Chapter 2
Hij leunde welvoldaan in zijn bureaustoel. Hij bezat dan toch wel kracht en doorzettingsvermogen, om, ondanks alle bezwaren en moeilijkheden, vol te houden, vól te houden, totdat het doel was bereikt. De zaken waren bij Wouters niet zoo glad van stapel geloopen, als hij had gemeend. Nee, die wou kapitaal hebben, notabene, een zekerheidsstelling, een waarborgsom,--en daar was hij niet af te brengen. Ja! als hij dát had.... dan kon hij, Max, tweeduizend gulden krijgen, dan zou hij goede honoraria betalen.... prijzen uitloven.... dan zou het weekblad er ook prachtig-verzorgd uitzien, zwaar papier.... nu en dan een illustratie op kunstdruk-papier... een opzettelijk-gesneden letter....
Maar waar dat kapitaal te vinden? En toch, zóó in het gezicht der veilige kust vergaan.... dat wilde Max niet. Nooit, onmogelijk, zou hij zich weer in zijn hondsch leven, dat hij in gedachten al voor goed vaarwel had gezegd, kunnen schikken, nu hij zóó'n ander bestaan had geënvisageerd. Op sommige oogenblikken was hij radeloos; moest zijn plan, waar toch een fortuin inzat, dan afstuiten op een oogenblikkelijk gebrek aan dat stomme, dat brute geld?.... Maar de andere jongelui, die allen gewonnen waren, en waarvan de een zich al enthousiaster betoonde dan de ander, konden het plan ook maar niet zoo plotseling weer zien opgegeven. En een hunner wist een nicht van hem zóolang te bewerken, totdat zij toegaf, en zich aansprakelijk wilde stellen als borg.
Nu waren zij gered, en met spoed werden de toebereidselen gemaakt. Max drong de omstandigheden met een koortsachtigen ijver voort, totdat hij wás, waar hij wezen wou.
Een "nette" verdieping, zooals hij dat had gewenscht, was ingericht als kantoor voor het weekblad "Eva". Hij had de voorkamer, die uitzag in de Heemskerckstraat, als particulier kantoor; eenvoudig was de kamer gemeubeld, maar juist volgens zijn genoegen; met een breede schrijftafel bij het eene raam, een tafel in het midden, overdekt met boeken en papieren, een paar fauteuils voor de bezoekers,--bezoeksters,--en een groote boekenkast aan den wand. Verder had hij gezorgd voor wat mooie groene planten, en voor een paar kleine aquarellen en eenvoudig-omlijste etsen aan de met effen donkerrood behangen wanden. Een paar stoelen, een boekendrager, een rek met een encyclopedie en dictionnaires, en naast zich een klein, tweebladig vierkant tafeltje.
Eenvoudig genoeg,--maar het had hem nog heel wat hoofdbreken gekost, om het zoover te krijgen. Want daar hij geen cent fortuin bezat, moest alles hem op afrekening worden gegeven, en het duurde lang, en kostte veel moeite, eer hij een leverancier daartoe bereid had gevonden. Ze hadden meestal zóoveel noten op hun zang, betrachtten zóoveel voorzichtigheid, dat hij wel eens woedend had uitgeroepen: waarvoor ze hem dan wel aanzagen? En ja waar zagen ze hem voor aan? Wel, voor wat hij toen nog was: een klerkje, werkzaam in een kleine zaak....
Enfin, eindelijk was hij dan toch geslaagd. En hoe! Tevreden was hij, over- en over- en over-tevreden. Het gaf wel een air van degelijkheid, deze sobere eenvoud, dat kon niet anders dan een goeden indruk maken.
In het kabinet vóor zat Robert, als zijn particuliere secretaris. Dat wil zeggen, hij zat er nooit, want zijn journalistieke baantje had hij, ondanks al zijn, Max', overhalingen, er niet aan willen geven. Later misschien.... nu vond hij de zaak nog te precair. Precair! verbeeld je, nu alles zóó prachtig liep: vierhonderd drie en tachtig abonnées, nog vóor het verschijnen van het eerste nummer! Enfin, hij zat dus voor den vorm in dat kabinet, maar eigenlijk stond er alleen een schrijfmachine.
