Part 10
--Mijn machtige heere Assentijn, Koning van dezen rijken lande en wellieve heere schoonvader, antwoordde allerhoofscht Gawein. God, die voor ons geboren werd, moge u loonen om zoo vele poorten als gij geboodt te openen voor mijne passagië en om die vriendelijke vrijheden, die gij uw gast heet. Verstaat wel in uw zin, mijn edele heere: dat ik te Endi ben gekomen, dat heeft mij àl dat Scaecspel gedaan, het zelfde, dat is neêr gezweefd binnen uw koninklijken burcht en dat ik zoek om het te brengen tot Camelot, aan mijn heere, den Koning Artur....
Assentijn, de oude Koning, had plaats genomen in een zetel bij de tafel, balde zijn vuist, die hij neêr plofte en zag Gawein, voor hem staande met achter zich Amadijs, doordringende aan, het harige hoofd schuddende als doen zoû zijn kop een ontevreden leeuw.
--Welzoo, zeide Assentijn. Mijn valiante wigant en schoonzone, komt gij heden een scaecspel zoeken, dat binnen mijn muren schijnt neêr gezweefd? En waarom ook niet? Gij, ridderen van uwen Koning Artur, die nimmer der Aventuren zat en heeft, zoekt immers immer het een of het aâr in queste, door deze landen van Brittannië en van Wallis? Waarom en zoudt gij niet? Zijt gij niet reeds tien jaren her hier geweest, mijn wel hoofsche ridder, mijn lieve Gawein en kwaamt gij toen niet mij mijne dochter ontschaken, Ysabele, die schoone, om haar te voeren tot Amoraen, zoo weinig abel om haar zelve te winnen, en die u het Zwaard met de Twee Ringen in ruil voor zoo zoete bruid zoû afstaan, het Zwaard, dat gij weêr bij den Koning Wonder zoudt inruilen voor een Zwevende Scaec? Was het niet zoo? Amoraen stierf te wel gevoegelijker oogenblik, zoo dat gij zelve mijn zoo zoete kind kondt behouden en voor het Zwaard het Scaec ontvingt en met Scaec en Ysabele tot Camelot over kwaamt waar gij gefesteerd werdt met grooter joye om zoo glorieuze wapenenfayten. Was het niet alles zoo, mijn wellieve schoonzoon tegen wille en dank? Bij mijne koningskrone, Destijds versloegt gij aan mijner twaalf muren twaalf poorten telken male vierwerf twintig man, zonder waan! en wel gewapend; gij drongt binnen mijn burcht en toen gij gevangen laagt in donkere duwiere en mijn dochter tot u kwam, wist gij haar te schoffieren en te ontvoeren daarna.... Zoû ik dan heden, naar nieuwe zede en costume, maar niet bet doen u alle poorten te openen, u hoofschelijk te ontvangen en u te vragen wat gij wenscht? Wees gewes, dat ik blijde ben, valiante wigant, dat gij mij niet mijne zoete kleindochter vraagt, mijne leste troost, die Ysabele heet als haar arme moeie, uw wijf, mijne zoete dochter, die stierf in kinderbedde, als ik hoorde gewagen.... En zeg mij nu, Gawein, wenscht gij, dat ik u zegge: ga en doorzoek mijn kasteel en zoek het Tooverscaec, dat hier binnen zweefde en dat Koning Artur wenscht te zijnen bezit en keer dan terug tot Camelot, in pays en vrede?
Zittende, de vuist op de tafel, had de oude Koning met verbeten woede gesproken, terwijl Gawein, achter zich Amadijs, die zeer wonderde om wat hij hoorde, voor hem stond een stoute scholier gelijk, die door den boozen magister gescholden werd. Tot Gawein zich verdedigde:
--Machtige Koning, Assentijn van Endi, voor ik u spreek van het Scaec, waarom ik op queste toog, zoude ik u willen zeggen: Ysabele, uwe dochter, had ik lief reeds voor ik haar trof, had ik lief reeds in mijne droomen, waar binnen zij verscheen, als door tooverië in vele schoone tooverzalen. Ysabele, uwe dochter, herkende ik zoodra ik haar zag en zij herkende mij uit haar eigenen droom. En met vele listen vroeg zij u, haren vader, met mij te doen wat zij wilde en zij deed mij binden met sterke koorden en werpen in den duwiere maar zoodra wij alleen waren, ontbond zij mij en koosden wij en kusten wij....
