Part 12
Want de Schandekar met het armzalige paard en den dwerg, die het leidde, was een tooverkar, een marteltuig en wie er in werd geworpen, werd er van zelve geboeid aan handen en voeten, en wie er in lag, geboeid, kon er alleen uit worden bevrijd door wie voor den geboeide, vrijwillig, de Kar besteeg. De Kar te ontmoeten was een ramp voor den dolenden ridder want het was ridderplicht den gemartelde te verlossen en in zijne plaats de Schandekar te bestijgen, maar de dolende ridder versloeg liever honderd reuzen en honderd draken daarbij.
Toen zeide Lancelot:
--Ik zal de Kar bestijgen....
--Neen!! riep Gwinebant uit, Lancelot omhelzende. Mijn zoete vriend, dat nie! Gij, de eerste aan den Hove, gij, die zit aan 's Konings rechterhand, gij, die onze koninginne lief hebt, gij, mijn gezel, dien ik minne: dat nie! Ik, ik ben de jongste, ik ben Gwinebant, die Ysabele minne; ik, ik zal de Schandekarre bestijgen!
En hij zette den voet op de kar.
Het was heel donker geworden....
Er was als een woedend gevecht op de Kar.
Het lichtte....
En de donder rolde....
Toen Lancelot de handen strekte, tastte hij en herkende niet Gwinebant maar Lionel. En hoorde hij Gwinebant, geboeid, liggende op de Schandekar, zich van pijn en smarte wringen en kermen en kreunen.
--Gwinebant! riep Lancelot smartelijk. Ik zal u bevrijden op mijne beurte...!
--Na twaalf uren! grinnikte de dwerg.
--Lionel! riep Lancelot. Sla mijn mantel om en bestijg mijns vriend paard! Dwerg, gij zot, zijt gij der burchten wel wijs?
De dwerg grinnikte bevestigend.
--Zoo voer de kar! riep Lancelot. Voer de kar, deze geheele nacht van smarte, rond, tot wij des daags langs de burchten rijden, waar vrouwen en ridderen mijn zoeten gezel uit de vensteren zullen belachen en onteeren!
--Gwinebant, riep Lionel naar den jongeling op de Kar: hij lag er half naakt in zijn door tooverij ontgespte rustingstukken, maar Lancelot bedekte hem met een mantel. God zal u loonen! God zal u loonen, o mijn bevrijder!
En pijnlijk en nog na kermende van de geledene pijnen, besteeg hij Gwinebants paard....
De dwerg rukte, op het lamoen van de Kar gezeten, de teugels; het mizerabele paard trok aan....
Stortregen viel neêr....
--Ik ben zot maar van de burchten wijs! grinnikte de dwerg.
* * * * *
Wat was de vië schoon en goed, meende Gawein; wat was te ademen reeds zaligheid, want was te beminnen niet het Paradijs voor wie meent, dat hij bemind wordt! In den volzomer straalde de blauwe lucht wolkenloos boven den burcht, die breed, een stad gelijk, met zijne talrijke torens, zijne verweerde massa's stapelde tusschen de bosschen in den steeds nevelenden wadem, stijgende uit de ziedende tooverrivier. En met Ysabele dwaalde Gawein over de wallen en langs de grachten, de twaalf poorten nu in vredestijd open, zoodat zij de eene poort in, de andere poort uit, dwaalden en doolden, terwijl in den hof voor den burcht de oude Koning behagelijk zat onder de linde in den gezeefden zonneschijn te knikkebollen....
En zijne ridders bal speelden en de edelvrouwen zich vermeiden, zoo wel met de pagiën als met hare schoothondjes.
