Part 13
En leed hij zwijgend om haar. De baroenen en edelvrouwen bleven rondom, met troostenden roep, terwijl vedelden de vedelaren.
En de hoogstemmige knapen zongen.
En Amadijs vroeg wanhopig den dwerg:
--Wanneer heeft de tooverië uit gevierd? Wanneer kan een ander, knaap of jonkvrouw, mijn heere verlossen? Zeg mij, dwerg; na zonsondergang?
De dwerg grinnikte; de zon stond nog hoog aan het namiddaggeluchte en de zonnebloemen langs de muren en grachten straalden den gouden gloed terug...
Toen grinnikte de dwerg en fluisterde:
--Hoor, mijn zoete knape! Ik en ben niet zoo dul als zij denken! De baroenen dwongen mij den burcht binnen te rijden en de garsoenen spanden het rosside uit. Maar als de Karre niet en beweegt en hier stille staat onder de koningslinde om den ridder van alle lachter te sparen, vermag niets ende niemand hem te bevrijden... En wie op de Karre springt, waarschuw ik u, ligt mede geboeid ter neêr!
--O wi, o wacharme! riep Amadijs. Zal God van Hemelrijk dat dulden!
Ook de baroenen, die mede den dwerg hadden aangehoord, riepen:
--Bij Sint Michiel! Bij Sint Jan! Bij den rijken God van Hemelrijk!
Zij wilden den dwerg te lijf en hem als een worm vertrappen. Maar Lancelot, Galehot stortten toe, zelfs Gwinebant verliet Ysabele, om den dwerg te ontzetten. Ridderlijke daad zoû het niet zijn een dwerg te verdelgen en daarbij, zoo hij verdelgd ware, wie wist van de Karre en hare enghiene, zoo de voerder daar niet en ware? De dwerg, bevrijd uit den boozen drang der baroenen, grinnikte en zette zich spottend, gedrochtelijk, met de spichtige armen over de vergroeide knieën op het lamoen van de kar, terwijl doodstille Gawein leed en lag.
--Ik zal wachten! grinnikte de dwerg. Uw welgevallen zal ik, hooge heeren, wachten! Voor zonsondergang kan zelfs geen schildknape met zachte oogen of een baroen of valiante wigant den ridder uit de Karre verlossen, maar ik moet naar den Koning Clarioen terug: wees des gewes, hoe zot ik ook ben!
Woedend stonden de baroenen rondom de Schandekar en den dwerg. Plotseling betrok de lucht...
De gloed der zonnebloemen, waartegen Ysabele's figuurken blankte, wachtende angstig, dat Gwinebant zoû keeren, doofde...
Een zwarte wolk zonk over den burcht...
--Een tempeest? riepen de burchtgenooten. Een horeest!
Want het weêrlichtte...
Er rommelde donder en in die onweêrsbui naderde een heftig gesnor...
HOOFDSTUK XXIV
En boven den burcht, door de wolk heen, brak door met zwaar wiekengewapper een reusachtige fenixvogel, die straalde vreemd in eigen juweelachtige, pauwblauw geschakeerde glanzen...
--Merlijn! Merlijn! riepen de drie ridders van Tafel-Ronde, Lancelot, Gwinebant, Galehot.
Werkelijk, het was Merlijn, die op zijn vogel neêr daalde, in een wijden cirkel van zweefvlucht. Snorrend en hevig sidderend daalde de fenix maar zette zich toen luchtig en sierlijk vóór den Koning, en Merlijn steeg af uit des vogels rug. Merlijn was niet zoo heel jong meer, tegen het eind van den dag, als zijn jeugdbad had uitgewerkt en hij het de moeite niet waard had gevonden een tweede bad te nemen. Hij groette Koning Assentijn, die niet meer verbaasde dan overeen kwam met zijne koninklijke waardigheid en riep en jubelde:
--Eureka! Eureka! Ik heb de draadlooze theorieë gevonden! En ik kom mijn lieven Gawein verlossen!