De Koning sloeg met de vuist op de tafel, zoodat de echo's verschrikten en elkander na joegen de wanden der zalen langs:
--Ik weèt het, bij mijne trouwe! riep Assentijn. Zij was een onwaardig koningskind en ik heb haar gevloekt en zij is gestorven, maar meent gij, Gawein, dat gij rècht waart haar mij te ontschaken en weg te voeren naar Amoraen, die haar niet zelve dorst winnen, en toen hij zoo jongstiglijk dood bleek en gij uw ridderwoord niet en behoefdet gestand te doen, haar zelf te behouden tot eigen wijf? Meent gij--en de Koning gaf een tweeden vuistslag ter tafel en de echo's ijlden wat zij ijlden konden--dat gij recht waart vierwerf twintig man aan iedere mijner twaalf poorten te verslaan om te dringen binnen mijn kasteel waar ik u niet en van noode had? Zekerlijk, gij waart een wigant: de koppen en beenen en armen en rompen lagen harentare in plassen van bloed; gij waaddet, Gawein, door den bloede en gij zettet u neêr in eene wachtzale en at en dronkt van wat gij vondt en gij drongt door tot wij u eindelijk gevangen namen en Ysabele mij, naar het scheen, bij liste verzocht u die nacht te mogen bewaken en ik zoo zot was de bede der kwade, die u bevrijden wilde, toe te staan. Maar meent gij, Gawein, dat gij recht waart? Meent gij, dat gij recht waart op queste te gaan van een Zwaard, dat u niet behoorde, op queste te gaan van een Scaec, dat u niet behoorde, op queste te gaan van een Bruid, die u niet behoorde? En maar dapperlijk er op los te houwen, tot gij uwen zin hadt? Gij waart sterker dan alle mijne serianten, die gij versloegt en ik zoude u verbazen, denke ik mij, zoo ik u zeide, dat gij geen hoofsch ridder waart, gij, die geloofd wordt als de hoofschte van allen maar, in gemoede, mijn schoonzoon tegen wille en dank en weduwnaar mijner arme dochter, bedenk eens: zijt gij recht heden ten dage voor mij te verschijnen en te vorschen naar een Scaec, dat schijnt binnen gezweefd tusschen mijne barbekanen en dat gij bezitten wilt terwijl het mij voor komt dat wat mijne barbekanen vrij van wille binnen zweeft, het mijne is en niet het uwe en niet des Konings Arturs??
Beduusd bleef Gawein voor den Koning staan en achter hem verwonderde zeer Amadijs. Woorden vond niet Gawein en het duizelde hem in zijn ridderkop. Eindelijk echter meende hij te kunnen spreken en zeide hij, hoofsch en bijna nederig hoewel toch waardig omdat hij zich geen schuld was bewust meer dan God op hem geladen had bij zijne vleeschlijke geboorte:
--Assentijn, machtige Koning en vader mijner wellieve en, lace, te vroeg verscheidene Ysabele, gij zegt mij vele woorden en zekerlijk, zij verbijsteren mijne ziele en mijnen armen geest. Want zij zouden mij goed recht van ridderschap moeten betwijfelen doen zoo ik meende, dat gij recht waart met zoo vele woorden tot mij te richten. Ik weet alleen, dat ik 's Konings Arturs Ronde-Tafelridder ben en dat, wen hij een queste verlangt--dat zij om Scaec of Graal of Speer of wie of wat ook--ik opsta van Tafel-Ronde en gereed mij verklaar.... En dat, als ik vroom ben der Maagd en Haar Kind, Gode van Hemelrijk, die voor ons geboren werd... en dat als ik bescherme zoo weduwe als weeze... en dat als ik versla feloenen, keytieven en ribauden... Gawein kon zijn reeds zoo moeilijken zin niet voltooien: de deur der zale opende; knapen met stallichten ter hand traden binnen; in een plotsen, gelen kaarsengloor, verscheen eene zoo blanke en blonde jonkvrouw, zoo lieflijk en uitermate schoon, dat Gawein, verblind, tevens verstomde en de handen, onbewust, hief en vouwde als zoude hij knielen gaan en aanbidden!