Maar Gawein ging steeds Ysabele ter zijde, als haar ridder, die ook in het aanstaande tornooi te harer hulde strijden zoû. En geen ridder was zoo hoofsch als Gawein: al wist hij niet te zeggen de dingen als de woordenrijke vinders doen, hij wist te doen de dingen der courtoisië, die een ridder doet voor de vrouwe zijner keuze. Hij liep een middag Ysabele's valk na, die was weg gevlogen.... Tot hij den vogel eindelijk vond, moede des vluchtens, in het struweel. Hij redde eens Ysabele's hondje, dat in een der grachten gevallen was en sprong in het water het reeds verdrinkende keffertje met levensgevaar te grijpen: het was hem bijna ondoenlijk de gracht weêr uit te komen. Toen las Ysabele in de jeeste van Lancelot--ook reeds door de clerken geboekt--dat Lancelot, na drie wintermaanden gekerkerd te zijn geweest door een vijandelijken koning--de traliën had verwrongen om eindelijk in Mei, in den kerkerhof, een prachtige roze te plukken, die hem denken deed aan zijn liefde, koninginne Guenever.... En Ysabele vroeg haar oom en ridder of hij ook, te harer hulde, zes kerkertraliën wilde verwringen, om een roze te plukken.... Zoo dat Gawein zich in een kerker op deed sluiten....
Er bloeide juist een rozenstruik voor het gevang en alle ridders en edelvrouwen en pagiën, rondom Ysabele, kwamen zien hoe Gawein de traliën wrong en wrong om, eindelijk, bevrijd, de roos te plukken, die hij legde aan Ysabele's voetje. En zij kuste hem dankbaar en alle ridders en edelvrouwen prezen Gawein als den hoofschte, maar hij verontschuldigde zich en zeide, hij had niet meer dan Lancelot gedaan. Toen gaf Ysabele aan Gawein haar gouden kam en rondom de tanden had zij drie harer goudblonde haren gewonden omdat zij gelezen had in de jeeste, dat Guenever eens aan Lancelot ook haar kam geschonken had met enkele heurer haren er in....
HOOFDSTUK XXII
Zoo was de vië goed en schoon, vol jolijt en solaes, meende Gawein, terwijl hij met Ysabele ging langs de grachten en over de wallen, waar hoog de zonnebloemen opstaken en boven de hooge stengelen hieven hare groote gouden zonnen, donker gehart, afstralend tegen het rosbruine steen der burchtmuren, met de enkele boogramen her en der verloren. En de zoete woorden, al was Gawein geen vinder, welden als water uit een wel Gawein uit het harte en sprak hij met zijn diepe stem en Ysabele, naast hem gaande, langs de lange zonnebloemenhaag, in hare witte, nauwe, even slepende kleed, de vlechten twee over den smallen rug, twee over den smallen boezem, hoorde ze met vreugde aan, hoe zij ook droomde, iedere nacht van Gwinebant, van Gwinebant! En zij herhaalde tot Gawein, dien zij geen oom meer heette maar Gawein, dat zij zekerlijk weldra zoû trouwen met den ouden Koning, Clarioen van Noordhumberland.... En Gawein begreep dat, omdat zij was de princes van Endi en het princessekroontje met drie puntjes hare slapen omgaf en omdat zij niemand dan een Koning kon trouwen en omdat alle Koningen in den ommetrek oud waren... Maar, zeide Ysabele, als zij heur princessekroontje geruild had voor de koninginnekroon van Noordhumberland, zoû zij toch wel "hoofsche ridders" willen hebben aan heur hof, één of twee, en zij wist niets van de Noordhumberlandsche ridders af en er zouden zeker, met hare vrouwen, ridders haar in bruidvaart vergezellen. Zoodat veel hoop Gawein werd gelaten en hij zoo gelukkig leefde aan Ysabele's zijde als hij nooit geleefd had naast wie hij ook had bemind, lace, zelfs niet ter zijde van de eerste Ysabele, dezer tweede Ysabele moeie en dochter Koning Assentijns. Zoo was het spansieren eindeloos, des morgens, na priemtijd, over de wallen en in de vergieren, in de zonlachende hoeken tusschen de muren en torens, den burcht om en eindeloos om; zoete wandelingen, poorten uit, bruggen over, de grachten groenblauw en grijs goudend, ringelend als breede gordelen rondomme en Gawein heugde zich niets meer van slachterij, die hij Destijds hier had aangericht. Tot zij, dien morgen, wederom den slothof naderden en groote beweging zagen en ook tal van hoofden, die bogen uit alle burchtramen, van staffieren en kamenieren en zij zelven zich haasten om mede te aanzien wat geschiedde, buiten, vóor den burcht, op den weg, die er heen geleidde, zichtbaar over de grachten heen van af den hof.
