Het zwevende schaakbord

Part 11

Chapter 11 3,925 words Public domain Markdown

--Sagremort ook, bij Sint Michiel! verzekerde krachtig Gawein. En ook Bohort, Hestor of Acglovael, wees des gewes, mijne zoete nicht!

--Maar... Galehot? vroeg Ysabele vol belang.

--Zekerlijk zoude Galehot het hebben volbracht! hield Gawein vol. En Ywein eveneens, zonder sparen!

--En ook... Gwinebant, mijn oom?

--Gwinebant is de jongste, die mede aan zit aan Tafel-Ronde en hij is met Lancelot mij komen verlossen--uit de Valleie van Ontrouwe Ridderen.... Hij is een dierbare jongeling mij, Ysabele, en harde valiant en ik twijfel niet, of hij, als wij allen, had het volbracht, het fayt-van-wapenen....

Ysabele glimlachte, heimelijk verheugd en zij stegen de trap op, die wentelde, steeds zoekende naar het Scaec.

--Ik en zie het niet, oom.

--Ik en zie het evenmin, Ysabele.... Amadijs, ziet gij het Scaec?

Gawein wendde zich om naar den schildknaap, die volgde eenige treden lager.

--Ik en zie het niet, mijn heer, antwoordde Amadijs zoo treurig en zacht, dat het Ysabele trof.

--Wij en zien het niet, zeiden de baroenen en de edelvrouwen, die mede opgingen, afdaalden.

Gawein en Ysabele waren op een der torenterrassen gekomen. De zomerlucht veropenbaarde boven hunne hoofden onmetelijk en zware blanke wolkmassa's stapelden er, drijvende uit en in elkaâr.

--Dus Gwinebant, herhaalde Ysabele en hare stem klonk nu zoo vreemd, zoo zacht en treurig, als Amadijs' stem had geklonken; Gwinebant is wèl krachtig en harde valiant...? Vierwerf twintig man aan elke onzer twaalf poorten... zoude hij als gij, mijn oom... kunnen verslaan... om een jonkvrouw te winnen...? Het is zoo veel bloed... te veel bloed...! Maar het zoude zijn om te winnen een jonkver... eene jonkver, die hij minde, en trouwe was zijne minne, niet waar, mijn oom?

--Zaagt gij ooit Gwinebant, Ysabele?

--Ik zag hem eene male.... Tijdens het tornooi, lesten jare.... Ik gaf hem mijne mouwe, die hij vast hechtede aan zijn helm.... Sedert, sedert zag ik hem niet meer....

--Nooit meer, Ysabele? Nooit meer?

--Ik en zag hem nooit meer, mijn oom, zeide Ysabele en glimlachte nu zacht en zij sprak niet van hare droomen. Maar zeg mij, mijn oom, zoo hij met Lancelot waardig was u te verlossen uit de Valleie der Ontrouwe Ridderen, aan wie is hij dan zoo trouwe als Lancelot is aan koninginne Guenever??

--Gwinebant zeide het mij nimmer, Ysabele, antwoordde Gawein, turende van de wolken naar de boomen. En plotseling riep hij luid uit, zoodat zijn stem overal om den burcht weêrklonk:

--Het Scaec! Daar ginder! Het Zwevende Scaec! Tusschen de boomstammen van het vergier!!

En hij wees....

HOOFDSTUK XIX

Overal klonken stemmen. Het Scaec! Het Scaec! Overal stormden de burchtbewoners de poorten uit, de trappen af. Aan een boograam, beneden, verscheen Koning Assentijn.

De waakhonden en schoothondjes liepen uit en blaften. De paarden hinnikten in de stallen. En zwermden overal de mannen en vrouwen in het vergier en over de wallen en langs de elf grachten. En joegen zij naar het Zwevende Scaec.

Gawein was de wenteltrap afgestormd, latende Ysabele en Amadijs.

--Het Scaec! wees Ysabele naar het glinstervierkant beneden, dat zich verloor als een vluchtende vogel tusschen de looveren van het geboomt.

--Het Scaec... herhaalde, bleek, Amadijs.

