Chapter 4
--Je zal er wel gauw overheen zijn, hoor, verzekerde zij hem. Je ziet in je omgeving alleen vrouwen, die je vleien en om je gunst bedelen, ik doe dat niet, ik neem zelfs weinig notitie van je.... nu, vanzelf trekt je dat aan, je zou 't pikant vinden, mij, juist mij....
--Ja, m'n "kleine ijdelheid" zou gevleid zijn, zei hij bitter.
--Wees niet boos, wees niet bedroefd, Maxlief. Je vriendin wil ik zijn, zal ik zijn. Dát is de verhouding, waarin _wij_ tot elkaar moeten staan. Kom altijd bij me, als je hulp of raad noodig hebt, altijd, beloof me dat.
Maar Max gaf, koppig, geen antwoord.
--Beloof je me dat?
--Je kon 't toch in elk geval 's met me probeeren....
--O, nee, Max, laten we dat alsjeblieft niet doen! Nu kunnen we nog scheiden als goede vrienden,--en goede vrienden blijven.
--Zeg 't maar, Eleonore, je vindt me kinderachtig, hè? misschien wel belachelijk, dat ik, zoo'n iemand als ik, bij jou ben durven komen. Zeg 't maar?
--Nee, je vergist je. Wijt 't niet aan jezelf, dat ik niet van je houden kan. Ik.... ja, ik wil 't je zeggen; ik bén niet voor liefde. Ik weet geen liefde. 't Eenige, wat ik heb, misschien, is 't moederinstinct.... En daarom, jongen, kom altijd bij me, altijd, als je raad noodig hebt.... of steun.... maar spreek me nooit meer van liefde.
Toen Max heenging, was hij werkelijk wat ontroerd geweest.... Maar nu was zijn stemming weer omgeslagen in drieste vroolijkheid. Zij had gelijk: lief had hij haar niet: kon hij dan nu anders zoo lachen en pleizier maken, hè? Neen, lief had hij haar zeker niet: Hij was er trotsch op geweest, háár veroverd te hebben, háar, de zelfstandige, fiere, door en door degelijke.... dat had hij "pikant" gevonden. Ook dáárin had zij gelijk. Ja, hij zóu het pikant gevonden hebben, háar als zijn aanstaande te presenteeren aan zijn woelige, soms lastige "bende aanbidsters".... En ook hierin had zij al weer gelijk: dat zij te oud was voor hem. Gedecideerd, zij was te oud. Dat had hij nu degelijk gemerkt uit haar bezadigden toon, haar moederlijke wijze van optreden....
Neen, alles bij elkaar genomen, was het goed, zooals de zaken waren geloopen. Hij was nu nog vrij zich te vermaken, zooals hij zou wenschen. Want, ja, gebonden, erg gebonden, zou hij toch wel in een engagement met haar zijn geweest. Hij had niet meer zoo spontaan kunnen zijn; had aldoor moeten bedenken: ben ik ook soms te kinderachtig, stel ik haar door mijn gedrag teleur?....
Enfin. Er zou misschien nog wel eens een tijd komen, dat hij haar dankbaar was voor haar weigering. Wie weet, als hij eens dol en door en door verliefd werd,--bijvoorbeeld op de onbekende schrijfster van de minnebrieven.... Hij dacht even ernstig na. Had hij zich misschien zoo tot Eleonore aangetrokken gevoeld, omdat haar geest zooveel overeenkomst had, met den geest, die uit de brieven sprak?.... En was hij dus, zonder het te weten, onder de bekoring geraakt, van de schrijfster der brieven?.... Hemel! dan was het toch zaak haar te vinden.... om door haar te worden getroost....
Het zou zoo eenvoudig geweest zijn, als Eleonore zelf de schrijfster was geweest. Maar toen hij het haar, zonder omwegen vroeg, hadden haar oogen zoo gelachen, dat hij _zag_, hoe haar lippen slechts met moeite de woorden weerhielden: "Nee, _ijdele_ jongen!"
Goed, goed, hij was nog jong, hij kon wel wachten. En overhaast te werk gaan bij zoo'n ernstige zaak als een huwelijk?....
Je reinste gekkenwerk zou het wezen! D'rum prüfe wer sich ewig bindet....