En met den Koning en het hof zagen Gawein en Ysabele, terwijl der edelvrouwen vele schoothondjes op de barbekanen keften, een schandekar, gevoerd door een dwerg, gezeten op het lamoen en in de schandekar lag een half naakte ridder en kermde van pijn en ter zijde reden twee ridders, de ventalië op geslagen.... Van zoo verre over de elf grachten heen en door den stadigen wasem van de ziedende tooverrivier, waren de ridders niet dadelijk te herkennen; niet alleen wie in de kar lag, ook de beide ruiters schenen bleek en moê, wellicht meer uitgeput dan zij zouden van tweestrijd of veldslag geweest zijn. Reeds ging onmeêdoogend, naar die costume en zede, der burchtgenooten gejoel en gejouw opgalmen, vooral dat der vele mindere serianten, die over de wallen krioelden om te kijken en hun spot te drijven met wie op een schandekar voort werd geleid door een onnoozelen dwerg....
Toen Gawein, met de hand voor de oogen:
--Bij mijne zoete Vrouwe van Hemelrijk! Bij caritate, wat zie ik! Herken ik in dien eenen ridder niet mijn gezel, Lancelot? Is het mogelijk, dat ik Lancelot herken!?
--Lancelot! juichte Ysabele. Is hij Lancelot, dien ik ginder schouw!? Lancelot, van wien ik juist geheel de schoone jeeste las?!
--Hij is Lancelot, mijn schoonvader!! riep Gawein in hevigste ontroering tot Koning Assentijn. Hij is Lancelot en wien zal hij vergezellen in de Schandekar, zoo niet de geschandvlekte een ridder van goeden moed is! Om hem troost te bieden en eere te doen: niet ànders dan om dien zal Lancelot een op de vreeselijke Kar verzellen!
En Gawein, heftig ontroerd, liep de eerste opene poort uit en riep over de brug, over de eerste slotgracht, luid van stemme:
--Lancelot! Lancelot!
Lancelot zag smartelijk op; hij herkende....
En verrast riep hij:
--Gawein! Gawein, dien wij zochten!
Maar Gawein riep een tweeden kreet, smartelijker nog dan waarmeê hij Lancelot had geroepen:
--Wat zie ik! Gwinebant! Gwinebant!
Want hij herkende den ridder op de Kar!
Maar achter hem had een schelle vrouwekreet weêrklonken.
Het was Ysabele, die niet meer juichte om Lancelot; het was Ysabele, die, achter Gawein aanloopende, met velen der baroenen en edelvrouwen Gwinebant had herkend en uitriep:
--Gwinebant! O, Heiligen van Paradijs! Op de Karre ligt Gwinebant, mijn ridder met de mouwe, die voor mij dapperlijk streed in het leste tornooi!
En vóór haar grootvader en de baroenen het haar konden verhinderen, was zij met Gawein vooruit gesneld, was hen vóór gesneld, alle de poorten uit, alle de bruggen over, tot zij, het hondje aankeffende achter zich, gekomen was op den weg, waar langs de dwerg voerde zijn kar, met het mizerabele, verminkte paard.
--Lancelot! riep Gawein.
--Gawein! riep Lancelot. Wij zochten u!
En hij wierp zich af en de beide ridders omhelsden elkaâr.
--Lancelot! riep Gawein. Wat ligt mijn Gwinebant, onze jongste en schoonste gezel, op de Kar?!
--Hij ligt er om ridderlijken plicht! zei Lancelot. Hij ligt er om Lionel te bevrijden, die lag op de Kar schuldeloos! Wij waren uit getogen, Gawein, op queste naar u, die bleef zoek en ontmoetten de Kar en Gwinebant bevrijdde dezen hier: Lionel!
