Chapter 3
Der juffrouw hoofd zonk wat neer, haar lippen openden zich, haar oogen sloten zich.... Zou hij 't meenen?.... Zou hij 't.... werkelijk meenen?....
Hij strekte zijn hand uit naar de hare, die hem al tegemoet kwam.... En in een oogenblik, hij wist werkelijk zelf niet, hoe het gebeurde, lag zij aan zijn borst, en klemde haar armen om zijn hals, en zuchtte in verrukking:
--O, Maxie.... o, Maxie....
Hij kreeg een aandrang haar terug te zetten op haar stoel, en haar te bedaren met een:
--Maar, juffrouw de Bruin! maar zij zou hem niet los-gelaten hebben, zij was zóo blijkbaar geheel weg in weelde, dat zij niet wist, wat zij deed. Wie had ooit gedacht, dat die magere armen zoo'n kracht konden hebben.... dat er zoo'n hartstocht zat in dat bleeke, spichtige meisjeslijf.... Enfin, toch wèl een satisfactie, een mede-schepsel zóo te kunnen bezaligen.... Wat een mooi, literair woord bedenk ik daar, dacht hij, in mijn wel wat moeilijke positie.... Want juffrouw de Bruin hing letterlijk aan zijn hals, en maakte het hem benauwd genoeg. Wat drommel, nu is het voldoende, vond hij, en richtte zich krachtig op.... met moeite bedwong hij een hartelijk: oef!
Juffrouw de Bruin lag nu voor hem geknield; zij keek naar hem op, met zwemmende oogen, en hij kreeg lust, haar beschermend toe te knikken, en te vragen als aan een kind:
--Ben je nu blij, ja?
Maar juffrouw de Bruin was niet alleen hartstochtelijk, zij was ook practisch. Zelfs in deze verheven oogenblikken verloor zij niet haar tegenwoordigheid van geest.
--En wanneer kom je nou bij m'n Pa?
--Hè?
--Om aanzoek te doen?
Die windt er geen doekjes om, dacht Max, maar ik heb wel voor heetere vuren gestaan....
--O, kindlief, daar heb ik geen tijd voor....
--Nou, ja, vandaag... maar dan morgen?
--Ik heb in de eerste weken zeker geen tijd. Maar wat bedoel je eigenlijk? Wou je...
Dat mooie en lieve, dat tusschen ons is, wou hij zeggen, maar zóo ver kon hij de comedie toch niet drijven. Wat zou hij in godsnaam verzinnen....
--.... wou je dat intieme, gezellige nù al banaliseeren....
--O! begrijp je dan niet! riep zij, en sloeg even haar armen in de lucht.
Hij kreeg spijt maar niet dadelijk het zuivere standpunt te hebben ingenomen, inplaats van de uitvlucht te bezigen: ik heb geen tijd.... Zou hij het nóg niet kunnen doen?
--Hoor 's, zei hij, sta nu op... juffrouw...
--Ik heet.... Eva, glimlachte zij lief.
--Eva?!
--Nou ja, Everdina, maar _jij_ moet me Eva noemen.
O, god, ach, god, dacht hij, waar heb ik me in begeven!
--Kom, sta nou op!
--O, Maxie! verweet zij.
--Ja, maar, d'r kan elk oogenblik iemand binnen komen.... En, ik vind, je moest nu maar gaan.
--Gaan? vroeg zij teleurgesteld. Maar begrijpende, dat zij door aandringen niets zou winnen, integendeel hem ongeduldig maken, stond zij gewillig op.
--Lieve, lieve Max, zei ze, en stak hem beide handen toe. Je hebt me zóó gelukkig gemaakt....
--Dat doet me pleizier.
--En jij, Maxie.... vleide zij. Ben jij nu óok gelukkig?....
--Ik? Ik ben altijd gelukkig!
--Hè, wat is dat prettig om te hooren. Nu dan, moet ik gaan? Dag Max.... dag Max.... Max....
Zij zoende hem hevig, onbedwongen, en hij liet het toe, blij, dat zij zoo gemakkelijk was weg te krijgen. Hij was er geen oogenblik bang voor, dat dit avontuur ernstige gevolgen zou hebben: daar zou hij wel voor zorgen.