--Mijn wellieve grootvader en edele Koning, zeide de jonge Ysabele; vergeef uwe kleindochter, dat zij u storen komt maar haar angst, waar dat gij bleeft, was groot en hare harte was vol gepeize om u....
En de jonkvrouw naderde, als een droom, zoo blond, zoo blank, zoo wit in haar witte, nauwe kleed van sindaal, zoo goud heur haar als het goudene draad, waarmede jonkvrouwevingers de aureolen der heiligen borduren, dat Gawein het harte stille stond en dat hij meende: een engel naderde maar een engel, die zijne gestorvene Ysabele was....
HOOFDSTUK XVII
Ysabele was haar grootvader genaderd en had hare witte handekens gelegd over des ouden Konings Assentijns rood fluweelen schouders en Gawein dacht om dit gebaar aan Koning Artur en aan Guenever, maar het meeste dacht hij aan zijne eigene, lace, gestorven vrouw en het scheen hem toe, dat zij herboren ginds voor hem stond, maar schooner nog, jeugdiger dan hij haar ooit gezien had. Hij werd zich bewust, Gawein, niet trouw aan hare nagedachtenisse te zijn, maar omdat Gawein nooit trouw was geweest en meende, dat niet iedere ridder zóó trouw kon zijn als Lancelot was aan zijne amië, koninginne Guenever, voelde Gawein zich niet zondiger dan God hem had willen scheppen. Van Gwinebants liefde en trouw--al had Gwinebant hem mede met Lancelot bevrijd uit de Vallei der Ontrouwe Ridders--wist Gawein niets, al had hij sedert wel eens gedacht: wie is toch Gwinebants liefde en aan wie zoû hij zoo trouw zijn, dat hij waardig is naast Lancelot te gaan....
Zoo waren Gaweins gedachten, terwijl hij als aanbiddende, handen gevouwen, de jonge Ysabele aanstaarde en Amadijs, achter hem, het hart klopte van ijverzucht om Gaweins hem verradend gebaar. Maar de oude Koning Assentijn, opstralend zijn rimpelgelaat als een winterlandouw in lentezon, zei, nemende in de zijne Ysabele's handeke:
--Zoet dochterlijn van mijn zaligen zoon, wij danken u voor zoo lieven zorg en vrome gepeize maar deze gasten namen ons den vespertijd en deden ons vergeten, dat avondmale ons wacht. Weet gij, wie deze ridder is, mijne roze? Hij is des Konings Arturs ridder van Tafel-Ronde, hij is Gawein; hij is die gone, die tien jaren her dezen mijnen koninklijken burcht belegerde, alleen hij, strijdende tegen vierwerf twintig man aan mijner twaalf poorten elk; hij is die gone, die ze alleen versloeg, zelfs zonder den schilknaap dien ik nu achter hem zie, en door het bloed waadde... weet gij, mijne roze, tot wie? Tot uwe moeie, tot mijne schoone dochter, die heette Ysabele als gij heet, en hij, die wigant, hij voerde haar weg, hij schaakte haar, hij bracht haar verre naar Camelot en, lace, zij stierf, van den kinde in haren schoot en van den vloek haars vaders; zij stierf! En nu, mijne roze, verschijnt mij die heere schoonzoon, of niets en ware geschied, en ik vrage u, gij, mijne zoete lieve: zeg mij en raad mij: wat moèt ik met dezen moordenaar van mijn kind en van mijne mannen?
