeker... Tot hij--blijde was hij in zijne vereenzaming het te hooren!--hoefgetrappel aan hoorde naderen over de krakende takken, die lagen verward over den weg, en meende welbekende stemmen te vernemen... Een dier stemmen riep:
--Ja, waarlijk, bij den rijken God van Hemelrijk! De Aventuren en zijn niet meer van het geluchte, zoo menigerwerve meldden zij zich aan: Gawein is gegaan om een Scaec...
--En heeft twee onzer eigene gezellen, die feloenen waren, gestraft!
--Eéne belaagde damosele gewroken en bevrijd!
--En wij...
Maar de aannaderende ruiters waren de wending van den weg omgeslagen en, in zicht van Gawein, herkende deze, twee aan twee naast malkanderen rijdende, de negen ridderen van Tafel-Ronde:
Lancelot, Gwinebant, Galehot, en Sagremort en tevens Hestor en Meleagant, Acglovael, Ywein en Bohort!
En de negen--van hunnen kant--herkenden Gawein en zij juichten hem blijde tegen en Gawein, zeer hoofsch, juichte tot zijne makkers terug.
En hij vroeg:
--Ik zie, mijn lieve gezellen vier, Lancelot, Gwinebant, Galehot en Sagremort, gij hebt wel spoedig onze vijf andere makkers bevrijd uit Amoreuse-Garde!
Gelukkig, dat Acglovael hierop in een juichenden schaterlach uit barstte, want de andere uit Amoreuse-Garde verloste ridders keken heel erg strak en verlegen.
--Acglovael schaterlachte, zei Galehot en glimlachte; dat is het beste, dat Acglovael kan doen om zich te verontschuldigen.
--Waren zij gevangen of niet gevangen, twijfelde Sagremort; dàt is de vrage...
--Dddd...aar en was niemand gevangen, in Amoreuse-Garde, stotterde Ywein maar even; en die ddd...amoselen wilden niet en bbb...evrijd worden...
--Zoo dat wij werkelijk, Gawein, verklaarde, klein maar dapper, Meleagant; geen feloenige ridderen te bekampen meer hadden, wees des gewes, wellieve gezel!
--Zij kwamen en gingen, de ridderen, legde Hestor het heel eenvoudig uit aan Gawein. En er waren er bij van Koning Mirakel...
--Van Koning Ban...
--Van Koning Assentijn ook!
--En van alle andere oude Koningen van Kerstenhede rondomme! riepen door elkaar Acglovael, Ywein, Meleagant en Hestor.
--Het is alles de fout van Bohort! beschuldigde met vingerwijzing Ywein.
En de drie anderen, wijzende met vingers ook, beschuldigden:
--Het is alles de fout van Bohort!
--Wat wilt gij! zeide Bohort en sloeg vuurrood de oogen neêr, hoe reuzig hij zat op zijn ros. Die damoselen hingen zoo verleidelijk uit de vensteren toen wij aan kwamen om haar te verlossen...!
HOOFDSTUK XXVIII
Lancelot had medelijden met zijn vriend.
--De poort van Amoreuse-Garde staat immer open tot gastvrijheid, sprak Lancelot met zeer milde stem.
En Gwinebant, in zich wèl ijzerzuchtig op Gawein om Ysabele, die schoone, deed zich geweld aan en voegde er hoofsch aan toe:
--En de ophaalbruggen lagen immer neêr gelaten.
Gawein glimlachte hoofsch terug.
--Ik begrijp, zeide hij, zeer welwillend.
--Zoo groote feloenen waren de ridderen niet, die wij daar mochten ontmoeten, verontschuldigde Bohort met diepe bas en schudde energisch ontkennend zijn kolossigen helmkop.
--Wij speelden met hen werptafelspel, zeide Hestor, zoo modest hij het zeggen kon.
--Wij ddd...ronken met hen c...c...c...clareyt en zoete p...p...pigmentwijn, stotterde Ywein wat meer, nu hij zekerder werd van zijn zaak, tegenover Gawein.
Maar Acglovael schaterlachte:
--Wij aten met hen tam en venizoen!