--Adieu, Eva.
--Wat zeg je dat lief: Eva.... maar je moet niet "adieu" zeggen.... zeg 's: tot héél gauw weerziens!
Schertsend stoof hij op haar af, om haar bij een arm de deur uit te zetten, maar zij verdween al, met nog een kinderlijk lachend: Dag!
Max wist niet, of hij dit voorval nu amusant vond of niet. Als hij het een ander hoorde vertellen, zou hij er zich een stuip om gelachen hebben, maar om zélf in het geval te verkeeren?....
Enfin. Enfin. Maar niet meer aan denken.
Hij had de gelukkige gewoonte zich nooit noodelooze zorgen te maken. En als iets op het oogenblik niet te veranderen viel, dan berustte hij maar: alles zou toch wel weer terecht komen, gaf hem zijn kracht-gevend optimisme in.
Daar was de post. Zou die hem weer een brief brengen van....
Waarachtig, waarachtig. Hij herkende al van ver het groote, langwerpig vierkante couvert in de handen van den groom.
--Geef hier!
Haastig sneed hij de enveloppe open, en las:
Wie is dat toch! dacht hij. Zij kent me goed.... Zij was gisteren óok bij de van Baerle's.... Mientje? nee. Clara, nee, natuurlijk. Bonnie, ach, wel nee, hoe kwam hij er bij....
Het was nu al een poosje, dat hij geregeld brieven kreeg van dezelfde hand: innige brieven, geestige brieven, dikwijls vermanende, maar ook soms gepassioneerde, die hem dol maakten van ongeduld, omdat hij de schrijfster niet kende.
_Eva_ teekende zij zich. En hoewel hij wist, dat alle auteurs wel eens dergelijke brieven kregen: mijn hemel, hoeveel romans waren er al op dat thema gebouwd!--irriteerde het hem toch, dat hij er maar niet achter kon komen, _wie_ de onbekende was, terwijl zij hem wél kende....
Veel meer dan over de vriendinnetjes, die hem opzochten op zijn kantoor, zijn wekelijksche tea's bijwoonden, met hem flirtten op de meest gewaagde wijze,--dacht hij over _Eva_. Mooi was zij niet, had zij hem geschreven, maar dat hoefde de waarheid toch niet te wezen; dat zei ze mogelijk maar, om hem bij een eventueele ontmoeting niet tegen te vallen. Enfin. Typisch was ze in elk geval: wat durfde ze hem veel te zeggen....:
Als 'k niet zooveel van je hield, lieve jongen, dan, heusch, zou 'k me niet zoo om je bekommeren. Maar zooals jij doet, is 't niet goed, Max. Je bent ál te flirtziek, al te oppervlakkig in die dingen, die toch au fond zoo ernstig zijn. Denk niet, dat 'k je bekeeren wil tot 'n asceet, want ik vind asceten ónnatuurlijke, tégennatuurlijke wezens, niet waard in de warme pracht van de schepping te leven. Neen! maar ik vraag je: is het mannelijk, is het goed, om te trachten zoo alle vrouwen aan je te binden, die je toch in je binnenste niet acht,--zelfs uitlacht, misschien? Al geef je er nog niet eens om, dat je die meisjes ongelukkig maakt, door haar illusies op te dringen, die nooit verwerkelijkt worden, dan moest je tóch zoo niet doen voor jezelf. Word jij er grooter, hooger, beter, waardiger door, als je wéér een meisje verliefd op je hebt gemaakt....
--Ben jij soms jaloersch, Eva?
Ik heb eens een jongen gekend....
--Zoo, wil je nu _mij_ jaloersch maken?
.... die wel iets op jou leek in je omgang met vrouwen. Maar dat hij altijd vol attenties voor haar was, en belang stelde in alles wat haar betrof, kwam uit een aangeboren hoffelijkheid, een nobele ridderlijkheid.... terwijl jij, Max, alleen zoo doet, om je kleine ijdelheid te bevredigen.
--Ze durft, hoor. Ze durft.
Wat zijn die gemakkelijke veroveringen nu voor een plezier, wat voor een satisfactie geven zij je. Als je nu zooveel moeite deed, voor een vrouw, die je liefhadt, die je winnen wou....