--Bij mijne trouwe in Paradijs! juichte zacht Ysabele en hare stem klonk lieflijker, meende Gawein, dan Guenevers stem, dan zijner eigene Ysabele stemme geklonken had, dan de gulden vogelkens zongen op den wonderboom in Guenevers vergier. Dus zijt gij, o edele ridder en groote wigant, mijn eigen oom, Gawein? Der Aventuren Vader zijt gij? Mijner zalige moeie gemaal? Zijt gij de onvergelijklijke, de allerhoofschte, de allerdapperste, de ridder aller ridderen aller onzer oude Koningen? Wees wellekom dan, mijn oom-lief! Ik ken u, al ben ik bijna niet meer dan een kind en al zag ik u ook nimmer! Want ik las van uwe wondere fayten-van-wapenen, die de clerken sinds tien jaren reeds hebben op geschreven in klankvol vallende rijmen en, o wonder Toeval, juist heeft een vinder, die kwam met zijn veêler en vroeg verlof de jeeste voor te zingen van u, o mijn oom, en van uwe heldendaden! En juist wilde ik verlof vragen mijn heere Koning en grootvader den vinder met zijn veêler te doen zingen en spelen in de groote burchtzale, voor alle de burchtgenooten, zingen en spelen van u, o groote wigant vol heerlijke prise, van u, o mijn oom-lief, dien ik nu zekerlijk kussen mag met love en blij riveel!
En Ysabele, de handekens uitgespreid, trad nader, terwijl Gawein haar naderen zag als een wonder. In den gelen gloor van de luchters der knapen was zij immer als uitglanzende in een stralenkrans, zoo wit en goudblond als een engel, hemelsche schijning in de sombere, gewulfde zaal en Gawein, betooverd, wachtte af. Hij wist nu, dat Ysabele hem dicht was genaderd; hij knipte de oogen; hij voelde hare koele handekens aan zijn kloppend voorhoofd; hij voelde haar kus op zijn rechter- en linkerwang; hij wist niet te zeggen, noch te doen; hij hoorde alleen weêrklinken haar stemmeke van gouden klanken:
--Wat gij doen moet met mijn heer oom, met uw heer schoonzoon, mijn heer Koning en grootvader? Gij moet hem eeren als een ridder en gast van hoogste prise, gij moet hem lief hebben als een zoon en maag, dien in jaren gij niet en zaagt, gij moet hem nooden met ons aan den male, gij moet hem daarna mede doen zitten op hoogste eereplaats in de burchtzale om door vinder met veêler hem toe te doen zingen zijn eigene jeeste, zijn eigenen roman van heldendaden! O mijn zoete heere, o mijn lieve grootvader, en gij moet terug nemen alle veete en vloek en vergeten al van vijandschap en zoo vele kwadertiere dingen, of ik en trouwe niet Koning Clarioen van Noordhumberland; wees des gewes, mijn booze Koning!
En Ysabele, met de armen om ouden Assentijns mottigen kraaghals van hermelijn, lachte hem in de oogen, dat de Koning schudde het hoofd, ontevreden op zich, omdat hij zóó zwak was voor zijner kleindochter omvleiïngen.
--Dat zij dan! zeide hij, opstaande, de rimpels nog diep gefronst. De jaren zijn gewenteld, de straf is voltrokken: mijn arme kind, heb ik, wil ik eerlijk zeggen, nie ende nooit gevloekt hoewel ik zeide, dat ik het deed; zij heeft er, Gawein, de vrucht van haren schoot bij in geboet, zeg ik; gijzelve, Gawein, gij zijt een dapper wigant, hoewel gij een roofridder zijt van damoselen en van scaecspelen.... Bij mijne trouwe, ik bedenk mij, o roze: weet gij ook iets van een zwevende scaec--niet het eerste, van tien jaren her, dat uw heere oom met zijne bruid mede naar Camelot voerde--maar van een ànder, ook toover-enghien, dat zoû gezweefd zijn binnen onze muren, een vogel gelijk in zijn kooi?