--Wat ben je stil opeens, Max?
Het was vanmiddag de "thee" der redactie van "Eva". Het meerendeel der vaste medewerkers was opgekomen, en veel bezoeksters vermaakten zich met de vroolijke jongelui. Max was een der druksten geweest, zittende tusschen Gerrie van Velsen, wier triest gezichtje hij door allerlei grappen wat trachtte te verhelderen, (hij apprecieerde het in het kind, dat zij haar bezoeken niet opeens had gestaakt, en dat zij zoo braaf den schijn wist op te houden) en tusschen "zijn Eva", juffrouw de Bruin, die hij openlijk "zijn Eva" noemde, en voor den gek hield, totdat het arme schepsel, opgewonden, verdwaasd, soms geheel haar begrip der convenances verloor, hem in den arm kneep, hardop, "Maxie!" gilde, en zich tot de risée van het heele gezelschap maakte, zonder dat het haar iets scheen te kunnen schelen. Al haar pogingen, haar dreigende, zoowel als haar vleiende, al haar woorden, zoenen, omhelzingen, knievallen zelfs, hadden niet gebaat, om Max naar haar Pa te bewegen, en nu trachtte zij zichzelve voldoening te geven, door luid aan iedereen te vertellen, dat Max haar een aanzoek had gedaan, en zich zoo'n beetje, als zijn verloofde voor te doen.
Maar opeens verveelde Max het al te schelle gelach en het al te luide gepraat zóo verschrikkelijk, dat hij de wijk nam naar Clara, een meisje met een zacht, intelligent, maar toch ook opgewekt gezicht. Hij vond haar volstrekt niet "amusant", zooals hij het uitgelaten Mientje vond, of de quasi-naïeve Bonnie, maar zij gunde hem rust, en dat was al veel.
--Wat ben je stil opeens, Max?
--Stil? vroeg hij, wat gepikeerd, dat zij nu ook al begon van hem te vergen, dat hij "aardig" en "onderhoudend" zou wezen. Ik ben nog wel zoo gek geweest, als ik maar kon, zooeven.
--Ja, zooeven! Maar nu werd je ineens zoo strak, zoo stil.
Hij keek haar aan, alsof hij zeggen wou: waar bemoei jij je mee? maar zijn gewone hoffelijkheid liet niet toe, dat hij die woorden uitte. Ach, ja, waarom zou hij ook niet vroolijk zijn? Vreugd is het leven, o, zalig, die 't weten....
--Waarom kom je nooit meer tennissen? vroeg hij.
--Ik heb 't te druk.
--Druk? waarmee dan?
--Ik studeer immers voor m'n middelbaar Engelsch.
Immers!.... Ja, hij werd gecenseerd, zoowat alles te weten, zoowat alles te onthouden....
--Nou, ja, maar 'n ontspanning is goed voor je, hoor? Je komt maar weer 's op 't veld.
Sneeuw, Kaatje, Robert Roodhaar en de dikke Jan maakten zich verdienstelijk bij de dames. Zij boden haar ververschingen aan, terwijl Max zich óok door hen liet bedienen.
--Wat heb je daar voor sandwiches?
--Alstjeblieft, meneer, getruffeerde kalfsborst, meneer, zwezerik, meneer, en deze zijn met zalm, meneer, kwam Karel kellnerachtig voor hem staan. Wil ik u 'n bordje brengen, meneer?
--Ja, breng jij mij 'n bordje, en ook een voor Donna Clara.
--Mooi klinkt dat: Donna Clara.
--Ja, en ook toepasselijk; weet je niet? Donna Clara, Donna Clara, heisz-geliebte langer Jahre....
Zij keek hem zóo ironisch aan, dat hij haar óok onwillekeurig langer aan bleef kijken. Wel had ze zúlke oogen? en durfden die hem zóo aan te zien? Wel, allemachtig, hij moest toch eens wat meer notitie van haar nemen, dan hij tot dusver had gedaan.... Wie weet, misschien was zij het waard. Eens onderzoeken.
--Er zijn dagen, die voor jaren tellen....
--Wat bedoel je daarmee?
--Ik ken jou nog geen jaren, nietwaar? En toch zeg ik: heisz-geliebte langer Jahre....