--Daar heeft ze gelijk in; ik heb dat zelf immers òok zoo juist zitten bedenken?....
.... maar zooveel van je goede gaven te verspillen, zonder dat je er zelf éénig voordeel van hebt, dat kan 'k van iemand zooals jij niet begrijpen. (Dit is hálf een compliment: ik vind het zonde voor je,--en hálf het tegenovergestelde: iemand, die zoo zelfzuchtig is, als jij....)
--Leg maar neer, dank je.
.... Max, lieve jongen, ik ben zoo blij, dat je niet weet, wie ik ben. Oog in oog zou ik nooit zoo tegen je durven spreken, als ik nu aan je schrijf.
--Nee, dat is te begrijpen, voor den drommel.
Maar ik werk aan je verbetering, ik heb 't me zelf tot een plicht gesteld, van je terecht te brengen, wat er nog terecht van je te brengen valt.
--Ha, ha, hij is goed! hij is goed!
.... Ach, jongen, als ik je zoo zie, met je vroolijkheid, en ik hoor je lachen, dan.... word ik zóo verteederd, dat ik je alles vergeef. Maar je hebt zoo'n onuitstaanbaar over-overmoedig gezicht, dat de uitdrukking daarvan noodzakelijk wat veranderen moet.
Ja, nu begin je me te vervelen. Dat gepreek, dat gezanik. Dat sla ik over. Komt er nu niets meer, niets liefs? niets verliefds?
Hij keek haastig bij de onderteekening, en ja, daar las hij toch nog de woorden, die zijn "kleine ijdelheid" verlangde:
Ik houd van je, ik heb je lief.
Max, ja, ik heb je lief.... O, 't is een heerlijkheid voor me, dat zoo ronduit te zeggen, en aldoor te herhalen; ik heb je lief.... ik heb je lief.... Maar 't is niet blind en kinderachtig, dat ik van je houd, en niet egoïst. Ik vraag niets voor mezelf, ik zou je zelfs gelukkig kunnen zien met 'n andere....
--Ja, maar dan houd je ook niet van me, jonge dame.
Ik wil alleen, Max, dat ik een goeden invloed op je uitoefen. Je moet nu naar me luisteren, en mijn woorden zullen wel langzamerhand tot je doordringen, en de uitwerking hebben, die ik wensch, want heelemaal bedorven ben je nog niet.
--Zoo, gelukkig.
En de vrouwen, de meisjes hebben óok schuld. Ze moesten geen notitie van je nemen,--óf alleen op de manier, zooals _ik_ het doe. Dag Max, dag mijn jongen.
_Eva_.
Neen, als de correspondentie voortdurend dien kant uit moest gaan, dan maakte hij die brieven niet eens meer open. Wat verbeeldde dat schepsel zich wel? Wie was zij? wat was zij? Om "invloed" op hem te kunnen uitoefenen, was het heusch niet het beste achter de schermen te blijven, en wijs op een afstand te blijven redeneeren. Dan moest zij vóor hem komen staan, hem flink in de oogen zien, en zijn handen drukken, en zeggen:
--Max, ik wil je vriendin zijn. Vertrouw op mij. Ik wil je in alles helpen.
Maar nu, dat geleuter over "houden van" en "liefde", en nog eens "liefde,"--daar mocht zij hem van verschoonen. Wat had hij aan liefde; die eeuwige liefde verveelde hem allang. Vriendschap, ja, die zou hij nog wel kunnen gebruiken. Maar daar was dat wezen nu weer te egoïst voor,--wel dégelijk was ze egoïst, wát ze ook beweerde.
Enfin. Ze moest het zelf maar weten. Toch.... was hij wel een beetje nieuwsgierig, wie de mysterieuse Eva kon zijn. Hij ontmoette, hij sprak haar dikwijls, dat schreef zij hem.... vreemd, vreemd, dat hij haar nooit herkende. Maar dat hoefde geen verwondering te wekken in een vrouw. Een vrouw kan huichelen en veinzen als de beste.... is nooit zoo naïef als een man.