Veine! veine! Het geluk dient den stoutmoedige. Het prospectus was inderdaad practisch en pakkend gesteld. En zijn portret.... nu hij mocht dan ijdel wezen, goed! maar zijn portret had het hem dan toch maar gedaan. Hoeveel briefjes had hij niet ontvangen aan zijn persoonlijk adres: dat die en die zich zoo graag zou abonneeren.... in de hoop natuurlijk een antwoordje van Hem (met een hoofdletter) terug te ontvangen. In het begin had hij dat dan ook trouw gedaan,--maar toen de toeloop te groot werd, moest zijn particuliere secretaris er voor opdraaien, alias de schrijfmachine. Leuk, leuk, typisch, pyramidaal, had hij zich er boven-op gewerkt!
Vanavond zou er een vergadering zijn van de redactie en medewerkers. Gezellig, wat? zoo'n staf om je heen te hebben, die je drillen en bemeesteren kon. En ze luisterden naar hem; natuurlijk! sinds hij bewezen had, zoo uitstekend de zaken in te zien!
IV.
Wouters, de uitgever, wilde nu en dan een woordje in het midden brengen, maar hij werd dadelijk door de rumoerige jongelui overschreeuwd. Wat! wou _hij_ nu nog spreken van risico! van voorzichtigheid! van niet te veel wagen! Dankbaar moest hij wezen, in zoo'n prachtige zaak te zijn gehaald! Over een paar jaar een goudmijn! Tonnen waard! Prachtigste tijdschrift van Nederland!
Wouters, die eigenlijk zeer tevreden was over den loop der dingen, en in de toekomst nóg betere tijden voorzag, vond het tóch wel zaak de opgewondenheid der jongelui een beetje te remmen, die er van spraken een rivière van diamanten, als prijs in den liefdesbrieven-wedstrijd,--waarmee het eerste nummer verrijkt en de abonnées verrukt zouden worden,--uit te loven, of het zoo niets was. Hij zou daarom de vergadering tot het laatste toe blijven bijwonen,--hoewel hij ongenoodigd verschenen was,--om al te groote roekeloosheid te voorkomen. Rustig zat hij op zijn stoel, en luisterde, en rookte de eene sigaar na de andere.
Max, wiens gezicht van geanimeerdheid blonk, zat in zijn bureaustoel de vergadering te presideeren. Hij had getracht alles naar orde en regel te doen gaan, maar met zoo'n wilde bende als zijn medewerkers waren, lukte dat niet. Enfin, ook al goed. Hij had een gevoel, of hij wel óp kon vliegen in de lucht, of hij moest dansen, schreeuwen, tieren, kabaal maken.... of dat hij anders uit elkaar zou spatten van te zwaar geladen levenslust. Enfin, die drang naar licht en muziek en dol rumoer zou hij straks wel uitvieren,--straks, als zijn medewerkers en hij nog eens gingen na-fuiven in de stad,--nu moest hij zijn kop bij elkaar houden, want de zaken dienden toch eerst te worden afgedaan.
De kleine bediende, netjes in een groompakje gestoken, bracht een pakje brieven binnen; het resultaat van de advertentie, die geregeld in de groote bladen stond.
--Hoera! gilde Kaatje, als een kind, en sloeg met zijn handen op de tafel. 't Lijkt wel of de advertentie 'n huwelijksadvertentie was!
--Een, twee, drie.... tien, twaalf, dertien.... dertien abonnementen, waarachtig! riep Max.
Wouters verzamelde de brieven, en stak ze zorgvuldig bij elkaar in zijn zak. Hij knikte tevreden met het hoofd.