--Scheid uit, Max, wees in 's hemelsnaam tegen mij niet zoo flauw. Met zulke dingen kan je mogelijk succes hebben bij je Eva....
--O, was zij jaloersch? Mooi zoo! mooi zoo!
--Ach, zei hij, quasi-verdrietig. Critiseer me niet zoo. Neem me, zooals ik ben, 'n laffe jongen, zonder geest of gevoeligheid, maar laat me niet zoo merken, hoe je over me denkt, hè? daar kan ik niet tegen.
--Malle jongen, zei ze, maar haar oogen waren nu zoo zacht-belangstellend op hem gericht, dat hij bijna in een lach was uitgebarsten, een lach van jongensachtigen triomf.
Zijn toon werd weer schertsend, zijn wat lustelooze houding veranderde in zijn gewone veerkrachtige, en hij sprong op, alsof de rust hem verveelde.
Kaatje en Jan kakelden met Mientje, wier oogen glommen van pret, en met Bonnie, wier kindergezichtje nooit uit de plooi kwam, zelfs niet bij tamelijk-gewaagde anecdoten, waarom juffrouw de Bruin het gierend uitschreeuwde. Robert beweerde tegen Gerrie, die vriendelijk zat te luisteren, terwijl Sneeuw zich verdienstelijk maakte, en Emilie bezig-hield, het veeleischende meisje van Robert.
--Waar heb je 't over? interrompeerde Max Robert.
--O, we hebben 't over de plaats van de vrouw, en de beteekenis van de vrouw.
--Ja, zei de onschuldige Bonnie.... Ik vind, dat de vrouw zich niet zoo op de voorgrond moet plaatsen....
--Laat ze maar, hoor, zei Max beschermend. Ze wint 't toch niet, hoor?
--Nou, dat moet je niet zeggen, Max, viel vinnig Emilie in. Zeker zal de positie van de vrouw veel verbeterd worden, als ze volhoudt; zeker zal ze dan veel meer rechten krijgen....
--Ja, rechten! rechten! riep Eva de Bruin, 'n Meisje moet niet altijd hoeven te wachten, tot er 'n man om d'r komt, ze moet zelf kunnen....
--Hoor me m'n clowntje 's aan, zei Max, en streek Eva spottend onder de kin. Wat jij, Gerrie, vind jij ook, dat de positie van de vrouw verbeterd moet worden?
--Ik ben heel tevreden, hoor!
--Ik ook! riep Mientje. Ik vind de mannen nog zoo kwaad niet. Ze zijn heel goed, om je allerlei dienstjes te bewijzen, en dat doen ze graag, want....
--.... de slavernij zit de _man_ in 't bloed! riep Clara.
--Hè, wat zijn jullie oppervlakkig, gispte Emilie, haar stem verheffende, temidden van het gelach. De _vrouw_ heeft zich juist altijd tot slavin verlaagd....
--Hè, hoe kan je je eigen sexe zoo smaden! Nee, zeg, ik vind: de man kan tevreden wezen over de vrouw, en de vrouw óok over de man. Ze hebben elkaar niets te verwijten....
--Nu, maar ik ben 't met juffrouw Emilie eens, riep Eva de Bruin, dat de mannen wel 's 'n toontje lager mochten zingen....
--Nóg lager dan bas?
--Ze "bassen" al genoeg, laat 't nog maar niet erger worden, riep Emilie, die boos werd.
--Nee, ik weet wat, zei Sneeuw. We moeten allemaal om beurten onze meening zeggen over de vrouw, wij, mannen, dan mogen de meisjes 't straks doen over de man.
--Heel goed, heel goed!
--Bedoel je 'n qualificatie, of een opinie?
--Nee, ik bedoel, dat jullie zeggen: de vrouw moet zijn: zoo of zoo.
--Mooi en dom! riep Kaatje, mooi en dom!
--Dat is voor jóu misschien voldoende, zei Emilie streng. Maar ik wil hopen niet voor iedere man. Robert, jij?
Robert, onder den sterken blik van zijn meisje, durfde niet anders meenen, dan:
--Ze moet ontwikkeld zijn, zoodat ze zich niet klein hoeft te voelen naast de man, maar zijns gelijke kan wezen.
