Chapter 5
--Waarom sta je dan zoo van lotje getikt uit 't raam te kijken?
--Gaat 't jóu wat aan?
--Nou, soedah! riep ook Sneeuw. Niet meer over spreken! Mientje, mag 'k jou nog 's 'n sandwich presenteeren?
--Hemel, ik dank je wel, ik heb er geloof ik, al vijfentwintig gegeten....
--Excusez du peu!
--Ik moet ook trouwens naar huis. Hemel, 't is al half zes.
--Hemel! 't is al half zes! riepen Gerrie en Emilie. En in een oogenblik verdrongen de meisjes elkaar voor den spiegel, om de hoeden op te zetten, zij trokken de handschoenen aan, en accepteerden het geleide van een cavalier, of sloegen het beleefdelijk af.
--Clara, ik breng jou thuis, zei Max, zonder te vragen, of zij het goed vond, en Clara antwoordde niet. Zij voelde zich zoo vreemd bewogen; zij wist, dat zij aan Max haar liefde verraden had, zij had begrepen, dat hij van een andere hield.... en toch was zij aangedaan met een lichte vreugde, terwijl zij diep bedroefd was tegelijk....
Zij kon zijn geleide niet weigeren; zij vertrouwde zich nu niet genoeg om een luchtigen, schertsenden toon aan te slaan. Zij was wel veel liever rustig alleen naar huis gegaan, maar zij voelde zich zóo verlegen nú tegenover hem, dat zij zonder eenig protest zijn gezelschap aanvaardde. Wat zou hij zeggen?.... Hij zóu iets zeggen, dat begreep zij. Maar zij zou het niet toe-laten o, nooit! dat hij haar troostte met de banale, ijdele, ongemeende woorden, die hij, zij wist het, voor alle voorkomende gelegenheden in voorraad had. Liever.... liever, dan dat hij zóo tot haar sprak, zou zij breken met hem, zag zij hem nooit meer terug. Zij was geen Eva de Bruin, zelfs geen Gerrie, die zich deemoedig tevreden stelde, met de kruimpjes, die er afvielen en overbleven van zijn genegenheid. O, als hij durfde! als hij zóo tegen haar durfde spreken, als tegen de anderen!....
Zij trilde van opgewondenheid en nervositeit, en toch beheerschte zij zich uit alle macht. Gelukkig, dat niemand iets van het incident tusschen Max en haar had gemerkt; zij hadden het allen veel te druk met Max gehad, Max was altijd het middelpunt....
Onder rumoerig gelach en gescherts waren de meisjes en jongelui uiteen gegaan. Luide groeten riepen zij nog elkander na, met grapjes op Eva de Bruin, die telkens nog omkeek naar Max, maar te veel haast had, om thuis te komen, daar haar Pa met eten niet wachten wou, en zij Max dus niet na-loopen kon.... en op Emilie, die Robert stevig onder den arm had genomen, en hem weg-voerde in haar veilige hoede.... Maar Clara kon niet mee-lachen en pret-maken, zooals anders; zij was niet vroolijk; het tintelde tot in haar vingertoppen van een vreemden angst.... zij was zóo bevangen door het besef, dat hij haar liefde voor hem nu wist, dat zij met neergeslagen oogen voort-liep, in een sterken aandrang tot schreien.
--Clara, zei Max, toen de anderen uit het gezicht verdwenen waren. Ik heb iets in je houding gezien, iets, dat me moed geeft, om zoo tegen je te spreken, als ik nu ga doen, Clara. Ik heb je....
Een snelle, sterke blos bekleurde haar heele gezicht. Zou hij toch, o, zou hij toch....
--Stil, Max, zeg niets verder, vroeg ze zacht. Je mág niet zoo tegen me spreken.
--Claartje, wat bedoel je?
--Ik ben niet als die anderen allemaal, barstte zij uit. En als je 'n gentleman was, dan zou je er niet op letten, dat ik in 'n onbewaakt oogenblik me heb verraden. Nee, daar zou je niet op letten. 't Is leelijk van je, leelijk, te zeggen, dat je daardoor "moed" hebt gekregen, ik vind 't geen moed, ik vind 't lafheid, laagheid!
--Clara, je vergist je. Zie me 's aan, kind?
De toon van zijn stem was zoó dringend-ernstig, dat zij onwillekeurig de oogen naar hem opsloeg. En tot haar verbazing, maar ook tot haar vreugde zag zij, dat er niets van overmoed was in zijn gezicht. De uitdrukking in zijn oogen verwarde haar: zij had die er nog nooit in gezien: zijn blik was zoo vriendelijk, zoo teeder bijna.... Maar zij begreep het nog niet.... er was toch immers een andere?....