Ysabele beval den burcht te doorzoeken.
En overal zochten de dienaren en kamenieren.
Maar zij vonden geen schaakspel.
--Morgen, mijn oom, zeide Ysabele; met den nieuwen dag, wen zonneschijn in de duisterste hoeken schijnt, zullen wij zoeken naar dat tweede, Zwevende Scaec....
--O mijne tweede, leliëzoete Ysabele! zeide Gawein vervoerd, terwijl Amadijs, achter hem, luisterde jaloerschelijk. Kendet gij mij? Laast gij van mij? Liefdet gij een luttel den held?
--Ik kende u, ik las van u, ik liefde u al zoo zeer, mijn held en oom! zeide Ysabele. En ik dacht: mocht eenmaal de ridder, die mij zal dienen, wen ik koninginne van Noordhumberland ben, dienen als Lancelot Logres' koninginne doet, mijn oom gelijken: Gawein!
Maar de edelknapen met de lange stallichten geleidden Gawein en Amadijs naar de kemenade, hun toe bedacht.
Wees gewes, o lezer, dat er een wonderbed stond, waarin ridders van hunne wonden genazen, want zulke wonderbedden stonden nu bijna in iederen koninklijken burcht, maar zij waren niet altijd zoo vervallen als dat allereerste--van ouden Koning Wondere--en niet altijd zoo modern hygiënisch als het bedde, dat Merlijn voor Camelot had gemaakt en voor de Ridders van Tafel-Ronde: het wonderbed van Koning Assentijn was maar van gemiddeld comfort. En de statie-kleederen lagen gereed en in de zale werden reeds de tafelen op schragen gelegd en er werd op toebereid tam en venizoen en klaar gezet clareit en pigmentwijn en hypocras en malvezij en de knapen rijden reeds de bekkens van rooden goud en de dwalen om de vingers te wasschen en te drogen daarna en de seneschalk zette met zijne dienaren de stopen op de dresseren en het was alles zoo als het overal was, in iederen koningsburcht, op dit uur van den laten avond, als de dolende ridderen binnen waren en de blijde bellen van het avondmaal sprenkelden de helle klanken langs gaanderijen en langs gangen....
En na het versterkende maal deed Assentijn eere zijn gasten.
Gawein zat naast den Koning op zijn breeden troon en zeer verwonderde hij zich als hij dacht aan Destijds, toen alles zoo anders geweest was....
En Ysabele--o zij heette als Gaweins verstorvene vrouw en zij geleek zoo zeer op haar!--zat op kussens van scharlaken aan grootvaders voet....
En Amadijs zat neêr aan den voet van Gawein....
En de burchtgenooten, baroenen en edelvrouwen en lijfstaffieren en pagiën overvulden de zale en zaten of stonden achter of bogen zich uit de binnenbogen der hoogere gaanderijen.
En licht van kaarsen gloorde zacht overal....
Toen traden de vinder op met zijn veêler en de knapen haastten zich met sneller de laatste tafelen weg van de schragen te nemen en zij namen de schragen zelve weg.
En de veêler, terwijl de vinder boog, vedelde zacht op zijne veêl....
HOOFDSTUK XVIII
De veêler vedelde zacht zijne veêl, begeleidende de stem van den vinder, die zong hoog en heldhaftiglijk uit van een ridder van Tafel-Ronde. De vinder, uit zijn tasch, had zijn handschrift genomen; het was hem zoo kostbaar, zeide hij, als een zwaard aan den ridder, als een koninkrijk aan den Koning en het was een klein boeksken van perkament, dat hij fijn had beschreven met zijn goudhel klinkende rijmen. En terwijl vedelde de veêler zijn veêl, hief de vinder het boeksken omhoog en kuste het en zeide; het was zijn gedicht en zijn kunst en hij behoefde het nauw in te zien want hij kende het wel bij harte en uit hoofd. En hij hoopte, God zoû hem vergeven de mesdade, die hij aan zijne redenen deed, en de wijsheid verleenen, groot, om zonder meswende van Gawein te zingen. En hij zong van Gawein en hij wist, dat hij zong vóór Gawein, maar hij zweeg bescheidenlijk van het bloedbad, en Gawein was er hem dankbaar voor. En zijn stem gloeide, terwijl hij zong van Gawein. Hij zong eentonig zuiver zijn lang reciet, hoe Gawein, Koning Arturs neve, wien in den noen wiesen de krachten, niet enkel de krachtigste, maar ook de hoofschte was en de allerdapperste, de allerdapperste!