Als hij haar eens kortaf, bruusk in de brievenbus van zijn blad schreef: "Verzoeke van verder anoniem geschrijf verschoond te blijven"? Wat zou ze dan doen? Hij kreeg werkelijk lust dat eens te probeeren. Of zou hij dat wicht haar pleizier maar gunnen, en haar voort laten gaan met haar brieven? Of was het zijn "kleine ijdelheid" weer, die gestreeld werd door haar belangstelling en die de bewijzen daarvan niet wou missen?
Was er geen enkele gelegenheid, om er achter te komen, wie zij was? Hij had al eens aan de jongelui een couvert laten zien, en gevraagd; ken je dat schrift? Zonder resultaat. Zou hij datzelfde ook eens bij de meisjes gaan doen, en zoomaar, onverwacht, op een "tea"? Of zou hij naar den winkel gaan, waar dit papier was gekocht,--de naam stond ingedrukt op de enveloppe,--en vragen om "dit soort papier, dat ook altijd genomen wordt, door juffrouw...."
Vanzelf vulde de bediende den naam dan in.
Maar, neen, hij deed het niet. Wat kon het hem schelen, wie dat bemoeizuchtige wezen was. Misschien hoopte zij er er wel op, dat hij haar door allerlei list zou "ontdekken." Maar dat zou haar dan toch leelijk tegenvallen: hij deed volstrekt geen moeite voor haar. Is daar al weer wat....?
--Juffrouw van Aalst, diende het groompje aan.
--Laat binnen-komen.
Met uitgestoken hand trad hij toe op Eleonore van Aalst. Dat was, zooals hij haar had leeren kennen, een vrouw, voor wie hij respect had; een vrouw, die deed naar haar woorden, die niet zich in de wereld waagde, om toch maar, hoe dan ook, in aanraking te komen met mannen, maar omdat haar nobele geest, haar goede hart haar dreef, zooveel zij kon het leed te lenigen, de slechte toestanden te verbeteren, in haar naaste omgeving. Maar zij zag er nu al héél ernstig uit.
--Kan ik iets voor u doen, juffrouw van Aalst? Zooals u weet altijd met genoegen. Moet er 'n oproep in m'n blad om steun, 'n ingezonden stuk?
Eleonore's zacht, maar streng gezicht veranderde niet, zooals anders vaak, in de nabijheid van dezen aardigen, zonnigen jongen.
--Nee, nee, dat is 't niet, zei ze koel. Ik kom me bij u, over u beklagen, meneer van den Heuvel.
--Wat zal dat zijn?
--U weet wel, hoe ik 't afgekeurd heb, toen 'k merkte, dat u in uw roman "Eva", de geschiedenis behandelde van die ongelukkige vrouw, Marceline de la Mandara.
--Zeker, zeker, weet ik dat nog. En ook, dat ik u toen overtuigd heb van 't goed recht van 'n schrijver....
--O, overtuigd hebt u me niet.
--Nou, ja, maar u moest me toch toegeven....
--Er was niets meer aan te doen; dát was de zaak. U had al 'n gedeelte gepubliceerd, en iedereen had Marceline herkend. Nee, goedkeuren kon ik 't niet, en zal ik ook nooit, dat 'n nog levende haar eigen historie verteld moet zien, door iemand, die haar nauwelijks heeft gekend, die alles in hoofdzaak weet van "hooren zeggen", zoodat ze telkens 'n stukje waarheid leest, en dan weer 'n stukje pure fantasie....
--Maar ik heb toch niets slechts van haar gezegd, integendeel!
--Dat hoeft ook niet, om 't voor haar toch heel, heel pijnlijk te maken. Begrijpt u dat niet? Maar nóg zou 't zoo erg niet zijn, want tot dusverre had Marceline er niets van gemerkt. Ze leeft zoo afgezonderd, zoo stil.... och, 't is eigenlijk 'n levende doode.... En als 't niet was om de eindelooze goedheid van Kam, dan had ze allang, allang haar poging herhaald, om.... Maar waarom vertel 'k u dit: zoodra ik weg ben, gaat u er misschien weer gebruik, of liever misbruik van maken....