Ysabele naderde den schildknaap.

--Zoete en schoone knape, zei de princes. Zijt gij krank? Gij en volgt niet uw heer en alle kleur besterft op uwe kaken! Darf ik u bijstaan, lieve Amadijs?

--Lace, mijn hooge jonkver! zei Amadijs en sloot de oogen. Ja, ik gevoel mij krank tot mijnen toren en zal mijn heere Gawein niet volgen kunnen in zijne queste!

--Zoo blijf hier en laat mij u plegen, zeide Ysabele bezorgd en zij omvatte Amadijs in hare armen....

Ten zelfden tijd ontstelde zij....

Zij voelde Amadijs' borst onder het knapebuis zwellende kloppen. Zij zag Amadijs nu aan in zijne oogen, die zich openden....

En liet hem los.

--Voelt gij u bet, Amadijs, wellieve... knape? vroeg de princes.

Amadijs was gezonken zittende in het kanteel. Met groote oogen starende, zag hij naar beneden, waar de menigte, zoekende, woelde om den burcht.

--Ik voel mij bet, hooge jonkver, zei Amadijs. Ik zal mijn heere volgen gaan.

Hij wilde opstaan.

Maar Ysabele, zacht glimlachende, hield hem tegen.

--Blijf... herhaalde Ysabele. En zeg mij.... Ik ben die gone, die nieuwsgierig is.... Vertel mij van Camelot. Zijn daar vele schoone edelvrouwen? Rondom de ridderen van Tafel-Ronde?

--Ik en weet niet, zoete jonkver, zeide Amadijs.

--Waart gij nie tot Camelot?

--Ik en was nie te Camelot....

--Zaagt gij nie Guenever, die is vol van deugden, die "fonteyne aller schoonheden"?

--Ik en zag haar nie, zoete jonkver.... Ik ben eens armen ridders eenige zoon, verwantloos, en mijn vader stierf, en heer Gawein erbarmde--God van Hemelrijk zij hem genadig--zich mijner.

--Zaagt gij, zeg mij, Gwinebant nimmer?

--Ik en zag hem nimmer, jonkver.... Ik en zag alleenlijk Mordret... en ik zag Didoneel. Maar zoete jonkver, dat u God moge eeren, nu zeg mij ook door uwe genade: is de Koning, uw hooge vader, mijn heer niet meer booze te moede?

--Ik denk niet, Amadijs.

--Zult gij weder, o mijn zoete princesse, wen uw vader mijn heere booze is, hem voorspraak en toeverlaat wezen, Sinte Marië gelijk?

--Vergelijk mij niet, o Amadijs, met de heilige Moeder van God, die voor ons geboren wierd, maar wees gewes: ik zal immer mijn oom Gawein toeverlaat en voorspraak wezen.

--Hebt gij hem lief, princes?

De schildknaap verried zich geheel. Ysabele lachte heel zacht hem toe en zij zeide:

--Ik heb Gawein lief, o Amadijs, met mijne bewondering. Omdat ik van hem las en van zijne hoofsche en van zijne ridderlijke daden.... Ik heb een ander lief, o Amadijs, met mijn harte en mijn ziele en met alle mijne zoete droomen. Ik heb een ander lief, die is ver, maar dicht bij mij elke nacht....

--Ik heb, murmelde Amadijs; één lief, die is dicht bij mij elke nacht maar blijft zoo verre als een zwaard maar scheiden kan....

--Wat zegt gij, Amadijs?

--Niets ik, zoete jonkver. Ik zeide van een lied en een lays, die de vinders zingen en dat is van treurige minne.

--Zing het, gij.

--Ik en kan niet zingen, hooge jonkver. Mijn harte is te smartevol om te zingen. Ik ben jong, maar ik leed reeds veel. En ik heb lief en ik lijd te veel.... Want Minne is vaak treurig als Vrouwe Venus' wil. Dan mint een wie hem niet en mint en dan mint eene wie haar niet en mint....

--En dan mint eene wie ver is, zoo verre en weet niet wie die verre wel mint misschien....