--Maar ik, heeren! riep Lionel; heb mijne krachten terug erlangd! Ik zal de Kar wederom bestijgen!
--Lionel! riep Lancelot. Aan mij is nu de beurte de Kar te bestijgen! En die dwerg zal mij voeren tot Camelot, waar ik mijnen Koning kond zal doen en Merlijn de Kar onttooveren zal!
--Neen! riep Ysabele. Mijn hooge heer, Lancelot, gij van wien ik las met Gawein, mijn ridder, uwe zoete jeeste, gij, de trouwste ridder van Kerstenheid, gij, de trouwe ridder van de "fonteyne aller schoonhede", koninginne Guenever--o hoe geerne zag ik haar niet!--gij moogt niet de Karre bestijgen! Het is Gawein, mijn oom maar ook mijn ridder, hij!, die de Kar bestijgen zal, om Gwinebant te verlossen!
En met de kreten der jonkvrouw mengden zich de ontroerde stemmen van Lionel, Lancelot en Gawein, die met malkanderen wedijverden in edelmoedigheden, wie de Kar bestijgen zoû.
Want Gawein aarzelde niet, hoofsche ridder, die hij was, te voldoen aan het bevel van Ysabele, die hij minde boven alles ter wereld. Hij zette, vóór,--garsoenen schoten op de paarden toe--Lancelot en Lionel hem konden verhinderen, zijn voet op de Kar... Er was als donder en weêrlicht uit blauwe lucht; de dwerg grinnikte; angstig hinnikte het mizerabele paard....
In de Kar lag Gawein...
En wrong zich, gebonden, de kleêren verscheurd.
Tusschen Lancelot en Lionel stond wankelend Gwinebant. Hij was heel bleek.
Hij hield de oogen gesloten, terwijl hem steunden zijn vrienden.
Hij scheen uitgeput van de pijnen, geleden die nacht in de onzalige Kar.
Toen hij de oogen opende, zag hij, tusschen tal van baroenen en vrouwen--o hoe heur aller schoothondjes kef-kef-keften omrond--eene jonkvrouw...
Zoo blond, zoo blank, zoo goud van haar, zoo wit van kleed, dat zij een engel scheen...
En vol liefde-angst zagen hare azuren oogen hem aan...
En hij herkende haar...
Eénmaal had hij haar gezien ten tornooie...
En hij had hare mouwe, die zij hem had gereikt, geslingerd rondom zijn helm...
En sedert had hij haar gezien, tallooze malen van onzegbaar geluk, in zijne droomen...
--Ysabele... murmelde hij.
--Gwinebant... stamelde Ysabele.
En hare witte handekens reikten hem toe.
Hij greep ze en kuste ze zacht.
--Ik zag u... stamelde hij.
--Ik zag u ook, Gwinebant, murmelde Ysabele.
Maar zij zeiden niet wáár zij malkanderen meer hadden gezien...
O, die leste tijden, iedere nacht!
In hunne droomen. Hoewel hij niet wist van de háre en zij niet van de zijne...
Rondom hunne elkander ontmoetende, zoet herkennende liefdeblikken, was het veel laweide, want de paarden hinnikten, steigerend aan de vuisten der garsoenen, die ze bedwongen...
De edelvrouwen riepen wi ende wacharme...
De baroenen huldigden met lof ende prise Lancelot en Lionel.
En de schoothondjes... o wat de schoothondjes razende keften!
Toen klakte de dwerg met de zweep.
--Ik ben die gone, die wijs is van de burchten! grijns-grinnikte de onwijze dwerg. Wij gaan tot Camelot in den lande van Logres en dan terug naar Noordhumberland!
Maar Lancelot, Lionel en al de baroenen wilden niet, dat de dwerg de Kar weg zoude rijden. En ook Koning Assentijn, die de poorte uit en de bruggen was over gekomen, wilde het niet.