--Lancelot is óók de allerdapperste, fluisterde Gawein verlegen zijn schoonvader in. En harde hoofsch daarbij.
De allerdapperste, zong de vinder voort, en die een moederserpent versloeg met vier felle, jonge drakinen!!
--Ik heb in de grot, niet lange geleden, de geraamten nog wel aanschouwd, fluisterde Gawein en bloosde en hij ontroerde hevig, toen de vinder van Gringolette zong. Lace, zijn goede wrene was dood en begraven bij de rivier, maar Ysabele... zij was herleefd! Nu hoorde hij nauwelijks meer naar des vinders jeeste, die hem bezong. Nu zag hij met kloppend hart neêr op de bloeiende roze, op de zoo blanke lelië, die bloeide aan Koning Assentijns voet. Nu voelde hij Vrouwe Venus hem heftig doorvaren; nu wist hij, dat hij beminde als hij nooit bemind had, zelfs niet zijn gestorvene vrouw. Ysabele, Ysabele, de oude naam weêrtrilde met een nieuwen klank bij het trilleren der vedelsnaren door Gaweins ontroerde gemoed: Ysabele, Ysabele, zoo jubelde het boven alle die hoofden uit in de verwulfde burchtzale. Ysabele, Ysabele, zoo zouden de engelen zingen in Paradijs om wie hen verlaten had en neêr was gedaald op aard tusschen zegen en regen van rozen en leliën, lelië en roze zijzelve!
Maar toen de vinder gezongen had en met den veêler in de keukens was afgedaald om tusschen alle de serianten kostelijk te worden onthaald en toen allen zich ter ruste trokken terug en ook Gawein en Amadijs waren binnen hunne kamer, toen leunde Gawein aan het boograam en zag naar buiten in de stille, starrige nacht. En hij herdacht, dat de dingen en Aventuren zich herhaalden, maar zich toch niet herhaalden. Destijds was hij hier dwars door een bloedbad binnen gedrongen, maar had hij die nacht zijne Ysabele gekust, Ysabele, die hij uit zijne droomen reeds kende; Ysabele, die hij daarna geschaakt had! Ysabele, die toch zijn zoete vrouw was geworden! Nu was hij hier met eere ontvangen, maar hij kuste niet Ysabele. Hare kamenieren hadden haar weg geleid in haar eigen vertrek en haar ontkleed en ter ruste gelegd en haar princessekroontje, als het behoorde, gezet op de treê van het bedde en haar hondje sliep zeker in het midden der kemenade.
En Gawein staarde naar buiten.
Het scheen hem toe, dat zijn geluk en zijn weemoed om zijn late liefde zich mengden.... Zoo, als buiten zich mengden de aardegeuren en de verre starreglanzen met het zachte bruischelen der bladeren van het omringende foreest.... En met het vreemde ruischelen van die zacht zilveren wolkjes...
Maar die geen wolkjes waren, geen nevel en geen mist en geen windeveêren....
Maar wel zilverige wieken als van waterjofferen en van libellen: sylfewieken...
Ook Ysabele's kemenade was vol van dien zelfden vreemden zilverschemer en schijn, dien Gawein, naar buiten starende, zag wemelen uit den hemel....
En Ysabele, op haar kuische bed, wendde zich zachtekens om, met een gebaar als omhelsde zij een, die naast haar lag op de leêge plaats....