--En de vinders, zeide Amadijs; maken er van een lays en een lied en niet meer, neen, niet meer....

--Niet meer, lace, dan een lied en een lays, herhaalde weemoedig Ysabele.

Beneden was het vergier leêg en verlaten.

--Kom, zeide zacht Ysabele. Dalen wij omneêr en wij zullen hooren of het Scaec is gevonden....

En zij nam Amadijs' hand en voelde zijn vrouwehand. Maar zij zeide niets. Hij volgde haar de sombere, de diepe, de wentelende trappen af....

En zij waren beiden vol van liefde voor anderen, door Vrouwe Venus' wille.

En zij hadden beiden wel kunnen weenen, van het eeuwige verlangen, dat Vrouwe Venus drupt als zoete gif in zielen van menschen, waarover zij altijd godin bleef, hoe het ook wisselde van heerschappij der goden over de menschen...

* * * * *

Geen Zwevende Scaec werd dien dag gevonden in den burcht van Assentijn, noch in de vergieren, noch in de foreesten, waar de jagers een jacht er op maakten en toen daarna de Koning Assentijn Gawein, uit hoofschheid, zijn gast en schoonzoon, noodde niet dadelijk te vertrekken, maar uit te rusten van geleden vermoeienis, nam Gawein dankbaar aan en scheen het Zwevende Scaec te vergeten, zoo als hij, durende een maand, gedaan had bij Morgueine, in de Vallei der Ontrouwe Ridderen. Maar toen was Gawein gevangen in het net der tooveriën van wellust ende zondig riveel, met honderd-negen-en-veertig anderen; nu was hij, alleen, gevangen in den zoeten toover der puurste liefde. En de dagen gingen voorbij; er was des morgens de jacht, niet meer op Scaecspel maar op ever en hert, bij het schallen der jagerhoornen, Ysabele op witten palafroet, omringd van de baroenen en edelvrouwen te paard; er was tornooi der ridders in den burchthof, terwijl de edelvrouwen om Assentijn en Ysabele zich schaarden aan het grootste burchtraam; er waren des avonds zoete Liefdehoven, waarin bij den gloor der kaarsen de vragen werden gesteld wat ridder voor vrouwe zoû doen, wat vrouwe voor ridder doen zoû in menigertiere gevalle, volgens de zoete wetten der courtoisië. Er was werptafelspel en dobbelsteenspel en zang en reciet van vinder en begeleiding van veêler en Koning Assentijn scheen niet zoo somber meer in rouwe om de verledene dingen, die hij wilde vergeten.

En Gawein volgde waar zij ging Ysabele.

Ter zijde haar op Gringolet bij de jacht, terwijl hij haar hielp heur valk, dien zij gekapt op het gehandschoende vuisteken hief, te juister tijd te ontkappen....

Opdat de vogel pijlsnel vloog op zijn prooi van haas of fazant....

Of door de verlichte burchtzalen, des avonds, bij het vroolijk en hoofsch festijn, volgde Gawein Ysabele....

En de fluistering ging tusschen de omringende ridders en edelvrouwen van mond tot mond met het nieuwsgierig geschuinoog naar Gawein en Ysabele....

Tot Gawein vraagde aan Ysabele, in de blauwe nacht van maneschijn, die tusschen de zwarte kruinen van het donkere foreest, tusschen de zwarte kanteelen van den donkeren burcht neêr zeefde met zilveren vallen van licht, boven in den hemel de glanzende wemeling der starren:

--Ysabele, mijne zoete Ysabele, koninginne van mijner harte rijk, zeg mij: hebt gij mij lief? Want ik heb u zoo lief als ik niet en wist, dat liefde lief konde zijn, als ik nie eene vrouwe heb lief gehad van dat ik als knape vrouwen en jonkvrouwen te lieven begon en zoo gij mij niet en lieve hebt, is mij te leven geen waarde meer, al zoude ik Koning wezen over alle deze koninkrijken der oude Koningen, die in Brittannië heerschen: Assentijn van Endi en Mirakel van Wonderland en Clarioen van Noordhumberland en Artur, mijn Heere van Logres.... Maar als gij mij lief hebt, o Ysabele, dan zoude ik willen, konde ik zoo als hoofsch en trouw ridder doen, deze geheele wereld voor u verwinnen tot Rome toe en Parijs en den geheel en hemel daarbij.