--Wij en willen het niet! riepen zij allen. Den burcht in, dwerg! Hiér, in den burcht van Endi zal blijven de Karre! Den burcht in, dwerg, trots tooverië en Schandekar-wonder! Als Gawein onschuldig op de Karre geschandvlekt ligt uit edelmoedigheid, zal hij niet vertoond worden langs de straten, tot spot van keytieven en kaerelen! Den burcht in, dwerg!
En zij dwongen den dwerg de eerste brug over te rijden, door den heeten wasem heen van het ziedende water. De garsoenen geleidden de twee paarden weg...
De schoothondjes keften...
Het was een laweide van grootst belang en nauwelijks kon zich verstaanbaar maken de Koning, die noodde hoffelijk Lancelot, Lionel, Gwinebant zijne gasten te zijn. Hevig kermde Gawein en wrong zich, wrong zich op de Kar...
Hij wrong zich van de tooverpijn, die hem met scheuten schoot door de leden maar hij kermde vooral--want meer dan kermen was zijn klagen niet--omdat hij, vóór het mizerabele paard, dat de Kar trok... Ysabele zag gaan met Gwinebant, zijn jongen gezel, dien hij wel minde...
En hij leed ijverzucht want Ysabele, teederlijk,--meende hij--geleidde Gwinebant, die nog wankelde na, bleek, in zijn stukkende rusting...
Tot Gawein zag, dat Gwinebant glimlachte zijdelings naar Ysabele en haar, zekerlijk, bediedde dat het hem beter ging, hij, een ridder van Tafel-Ronde en die niet sterven zoû van één nacht onschuldig gelegen te hebben op de Schandekar. In der daad richtte zich ook Gwinebants ranke, breedschouderige gestalte, zoo jeugdig als van strijdengel, meende kermend Gawein, aan Sint Michiel gelijk! en Ysabele, zijdelings, glimlachte Gwinebant toe... En Gawein kermde en er was zùlk een laweide, dat plots donderend de Koning Assentijn uitriep, tusschen Lionel en Lancelot:
--Jonkvrouwen en vrouwen! Ik beveel u: doet zwijgen, en dadelijk, al uw onzalige schoothondjes want, mij mijne koningskrone! ik laat ze anders allen door de garsoenen in de grachten gooien!
Toen stortten alle de vrouwen en jonkvrouwen toe op hare keffende hondjes en borgen de lieve beestjes in hare armen, aan hare boezems, in de schootplooien van haar gehevene kleed...
HOOFDSTUK XXIII
Maar blijde waren alle de burchtgenooten, de hoogste en ook de laagste, dat zij Gawein gespaard hadden van die schande op de vreeselijke Kar te worden rond gevoerd langs wegen en straat, om vertoond te worden aan allen, die hem zouden ontmoeten. En de dwerg voerde nu zijn Kar naar den burchthof en daar werd het paard, dat doodmoede was, uit gespannen en weg geleid. De Kar, waarop Gawein lag te kermen en te krimpen, werd onder de breedtakkige linde getrokken en allen om Gawein heen wrongen de handen want verlost kon hij eerst worden na twaalf uren zonder levensgevaar voor hem en zijn bevrijder. En om hem heen zwoeren Lancelot en Koning Assentijns baroenen, dat zij, zoodra de zon zonk, Gawein zouden verlossen, om beurten; zij beloofden het malkanderen met handslag.
Ysabele, met Gwinebant, naderde nu ook de Kar en zij begon te weenen, toen zij Gawein zoo zag krimpen.
--Gawein! riep zij. Mijn lieve ridder! Doet de tooverkar harde pijn? Ik en kàn u zoo onnoodig niet lijden zien!
--Ysabele! zeide Gawein, heel bleek. Het is niet zóó groote pijn! Het is meer prikken van muggen en steken van wespen maar méér en is het leed niet! En ik en zal niet meer kermen en krimpen als gij het niet aan kunt zien en als het uwe zoete oogen doet weenen!