--En wij josteerden harde hoofschelijk met hen! glorifieerde, kraaiende als een haantje, Meleagant.
--Uw Aventure, lieve gezellen, glimlachte steeds Gawein zoo hoofsch, dat zij alle vijf begrepen, dat Gawein hen begreep; verliep dus zoo wel als het maar verloopen konde en ik ben harde blijde u allen in welstand te ontmoeten. En zoo gij keert tot Camelot en tot onzen genadigen heere, Koning Artur, keer ik met u, want ik heb mij meester gemaakt van het Zwevende Scaec: ziet, hier steekt het uit de tassche van mijn arsoen!
En Gawein wees op de punt van het schaakbord, dat uit zijn zadelboogtasch omhoog stak.
Alle de ridders verwonderden zich.
Het Scaec! Het Zwevende Scaec! Het Scaec--dat Merlijn uit had doen zweven om Aventure te brengen--het Scaec had Gawein gevonden, gegrepen: hij ging het den Koning brengen!
--Maar het is harde te-broken! zeide Gawein.
En zij zagen rondom Gawein malkanderen allen aan met een onderling kruisvuur van vragende blikken. Aventuur? Had het Scaec Aventure gebracht in de groote vernooye van hun leven...?
--Keeren wij tot Camelot, mijne lieve gezellen, noodde mild Lancelot: hij voelde zich wel beschaamd te weten van het Scaec, dat Merlijn had gezonden...
En hij reed links van Gawein, terwijl Gwinebant zich rechts van hem rijde en toch blijde was, trots zijn ijverzucht om Ysabele, die schoone, dat Gawein zonder meswende de queste, die geene echte queste geweest was, volbracht had.
Maar achter hem fluisterden de andere ridders; Sagremort:
--Het Zwevende Scaec... was het nu tooverië of was het niet tooverië?
Galehot:
--Het is zoo tooverië, dat het te-broken is, harde....
Ywein:
--Het is ttt...ooverië, want Merlijn blijft een ttt...oovenaar.
Bohort zeide niets; omdat hij zoo reuzig groot was en toch de leider geweest der ridders, die gingen zoeken naar Gawein, Mordret, Didoneel, was hij nog steeds beschaamd de fout van alles geweest te zijn in de zake van Amoreuse-Garde....
Meleagant zeide ook niets, omdat hij op eens niet meer zeker was--twijfel zat hun wel min of meer in het bloed--of de ridders met wie hij in Amoreuse-Garde had gejosteerd wel allen eerlijke ridderen waren geweest...
Maar Acglovael schaterde op eens, wijzende naar een wijde vlakte, die zij langs reden en waarover vele kudden schapen als eene zee heen golfden, gedreven door tal van hard aanloopende herders:
--Ziet, gezellen, gonder, die dulle schapen vlieden en die dullere herderen bachten!
De ridders hielden stand in de schaduw der beuketakken, die bogen over den weg, en over de in zonneschijn wazende vlakte naderden de vluchtende schapen met de, achter hen rennende, herders. En hoorden de ridders roepen de herders:
--Groote baroenen en valiante wiganten! Helpt ons! Helpt ons allen van den lande Endi! Helpt ons allen van de maisniede van den Koning Assentijn!
--Wat geschiedt?? riepen Gawein, Lancelot, Gwinebant.
De herders hieven wanhopig de staven op.
--De Koning van Noordhumberland, Clarioen, hij komt met een heir Endi belegeren! Hij is onzen Koning booze, Assentijn, den goede! Hij is booze om den Karre-ridder, dien onze Koning te zijnen hove houdt... Hij is booze, dat onze Koning zijne princesse en kleindochterlijn weigert te geven aan zoo kwaden prins!
--Ysabele!! riepen Gawein en Gwinebant uit.
--Helpt ons, valiante wiganten en groote baroenen! riepen de herders.
Grijswit wollige zee, golfden de schapen aan langs den weg.
--Waar is de weg, die ten snelste voert naar Endi? riep Gawein.
Want dolende ridders wisten zelden de kortste wegen.
--Hierheen! Gonder! schreeuwden en wezen de herders. Over de vlakte terug! En dan...