--Ik had niet moeten spreken van moed, ik had moeten zeggen, dat ik zoo dankbaar ben, zoo dankbaar, voor wat 'k opeens heb begrepen. Clara, laten we geen preutsche praatjes houden; jij hebt me lief.... mag ik dat zoo maar zeggen? En ik heb jóu lief, Clara.
--O, Max, Max, hoe kan je dat nu zeggen, terwijl je zooeven mij openlijk hebt getoond....
--Wat?
--Hoe je dacht over....
--Over Eleonore?
Zij wendde haar gezicht van hem af.
--En toch heb 'k haar niet lief, Claartje, maar jou. Kan je me begrijpen? of wil ik later alles eens duidelijker zeggen?
--Nee, nu, nu.
--Ik.... ik dacht.... ik verbeeldde me, dat ik van Eleonore hield. En toch wás 't niet zoo. Dat is zoo iets vreemds, zoo iets wonderlijks in me geweest, dat ik 't mezelf nog niet goed kan verklaren. Hoe zou 't mogelijk zijn, dat ik haar liefhad, zij zoo wijs, zoo koel, en.... zooveel ouder dan ik. En toch, ik begrijp m'n vergissing ook weer wèl. Wat ik in haar zocht, was, wat ik bij geen enkele vrouw nog had gevonden: ernst, toewijding, onzelfzuchtige liefde, en vooral hoopte ik van haar: steun, leiding, hulp. Maar _liefde_ van mijn kant, was 't niet. En nu moet 'k je wat zeggen, Clara. Maar je moet goed luisteren. Dat verlangen van mij naar ernst in een liefdesverhouding, die behoefte aan hulp, die wil om op te zien, naar de vrouw, van wie ik houd, dat alles, wat beter in me is, dan 't lage, alledaagsche van m'n natuur, dat alles heb _jij_ in me opgewekt, Clara.
--Ik?
--Ja.... Ben jij dan de "Eva",--de schrijfster van de brieven niet?
Zij boog het hoofd zoo diep, dat hij niets van haar gezicht kon zien, dan een streep van haar hoog-blozende wang.
--En toen je me zoo aankeek, straks, je weet wel, toen had er opeens 'n omkeer in me plaats. Al m'n gedachten en gevoelens wervelden dol door elkaar. Een oogenblik was ik totaal de kluts kwijt. En toen opeens werd 't me zoo helder: dat ik de schrijfster van die brieven had liefgehad.... al lang.... al zoo lang....
--O, is dat waar?....
--Ja! dat ik haar, haar-alleen, en al lang had liefgehad.... Lieveling.... lieveling.... geloof je me?
--Ja.... ja.... ik kan niet anders, dan je gelooven.... Max.
--En dat ik zocht naar de geest, die die brieven schreef, dat weet 'k nu. Ik zocht, ik zocht.... en toen, ja! toen vergiste ik me, en dacht, dat Eleonore....
--'t Is geen wonder.... Eleonore is zoo veel....
--Juist, juist, omdat ze zoo veel meer dit en dat is, dan jij.... daarom, dáárom is ze voor mij niet geschikt. Begrijp je dat?
--Ik heb de goede maat? vroeg zij, en keek schalks lachend tot hem op.
Het trof hem, hoe mooi en lief zij eensklaps werd, nu zij zoo blij lachte.... Zij had dus ook nog een anderen kant, dan ernst alleen.... En dat was goed voor hem, héel goed,--veel beter dan "degelijkheid", zonder meer, die hem toch noodzakelijk op den duur moest vervelen....
--Schat!.... fluisterde hij.
Zij bloosde, en boog het hoofd, maar keek hem toch weer aan, en hij vond, dat zij al mooier en mooier werd.
--Had je dan gedacht, dat Eleonore de brieven schreef?
--Ja.... nee.... dat heb ik nooit in ernst gedacht. Misschien, als 'k me precies rekenschap had gegeven van alles, zou 'k zelf wel hebben ingezien, dat zij toch niet was, zooals ik verlangde. Zij kan niet jong en vroolijk meer zijn.... En dat heb 'k toch óok noodig; daar zou 'k m'n heele leven toch niet buiten kunnen. Gelukkig, dat Eleonore wijzer was dan ik....
--Hoe dan?....
--Wel, omdat ze me, goddank, heeft afgewezen....
--O! heb je haar....
--Ja.... Stelt je dat teleur, lieveling?
--Nee.... ik....