Sneeuw zat eindeloos tegen Robert Roodhaar te betoogen, dat hij, bij het beoordeelen van de wedstrijd-brieven, dit principe zou voorstaan: de brief moest direct-aansprekend wezen, kort, _niet_ literair, en _niet_ geïnspireerd op de prachtige voorbeelden van Madame de Staël, Lady Montague, Madame de Sévigné. De korte, dikke Jan dischte eenige gepeperde anecdotes op over vrouwen, die in het eerste nummer moesten,--dat zou trekken, dat was nog iets anders, dan de water-en-meel-kost der andere damesblaadjes, en hij ging almaar voort:
--Nou, zeg, en toen komt die man met z'n vrouw de kamers van die vriend bekijken, en die vrouw houdt zich heel goed, en ze doet ook, of ze alles voor de eerste maal ziet, en ze bewondert de schilderijen en zoo, maar opeens zegt ze argeloos: Hé, heb je die lamp nou op de guéridon gezet?
Karel, het drukke Kaatje, kronkelde zich op zijn stoel van pret, en Jan begon alweer:
--D'r was 'n meneer, en die zegt tegen 'n mevrouw van zijn kennis: Mevrouw, wanneer komt u nu m'n nieuwe woning 's bezien? En wat zegt zij? Zij zegt: dat zal niet gaan, want ik kan....
--Is 't nou uit! donderde Max. Kunnen jullie nou voor den bliksem niet 's 'n oogenblik je fatsoen houden! Straks, straks doen we wat we willen, maar nou bij de zaken zijn!
--Present, president! zei Ka, en zat netjes met zijn handen op de tafel.
--Ajasses, wat 'n kinderen. Jasses! had ik jullie maar thuis-gelaten!....
--Nou, begin jij nou niet zelf, kalmeerde Sneeuw. Laten we de zaken vlug afdoen. Noem op, Max, wat we nu voor 't eerste nummer hebben.
--Stuk van mijn roman....
--Hoe heet die?
--Eva, natuurlijk.
--Vind je dat aan te raden? 't Blad heet Eva, je roman heet Eva.... ze zullen 't door elkaar halen.
--Dat's niks, hoe meer d'r gekletst wordt over Eva, hoe beter. En ik wil de roman zoo noemen, dus ik doe 't.
--Ja, jij doet alles maar, wat je wil.
--Zoo, is dat soms niet m'n recht. Ben ik niet....
--Je zou niks zonder onze hulp....
--Beginnen jullie nóu al herrie te schoppen? vroeg Robert.
--Laat ze maar, zei Sneeuw gelaten. D'r komt altijd herrie in redacties, dat's 'n gewoon natuurverschijnsel.
--Nou, ik schrijf op, vertelde de secretaris. Brok roman. Hoeveel kolom?
--Ik denk.... vijf of zes. Maar eerst 't motto. Ik heb 'n prachtig motto: 'n vers van Plasschaert: Eva.
Wie brak de vrucht? De nacht was vol-omloofd van weeningen.
En veile vlammen sprongen op, En gele sterren dansten ijl, Adam's lijf schemerde anders rood, Ik hoorde woorden warrig-- En englen vloden. Englen vloden met roode vlerken, Vleugels stoven als rose blaeren, De nacht zwol open tot een groot, rood hart, --Hij was mijn god, mijn heer.
Daarna:
Ik ben nu heerlijkst, meesteres, Ik draag gezang en tranen, Een hemel en een vlam, En een schroei en water, Ik draag een, die gekruist des daags Aan Juda's groenend hout-- Ziet, ziet, ik dans....
--Prachtig! riep Sneeuw. Dat vóorgezicht van haar, dat plotseling afgebroken wordt door de uiting van haar overstortende vreugde: Ziet, ziet, ik dans!....
--Ik protesteer tegen dat: Ik ben nu heerlijkst, meesteres! riep Ka. De vrouw is nooit meesteres over de man geweest!
--Wacht maar, tot je verliefd wordt, dreigde Robert, die zuchtte onder de luimen van een capricieuse jonge dame.
--Word _niet_ verliefd, nooit, raadde Max. Laten ze op jóu verliefd worden.
--Je kan niet buiten verliefd zijn, wist Jan. En d'r is geen gevaar bij, zoolang je 't op 'n heeleboel tegelijk ben.
--Blijft de voorraad copie hierbij? dat gaat goed zoo!
--Nou ik heb immers nog m'n essay over de vrouw.... zei Sneeuw, en dan moeten de ingekomen antwoorden op de prijsvraag worden vermeld.
--En Robert heeft 'n novelle?