Nu lachte hij luide. Terwijl hij lachte, scheen zijn baard te groeien, schenen zijne oogen als vlammen gloeien te gaan. Zijn gebaar uit wijde, purperen mouwen was zóó wijd, als of hij met zijn staf een tooverban trok om het geheele burchtplein heen. De lindeboom bewoog krakend alle zijn takken en bladeren in den fel waaienden wind. Een dichte nevel zonk neêr. Allen--de Koning, Lancelot, Gwinebant, Ysabele, Galehot, Amadijs, de baroenen en edelvrouwen, drongen tegen elkaâr, wèg van Merlijn en de Kar. Een wervelwind woei. Het duurde nauwlijks twee, drie blikken der oogen. De nevel trok op; de wind verwoei om den burcht; de zon straalde, zinkende, door; bij de zonnebloemen blankte op Ysabele; zij school half bezwijmende in de armen weg van Gwinebant en zij waren schoon en lieflijk om te aanzien. En voor Merlijns voeten versmeulde weg de Kar tot een witte asch, terwijl Gawein ongedeerd, hoewel verbijsterd, stond, als nog omgeven door Merlijns wijd gebaar.
--Tooverië! Tooverië!! riepen de baroenen en angstig de edelvrouwen, door elkaâr, dringende duwende.
Maar Gawein was verlost...
Over het burchtplein kroop een schildpad.
Merlijn schaterlachte......
Hij wees......
--Dat is de dwerg! zeide hij. Burchtzaten, opent den weg voor mijn schildpad! Hij keert terug tot Noordhumberland! Hij gaat konden Koning Clarioen van zijne Schandekarre!
En Merlijn schaterde zóo, dat alle de baroenen ook schaterden. De, door de edelvrouwen heel lang stil en achterbaks gehoudene, schoothondjes ontsnapten, liepen toe op den schildpad, die weg kroop en keften. Ysabele stortte naar Gawein met een vreugdekreet en omhelsde hem.
En toen boog zij eerbiedig voor Merlijn en riep juichend met hare vreugdestem:
--Groote Merlijn! Ik heb van u gelezen in de schoone jeesten, die de clerken sedert tien jaren boeken en nu zie ik u met mijn oogen! Gij zijt de goede toovenaar van hoogste lof! Gij verbranddet in tooverviere de Kar en zij versmeulde tot witte assch! Wees gebenedijd, gij, die Gawein, mijn ridder, verloste!
En zij boog diep en herhaaldelijk, beurende hare vlechten omhoog en alle de edelvrouwen volgden het voorbeeld van de princes.
Terwijl de Koning dreigend riep:
--Jonkvrouwen en vrouwen, zoo gij niet uwe schoothondjes...
Hij kon niet voltooien. Het laweide barstte los oorverdoovend. Er was gejuich van triomf aan alle ramen des burchts, over alle barbekanen. Maar de vele schoothondjes keften het hoogst, zonder zich te storen aan Koning Assentijns oude zenuwen....
Toen, van boven den hoogsten toren, galmde, brallende, koperen geschal, het signaal van den torenwachter.
De lagere torenwachters galmden hem na.
Allen keken uit, naar den weg.
Een ridder naderde en vroeg toegang.
Het was Sagremort: Gawein, Lancelot, Galehot, Gwinebant ijlden op hem toe.
Sagremort steeg af. De ridders voerden, met de baroenen en de edelvrouwen en de schoothondjes, Sagremort vóór den Koning.
Sagremort zeide:
--Edele heere Koning van Endi, hooge Assentijn! Mijn vijf gezellen: Bohort, Acglovael, Ywein, Hestor en Meleagant zijn gevangen in den burcht van Amoreuse-Garde, waar vele feloenige ridderen damoselen gevangen houden en te tijde en te ontijde belagen. Ik kwam langs uwen burcht en trof mijn valiante gezellen, zoo hielp mij Sint Michiel. Heere Koning, waarom ik niet en gevangen ben met die vijf anderen genomen? Omdat ik weifelde en twijfelde binnen te gaan, toen de damoselen aan de vensteren verschenen en lonkten en lokten met zoeten lach en lonk... Ik dacht: willen die damoselen wel worden bevrijd of... willen zij niet worden bevrijd. Dat is de vrage!