En zij droomde van Gwinebant....
En Gwinebant, ver weg, droomde van Ysabele...
Maar Gawein stond en staarde vol weemoed en vol geluk.
Het was hem of zijn leven begon.
Het was hem of heel zijn leven zich met wonder en heldendaad en tooverië had voorbereid tot alleen dit zoete, onvoldane verlangen.
Het was hem of er niets was geweest dan dit.
Of dit het alleenlijke, eenige Aventuur hem was...
En eindelijk wendde hij zich van het boograam. Trad de trede omneêr en toe op het bedde.
Daar lag Amadijs, roerloos, de oogen geloken, achterover het hoofd op het ronde oorkussen.
En hij deed of hij sliep.
En Gaweins zwaard lag naast den schildknaap, uit zorg reeds neêr gelegd, want het was goed voor ridder en knape te slapen met hun zwaard.
Gawein legde zich naast het zwaard, dat lag tusschen hem en Amadijs. Gawein sliep niet, hij lag en staarde in de schaduwen van het baldakijn boven zich. Hij glimlachte met open oogen. Vrouweschimmen van wie hij bemind had, vervloeiden voor zijn droomende oogen open en telkens tusschen haar ijle genevel glansde het hemelsche vizioen van Ysabele op. Amadijs' hand lag niet op zijn eigen zwaard, dat ter andere zijde hem lag, maar over Gaweins eigen zwaard.
* * * * *
Den volgenden dag zochten allen in den burcht naar het Zwevende Scaec, dat, als Gawein en Amadijs verklaarden, boven den breeden burcht zich had laten zinken naar omlaag. De baroenen en edelvrouwen, de pagiën en lijfstaffieren, allen zochten, gingen trappen op, trappen af, bestegen de tallooze torens, daalden in de tallooze duwieren af en ook Gawein en Ysabele zochten. En Gawein toonde Ysabele het duwiere, waar hij, meer dan tien jaren her, met hare moeie, Ysabele als zij geheeten, met Koning Assentijns schoone dochter--zóó vergramd was de Koning geweest, toen hij Destijds van hun kussen gehoord had!--in ketens was neêr geworpen. En Ysabele, de zoete, ontzette, maar Gawein vertelde haar, dat de geest van een ridder, dien hij eenmaal gered had, hen beiden uit den kerker bevrijd had.... En al het vreemde en ongewone spookte om hen beiden heen, in het nauwelijks door de vlammende toortijtsen der hen vergezellende knapen opgelichte schemerduister: de atmosfeer van het Destijds, terwijl zij zochten naar het Scaec en het niet vonden. De herinnering aan den geest van een ridder... een Zwevend Scaec, dat zij zochten, hier in dezen burcht, dien Gawein eenmaal had ingenomen, hij alleen strijdende en verslaande vierwerf twintig man aan elk der twaalf poorten....
--Gij versloegt tachtig malen twaalf mannen, mijn oom? verwonderde Ysabele, terwijl zij buiten het duistere duwiere traden; over de trappen stegen en daalden eindeloos de burchtgenooten, zoekende. Gij versloegt zoo vele mannen, gij, alleen? Ja, ik weet, ik las er van in de jeeste, de zelfde, die de vinder ons gisteren zong!
--Het gaf mij toren, zoete Ysabele, zeide Gawein, verlegen voor de maagd, om het bloedbad, dat hij eenmaal hier had aangericht; zoo vele dappere mannen te moeten verslaan, maar het was, weet gij, om uwe moeie Ysabele te winnen, voor Koning Amoraen.... Maar die stierf van verlangen, voor ik haar bracht....
--Is het véél mannen, mijn oom, vroeg Ysabele; voor éénen ridder om te verslaan: vierwerf twintig man aan twaalver poorten elk?
--Het is nog al veel, Ysabele, zeide Gawein en bloosde. Maar het is niet zoo veel of Lancelot zoû het fayt-van-wapenen ook hebben kunnen bestaan.
--En Sagremort?