--Ja: Winternacht.
--En jij, Ka?
--Moet ik óok wat doen?
--Ja.
--Ka en ik, zei Jan, geven humoristische dialogen.
--Zoo? zei Karel.
--Ja, zei Jan.
--Nou, mij goed!
--Dan hebben we dat lange artikel van Eleonore van Aalst, zei Max. 'n Prachtig stuk.
--Heb je 't gelezen?
--Nee, maar dat begrijp ik wel, dat 't mooi moet zijn.
--Voor de berichten over vrouwen in 't binnen- en buitenland kan jij 't beste zorgen, Roodhaar, jij knipt maar uit je courant.
--Jawel, daar zal ik wel voor zorgen.
--Hebben we dan genoeg?
--Nee, hoor 's, zei Sneeuw, we moeten d'r nog wat bij hebben, wat aparts.... iets, dat niet iedereen heeft.... Bijvoorbeeld.... bijvoorbeeld.... vrouwen-portretten....
--Portretten van mooie dames en demi-dames?
--Ach, klets niet, beschrijvingen van vrouwen, bekende vrouwen, heel kort, 'n karakteristiek in enkele woorden.
--Heel goed, heel goed, riep Jan. Dat doen we.
--Zou je mij, als redacteur óok in die zaak willen kennen? vroeg Max hautain.
--Heb je d'r dan wat op tegen?
--Op tegen, nee.
--Nou dan?
--Alles moet behoorlijk aan _mij_ worden voorgelegd.
--Hoor die!
--Och, geef 'm z'n zin maar, zei Ka goedaardig. Je weet: kinderen en gekken moeten worden toegegeven.
--Portretten van mejuffrouw Kruis, de eenige Nederlandsche sulkey-rijdster of van Carmen Bereira, de eenige Spaansche stieren vechtster?....
--Is 't gedaan met die flauwiteit, met die verdomde lafheid! schreeuwde Max. Als jullie niet anders kunnen doen, dan rukken jullie maar uit, hoor!
--Zeg, zoo moet je maar beginnen!
--Ja, zoo zal je wel hulp krijgen!
--Net, of je 't alleen af kan!
Jan leunde zich nog eens wat beter in zijn stoel, en sloeg de armen over elkaar.
--Gooi je eigen glazen niet in, vermaande hij bedaard. Hier zit ik, ik kan niet anders, God helpe mij, amen.
Max bedaarde. Zijn woede was veel meer innerlijke opwinding, dan werkelijke boosheid. Zijn overbruisende vreugde móest zich in geweld uiten, op welke wijze dan ook. Hij was als een veer, die lang met zwaren druk naar beneden gehouden is, en plotseling met volle kracht omhoog schiet. De sombere, eentonige, duldelooze tijd, die achter hem lag, en die nu zoo plotseling was overgegaan in een toekomst vol prachtige vooruitzichten, deed zijn nawerking op hem nog dikwijls gevoelen, hij had uit die periode van geestelijke lusteloosheid, van lichamelijke gedruktheid een prikkelbaarheid overgehouden, een nervositeit, die hem soms deed uitbarsten in vlagen van onredelijken toorn, waarvan hij toch niets meende; buien, waarin hij dingen zeide, waarover hij zich dikwijls verbaasde.
--Vooruit, bende idioten! zei hij, vooruit maar weer.
--O, zoo, zei Jan.
--Nou, die portretten, wie zal dat op zich nemen....
--Mannen, nee, ik heb er genoeg van, viel Max opeens uit. M'n kop staat d'r niet naar. Ik ben niet rustig genoeg. Leg al jullie plannen maar bij mij neer, ik zal ze wel uitzoeken, en verwerken. Ik zal ook 't nummer wel samenstellen. Ik kan nou niet meer denken.... M'n hersens branden....
--Dan fùiven we de avond maar verder uit!
--Ja! riep Max.
Een heete lust naar licht, naar dolle muziek, naar razend rumoer drong gloeiend door zijn bloed. Hij hongerde naar feestelijk genot, zijn hoofd hongerde, zijn heele lichaam hongerde, na zóo lang te hebben ontbeerd. Ziedend, schuimend, wou zijn blijdschap zich een uitweg banen.... zwelgen wou hij in een wilden, driftigen roes.... hij móest zijn vreugde uitvieren, hij móest!....