--Zeide ik het u niet al?! riep Galehot.
Koning Assentijn sloeg de handen om zijn arme hoofd en zijn kroon gleed scheef. Een Schandekar, vijf ridders van Tafel-Ronde ten zijnent, vijf gevangen in een burcht van feloenen; daarbij nog Merlijn, de toovenaar, op een fenix; Clarioen van Noordhumberland een oude curliaen ende schalck, wien hij zijne kleindochter had beloofd; keffende schoothondjes, die niet waren tot zwijgen te brengen.
--Het is mij te veel! riep hij. Ik bezwijme!
En hij viel achter over in zijn zetel, maar Ysabele omringde zijn oude hoofd met hare ranke armen en lachte...
* * * * *
Een ruste was den vijf ridders van Tafel-Ronde wel van noode in den burcht van Endi. Zij konden toch dien avond voor vespermaal niet dadelijk vertrekken! De pagiën geleidden de gasten in verschillende kemenaden en zij wieschen zich in gulden bekkens met fijne dwalen en kleedden zich--er lagen steeds surcoet en hozen klaar voor dolende ridders. Lionel, die vooreerst niet naar Koning Clarioen dorst keeren, hoopte onder Koning Assentijns ridderschap te worden opgenomen; ook Merlijn bleef nog die nacht.
En na het maal, door heel eenvoudige tooverië, bracht Merlijn Gwinebant en Ysabele te zamen. Zij troffen elkaar ditmaal niet bij de zonnebloemen maar bij de donkerroode, bloeiende rozenstruiken, waarvan éene roos Gawein had geplukt na zes kerkertraliën te hebben verbroken: dat geurde daar van rozengeur onder aan de muren van den burcht en in de nieuwe maan, die in blauwe nacht wit op straalde en neêr vloeide over de barbekanen en speelde en spiegelde in de grachten; daar dwaalden Gwinebant en Ysabele.
--Gedenk u des, Ysabele, gij gaaft mij de mouwe ten lesten tornooi...?
--Ik en vergat het nimmer, Gwinebant... Gij streedt en verwont te mijner eere...
--Ik dacht sedert steeds aan Ysabele...
--Ik dacht sedert steeds aan Gwinebant...
Merlijn luisterde om een hoek: hij was nu héél oud en de maan zilverde in zijn baard.
--Ik droomde u, zei Ysabele.
--Ik droomde u ook! zei Gwinebant en lachte verbaasd.
--Ik droomde u, dat gij kwaamt, in mijne kemenade en ik omhelsde u....
--Zoo zoete, zoo zoete droomde ik ook, dat ik u omhelsde! zeide Gwinebant verbaasd.
--Droomden wij malkanderen eenderlijk? vroeg Ysabele. Ik omhelsde u in deze maniere...
Zij sloeg om zijn blond, krispe hoofd hare armen en kuste hem lang op den mond.
--Eenderlijk, beäamde Gwinebant ontroerd om haar kus. Want ik omhelsde u in deze maniere....
En hij kuste haar en zij kusten malkanderen zoo als zij malkander in den droom hadden gekust en heel lang.
--Ik droomde u iedere nacht, na dien, zeide Ysabele.
--Ik droomde u ook iedere nacht! lachte Gwinebant verbaasd.
--Iedere nacht, zeiden zij beiden en kusten malkanderen lang.
--Ridder zijt gij van Koning Artur, zeide Ysabele. Maar, o Gwinebant, mijn ridder wensch ik u wel hartelijk...
--Ysabele, hebt gij mij lief?
--Harde lief heb ik u, Gwinebant...
--Ik heb u, Ysabele, ook harde lief...
--Zoo lief... Zoo lief! zeiden zij beiden en zij kusten malkanderen lang.
--Ysabele, wilt gij dan mijne zoete wijf wezen?