Toen ontroerde zeer Ysabele.

Zij wist, dat zij alleen Gwinebant lief had, dien zij eens op het tornooi had gezien en wien zij hare mouwe gegeven had en dien zij nacht aan nacht droomde, droomde in de zoete tooverdroomen en omhelzingen. Maar zij kon het Gawein niet zeggen, omdat zij hem niet ongelukkig wilde maken. Want hij was voor haar de held, van wien zij gelezen had, van wien zij wist de heldendaden en de roemruchtigheden en die, ontrouwe aan vele liefde, steeds trouw was gebleven aan zijn groot geloof: geloof aan het Wonder en aan de Werkelijkheid van het Aventuur.... En zij zelve, zij wilde gelooven aan het Wonder en het Aventuur, wat om haar henen ook glimlachten de baroenen haars vaders en hunne edelvrouwen. En zij was, met Gwinebants liefde in heur harte, vol zorg Gawein, den wigant, geen rouwe te doen en zij zeide, toen Gawein nog eens vroeg:

--Ysabele, mijne zoete Ysabele, hebt gij mij lief?

--Ik heb u harde lief, mijn oom Gawein en wen ik Koning Clarioen van Noordhumberland trouwe, zal ik u mijn ridder wel kiezen, zoo als Guenever Lancelot koos....

Toen aarzelde wel Gawein.

Maar sloeg zijne armen heen om Ysabele en kuste haar lang. En zij kuste hem weder en dacht:

--Het is om hem geen toren te geven en smartelijke rouwe....

HOOFDSTUK XX

Een week daarna reed Amadijs, de jeugdige schildknaap, die eigenlijk Alliene, de jonkvrouw, was, alleen, dwars door de foreesten, die scheidden de landen van Koning Assentijn, van Koning Wonder, van Koning Artur. Hij was op weg naar Camelot, waarheen Gawein hem gezonden had, om eindelijk te melden den dood van Mordret en Didoneel.

Zijn stille ijverzucht, als hij Gawein en Ysabele te zamen zag, leed te veel dan dat hij niet met klem van woorden Gaweins bezwaren overwonnen had om te gaan, en alleen de gevaarvolle foreesten door te tijgen. Trouwens, hij was niet vervaard; Alliene, de jonkvrouw, was niet vervaard. Armoede en rampspoed hadden haar in den vervallen burcht haar vaders geleerd geen vrees te voeden voor mogelijk ongeval; de wapenrusting haars broeders drukte haar niet te zwaar de tengere schouders; het zware zwaard vermocht zij zelfs te hanteeren. Draken scholen er niet meer in de spelonken der wouden; Alliene, die heette Amadijs, was dus op weg getogen met Gaweins boodschap: dat Mordret en Didoneel twee stille feloenen waren geweest maar nu verslagen en met genade van orisone ende vigelië begraven en dat het Scaec voor het oogenblik onvindbaar was....

Zekerlijk, het Scaec had zich niet meer vertoond en waarheen de queste te richten als het zich niet meer vertoonde...? Gawein toefde dus te Endi, verzoend met zijn schoonvader en vol minne voor Ysabele, die met hem las, in het breede boograam samen gezeten, zijne eigene jeeste: die van vroeger, toen hij het eerste Zwevende Scaec had gezocht--of die met hem jaagde, valk op vuist.... En Amadijs nu, weemoedig, reed de eindelooze foreesten door, onvervaard, maar zonder hope en blijdschap des levens, omdat de dingen der liefde zoo treuriglijk waren, omdat de een den ander liefde gaf en niet altijd liefde weêrom ontving.... Zoo liefde Amadijs Gawein en zoo liefde Gawein Ysabele, die toch een ander liefde met liefde als de princes zelve Amadijs had bekend...! En de schaduwen vielen weemoediglijk uit de dicht gebladerde boomen: er was nauwelijks gezeef van zonneschijn en tinteling van zonnerondten rondom den jongen ruiter, op den mossigen grond, over den met onkruid bewoekerden weg....