--Lief! lief! moet ze zijn! riep Max. Aanhankelijk, teeder.... van wijze vrouwen moet ik niets meer hebben! nee! Daarmee kom je niet verder. Lief! en liefhebbend!
--Ah! zuchtte Eva de Bruin verlicht.
Maar Max lette niet op haar; zijn wenkbrauwen waren samengetrokken; hij schertste niet, hij sprak in ernst.
--'n Vrouw, die je liefheeft.... Liefde, liefde.... is de eenige noodige eigenschap van de vrouw.
--En zachtheid.... en schoonheid.... en trouw en vroolijkheid.... Nee, ik zal je zeggen, hoe ze moet zijn, volgens 't alphabet: aanhalig, beminnelijk 'n charmeuse, dodderig, eerlijk, fier.... zei Jan.
--Goed, hartelijk, innig, jolig, knap, kwam Karel hem helpen.
Zij gingen nu allen zoeken, volgens de letters van het alphabet naar kwaliteiten van de vrouw, totdat zij stuitten op de q, die Jan voor niet-qualificeerbaar uitmaakte en Sneeuw riep:
--Nu heb _ik_ nog niets gezegd!
--Nee, Sneeuw, dat is waar, Sneeuw, kom laat de koele sneeuw van je woorden over ons heen-sneeuwen, Sneeuw!
--Ik zal alleen maar herhalen, wat Sarah Bernhardt 's eens van Fédora zei, jullie weten? dat stuk van Sardou? Nou, _ik_ zeg dat nu van _de vrouw_: Elle doit être á la fois coquette comme une Slave, violente comme une Espagnole, amoureuse comme une Italienne, raffinée comme une Française, et _racée_ comme une Anglaise.
--En wat als een Hollandsche?
--Ja, wat?
--Esclave, zei Emilie scherp.
--Dolente, tendre, verzachtte Mientje.
--Calme, intelligente,--sensible et sensitive, zei Clara.
--Dat vind ik nog 't beste, zei Sneeuw.
--Douce, douce comme un agneau, zuchtte Eva de Bruin.
--En wat vindt Bonnie ervan?
--Innocente, zei Bonnie.
--Dat antwoord is jouwer waardig, bravo! bravo! riep Jan, sloeg zijn arm om haar middel, en dwong haar een paar walspassen met hem door de kamer te doen.
--Hè, ja! 'n dansje! 'n dansje! riep de dartele Mientje, en sprong op van haar stoel. In een oogenblik was de tafel zoo ver mogelijk in een hoek geschoven, waren de stoelen uit den weg gezet, en walsten de paren door de kamer, terwijl Sneeuw, die niet dansen kon, met veel geweld, maar gelukkig maatvast, de vals uit den Mikado te schreeuw-zingen stond:
De bloemen, die bloeien in Mei, ja, ja, De bloemen, die bloeien in Mei!
Max had met de zich zenuwachtig aan hem vast-klemmende Eva de Bruin rondgetold, totdat hij zijn geduld en zijn adem verloor. Hijgend stond hij stil, en riep:
--Hei! wie neemt dat presentje 's van me over!
Niemand ontfermde zich, zoodat Max haar zonder complimenten in zijn bureau-stoel neerdrukte, waar zij uitgeput, gichelend, bleef zitten. Zonder omwegen trok Max Bonnie uit de armen van Jan, en walste wild met haar voort.
Juist fluisterde hij het onschuldige meisje een erge ondeugendheid in, toen hij den blik van Clara ontmoette, die zich met een blad papier koelte stond toe te wuiven. Het was een blik, dien Max onmogelijk opvatten kon als "jaloezie", daarvoor lag er te weinig boosheid in.
Hij zag afkeuring in haar oogen en tegelijk een gevoelig medelijden, dat hem veel meer trof, dan een stekende blik vol toorn en afgunst zou hebben gedaan. Wat wou zij toch? Waarom bemoeide zij zich zoo met hem? Was dát nu zoo erg, wat hij had gedaan? Onder de jongelui was het een wedstrijd, wie Bonnie aan het blozen kon brengen, en hij zou het typisch vinden, als het hem gelukte. Toch, hij moest het bekennen, hij zou de aardigheid, die hij Bonnie had toe-gefluisterd, niet openlijk hebben durven herhalen, noch alleen aan een ander meisje debiteeren.... maar wat zóu dat? Je zag toch je menschen aan?....