--Wat denkt gij, Gwinebant! lachte zacht Ysabele. Ik ben eene princesse van Endi, kleindochter van Koning Assentijn. Ik zal een Koning trouwen: Clarioen van Noordhumberland....
--Dien ouden curliaen? vroeg Gwinebant. Gij en zult dien toch niet trouwen, Ysabele??
--Ik zal hem trouwen, Gwinebant, zeide Ysabele en kuste hem, lang.
Hij kuste haar, lang, terug.
--Ik zal hem trouwen, herhaalde zij. Ik moet toch eene koninginne worden en daar zijn geen andere Koningen rondom, die jonger zijn en eene koninginne hebben van noode. De prins Alidrisonder van Koning Wonder van Mirakeleland is mij te jong...
--Te jong, Ysabele? Wilt gij dan een ouden man?
--Ik wil een ouden Koning tot man, Gwinebant, zeide Ysabele.
Gwinebant kreunde van minnesmart, maar Ysabele kuste hem weg zijn kreunen en hij kuste haar: zij kusten malkanderen, lang.
--En ik wil u als mijn ridder, mijn Gwinebant.
--Hoe dat, o Ysabele, als ik u heb zoo lief, zoo lief?!
--Zoo als koninginne Guenever, die is Koning Arturs wijf, Lancelot tot ridder heeft. Dat weet gij zelve, mijn Gwinebant, en dat las ik in Lancelots jeeste. Amijs en amië zijn Lancelot en Guenever. Wij zullen amijs en amië zijn...
--O Ysabele, maar die oude schalk, Clarioen, die Koning, staat mij bitterlijk in den wege!
Zij kuste hem en hij kuste haar, lang.
--En Gawein, ging Ysabele voort; wil ik ook tot ridder hebben en amijs.
--Gawein ook, Ysabele?!
--Ja, Gwinebant, ik bewonder harde Gawein, en heb hem ook heel lief; hij is mijn oom, maar hij is mijn ridder en mijn amijs.
--Ysabele, hij en is niet uw amijs... Gij weet nog niet wat een amijs is, zoete Ysabele....
--En weet ik niet wat een amijs is? Ik weet harde wel wat is een amijs. Ik wil een ouden Koning hebben tot man en ik wil twee amijsen hebben daarbij. Ik wil Clarioen hebben tot man en Gawein en u, Gwinebant, tot amijsen.
--Ysabele, Ysabele, ziet gij niet, hoe ik lijde?
--Gij en moet niet lijden, mijn Gwinebant. Clarioen, die zal maar zijn de Koning, die mij tot koninginne maakt. Gij zult zijn mijn amijs en ook Gawein, omdat hij zoo veel toren in zijn harte zoû dragen, zoo hij niet mede mijn amijs mocht wezen. Met u samen.
--Hij en zal niet willen met mij samen uw amijs zijn, o Ysabele! Gij en weet niet wat een amijs heet, jonkver.
--Ik weet harde wel wat een amijs heet, ridder. Een Koning is, wie mij koninginne maakt, maar een amijs is wie met mij hoofschelijk de courtoisië drijft. In deze maniere...
En Ysabele omhelsde Gwinebant en kuste hem, lang.
--O Ysabele! zuchtte dronken Gwinebant, maar kuste haar, lang.
Van uit de burchtzale klonken de vedelen en knapestemmen.
HOOFDSTUK XXV
Gij en moogt niet ijverzuchtig zijn van Gawein, zeide Ysabele, zeer ernstig, met opgeheven vingerkijn. Ik en wil het niet, Gwinebant. Ik heb Gawein harde lief en wil hem geen leed doen en hij darf niet denken, dat ik u meer lieve dan hem. Hij heeft mij harde lief, Gwinebant en hij mag het niet denken...
--Maar wien hebt gij het meeste lief, Ysabele?
Ysabele omhelsde Gwinebant.
--Gwinebant! antwoordde zij en zag hem diep in de oogen.
Gwinebant sloot de zijne.
--Gaan wij, zeide de jonkvrouw. Ik wil u droomen, deez' nacht, mijn lief!
--O Ysabele! zuchtte Gwinebant.