En de vogelen zwegen stil, om de wolken, die laag dreven, boven de boomenkruinen....

Een slang schuifelde soms....

Sloop tusschen rotsblokken, ritselend geheimvol, onder de dorrende bladeren, die verschrompelden en rotten van vocht, tusschen de dof roode zwammen....

Tot zware stemmen in de verte verduidelijkten, en het ros de zenuwige ooren spitste en Amadijs uitluisterde naar wie naderde met ontmoeting kwade of goede, die hem het gemoed zoû ontroeren.

Waar de weg wendde en de rotsen zoomden het ruige ravijn en de zonneschijn feller viel in het woud uit de opene lucht, den afgrond over en de schaduw dieper den schemer indrong, reed een drom van ridders aan....

Een drom, neen....

Amadijs telde er zeven slechts....

Maar hunne woorden waren geweldig, hunne breede rossen versperden den smallen weg, hunne rustingen rammelden van ijzeren en stalen rateling en zij schenen meer in aantal dan zij waren....

Amadijs, wel onderricht van wat ramp kan worden en tegenspoed, seinde zich achter zijn schild maar reed onvervaard door.

En genaderd de ridders, groette hij hen hoofsch met zijn speer en met Gods eere, die hij hun toe riep. De voorste, een reus, riep terug den groet en voegde er aan toe:

--Waarheen richt gij u, jeugdige knape, aan deze grenzen veler koninkrijken, wen ik u vragen darf? Zoo alleenlijk en jong van jaren te dolen door deze foreesten, dunkt mij moed boven uwe jaren?

--Ik zeg dank, heer ridder, zeide Amadijs; voor uwe hoofsche vrage, die ik geerne beäntwoord: ik richt mij tot Camelot, tot des grooten Konings Arturs hove, om hem kond te doen van drie zijner ridderen.

--Bij den goeden dage! bulderde de reus verwonderd.

En naast hem stotterde zijn makker:

--Bbbb...ij dd...en goeddd...en ddd...age!

Terwijl een derde achter hen schaterde van luiden lach:

--Bij den goeden dage!

En de vier anderen uitriepen:

--Bij Sint Michiel!

--Bij Sint Jan!

--Dit is met rechte jongstige fortuin! hernam, bulderend blijde, de reus. Want weet, wellieve knape, dat wij zijn zeven ridderen van Tafel-Ronde en dat wij zoeken Mordret en Didoneel, die zijn van Camelot gegaan en zij kwamen niet meer weêrom, zoodat onze heer Koning ons heette hen te zoeken; zij zijn hem harde dierbaar en hij vreest voor hunne levens.... Ik ben die gone, die is Bohort; mijn gezelle, hier naast mij, heet Ywein....

--Ywein! herhaalde de stotteraar en stotterde niet, omdat hij op een w niet stotterde.

--Acglovael, bij mijne trouwe, ben ik! lachte de schateraar en sloeg joviaal uit zijn hand naar den knaap.

En de anderen galmden hunne sonore namen van Keltischen klank en die daverden geluidvol langs het ravijn en het woud door:

--Hestor en Meleagant!

--Galehot ik!

--En ik Sagremort, weet dat wel!

Toen lichtte Amadijs de ventalië van zijn helm omhoog.

En zeide zacht en bescheiden:

--Mijn hooge heer en en valiante baroenen! God van Hemelrijk deed mij genadiglijk uw zevenen op mijn eenzamen weg ontmoeten. Ik ben Amadijs, schildknape des heeren Gawein....

--Gawein!! bulderden zij allen en Bohort, haastig, ging door:

--Vertel mij, welzoete knape, van onzen Gawein. Want wij ontberen hem ook sedert dagen en Lancelot en Gwinebant zijn ten tweeden male uitgetogen om hem te zoeken.