Toch hinderde Clara's belangstelling hem, omdat die hem zoo opeens en onverwacht het futiele en leege van zijn leven toonde. Hij verloor zich graag in vroolijke genoegens, en vond het niet aangenaam, daar plotseling aan te worden onttrokken. En toen veranderde zijn stemming weer: eensklaps dacht hij er aan, hoe Clara's houding jegens hem, veel had van die van Eleonore.... en het betere in hem overheerschte voor een oogenblik zijn frivool gevoel. Anders was Clara dan Eleonore, zeker.... jonger, niet zoo beslist in haar optreden, en minder moederlijk, wat hem in Eleonore zoo had gehinderd,--maar het goede fond was bij beiden hetzelfde. Het was waar, dat Clara hem nooit "het hof had gemaakt", zij hield zich bescheiden op den achtergrond, en daaraan was het te wijten, dat hij nooit zooveel notitie van haar had genomen, als van Mientje, of Gerrie, of zelfs van Eva de Bruin. Maar nu voelde hij toch wel, dat hij Clara méer achtte, dan een van de anderen, zij was degelijker, dieper, en had niet slechts éen enkele gemoedsstemming: verliefd zijn.
Neen, zij was een.... heel aardig meisje.... zelfs niet onknap van gezicht.... wie weet.... wie weet....later....later misschien....
Al deze gedachten had hij, al walsende met Bonnie, afgedacht, en toen hij haar met een sierlijken zwaai en een hoffelijke buiging op haar plaats had terug-gezet, ging hij Clara ten dans vragen.
--Zeg, Max....
--Nee, ik zeg 't je toch niet.
--Hoe weet je dan, wat ik wou vragen?
--Dat is gemakkelijk genoeg te raden. Je wou precies weten, wat ik tegen Bonnie heb gezegd.
--Ja, maar niet uit pure nieuwsgierigheid....
--Wat doet 't er toe, waaróm je 't weten wou? Ik zeg 't je toch niet. Niet alle dingen zijn voor alle meisjes geschikt.
--Zoo, maak jij dan nog onderscheid tusschen meisjes en meisjes?
--Ja zeker maak ik onderscheid.
Hij zag haar even aan, en de plotselinge overgang van scherts naar ernst in zijn toon en in zijn oogen ontroerde haar, meer dan zij wou, dat hij zag.
Maar hij had haar aandoening natuurlijk dadelijk bemerkt, en was tevreden. Wie weet.... wie weet.... later, later misschien....
--Ik ben moe! ik ben moe! kondigde Mientje luidruchtig aan. Ik kan niet meer! ik ben dood!
Gerrie lag ook al lang uitgeput in een stoel, en de andere meisjes en de jongelui wuifden hun gloedroode gezichten vergeefs koelte toe met zakdoeken en bladen papier. Alleen Sneeuw, de koele, onaandoenlijke Sneeuw, stond maar onverstoorbaar te galmen:
Pourquoi ne pas m'aimer.... Tu veux donc que je meure....
--'n Kopje thee! smeekte Eva de Bruin.
--O, 't is ook veel te warm om zoo te dansen, hekelde Emilie. Kijk hij er nou 's uitzien, wees zij op haar verloofde, Robert, wiens heele gezicht, tot in den hals en onder het wit-bloode haar, met een vlammend tomaat-rood was bedekt.
--Nou, ik heb 't óok warm! pff! zuchtte Karel: 'n Sandwich en 'n sigaret en 'n glas port, of ik verga!
De uitgeputten en dorstenden werden gelaafd, de verhitte gezichten verfrischt door eau de cologne, en het duurde niet lang, of de gesprekken waren weer in vollen gang. Bij de thee's van de Eva-redactie deed zich altijd dit eigenaardige verschijnsel voor, dat de bezoekers en bezoeksters maar een vluchtig moment op het bureau vertoefden, terwijl daarentegen de "stamgasten" tot in het oneindige bij elkander bleven zitten, en praatten, totdat zij opeens allen tegelijk opstonden en vertrokken, omdat zij merkten, dat het al zoo "vreeselijk" laat was.