--Ja, maar, heeren, protesteerde Wouters, de uitgever. Daarvoor zijn we niet hier gekomen....
--Nee, nee, u hoeft ook niet mee te fuiven, stelde Jan hem gerust.
--Eerst zaken, eerst zaken.... Zaken zijn zaken....
--Les affaires sont les affaires!
--Toe, heeren, laten we hier nu niet als kwajongens tegenover elkander staan, 't Eerste nummer dient nu vanavond in elkaar....
--Maak je niet bezorgd, oude heer, komt terecht, komt terecht, beloofde Max. Ik stel me d'r aansprakelijk voor. Ik heb d'r toch ook wel 'n beetje belang bij?
--Ja, maar, ik ben zoo bang....
--Waarvoor?
--Dat 't op gekheid maken uitloopt. Ik zeg u, heeren, 't moet ernst blijven, geen Witzblatt worden, of ik laat me d'r niet mee in.
--Maar, man, hoe kom je dáár nou bij! 't Is ons allemaal immers even phenomenale ernst!
--Jawel, jawel, maar....
Max klopte den uitgever vriendelijk op den schouder.
--Toe, vertrouw nou maar 's op _mij_, he? Laad al uw zorgen op de hoofdredacteur.
Robert reciteerde uit zijn pas aangevangen epos: _Hercules_; Sneeuw schreef in zijn notitieboek eenige namen van vrouwen, die voor de "portretten" in aanmerking konden komen: Ka en Jan hielpen hem, en noemden namen van "vermaarde" vrouwen:
--Zeg, moet je die niet hebben: Politie-Jet? iedereen kent de naam, of Emma Elberfeld, van die hypnose-historie....
De uitgever zag wel, dat er vanavond niets meer van belang te verhandelen zou vallen. De "heeren" waren eigenlijk ook allen veel te jong, om aan het hoofd van zoo'n onderneming te staan; als het maar goed ging, als het maar goed ging.... Ze waren waarachtig nog zoo speelsch als schooljongens.... Hij kon daar niets verder aan doen. Gelukkig had hij zijn zekerheidsstelling. Als ze den boel in het honderd wilden laten loopen, moesten ze het zelf maar weten.
--Goeienavond dan, heeren, zei hij opstaande, alleen terug-gegroet door Max, die hem beleefd tot de deur uitgeleide deed.
--Ziezoo! riep Max. Nou zijn we onder ons en vrij. Gauw opgeruimd, en dan d'r van door.
Hij greep bij handenvol de papieren van de tafel, en wierp ze ongeordend in een la van zijn bureau.
--Waar gaan we nou naar toe?
--Naar Maxim?
--Naar de Deli-club op de Harstenhoekweg?
--Daar is 't nog te vroeg voor.
--Nou, dan gaan we eerst naar Central, en zitten daar, hè, tot 'n uur of elf. Hoe laat is 't nou? Half tien.
De jongelui namen hun stokken en hoeden, terwijl Max de hand aan de gaskraan hield.
--Is je kantoor gesloten, Roodhaar.
--Ja!
--Ja, goed, vooruit dan maar, lui.
Achter elkander stommelden ze de trappen af, en het kinderachtig Kaatje zong:
Dat gaat naar Leiden toe, Naar de studenten toe, Daar maak je pret, en hoe....!
V.
--Dus u is tevreden? juffrouw van Velsen?
--O, já, meneer van den Heuvel!
Blozend zat het meisje bij Max op zijn kantoor. Zij was het, die den prijs van den liefdesbrieven-wedstrijd: een gouden ketting met een hanger in den vorm van een hart er aan, had gewonnen.
--Nu u er toch is, kon ik natuurlijk niet laten, 't u te vertellen, maar u zegt er niets van, juffrouw van Velsen, 't wordt, officiëel pas overmorgen bekend.