--Hij toeft bij zijn schoonvader, den Koning Assentijn, verzekerde Amadijs. Maar hoort mij verder aan, o ridderen: geheimenis is niet meer van noode; neen, ik ben geen knape maar eene rampzalige jonkvrouwe: ik ben Alliene en Gawein beschermde mij toen Mordret en Didoneel mij ontschaakten uit den burcht mijns vaders!

Uitroepen van verrassingen en van verontwaardiging ontsnapten Koning Arturs ridders. Zij stegen in ijle af, bonden de paarden aan de boomen vast en zetten zich aan den rand van het ravijn rondom Amadijs, die hun vertelde van al dat gebeurd was. Dat Mordret en Didoneel twee feloenen zouden zijn geweest, was hun bijna ondenkbaar, maar nu herinnerden zij zich toch:

--Nooit ende nie hebben zij eene damosele bevrijd van andere feloenige ridderen, merkte kleine, dappere Meleagant op.

En zij beäamden het alle de andere zes: nooit hadden Mordret en Didoneel in alle die jaren belaagde damoselen bevrijd. Daarom wilden zij ook wel geloof hechten aan de woorden van deze, als Gaweins schildknecht, vermomde jonkvrouw en toen zij eindelijk weêr op zouden zitten, zeide Bohort:

--Jonkvrouwe Alliene, of Amadijs, als gij u heet, zes onzer zullen zekerlijk tijgen naar Amoreuse-Garde, den boozen burcht, waarvan gij spreekt en waar belaagde, damoselen gevangen worden gehouden door keytivige ridderen, gezellen van Didoneel en Mordret en die zes zullen de jonkvrouwen wel verlossen, weet dat wel, maar één onzer zal u begeleiden tot Camelot, opdat gij den Koning Artur konde doet. Zeg mij, wien kiest gij onder ons?

--Ik en weet niet, heer Bohort, zeide Amadijs.

--Zoo ik mij melden darf, zeide Galehot; zoude ik geerne dezen lieven schildknecht den mijne noemen wen Gawein hem niet heeft van noode en met hem terug keeren tot Camelot. Ziet, lieve gezellen--o Sagremort, trek zoo niet de wenkbrauwen op!--gij gaat allen die belaagde damoselen bevrijden uit Amoreuse-Garde maar willen zij wel bevrijd worden?

Acglovael schaterde om Galehots twijfeling, maar Sagremort zeide.

--Hij heeft recht, Galehot; willen die damoselen bevrijd of niet bevrijd worden: dat is de vrage?

--Riddd...erplicht, stotterde Ywein; is bbbe...laagde ddd...amoselen te bbb...evrijden!

--Of zij bevrijd willen worden of niet, meende Hestor op modeste wijze, nu hij zijne meening ook kenbaar maakte en het was of hij zich verontschuldigde,

--Zoo zult gij, gezel Galehot, zeide Bohort; met Amadijs weder keeren tot Camelot, waar onze heere alleenlijk beidt met de koniginne en met Keye en angstiglijk uit spiedt naar tijdingen. En wij zessen, makkeren, wij gaan die damoselen bevrijden!

--Wij gaan eindelijk weder damoselen bevrijden! riep Meleagant, juichende blij.

--Wij gaan ddd...amoselen bevrijden, stotterde Ywein; of zij willen worden bevrijd of niet!

--Het is wèl een klein Aventuur te noemen, meende Hestor, die nooit van grootspraak hield.

Maar Sagremort zeide:

--Ik en weet eigenlijk niet of het een Aventuur is te noemen, maar het zoude wel kunnen gaan worden een Aventure... ja, ja, dàt wel!

--En daarom zitten wij zessen op! schaterde Acglovael en zette, ratelend van lach en van wapenene, zijn gemalieden voet in den breeden beugel.

HOOFDSTUK XXI

Intusschen doolden Lancelot en Gwinebant door andere foreesten rond, waar zij meenden Gawein te zullen vinden.

--Zoo wij slechts Merlijn hadden mogen zien, die leste tijden: hij hadde ons gezegd waar Gawein allicht ware te treffen.

--Wij en zagen Merlijn niet sedert dagen en maanden, zei Gwinebant.