--Zeg, wist Sneeuw. Er is een nieuw boek uitgekomen. Of boek, of brochure, hoe wil je 't noemen. Nou, dat heet: Die Aristokratie der Schönheit. En in 't tweede deel daarvan hebben ze 't over de "Frauenherrschaft".
--Ha! riep Emilie geïnteresseerd.
--Wacht, hier heb ik 't programma.
--De vrouw heeft drie rijken: namelijk van het geweld, van de schoonheid, en van den geest.
--Hè, van 't geweld! keurde Eva de Bruin af. De vrouw is immers steeds 't zinnebeeld geweest van de zachtheid! "Zachtheid zal den dwingland leiden...." "Schoonste deugd van schoone zielen...."
Maar Sneeuw onderbrak onbarmhartig Eva's ontboezemingen door verder te lezen.
--Möglichkeit der Frauenherrschaft.
--Weib kann warten.
--Kan wachten, o! protesteerde Eva de Bruin.
--Wie weit geht die Opferwilligkeit des Mannes?
--Tot in 't grenzenlooze! riep Robert.
--Ja, die heeft geen grenzen, omdat die in 't geheel niet bestaat, beet Emilie hem vinnig toe.
--Das Weib fängt an zu denken....
--Ja, _dat doet 't wijf_, zei Emilie, met zooveel overtuiging, dat zij niet eens bemerkte "wijf" te hebben gezegd, vóor Bonnie misprijzend riep:
--De vrouw alsjeblieft!
--Der Weg zur Herrschaft.
--Waar is dat boek te krijgen?? vroeg Eva de Bruin gretig.
--Frauen aller Lander vereinigt euch!
--Ja! tot een "Frauenstaat", riep Emilie geestdriftig.
--Stellung des Mannes im Frauenstaat....
--Zie je wel! triomfeerde Emilie. 'n _Frauenstaat_ wórdt bedoeld!
--Ach, lieve, lieve vrouwen! riep Max, en sloeg de handen in de lucht. Blijf, o, blijf, die je ben! Heusch, de vrouwen kunnen de mannen al ongelukkig genoeg maken....
--Erken dan, erken, dat 't wel en wee van de man van de vrouw afhankelijk is!
--Ik erken, dat Adam's wel en wee van Eva afhankelijk is.
--Eva is de opperheerscheres!
--Eva is de opperheerscheres, ja! zei Max. En ik geloof, dat er géen man ter wereld is, die z'n hoofd niet zou willen buigen voor de vrouw, die hij liefheeft.
--Max! zei Clara naast hem, zacht, nam zijn hand, en drukte die spontaan. En die daad van het anders zoo terug-getrokken meisje trof hem zeer; hij wist zelf niet waarom, zoodat hij blij was, toen het kind Karel in helsche kreten verviel:
--Hoera, Eva! leve, leve Eva! Eva, hoch!
Jan nam met overdreven hoffelijkheid een roos uit de vaas, die altijd op Max' schrijfbureau stond, naderde Eva de Bruin, en bood haar, potsierlijk-gebarend, de bloem.
--O! o! riep Eva, gelukzalig.
--Ja, goed! riep Sneeuw, Eva is nu de heerscheres in het rijk der schoonheid, maar wie is de heerscheres in 't rijk des geestes? (Niemand die zich ooit voor Eva de Bruin geneerde.)
--Eleonore! riep Max onmiddellijk. Hij zag niet de kleur, die bij het hooren van dien naam Clara's heele gelaat overtrok.
--Ha, ja! Eleonore! riep Sneeuw.
--Ha, ja! Eleonore! bauwde Karel na. De groote geest!
--De chroote cheest! maakte Mientje het nog mooier.
--Mientje! riep Max streng.
--Ik spot niet! zei Mientje, zich verschrikt verdedigend.
--Ik vind juffrouw van Aalst, 'n merkwaardig mensch, zei Emilie met waardeering. Veel te goed, om door kinderen belachen te worden.
--Ik acht haar hoog, zei Gerrie, ze is zoo verstandig, en toch ook zoo zacht.