--Zult gij mij droomen--deez' nacht, lief?
--Ja, ik! zeide Gwinebant. Ik zal u droomen en al onze kussen!
Zij gingen. Maar door heel eenvoudige tooverië wist Merlijn, die om een hoek had geluisterd, Gwinebant in de schaduw Ysabele te doen verliezen en haar Gawein te doen tegen komen, die haar zocht. En vond, terwijl Gwinebant haar verloor.
--Ysabele! riep blijde uit Gawein. Vind ik u eindelijk!
--Gawein! riep Ysabele. Zocht gij mij? Maar ik zocht u en harde blijde ben ik u gevonden te hebben!
--Ik en vond u niet in de burchtzale, zeide Gawein; waar de burchtzaten in feestelijk deduut te zamen zijn en aan den male, zag ik u met Lancelot zoo zoete spel drijven en samensprake vol courtoisië, dat ik niet en wist wat te denken, o Ysabele!
--O Gawein, mijn wellieve Gawein, verweet schalks Ysabele; wat verdacht gij mij van courtoisië met Lancelot te drijven! Lancelot, die is de amijs van de "fonteyne aller schoonhede", koninginne Guenever, bij wie ik alleenlijk maar een onnoozel en schamel maagdelijn ben; Lancelot, dien ik bewonder als een wigant van den Rijke van Logres, alleen vergelijkbaar met u, Gawein!
--Maar Ysabele, gij bewonderdet mij ook als een wigant van Logres' Rijk en Tafel-Ronde en toch zeidet gij mij, dat gij mij wel mindet! O Ysabele, zoo gij mij niet en mindet meer, mijn dood zoû het, Ysabele, wezen, mijn dood, die niet en was dat bekampen van vierwerf twintig man aan twaalver poorten elk van dezen burcht! Mijn dood, o Ysabele, zoude mij niet en komen van veldslag of tweestrijd, niet van draken of van reuzen, niet van queste of Aventure maar van een onnoozel en schamel maagdelijn, die eene princesse is en hoewel zij koninginne van de Noordhumbersche landen zal worden, Lancelot beminnen gaat, Guenevers amijs!
--O Gawein, hoe zoude ik Lancelot beminnen gaan, Guenevers amijs! Ik waag hem nauw in de oogen te blikken al zijn die zachte: hij is zoo hoogelijk verheven boven mij en hij is zoo trouw als een ridder niet en ooit was: de vinders hebben in zijne jeeste zijn trouwe boven alle lof verheven; hoe zoude ik, o Gawein, Lancelot gaan beminnen!
--Of mijn dood, Ysabele, zal komen van dat zelfde maagdelijn, zoo onnoozel en schamel, zoo zij Gwinebant beminnen gaat!
--O Gawein, hoe zoude ik Gwinebant gaan beminnen! Zoo zulke min, mijn Gawein, ware uw dood! Zoude ik uw dood willen en Gwinebant gaan beminnen? Ik en zoude het niet kunnen, Gawein!
--Zoo zeg mij, o Ysabele, zoo zweer mij, o Ysabele, dat gij noch Lancelot noch Gwinebant bemint! Want ik twijfelde tusschen die beiden, wie gij, o Ysabele, beminnen konst!
--O Gawein, eeden van minne zijn als vogelen met vlogelen, die vliegen door de luchten zoodra een ze los uit de handen laat! O Gawein, Ysabele neemt geen minne-eeden in den mond maar hoe kan zij Lancelot of Gwinebant beminnen gaan als zij u bemint, o Gawein!
--Zoo kus mij, zoete Ysabele......