--Hij is zekerlijk nog bezig met de draadlooze theorië, peinsde Lancelot.

Gwinebant antwoordde niet; hij wist, voor zich, dat Merlijn, al bleef onzichtbaar de toovenaar, hem iedere nacht, o zaligheid, deed droomen van schoone Ysabele, in zoete vië en amoreuselijk samenzijn en hij vroeg zich af, de schoone knaap, of Merlijn die droomen ook zocht te doen weven volgens draadlooze theorië...? Maar hij vroeg niets aan Lancelot en genoot liever zwijgend de herinnering van den laatsten droom: Ysabele's armen om zijn blonde hoofd, Ysabele's mond op zijn mond. En het kuiltje in zijn kin groef zich schalker.... De schemering zonk reeds grauwer door de dichte twijgen.

En laag in de boomen gloorde de weg zinkende zon.

Geene ontmoetingen hadden de ridders. En Lancelot meende reeds, dat deze dag des dolens er een verloren zoude zijn en dat zij herberg moesten zoeken. Want de dolende ridders op queste waren wel steeds gesteld op een bedde des nachts in burcht of kasteel, liefst een wonderbed, waarin hunne wonden den volgenden dag waren genezen. Gewond waren niet Lancelot en Gwinebant, maar zij hadden honger, hoe verliefd zij beiden ook waren en trouw. Zij spiedden dus beiden een weinig baloorig uit of geen torens tusschen de boomen uit staken, maar het scheen wel, dat eindeloos het foreest zich strekte....

Tot zij plotseling hoorden kreunen en kermen.

--Het Aventuur! zeide Lancelot en hief den vinger aandachtig op.

--Het Aventuur! herhaalde Gwinebant.

Het gekerm, het gekreun naderde aan. Het was niet van vrouwestem.... En met een wending van den weg werd zichtbaar een kar, getrokken door een armzalig paard en dat een dwerg geleidde. Het paard waren ooren en staart af gesneden en in de kar lag een half naakte ridder, gebonden handen en voeten en hij was het, die kermde en kreunde...

--De Kar! riep Gwinebant, hevig ontsteld.

--De Kar! riep ook Lancelot in grootste ontroering. De Kar der Schande! Gij, dwerg, zeg mij wien voert gij rond door de foreesten op deze schandekar?

De dwerg grinnikte; hij was idioot; maar de ridder op de kar kermde hooger.

--Heeren ridderen, wie gij ook zijt, ontfermt u mijner! Ik ben Lionel en ridder van Koning Clarioen van Noordhumberland, en hij beval mij naakt te werpen op de schandekar, opdat mij deze zinnelooze dwerg zoude voeren, alle straten door, alle wegen over, voorbij de burchten, dat uit de vensteren de bewoneren mij belachen zouden en onteeren! Heeren ridderen, de Koning Clarioen, hij beschuldigde mij van hem naar het leven te staan om mij meester van zijn troon te maken! Maar hij beschuldigt alle zijne ridderen van hem naar het leven te staan om zich meester van zijn troon te maken! Edele ridderen, dat is omdat hij geen oir en bezit, geen zoon of erfgenamen en hij zijne bruid Ysabele nog niet darf huwen.

--Ysabele! riep Gwinebant, heftig ontroerd. Welke Ysabele, ridder, zeg mij?

--Ysabele, die schoone, die is de kleindochter van den Koning Assentijn en princesse van Endi!

Gwinebant en Lancelot waren afgesprongen.

--Zweer mij, gij zijt onschuldig! drong Lancelot.

--Ik zweer, heer! riep de ridder. Ik Lionel, ik ben de zesde ridder uit Noordhumberland, die onschuldig wordt rond gevoerd op deze schandelijke tooverkar! O verlost mij, verlost mij, heeren!

--U verlossen... van de Schandekarre! riep Lancelot in hevigste ontsteltenis.

--Van de Schandekarre... u verlossen! riep radeloos Gwinebant.

En de beide ridders wierpen de armen op en riepen tot Sint Michiel.

Want de Kar te ontmoeten was groot ongeluk.