Wat had dat kind 'n typische oogen, en hoe naïef toonde ze hem, dat zij tot over de ooren.... Goed zoo! goed zoo! Allemaal dol op hem, niemand ontkwam daaraan,--en hij, rustig blijvende, zeker van zichzelf en van zijn bende aanbidsters, elk hetzelfde gevende, niemand jaloersch makende,--allen doende gelooven, dat hij óók.... en toch vrij blijvende, vrij! vrij!
Maar dit meiske had wel iets heel charmeerends over zich: zóo lief was zij, dat hij het volstrekt niet van zichzelven begreep, hoe hij voor haar bekoorlijkheden zoo ongevoelig kon blijven. Maar neen, een, die zóo duidelijk bemerken liet, hoe zij voor hem voelde, zoo een was niets voor hem. Hij moest er een hebben, die weerstand bood, die hij veroveren kon, die zijn wil en zijn kracht op de proef stelde,--die begon met te trachten zijn meesteresse te wezen, en van wie _hij_ toch ten slotte de meester zou zijn....
--Ik kan 't me nog niet begrijpen, zei 't meisje, en bekeek de ketting en het hart, die in haar hand lagen.
--En ziet u, op 't hart wordt dan 't een of ander gegraveerd, zei Max en legde zijn eene hand onder de hare, terwijl hij met de andere het hart opnam.
Het meisje bloosde diep, maar trok haar hand niet terug.
--Wat? vroeg zij, verward.
--O, wat u wilt, uw initialen, of.... Mag 'k u de ketting 's omdoen?
--U? vroeg zij verlegen, zoo innig naar hem opkijkende, dat hij lust kreeg haar te zoenen. Maar zóo ver was hij nog niet....
--Ja. Mag ik?
Zij boog het hoofd, en hij trachtte de ketting in het slot te knippen, maar het ging natuurlijk niet gauw. Haar hals was veel te zacht en te blank.... En opeens, terwijl het slot vast-schoot, bukte hij zich, en drukte haar een kus op den hals.
Zij richtte zich snel op; hoog-rood, met neergeslagen oogen, bleef zij zwijgend staan. En hij, op haar neer-ziende, dacht: Wat is ze nu gelukkig, o, wat is dat kind nu gelukkig.... Hij zag haar snelle ademhalen, haar zenuwachtig zich vasthouden met de hand aan haar stoel, en hij genoot. Maar toen zij niets zeide, lichtte hij even haar kin op:
--Ben je boos?
Zij antwoordde niet, en hij, ofschoon hij het onverstandig vond, nam haar hoofd in zijn handen, en zoende haar op den mond.
Zij bleef zwijgen.... aldoor zwijgen.... en zij keek hem niet aan.... totdat hij opeens begreep, dat zij iets van hem verwachtte: een liefdesverklaring.... een huwelijksaanzoek.... en hij zich pijnlijk beklemd ging voelen. Wat drommel! dat meisje had zich voor hem "hingestellt": "greif zu!" En hij hàd toe-gegrepen natuurlijk!
Hij was werkelijk een oogenblik zijn contenance kwijt. Hij vond haar nu opeens niet zoo aardig meer, neen, zij was eigenlijk onbeduidend, een echt kind....
Een klop op de deur schrikte hen beiden op.
--Ja! riep hij dadelijk.
--Meneer, zei de groom, daar is juffrouw de Bruin....
Goddank, dacht Max.
--Laat juffrouw de Bruin in 't achterkantoor, en verzoek haar even te wachten.
_Even te wachten_, had hij gezegd. Hij stuurde die juffrouw niet weg, hij zei niet, dat hij op 't oogenblik niet kon ontvangen.... Ja! dan kon zij nu óok wel weg-gaan.... dacht het meisje, met een vreemd gevoel van berusting en droefheid over zich, en wendde zich af.
--Gáat u nu? Nu ziet u 's, hoe druk ik 't heb. Nooit rust, nooit kan ik 's van aangenaam gezelschap....
Maar zij trok haar hand, die hij genomen had, weg uit de zijne, wijl hij die aldoor vast bleef houden.
--O, ja, zei ze. De ketting, die mag 'k nu nog niet hebben....
Snel maakte zij de ketting los, en legde haar in het étui. Toen keek zij om naar haar parasol.