Toen lag Gawein heel stil en sloot de oogen, terwijl ter zijde van de Kar grinnikte de dwerg. En de Koning zette zich bezorgd op zijn zetel en beval der ridders bal te spelen en met het werptafelspel. En hij beval jongen knapen te zingen en vedelaren te vedelen, opdat Gawein minder zoû lijden, zoo rondom hem er muziek klonk en voort ging de gewone vië, die des kasteels was in vredestijd. En steeds lag Gawein heel stil, de oogen gesloten en Ysabele dankte hem, dat hij niet meer kermde en kromp en Gwinebant dankte hem, dat hij hem wel had willen verlossen. Zoo gingen er enkele uren voorbij...
En het scheen bijna, dat Gawein niet meer leed, zoo stil lag hij...
O, de vreeslijke Kar, de Schandekar, die een tooverkar was, o de vreeslijke Kar van Clarioen van Noordhumberland! In alle andere rijken der oude Koningen rondom was zij reeds afgeschaft, die Kar van schande en van marteling en nog deed Clarioen haar door de landen gaan! O, zoo de baroenen haar dorsten vernietigen, die Kar, die alleen leidde één onzinnige dwerg! Maar tooverië en magië waren sterker dan alle baroenen ter wereld en de Kar wàs niet te vernietigen, alleen te onttooveren! O, zoo Merlijn maar te roepen was, maar Gwinebant noch Lancelot wisten, waar hij toefde, zeker steeds bezig met die zoo moeilijke, draadlooze theorië... Zoodat Lancelot zich droef bij den Koning zette en Gwinebant Ysabele verder geleidde langs de grachten en de zonnebloemen: al lag Gawein stille, het bleef toch pijnlijk voor de zoete princesse haar ridder op de Schandekar te zien! Tot plotseling boven van de tinnen galmde koperen torengeschal der torenwachters en de burchtzaten uit zagen: twee ruiters naderden en de drossaet des Konings, met staffieren en met garsoenen, ging hen door de opene poorten te gemoet en verwelkomden hen. Zij reden binnen en Lancelot herkende den eene: die was Galehot en de andere was zeker zijn schildknaap, maar Lancelot kende dien niet, zeide hij Koning Assentijn, die bijziende de oogen knipperde. Galehot en de schildknaap stegen af op het voorplein en Lancelot omhelsde zijn wapenbroeder en riep uit:
--Lace, Galehot, wel ontmoet ik u op een kwaden dag! Want zie, daar ligt Gawein, over de Schandekarre, die hij betrad uit edelmoedigheid om onzen Gwinebant te verlossen en de ure is nog niet daar, dat wij hem verlossen mogen!
Galehot--anders de gracelijk stil glimlachende--sloeg een oprechten jammerkreet uit en de schildknaap een nog schelleren. En terwijl Galehot den Koning begroette, herkenden alle de burchtgenooten den schildknaap. Die was Amadijs. Hij kwam met Galehot terug van Camelot, waar hij Koning Artur kond had gedaan en Koning Artur was blijde geweest, dat hij nu wist van Gawein, maar toen heel booze geworden, dat Gawein niet om het Scaec scheen te achten en toen had hij wi ende wacharme geroepen om Mordret en om Didoneel. En hij had Amadijs, en Galehot mede, bevolen dadelijk op weg te gaan, naar Endi, om Gawein te zeggen, dat hij oogenblikkelijk op queste moest naar het Scaec. Omdat alle zijne Tafel-Ronde-ridders er op uit waren, had Koning Artur, meldde Galehot, twaalf andere zijner hoogste baroenen tot Tafel-Ronde-ridders geslagen en die zaten nu om het jaspis-blad in de Ronde Zale te wachten tot Aventure zich voor zoû doen en dikwijls verstreek het uur van den maaltijd en wachtten zij nog... Toen Assentijn daarvan hoorde, schudde hij bedenkelijk het hoofd en bedacht, hoewel hij er uit hoofschheid tegen zijne gasten niets van repte, dat die Koning Artur van Logres, zoo belust op Aventuur, wel heel oud werd, ouder dan hij, Assentijn was. En dat het slecht voor de mage was zóó lang te wachten en niet te eten.