--Wees niet bitter, juffrouw van Aalst. Ik ben 't niet van u gewoon, dat u zoo hard is. Ik heb immers 't diepste medelijden met Marceline.
--O, dát hebt u niet, u zou haar anders hebben gespaard,--u zou dan wel gewacht hebben, tot ze.... gestorven was.
--Is er zóo iets verschrikkelijks gebeurd, juffrouw van Aalst, dat u nu opeens zóo tegen me moet worden?
--Ja, zóo iets verschrikkelijks is er gebeurd. Iemand heeft haar verteld, dat ze in uw blad werd "beschreven". Toen heeft ze 't willen lezen.... en toen ze uw tooneelen las van Micaëlo's ziekte en Micaëlo's dood, toen heeft ze 'n zenuw-acces gekregen, zoo vreeselijk, dat ze nú nog niet tot bewustzijn gekomen is.
--Goeie god!
--U weet, ze is aldoor lijdende geweest, aldoor; de goeie Kam had beter gedaan, haar rustig te laten sterven.... maar hij houdt zóoveel van haar.... ach, de liefde is soms wél verschrikkelijk wreed.... Ze kan niet loopen, haar haar is dun en grijs geworden.... God, waarom mocht dat arme mensch niet sterven....
--U moet niet denken, juffrouw van Aalst, dat ik zóó'n monster van ongevoeligheid ben. Als 'k alles geweten had.... Maar zegt u nu zelf: 't onderwerp is als aangegeven voor 'n roman....
Eleonore glimlachte.
--Wat 'n kind is die groote jongen nog, zei ze. U hebt nog niet veel geleefd....
Max gaf geen ondeugend antwoord, zooals hij bij een andere gelegenheid zou hebben gedaan; hij zat stil voor zich uit te staren.
--En wat moet 'k nu doen? vroeg hij.
--Ja, wat kunt u doen? Niets. 't Is heel treurig, maar alles van Marceline is tegenwoordig zóó treurig.... Je kan haar leven in drie phasen zien: schijn-geluk, echt-geluk, en nu de ellende. Vreemd, dat blijvend geluk niet schijnt te mógen bestaan op de wereld.
--Als ze gestorven was, tegelijk met hem, dán zou haar geluk blijvend zijn geweest....
--Ja, zei Eleonore. En dat is juist 't wreede, dat ze _niet_ gestorven is....
De zeer vele, en verschillende indrukken dien middag ontvangen, maakten, dat Max rustiger, peinzender was, dan anders. Hij voelde zeer goed, dat, wat hij gedaan had, niet mooi, niet nobel genoemd worden kon. Hij had, zonder te bedenken, hoe dat moest worden opgenomen, de levensgeschiedenis van een nog levende ten eigen bate geëxploiteerd; hij had immers stof noodig, hij moest een roman schrijven....
--Waarom ik eigenlijk hier gekomen ben.... zei Eleonore. Ik kan toch niets meer uitrichten. Maar, ja, ik weet 't al, waarvoor ik kwam: ik wou u waarschuwen: wees voortaan meevoelender, voorzichtiger. Ik ken er meer voorbeelden van, dat een voorval uitgewerkt wordt tot een roman, terwijl de personen nog leven. Ik kan dat nooit goedkeuren, alleen als de personen allen gestorven zijn.... En dan nog....
--U kan er zeker van wezen, zei Max ernstig, dat ik zoo iets nooit, nooit meer zal doen. Maar nu.... 't was ál te verleidelijk, juffrouw van Aalst. Denk eens, ons blad heet Eva: en dan de Eva-geschiedenis van Marceline, 't kón niet mooier.
--Ja, 't trof nu wel heel toevallig zoo samen....
--En dan, ik dacht, dat Marceline zoo'n beetje buiten kennis was.... dat ze misschien wel krankzinnig zou worden....
--Nee, dat geluk is haar niet gegund. Ik ga nu, meneer van den Heuvel, ik hoop werkelijk, dat u m'n raad ter harte zal nemen.
--Dat zal ik, dat zal ik, juffrouw van Aalst, zei Max, en drukte haar de hand. Ik dank u, dat u gekomen is....