--En ik vind 't zoo flink van haar, dat ze ongetrouwd wil blijven! bewonderde Eva de Bruin. Ze zegt ronduit, dat 't huwelijk voor háar 't ideaal niet is! Verbeeld je ongetrouwd willen blijven!
--Willen! willen! wacht maar even! riep Jan. Hij krabbelde wat op een stukje papier, en kondigde aan:
--Lied op Eleonore.
Luisteren jullie allemaal? En hij declameerde:
Omdat haar niemand heeft verkoren, Heeft zij de mannen afgezworen. O! Eleonore! Maar komt er een met lonk en lach, Dan trouwt zij morgen aan den dag, Eleonore! Leonore! Lenore! Nore,-- Ach!
Allen lachten, en deden uitroepen van bewondering om Jan's vernuft en vlugheid van rijmen, maar Max, met flikkerende oogen, stond opeens voor Jan, en rukte hem het stukje papier uit de handen.
--Bah! lafaard! stiet hij uit.
Er was een oogenblikkelijke ontsteltenis. Jan keek verbouwereerd, Sneeuw suste: Nou, nou! Eva de Bruin bleef nerveus doorgichelen, Emilie gaf Max gelijk, Mientje en Gerrie praatten samen: Was dat nou zoo erg? 'n grap! Ja, wèl erg, ze moesten zoo iets op Eleonore niet zeggen. Nou, juist, omdat d'r geen schijntje van waarheid in is....
Max' lippen beefden nog van plotselinge ontroering; hij hoorde het gekakel wel om zich heen, maar hij nam er geen notitie van. Met bitsen blik bezag hij nog Jan, terwijl hij het papier in elkaar frommelde, en het met een nijdigen ruk in de prullenmand wierp. Toen keerde hij zich om, en kreeg een schok, die hem van het hoofd tot de voeten doorliep. Want daar stond Clara, met een donkeren blos op het gezicht, en de treurige oogen vol tranen. Zij had zijn geheim geraden.... maar _hij_ ook het háre.... _zij_ was de Eva, de schrijfster der brieven.... en zij had hem lief....
Hij kon niets zeggen, niets doen; de aandoening klopte hem door het bloed, en hij vreesde door een enkel woord zijn gevoelens te verraden. Eerst moest die troep hier weg zijn, dan....
Hij ging staan voor het raam, en tuurde in de straat, zóo weg in zijn gedachten, dat hij geen acht gaf op de schouderkloppen van Karel:
--Kom, Max, boy, ben je nou gek? of op de troostredenen van Sneeuw, dat Jan zoo'n vreeselijk berouw had, of op het gekerm van Jan zelf, die zijn stem had teruggekregen, en schreeuwde, dat hij het nooooit weer zou doen....
Hij lette op niets, totdat de vreemde nevel uit zijn hersens was weg-gedreven, en hij weer denken kon.
Het was hem, of hij was ondergedoken geweest in een donkerte van raadsel en twijfel, en nu plotseling weer boven-kwam, verhelderd, verruimd, in het besef, dat hij zich had vergist.... maar dat zijn vergissing schitterend hersteld worden kon....
Wat vond hij het nu zonderling te bedenken, dat hij gewaand had, deze oudere, moederlijke, al te onafhankelijke vrouw lief te hebben.... terwijl naast hem het bloeiende jonge meisje stond, dat hem helpen en leiden wou, en het zeker beter zou kunnen, omdat zij met hem gelijk in jaren was, en hem dus beter begreep....
Hoe dwaas, hoe dwaas, dat een menschelijke geest zoo gemakkelijk op dwaalwegen komt.... En wat een groot geluk dan, te merken, dat alles toch terecht komen zal....
Goed kind, sterk kind.... dat haar liefde verborgen hield, zoolang als het noodig was.... die niets vroeg voor zichzelve, en alleen maar wilde, dat _hij_ een beter, een mooier, een grooter mensch worden zou....
Ziezoo nu was hij weer kalm, heel kalm en tevreden. Hij wendde zich naar het gezelschap, dat zich nog steeds uitputte, om hem tot bedaren te brengen.
--Soedah! zei hij. Zanik toch niet door. Ik ben 't al lang weer vergeten.
--O, zoo! nou, zég dat dan!