Toen, in de zwarte schaduw van de burchtmuren, met de blauwe manenacht rondom, kuste Ysabele Gawein en Gawein Ysabele, lang. En geloofde hij, dat zij hem beminde en niet Lancelot en ook niet Gwinebant en ook niet Galehot en ook niet Sagremort en ook niet Lionel, den Noordhumberlander. En voelde hij, dat zijn liefde zijn leven was: al was hij ook nooit als Lancelot trouw geweest, zijne liefde zoude ditmaal kunnen worden zijn dood. En terwijl zij malkanderen kusten, lang, keek Merlijn steeds om den hoek en verdween toen en keek om een anderen hoek Amadijs. En de schildknaap hoorde juist Ysabele zeggen, schalk, aan het einde van den langen kus:
--Maar Gawein, mijne smarte zal mij komen, gepeis ik, van een ridder, die is niet Lancelot en niet Gwinebant en dien vergezelt een wel schoone schildknape. En die schildknaap is eene jonkver onder zijne maliëncotte en surcoet en ik zoude, om mijne ijverzucht te stillen, weten willen, Gawein: heeft de ridder zijn schildknape lief?
--O Ysabele! hoorde Amadijs antwoorden zijn heer Gawein. Hoe zoude ik Amadijs beminnen, die is Alliene, die ik ridderlijk verloste, ànders dan met pietate en met caritate, als een broeder zijn zijne zuster wel minnen zal: hoe zoude ik, Ysabele, Alliene beminnen als ik Ysabele minne, Ysabele, Ysabele alleen!
Toen kusten malkanderen Gawein en Ysabele lang en Amadijs vluchtte van daar......
Maar uit de burchtzale weêrklonken fanfaren......
En Gawein en Ysabele repten zich langs de donkere muren en torens binnen en de ridder geleidde de princes naar de voettrede van den troon, waar haar vader zat.
Want alle baroenen en edelvrouwen en alle de burchtzaten waren daar verzameld en Merlijn stond in het midden der zale.
En zeide:
--Gawein, mijn hooge wigant, wij wachtten u! Want nu gij van de Karre tot aller onzer blijdschap zijt verlost, is het mijn plicht u, na Galehots boodschap van Koning Artur, dat hij booze zoude zijn omdat gij vergeet van het Scaec, zijne eigene koninklijke stemme hooren te doen!
--Hoe dat, Merlijn!? verbaasde Gawein. Van zoo verre als Camelot ligt van Endi, zoudt gij kunnen mij Koning Arturs stemme doen hooren?
--Merlijn is der tooverkonst harde abel! zeide de Koning Assentijn goedmoedig. Laat hooren, Merlijn, mijn vriend, Koning Arturs koninklijke stemme!
Allen drongen nieuwsgierig dichter.
En Merlijn gaf een teeken.
Zes serianten brachten binnen een nooit geziene, groote trompet van rooden goud, die opende met een wijden, ronden mond.
En zij zetten de trompet op een tafel van rooden goud en Merlijn, zeer eerbiedig, als neeg hij voor vorstelijkheid, boog.
En beschreef toen een statigen boog met staf.
En het was of de trompet even trilde......
En toen sprak, met Koning Arturs stemme:
--"Hoor mij, Gawein, mijn neve! Zoo gij vergeet van dat Zwevende Scaec en talmen blijft in de queste, door u op u genomen als ridderplicht, zal ik zelve, uw Koning, mijn goede ors bestijgen en ter queste tijgen: dat zwere ik bij mijn krone en bij den rijken God van Hemelrijk, Marië's Kind, die voor ons geboren werd!"
Er ruischte een verbazing de zale door! Werkelijk, het was Koning Arturs stem, betuigden in hoogste verwondering Assentijn en de ridders van Tafel-Ronde. Er was geen twijfelen aan! Het Wonder sprak met koninklijke stem dringend, bevelend uit de gouden trompet! Gawein bloosde als een knaap.
En boog het hoofd.
Toen riep hij luide;
--Morgen, voor dauwe en dage, tijg ik ter queste uit, zoo helpe mij Sint Michiel!
Maar voor de groote trompet was een kleinere komen te staan.
Die was zoo sierlijk en met kostbare, ronde steenen omzet: jochanten, robijnen, karbonkels.
En Merlijn bewees weêr hoofschen eerbied aan de trompet en zwaaide zijn staf.