--Ik geloof wel 'n beetje? Maar wees er niet bedroefd om, hoor? Je moet er dankbaar voor zijn, dat je overmoedige Max, met zijn "kleine ijdelheid", je weet wel, hè?.... zoo'n vernederende ondervinding heeft opgedaan....
--'t Is toch niet zoo heel prettig, te weten, dat je alleen faute de mieux....
--O, maar, kind! kind! wat vertel je nu?
--Ja: als zij je maar had aangenomen, dan....
--Dan zouden we 'n tijdje geëngageerd zijn geweest, ja! Maar lang had ik 't niet uitgehouden. Dat weet ik nu wel. Liefje, kan jij óok al zoo echt-meisjesachtig jaloersch zijn? Vermakelijk!
--Lach jij maar.... jij begrijpt niet, dat ik me eigenlijk vernederd door je aanzoek moet voelen.
--Jij? jij? vernederd door 'n aanzoek van mij? van mij, Max? Grappig kind!
En hij barstte uit in zoo'n schaterenden lach, dat zij onmogelijk haar gezicht ernstig kon houden onder zijn joligen blik, en ten slotte maar mee-lachte.
--Hoor, zei hij, nu weer ernstiger. Als er ook maar iets in was, dat onaangenaam voor jou kon zijn, dacht je dan, dat ik er zoo maar luchtig met jou over spreken zou? Dan zweeg ik er in dit oogenblik toch over, kind? Nee, kom, laten we nou blij zijn, laten we nou vroolijk zijn.... D'r ontbreekt niets aan m'n geluk, dan één enkel ding....
--En wat?
--'n Zoen.
--Die krijg je straks, hoor?
--Lieveling....
--O, Max, wat kijk je sentimenteel....
--Ja, dat kan 'k óok wel. Maar pas nu maar op. Ben je niet bang, dat ik je al je vinnige reprimandes en boozigheden betaald zetten zal?
--Nee, daar ben 'k heelemaal niet bang voor.
--Waarom niet?
--Omdat ze je veel te veel goed hebben gedaan.
--Heusch, kan je dat merken? vroeg hij, jongensachtig.
--Goeie, lieve jongen, zei ze, en stak spontaan even haar arm door den zijne. Wat is 't goed, o, wat is 't goed, dat ik me over jou heb ontfermd.
--O, dat is edel!
--Spot nou niet, hoor, dat wil ik niet.
--O, nee, Eva.
--Ja, dat is wel goed, noem me maar Eva. Dat herinnert je er aan, wat ik eigenlijk voor je ben....
--Wat dan?
--'n Meesteres.
--Uitstekend! uitstekend!
--Nee, zeg, Max.... we zijn nu haast thuis.... zeg, ben je nooit boos geweest om die brieven?
--Woedend, dikwijls! Verontwaardigd!
--Ja, ik kon 't niet helpen....
--Nee, maar m'n woede bewijst immers, hoe zeer ik je woorden noodig had? Troost je maar.... heb maar geen spijt.
--O, spijt? Nooit. Ik heb alleen misschien spijt....
--Waarover dan?
--Dat 'k zoo onweerhouden blijk heb gegeven, hoeveel ik van je hield....
--Houd, hoop ik?
--Maar 'k dacht ook niet, dat je óoit zou weten....
--Ja, daar heb je 't nou! Je blijft toch vrouw, 'n echte vrouw, en je verraadt je natuurlijk toch in zoo'n geval. Daar ben je vrouw voor....
--Nee, hoor hem!
--Maar 't spijt je toch niet, dat 'k nu weet, wie je bent, en gelukkig gemaakt word door jou?
--Nee, nee, dat niet!
--Nou, dan geen muizenissen meer.... Of is er werkelijk nóg wat?
--Ja, ik heb medelijden met....
--Met Eva de Bruin zeker? Ja, dat is 'n moeilijk geval; ik ben nu eigenlijk met twee meisjes geëngageerd,--en met twee Eva's nog wel!
--Spot maar. Nee, met die heb ik geen medelijden, maar met Gerrie.
--Gerrie is 'n goed en aardig kind, maar toch niets voor mij?
--Maar heb je dan geen medelijden met haar? Ze houdt toch van je?....
--En wie weet, hoeveel er houden van jou, die jij ongelukkig maakt, door met _mij_ te trouwen?
--Hándige jongen....
--Ik ben niet handig.... Ik wil alleen maar niet meer over allerlei kwesties praten.... Ik wil gelukkig zijn! Genieten van m'n geluk!....
End of Project Gutenberg's Het vroolijke leven, by Jeanne Reyneke van Stuwe