Hij keek haar eerlijk in het ernstige gezicht, en toen zij de kamer verlaten had, bleef hij heen en weer loopen, in diepe gedachten verzonken. Een goede vrouw.... een lieve, werkelijke vrouw, ondanks haar feministe-zijn. Hij had veel sympathie voor haar, o ja, veel, veel....
Wat een verkwikking een dergelijke vrouw te ontmoeten. Eerst had hij haar zoo'n beetje belachelijk gevonden, zooals alle vrouwen, die geen zin hebben om te trouwen, en zich zoo rustig en vrij als een man in het openbare leven bewegen. Maar nu hij haar nader leerde kennen, nu bewonderde hij haar koelen, degelijken ernst, haar kloek verstand, haar goedheid, die nooit zwakheid werd. Wat een verschil met de meisjes, die hem vervolgden, en om hem heenzwermden, als vliegen om de suiker.... Geen gekkelijkheid bij haar, geen malle verliefdheid, geen broeiende zinnelijkheid achter een strak gezicht.... Zooals men haar zág, zoo wás zij. En wat een frissche trekken nog voor zoo een oude....
Maar oud? Dat was zij niet. Hoe kwam hij er bij. Zij kon hoogstens even over de dertig wezen,--misschien een jaar of vijf, zes ouder dan hij....
Maar waar wil je toch heen, Max? vroeg hij zichzelf. Vind je soms Eleonore van Aalst een geschikte partij voor jóu?
Ik.... ik weet niet....
Denk 's goed na?
Ze is ferm, ze is verstandig. Ze loopt me niet achterna. Ze is knap van uiterlijk. Ze is onafhankelijk.
Maar, Max, dan moet jij die hebben!
Als ik ooit trouwde....
Jij hebt je zoo dikwijls door je gevoel laten leiden, laat je verstand je nù 's zeggen, wat je moet doen.
Nou, wat moet ik dan doen? Is zij 'n geschikte vrouw voor mij?
Ja. Zij zal je niet bederven, waar de onbekende zoo bang voor is. Zij zal je terecht helpen, en raad geven....
Zou 't niet vervelend zijn?
Integendeel! Zoo'n aanhalige poes, dát zou je gaan vervelen.
Ja, dat is waar. Ik moet eerlijk zeggen: ik houd van Eleonore, (grappig-romantische naam voor een zoo weinig romantische vrouw.) Ze is wel wat ouder, en dat is heelemaal niet prettig, maar er moet _iets_ aan mankeeren. En bovendien, 't is niet kwaad, dat ik, juist ik, wat opzie tegen m'n vrouw. Ik zou trotsch op haar zijn. Wat geef ik au fond om die schepseltjes, die voor me staan te blozen, en m'n handen zoenen.... nee, die soort van liefde verveelt me. Ik wil 't nu met verstandelijke liefde probeeren. En 't pikante is, dat Eleonore nog niet eens dadelijk ja zeggen zal. Daar vind ik nu op eens de vrouw, die veroverd moet worden. En ik zal haar veroveren. Ik zál.
En je onbekende dan? En Gerrie van Velsen? En.... Eva?
Eva?
Ja, je aanstaande, juffrouw de Bruin?
Opeens barstte Max uit in zoo'n schaterenden lach, dat de klerken in het achterkantoor ervan opkeken, en dachten: Zeker weer een verliefde brief gekregen, die!
VI.
Max was in een dolle, uitgelaten bui. Hij had een blauwtje geloopen. Voor de eerste maal van zijn leven,--en voor de laatste!--had hij een blauwtje geloopen. Natuurlijk bij Eleonore.
Toen zij verbaasd keek, zonder te glimlachen (daar was hij dankbaar voor) was hij haar nog hooger gaan achten, om de kalme wijze, waarop zij vriendelijk zei, dat zij zich niet geschikt voor hem achtte, en hém niet voor háar, en dat zij er bovendien niet aan dacht, ooit te trouwen.--Maar dat zij hem in eerste instantie afwijzen zou, had hij immers wel eenigszins verwacht?....
Daarom praatte hij voort, en bepleitte zijn zaak bij haar (hij had niet voor niets in de rechten gestudeerd!) en zij hoorde hem aan, met aldoor dezelfde zachte vriendelijkheid, maar haar antwoord was aldoor: Neen, heusch niet, heusch niet, Max.