--Uw parasol? die is hier, zei Max, haar volgende tot de deur. Weer nam hij haar hand, en trachtte haar diep in de oogen te kijken, maar zij ging heen, met een koelen groet:
--Meneer van den Heuvel....
Max sloot de deur achter haar, en bleef even staan in gedachten. Spirit, temperament zat er toch wel in dat kind, wat hield ze zich goed.... Flink zoo, zóo mocht hij het! Enfin, hij zag haar nog wel eens terug....
Hij sloot het étui met de ketting weg in zijn bureau, en ging, nog wat verstrooid, naar de porte-brisée, die hij open schoof.
--Juffrouw de Bruin!
--Meneer Max van den Heuvel....
Juffrouw de Bruin was, helaas, een oude jongejuffrouw, en, helaas, óok al op hem verliefd. Eerst uit de grap had hij haar wat aangemoedigd, maar nu viel zij hem voortdurend lastig, en was zij hem niet zoo zeer meer tot amusement als wel tot verveling geworden....
--U had.... dames-bezoek.... meneer Max?
--Ja, ja, juffrouw de Bruin! dacht u, dat ù alleen me 't voorrecht van uw gezelschap gunde?
--Niet plagen, meneer Max! zuchtte de oude juffrouw coquet.
--Kunt u daar niet tegen? U weet anders wel:....
Was sich liebt, neckt sich, had hij willen zeggen, en op een anderen keer hád hij dat ook zeker gedaan. Maar hij durfde nu niet goed. Er moest nu eens een scène op volgen, tegenovergesteld aan die, welke hij zoo juist had beleefd....
.... dat ik 't zoo kwaad niet bedoel, maakte hij zijn zin tammetjes af.
--Meent u 't goed met me? Heusch? nu dan moest u toch 's die cyclus verzen plaatsen, die er al zoo lang van me ligt....
--Ja, uw verzen! Max wist, dat hij nog een bijdrage van haar had, maar hij was, over het aannemen daarvan, zóo door de andere jongelui gekapitteld, dat hij die in een la had gesmeten, met de bedoeling haar heel laat, en nog beter nooit dan laat, te plaatsen.
--Kijk u 's, juffrouw de Bruin, we hebben zóoveel copie....
--Ook zooveel, die al van de oprichting af heeft gewacht?
--O, ja! en langer! Ik had al 'n voorraad, eer we begonnen!
--Kom, meneer Max, zei de oude jonge dame, en greep zijn hand, doet u 't nu 's om _mij_ pleizier te doen, ja? Plaatst u ze nu in 't volgend nummer....
--Dat van overmorgen is al klaar, schrikte Max.
--Ja, jawel, dat begrijp ik, maar 't daarop volgende, bedoel ik. Toe, meneer Max, en zij drukte zijn hand, weet u, de volgende week ben ik.... jarig!
--Zoo, zoo!
--Ja.... en.... een _Eva_ met _mijn_ verzen d'r in, zou m'n liefste cadeau zijn op die dag.
--Zullen we u dat pleizier dan maar doen?
--Alstublieft, hè, ja. Ik dank u wel, hoor?
En juffrouw de Bruin drukte dankbaar haar lippen op de hand, die zij nog altijd in de hare hield.
Jong of oud, dacht Max, allemaal koekoek-eenzang. Allemaal zijn ze Eva'tjes, de een meer, de ander minder, maar _allemaal_ trachten ze er voor te spelen. Soms is 't komisch, soms aardig, soms pijnlijk, soms embêtant.... Maar kom! wat hoefde hij zijn stemming te laten bederven door het voorgevallene met dat kind? Zij zou wel wijzer zijn, en zich niets verbeelden, en nog wel eens terug-komen, en zij zouden goede vrienden zijn.... Kom, hij was vandaag in zoo'n goed humeur: zou hij deze dame óok eens een zoen geven? en haar daardoor brengen tot in de hoogste hemelen? Nú dweepte zij met hem, dán zou zij hem aanbidden met al den gloed eener.... laatste liefde....
Zijn overmoed vermeesterde hem; hij boog naar haar toe:
--Is u nu tevreden?