Toen sprak de kleine trompet:
--"Lancelot, o mijn ridder! Kom terug tot Camelot, want de Koning Artur zit den geheelen dag met de twaalf nieuwe Ronde-Tafel-ridderen te wachten tot Aventure zich kondt en de uren van maal gaan voorbij en wij en eten niet en wij en lieven niet en wij en leven niet en dat leven is mij groote vernoye, zonder u, Lancelot, o mijn ridder!"
Aandachtig hoorde allen toe, hand aan het oor. Ysabele was opgestaan, trad een pas nader en luisterde in zoete verrukking naar de stemme van koninginne Guenever.
Maar Lancelot riep uit, smartelijk en toch bedwongen:
--Lace, mijne zoete vorstinne! Ik en kan nog niet keeren tot Camelot! Want als Gawein wederom ter queste tijgt naar dat Scaec, tijgen wij, niet waar, mijne gezellen, tijgen Sagremort, Galehot, Gwinebant en tijgt Lancelot mede naar den burcht der feloenen en der belaagde dampselen, waar die kwade ridders gevangen houden vijf ridderen van Tafel-Ronde: Bohort!
--Ywein! riep Gwinebant.
--Acglovael! riep Sagremort.
--Meleagant! riep Galehot.
--En Hestor! riepen alle vier te zamen.
De zaal daverde van sonore, Keltische naam-echo's....
HOOFDSTUK XXVI
Die nacht viel er het volgende voor in den koninklijken burcht van Endi: Droom weefde over en weêr van Ysabele naar Gwinebant en van Gwinebant naar Ysabele...
En Amadijs, de schildknaap, die naast Gawein op het zelfde bedde gewoon was te slapen, sliep niet die nacht naast Gawein, het geen Gawein niet bemerkte, omdat hij, wakende zelfs, droomde van Ysabele...
Den volgenden morgen zaten, na afscheid van den Koning, van Ysabele, van allen, die nu op de hoogste transen uitkeken, de vijf ridders van Tafel-Ronde op.
Wees des gewes, lezer, dat Lancelot, Gwinebant, Galehot en Sagremort Amoreuse-Garde gingen belegeren.
En dat Gawein--maar waar school toch Amadijs? dacht Gawein--op queste toog naar het Scaec.
Dat Amadijs hem niet vergezelde, merkte nauwlijks Gawein. Hij was vòl geluk, om Ysabele. Er was een stralende zon in zijn ziel of de zon, die aan den hemel straalde, zich terug kaatste in zijn ziel, als een groote glans in een spiegel. Toen hij omzag voor de laatste maal, zag hij de vier speren zijner vier makkers, geheven, glinsteren, met de zon aan de punten en wuiven tot lesten groet. En zag hij op den hoogsten trans iets wits, dat wuifde: Ysabele, die bewoog haar wijle... Hij wuifde terug, met de speer.
De weg, dien hij gekozen had, ging eenzaam het wijde woud in. Dolende ridder kiest weg naar bezieling van hoogere macht: bezieling van Sint Michiel of van den rijken Gode van Hemelrijk. En als hij den weg gekozen heeft, vroom, om het goede te doen naar ridderplicht en de gevaarvolle queste te volbrengen, wacht hij het Aventuur, dat hem te moet op den wege zal komen. Draken waren dood en spookten alleen met hunne skeletten in bergspelonken; reuzen bestonden sinds lang niet meer; ook niet meer de vreeslijke reuzinnen, die Pantasilde heetten of hoe ook en die in heel hooge torens woonden: die lagen in ruïne nu langs den weg... Feloenige ridders, ja, lace, bestonden nog en belaagden damoselen en sloten haar op in Amoreuse-Garde maar vier valiante wiganten gingen den burcht belegeren. En een betooverd Scaec zweefde wel nog de lucht door, maar bleef onvindbaar, ongrijpbaar, die vogel, die vlinder...
Met huiver van eerbied heugde Gawein zich door zijn stil liefdegeluk heen de stem van den Koning Artur, zoo als die uit Merlijns rood gouden trompet had geklonken, booze en verstoord, omdat Gawein lauw was gebleken in de queste naar het Scaec.