--Vind je me soms te jong? Maar....
--Ja, ik vind je te jong, en niet alleen in jaren,--ofschoon ik dat ook eigenlijk al 'n onoverkomelijk bezwaar vind,--maar je ben te jong in levensinzicht, te jong van begrip, begrijp je me?
--Maar juist dáárom moet 'k zoo'n vrouw hebben als jij, Eleonore. Begrijp jij dat niet?
--Best mogelijk, jongen.... maar al heb je misschien zoo iemand noodig, als ik ben,--ik voel daarom toch nog geen roeping me voor je op te offeren.
Dat antwoord was toch wel wat al te koel. Een vrouw, die het een "opoffering" vond, met hem te trouwen! Kon die mogelijkheid bestaan?
Maar het was waar; hij had tot dusverre alleen over zichzelf gesproken. En de zaak wel een beetje alleen van den practischen kant bezien. Hij had weliswaar gedacht, dat een verstandige vrouw als zij, het apprecieeren zou, als een huwelijksvoorstel op uitsluitend verstandelijk-practische wijze behandeld werd,--maar zelfs zoo eene bleek te willen hooren van "liefde"....
Hij had haar hand gevat.
--Maar ik houd zoo veel van je, Eleonore.... Nee, kijk niet zoo ongeloovig. Je weet niet, hoe beu ik ben van al dat aangehaal en die verliefderigheidjes, ik blijf er zoo koud bij, zoo koud als 'n steen. Maar van jou houd 'k, Eleonore. 't Gevoel, dat ik voor jou heb, is de grondslag van de echte liefde. En je ben zoo mooi.... zoo mooi met je glanzende haar.... en je prachtige teint, en je lieve, _lieve_ oogen....
Hij was dichter bij haar gekomen, en had zijn eenen arm om haar hals geslagen, en zijn andere om haar middel gelegd. Toen had hij haar aangekeken, vleiend en dringend.... zou zij dáár zelfs ongevoelig voor blijven? en had haar snel de lippen gekust.
Maar zij weerde hem af, zacht maar beslist, totdat hij haar loslaten moest.
--Max, doe dat niet....
--Waarom niet? waarom niet? Als ik toch van je houd....
--Omdat ik niet houd van jou. En jij, Max, heusch, je mag me graag lijden,--maar liefhebben doe je me niet.
--Wél! wél! riep hij onstuimig. Waarom geloof je me niet?
--Hoe kan ik, die je ken, je nu gelooven! Luister, zei ze, om haar woorden te verzachten. Ik weet wel, je meent 't heel goed, Max, maar je hebt me volstrekt niet lief. Je acht me, je respecteert me....
--Dat doe ik! dat doe ik! Omdat jij verstandig ben en onafhankelijk, omdat jij niet hengelt naar 'n man, jij vernedert je niet, jij verlaagt je niet: jij ben 'n vrouw, 'n mooie, echte vrouw....
--O, nee, Max, juist niet.... 'n mooie, echte vrouw heeft niet zoo'n koud temperament als ik; die heeft wel degelijk verlangen naar liefde,--al "hengelt ze dan ook niet naar 'n man", en ik....
--Leo.... zei Max, en zei niets verder, maar keek haar alleen maar aan.
Zij nam zijn hand.
--Je ben 'n lieve, allerliefste jongen, Max, zei ze, en haar moederlijke toon van spreken, en de wijze, waarop zij zijn vingers streelde, deed hem begrijpen, dat zij nooit toestemmen zou. En als jij minder.... kinderlijk was, en als 't verschil tusschen ons in jaren niet aan de "wrong side" bestond, en als ik wat minder koud voelde,--dan zou 'k misschien wel van je kunnen gaan houden. Want al ben je nu nog wat wild en wat oppervlakkig,--slecht ben je, dunkt me, niet.
--Nee, slecht ben ik niet.
--Kom, troost je maar. Zij boog zich naar hem toe, en gaf hem een zoen op zijn voorhoofd.
Max zweeg. Zijn gewone overmoedigheid had hem begeven. Hij voelde zich klein in haar nabijheid.