--Ik moet, bij mijn trouwe, bedenken, zeide Koning Assentijn tot Lancelot en Galehot; waar nu toch gij allen twaalf toeft van oude en eerste Tafel-Ronde. Om mij zie ik armen Gawein; gij, Lancelot; gij, Galehot en ginds dwaalt Gwinebant, de schoone knape, met mijne Ysabele in jeugendlijke sprake langs de zonnebloemen; die vertellen malkander zekerlijk van hunne droomen... Nu, dat zijn vier uwer, waar zijn dan de acht anderen, zeg?
--Didoneel en Mordret lijden pijnen in Vagevure, glimlachte gracielijk Galehot; als Amadijs melden kwam. En de zes anderen zijn Amoreuse-Garde belegeren gaan...
En Galehot vertelde alles en meldde ook Lancelot nu, hoe Mordret en Didoneel verslagen werden toen Gawein Alliene, die was Amadijs, verloste.
--Ja, ik! riep Gawein, met gesloten oogen, van de Kar. Ik, ik versloeg de feloenen, die met ons mede waagden aan te zitten aan Tafel-Ronde!
En hij lag weêr stil. En Lancelot was zeer verbaasd en droeve te moede en Koning Assentijn verwonderde zich in stilte, dat nog wel ridderen van Tafel-Ronde een slechten burcht hadden kunnen stichten in afgelegen foreest, waar zij geschaakte damoselen opsloten!
--Lace! riep Lancelot. Ik zal Gwinebant melden van Didoneel en Mordret.
Maar Assentijn hield hem tegen en zeide:
--Ik zoude dat laten, mijn lieve Lancelot! Gwinebant spansiert er zoo zoete met Ysabele langs die zonnebloemen: dat is de joghet, die zich verhoghet. Laàt ze... Mijne arme kleindochter, dat zoete kind, heb ik beloofd aan Clarioen van Noordhumberland en dat is mij niet wel te moede na al wat ik van dien ouden schalk hoore en zie. Schandekarren zijn niet meer te dulden enghienen, als zij met tooverië gaan en door ridderen moeten worden beklommen.... Zeg nu, mijn lieve Lionel--en de Koning richtte zich tot den Noordhumberlander--maak mij vroed van den hove daar ginder: hoe staat het daar wel bij dien Clarioen?
En Assentijn hoorde Lionel uit, over het verre Noordsche rijk, waarheen zijne kleindochter ter bruidvaart zoû gaan en waar Clarioen iederen ridder, dien hij verdacht van hem naar de kroon te staan, wierp op de Schandekar!
Maar naast de Kar was Amadijs ontzet blijven staan, de edelvrouwen en baroenen rondom.
--Mijn heer! hijgde ten laatste Amadijs. Mijn heere Gawein! Gij, gij, de edelste, de overgelijklijke op de Schandekarre, gij!
De dwerg grinnikte.
--Dat en doet geene pijn, schildknaap! Zie toch, de ridder kermt niet en hij krimpt niet! Het is alleenlijk als van muggen en wesp! En ik weet den weg naar alle burchten maar ik weet ook van knapen en jonkvrouwen! Schildknapen hebben vaak zachte oogen, en weet gij, eene jonkvrouwe kan ook harde wel de Karre bestijgen!
Amadijs bloosde omdat een onzinnige dwerg hem had kunnen doorzien en de baroenen en edelvrouwen rondom, reeds gehoord hebbende van wat Galehot aan Lancelot en den Koning gemeld had, beweerden, dat zij altijd wel gedacht hadden, dat Amadijs een jonkvrouw was. Hoewel deze bewering niet geheel en al waar was en menige edelvrouw, die met Amadijs de zoete melodië had willen drijven, zeer teleur was gesteld in hare begeerten en zoo weinig toeschietelijken schildknaap in de eentonigheid van de kasteelvië zich niet had kunnen verklaren.
Gawein lag steeds stil...
De oogen gesloten, dacht hij aan Ysabele.